Toelichting - bijl. 14 - Uitspraak Raad van State ECLI NL RVS 2019 2652 31 juli 2019.pdf
Tekst van het document
veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan
Uitspraak 201801186/1/R2
19
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan [appellant sub 5] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier. w.g. Helder w.g. Zijlstra voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019 240.
BIJLAGE PROVINCIALE RUIMTELIJKE VERORDENING UTRECHT 2013 (HERIJKING 2016) Artikel 2.4 Natuur Netwerk Nederland 1. Als ‘Natuur Netwerk Nederland’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Natuur. 2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Natuur Netwerk Nederland’ bevat bestemmingen en regels die de wezenlijke kenmerken en waarden beschermen en in stand houden. Onder wezenlijke kenmerken en waarden worden zowel actuele als potentiële waarden verstaan. 3. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Natuur Netwerk Nederland’ bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij: a. er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn, of de ruimtelijke ontwikkelingen nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen omheinde militaire terreinen mogelijk maken, en b. negatieve effecten voor de natuur worden zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd door inrichting van nieuwe natuur elders, met dien verstande dat: i.
de compensatie minimaal gelijkwaardig is aan het verlies aan waarden en kenmerken, en ii. de compensatie plaatsvindt in aansluiting op het Natuur Netwerk Nederland (NNN), of binnen de groene contour, of binnen het NNN op een locatie waar nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en dit leidt tot versnelling van realisatie van het NNN, en iii. de realisatie van de compensatie, het beheer en de instandhouding daarvan zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het ruimtelijk besluit, waarin de aantastende ruimtelijke ingreep mogelijk wordt gemaakt.
Uitspraak 201801186/1/R2
20
4. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'Natuur Netwerk Nederland' bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan en bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende wezenlijke kenmerken en waarden. 5. Gedeputeerde Staten kunnen een gebied grenzend aan de 'Natuur Netwerk Nederland' aanwijzen als 'Natuur Netwerk Nederland' waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Natuur. Wanneer zij een gebied aanwijzen, wijzigen zij gelijktijdig het gebied 'Luchtvaartterrein' waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Verkeer en Vervoer. Artikel 3.1 Landelijk gebied Als ‘landelijk gebied’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landelijk gebied. Artikel 3.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ bevat geen bestemmingen en regels voor verstedelijking, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.5 Bebouwingsenclaves en -linten 1.
Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, en b. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten, en c. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast. 2. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing. Artikel 3.11 Functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen ("ruimte voor ruimte") 1. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.
het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw, en b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 1000 m² tot 2500 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één
Uitspraak 201801186/1/R2
21
nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2500 m² tot 4000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4000 m² of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5000 m² aan bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt voor één woning. Afwijking van deze maatvoering en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit, en c. de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit, en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 2. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. PLANREGELS […] Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden […] 3.6.
Wijzigingsbevoegdheid […] 3.6.2 Ten behoeve van het wijzigen naar de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' in combinatie met de ruimte voor ruimte regeling Burgemeester en wethouders zijn, als sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf, bevoegd de bestemming van het betreffende agrarische perceel en bouwvlak te wijzigen naar de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak, ‘Wonen’ en ‘Tuin’, onder voorwaarden dat: a. de aanvrager van de wijziging aannemelijk maakt dat het agrarische bedrijf de agrarische activiteiten geheel heeft beëindigd en uit een advies van een agrarisch deskundige blijkt dat er niet langer sprake is van een agrarisch bedrijf; b. het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; c. het wijzigen van de bestemming aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat; d. door de situering van een woning de omliggende (agrarische) bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsuitoefening; e. de bouwwerken landschappelijk worden ingepast en aangetoond is dat de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; f. wordt voldaan aan de parkeernormen in hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 25 Algemene gebruiksregels artikel 25.3 parkeren.
Uitspraak 201801186/1/R2
22
g. een woning, afhankelijk van de landschappelijke inpassing, niet groter mag worden dan 800 m3 en een bijbehorend bouwwerk, afhankelijk van de oppervlakte van het perceel, niet groter mag worden dan 150 m2; h. het bevoegd gezag wint, alvorens over de wijziging te beslissen op grond van een inrichtingsplan, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake, milieu, natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder artikel 3.6.2 sub e wordt voldaan; i. als de voormalige bedrijfsgebouwen en kassencomplexen, niet zijnde de agrarische bedrijfswoning, geheel worden gesloopt, het aantal nieuwe woningen mag worden gerealiseerd, zoals opgenomen in onderstaande tabel. Hierbij is cumulatie van sloop van kassen en bedrijfsgebouwen mogelijk; j. als de bestaande oppervlakte aan kassen 15% minder is dan het gestelde maximum om in aanmerking te komen voor een (extra) woning is maatwerk mogelijk waarbij een extra inspanningsverplichting wordt gevraagd ten aanzien van landschaps- en/of natuurontwikkeling en/of recreatief medegebruik Artikel 10 Natuur 10.1 De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de aan het gebied eigen zijnde natuur- en landschapswaarden, namelijk laagveen en rietmoerassen (Oostelijke Vechtplassen, inclusief Noorderpark) met daaraan eigen zijnde flora en fauna; b.
ecologische overgang- en verbindingszones c. water en watergangen; d. recreatief medegebruik; e. extensief agrarisch gebruik als weide grond passend binnen de natuurdoelstelling van het Natura 2000 gebied. met de daarbij behorende: f. bruggen; g. straatmeubilair voor het recreatief medegebruik; h. onverharde ontsluitingswegen en paden; i. waterhuishoudkundige voorzieningen; j. parkeervoorzieningen k. overige functioneel met de bestemming 'Natuur' verbonden voorzieningen. […] 10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en
Uitspraak 201801186/1/R2
23
wethouders de navolgende andere werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, en paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het scheuren van grasland; f. andere-werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling; g. het aanleggen van natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen en steigers; h. het ophogen van de bestaande legakkers en het aanleggen van nieuwe legakkers. 10.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 10.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhouden beheer betreffen gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de bestemming; b. uit een oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn. c.
op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. […] 10.5 Wijzigingsbevoegdheid 10.5.1 Bestemming ‘Natuur’ wijzigen in ‘Tuin’: Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de gronden met de bestemming 'Natuur' en aanduidingen, genoemd in artikel 10.1, te wijzigen in de bestemming 'Tuin' zoals bedoeld in deze regels, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de wijziging alleen kan worden toegepast bij gronden die direct aansluiten op een woonperceel en/of tuinbestemming met tuin en de betreffende gronden met de bestemming Natuur tijdens de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan in eigendom waren van de eigenaar van het woonperceel met tuinde aansluitende gronden met de bestemming wonen- en/of tuin; b. in aanvulling op het gestelde onder a. geldt ook dat gronden die verder meer dan 150 meter, gemeten vanaf het midden van de weg, het natuurgebied in liggen, niet in aanmerking komen voor de wijziging. c. de provinciale Nee-Tenzij-toets is uitgevoerd en hierop een positief advies is ontvangen van de provincie;
Uitspraak 201801186/1/R2
24
d. eventuele compenserende maatregelen die voortkomen uit de Nee-Tenzij-toets zijn uitgevoerd; e. het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; f. na wijziging is bouwen van bouwwerken of bouwwerken geen gebouwen zijnde op deze gronden uitgesloten. […] Artikel 12 Recreatie - 2 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. volkstuinen, b. ter plaatse van de aanduiding "kas" een kas, met de daarbij behorende: c. bouwwerken; d. erven en terreinen; e. groenvoorzieningen en water; f. parkeervoorzieningen en straatmeubilair; g. nutsvoorzieningen en kunstwerken; h. ondergrondse afvalinzamelsystemen; i. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie; j. wegen en paden; k. overige functioneel met de bestemming 'Recreatie' verbonden voorzieningen. Artikel 14 Recreatie - 4 14.1 De voor 'Recreatie - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsrecreatie, b. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouw" een bijgebouw en prieel, met de daarbij behorende: c. zelfstandige recreatieverblijven met bijbehorende erven; d. parkeervoorzieningen; e. tuin, natuur en water; f. waterhuishoudkundige voorzieningen; g. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie;
Uitspraak 201801186/1/R2
25
h. overige functioneel met de bestemming 'Recreatie 4' verbonden voorzieningen. 14.2 Bouwregels Op de in artikel 14.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat: ten aanzien van gebouwen: a. de goot- en bouwhoogte van recreatieverblijven respectievelijk maximaal 3 m en 5 m bedraagt; b. de inhoud van een recreatieverblijf maximaal 250 m³ bedraagt; c. één (1) bijbehorend bouwwerk bij een recreatieverblijf mag worden gebouwd van maximaal 10 m² en een bouwhoogte van maximaal 3m; d. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouw" is, naast het gestelde onder c, een bijgebouw/schuur en prieel toegestaan waarvan de maatvoering zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, geldt als maximaal toegestane; e. de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt. ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: f. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan: 1. 1 m op de gronden vóór de naar een openbare weg gekeerde gevel; 2. 2 m op de overige gronden; g. de hoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer bedraagt dan 3 m; h. het aanleggen van natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen en steigers. Artikel 17 Verkeer 17.1 Bestemmingsomschrijving.
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en paden; b. reclameborden; (reclamezuilen en billboards) c. parkeervoorzieningen d. het houden van evenementen binnen de aanduiding "evenemententerrein" e. bruggen kunst werken; f. geluidwerende voorzieningen; g. groenvoorzieningen en water; h. in- en uitritten; i. kunstobjecten en straatmeubilair;
Uitspraak 201801186/1/R2
26
j. sport- en speelvoorzieningen k. nutsvoorzieningen; l. waterhuishoudkundige voorzieningen; m. ondergrondse afvalinzamelsystemen; n. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie; o. overige functioneel met de bestemming ‘Verkeer’ verbonden voorzieningen; p. ter hoogte van de aanduiding "terras" is een terras bij een horecagelegenheid toegestaan. 2. de oppervlakte van gebouwen niet meer bedraagt dan 15 m². 17.2 Bouwregels […] 17.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 m; b. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt niet meer dan 10 m; c. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 10 m; d. de bouwhoogte van straatmeubilair, en reclameborden bedraagt niet meer dan 6 m; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 m. Artikel 17.3. Specifieke gebruiksregels 17.3.1 Strijdig gebruik Zie hiervoor hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 25 Algemene gebruiksregels artikel 25.2 strijdig gebruik. 17.3.2 Specifieke gebruiksregels ten aanzien van evenementen en incidentele festiviteiten. Binnen de inrichting "recreatieterrein de Maarsseveense Plassen" is het toegestaan: a.
Evenementen en incidentele festiviteiten te organiseren die passen binnen de reguliere geluidsnormen van het Activiteitenbesluit (afdeling 2.8); b. Maximaal 12 dagen per jaar ontheffing te verlenen van de onder a genoemde normen van het Activiteitenbesluit ten behoeve van een evenement of incidentele festiviteit waarbij de volgende voorwaarden in acht worden genomen: 1. de 12 dagen ontheffing gelden voor de inrichting "recreatieterrein de Maarsseveense Plassen"; (-). 17.3.3 Specifieke gebruiksregels ten aanzien van openingstijden terras Ten aanzien van het terras bij de horecagelegenheid geldt dat het terras om 23.00 uur
Uitspraak 201801186/1/R2
27
gesloten moet zijn. Artikel 18 Water 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterlopen; b. waterhuishouding; c. recreatief gebruik; d. ter plaatse van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden' zijn de ronden ook bestemd voor het behoud, versterking en herstel van daar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, namelijk een langgerekt slotenpatroon dat kenmerkend is voor het veenweidegebied, en de turfsteekgaten tussen de Kleine Plas en Tuinbouwweg; e. ligplaatsen voor recreatievaartuigen; f. steigers; g. ter hoogte van de aanduiding "terras" is een terras bij een horecagelegenheid toegestaan. met de daarbij behorende: h. bruggen, sluizen, waterhuishoudkundige voorzieningen, beschoeiingen en overige kunstwerken; i. afmeervoorzieningen; j. trailerhelling; k. recreatievoorzieningen; l. kruisende wegen en paden; m. overige functioneel met de bestemming 'Water' verbonden voorzieningen. […] 18.3 Specifieke gebruiksregels […] 18.3.2 Specifieke gebruiksregels ten aanzien van openingstijden terras Ten aanzien van het terras bij de horecagelegenheid geldt dat het terras om 23.00 uur gesloten moet zijn. Artikel 19 Wonen 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van aan-huisverbonden beroepen dan wel bedrijfsmatige activiteiten aan huis; b. ter plaatse van de aanduiding "voormalig agrarisch bedrijf" de bestaande voormalige bedrijfswoning en het
Uitspraak 201801186/1/R2
28
bestaande oppervlak aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing; c. ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" een natuurgeneeskundig gezondheidscentrum met de daarbij behorende: d. bouwwerken e. erven en tuinen; f. toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; g. parkeervoorzieningen; h. groenvoorzieningen en water; i. overige functioneel met het wonen verbonden voorzieningen. 19.2 Bouwregels Op de in artikel 19.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat: ten aanzien van hoofdgebouwen: a. deze uitsluitend worden gebouwd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken; b. per bouwvlak niet meer dan het aantal woningen wordt gebouwd overeenkomstig de binnen dit bouwvlak op de verbeelding aangegeven aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; en indien deze aanduiding niet is opgenomen, niet meer dan een (1) woning binnen het bouwvlak wordt gebouwd. c. ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" is geen zelfstandige woning maar enkel bijbehorende bouwwerken conform het bepaalde in artikel 19.2 sub i en artikel 19.2 sub j toegestaan; d. de inhoud van het hoofdgebouw maximaal 650 m³ bedraagt; e. de goothoogte en bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal respectievelijk 4,5 m en 10 m bedraagt, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven; f.
in afwijking van hetgeen onder artikel 19.2 sub d en artikel 19.2 sub e het hoofdgebouw binnen de aanduiding "voormalige recreatiewoning" maximaal 250 m3 bedraagt met een gooten bouwhoogte van respectievelijk 3 m en 5 m. g. ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" een gebouw van maximaal 1000 m2 toegestaan met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 6 m; h. Een hoofdgebouw slechts één (1) officiële voorkant heeft namelijk de kant die naar de openbare weg is gekeerd en waar in de meeste gevallen de voordeur is. Artikel 20 Woongebied (voormalig verblijfsrecreatief park) 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van aan-huisverbonden beroepen dan wel bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
Uitspraak 201801186/1/R2
29
met de daarbij behorende: b. bouwwerken; c. erven en tuinen; d. wegen en paden; e. toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; f. parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i. (ondergrondse) afvalinzamelsystemen; j. straatmeubilair; k. water en waterhuishoudelijke voorzieningen l. bruggen, dammen en duikers; m. groenvoorzieningen; n. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie; o. overige functioneel met het wonen verbonden voorzieningen. 20.2 Bouwregels Op de in artikel 20.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. het totaal aantal woningen binnen het woongebied niet meer bedraagt dan op de verbeelding aangegeven aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; b. per afzonderlijk bouwperceel maximaal 1 hoofgebouw is toegestaan voor één (1) woning; c. de oppervlakte van elk afzonderlijk bouwperceel minimaal 150 m² bedraagt, een groter perceel geeft geen recht op een grotere woning; d. het totale bebouwingspercentage per afzonderlijk bouwperceel maximaal 50% bedraagt, waarbij de regels onder sub e in acht moeten worden genomen; e. per afzonderlijk bouwperceel ten aanzien van de gebouwen de volgende regels gelden: 1. de goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 3 m; 2. de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 5 m; 3.
de afstand van het hoofdgebouw ten opzichte van de (openbare)weg of de dichtstbijzijnde verkeersbestemming bedraagt minimaal 1,50 m onder voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van een parkeerplaats op eigen erf; 4. de inhoud van het hoofdgebouw bedraagt, afhankelijk van het genoemde percentage onder sub d, maximaal 250 m³; 5. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse en achterste (bouw)perceelgrenzen
Uitspraak 201801186/1/R2
30
bedraagt minimaal 1,50 m; 6. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het achtererfgebied bedraagt, afhankelijk van het genoemde percentage onder sub d, maximaal 30 m² met een bouwhoogte van 3 m; 7. bijbehorende bouwwerken mogen vrij staan of aan het hoofdgebouw vast gebouwd worden, in welk geval de aanbouw niet hoger mag worden dan de goothoogte van het hoofdgebouw; 8. het is niet toegestaan hoofdgebouwen samen te voegen tot 1 woning van 500 m³; f. een hoofdgebouw heeft slechts één (1) officiële voorkant namelijk de kant die naar de openbare weg is gekeerd, als er onduidelijkheid is over de voorkant zal het college van B&W de voorkant aanwijzen. ten aanzien van bouwwerken geen gebouwen zijnde de volgende regels gelden: g. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal: 1. 1 m op de gronden vóór de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw; 2. 2 m op de overige gronden; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen waaronder speelvoorzieningen, bedraagt maximaal 3 m.
Uitspraak 201801186/1/R2
31