Toelichting - bijl. 1 - Beoordeling effecten evenementen & permanente bewoning.pdf
Tekst van het document
Beoordeling effecten van evenementen en permanente bewoning bungalows op beschermde soorten Grote Maarsseveense Plas, Maarssen Quick scan in het kader van de Flora- en faunawet en Voortoets Natuurbeschermingswet 1998
D. Emond M.J.M. Poot
Beoordeling effecten van evenementen en permanente bewoning op beschermde soorten Grote Maarsseveense Plas, Maarssen
Quick scan in het kader van de Flora- en faunawet en Voortoets Natuurbeschermingswet 1998
D. Emond M.J.M. Poot
opdrachtgever: Gemeente Maarssen 5 juli 2007 rapport nr. 07-068
Status uitgave:
definitief eindrapport
Rapport nr.:
07-068
Datum uitgave:
5 juli 2007
Titel:
Beoordeling effecten van evenementen en permanente bewoning op beschermde soorten Grote Maarsseveense Plas, Maarssen
Subtitel:
Quick scan in het kader van de Flora- en faunawet
Samenstellers:
Drs. D. Emond Drs. M.J.M. Poot
Aantal pagina’s inclusief bijlagen:
53
Project nr.:
07-099
Projectleider:
Drs. M.J.M. Poot
Naam en adres opdrachtgever:
Gemeente Maarssen, Postbus 11, 3600 AA Maarssen
Referentie opdrachtgever:
Brief d.d. 23 maart 2007, kenmerk NBWvergunnning, Milieudienst Noord-West Utrecht.
Akkoord voor uitgave:
Hoofd sector Vogelecologie drs. S. Dirksen
Paraaf:
Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv; opdrachtgever vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Gemeente Maarssen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig BRL 9990:2001 / ISO 9001:2001.
2
Voorwoord De gemeente Maarssen is voornemens jaarlijks 12 evenementen toe te laten op het recreatieterrein de Grote Maarsseveense Plas waarbij meer geluidsbelasting mag optreden dan gangbaar (zie $ 1.4). Daarnaast wil de gemeente in het nieuwe bestemmingsplan de woonfunctie van de bungalowparken gelegen aan de Grote Maarsseveense Plas legaliseren. Deze parken worden reeds dertig jaar grotendeels permanent bewoond. De vraag is wat deze statusverandering betekent in het kader van de natuurwetgeving. Met bovenstaande activiteiten en verandering van woonfunctie zal rekening gehouden moeten worden met het huidige voorkomen van soorten planten en dieren die beschermd zijn krachtens de Flora- en faunawet. De gemeente Maarssen heeft, via de Milieudienst Noord-West Utrecht, Bureau Waardenburg opdracht verstrekt om een quick scan naar beschermde soorten in de Grote Maarsseveense Plas uit te voeren. In dit rapport wordt verslag gedaan van de bevindingen. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: D. Emond M.J.M. Poot G.F.J. Smit
veldwerk, rapportage, fotografie. projectleiding, rapportage interne advisering natuurwetgeving
Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hun uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het Kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem is ISO gecertificeerd. Vanuit de Milieudienst Noord-West Utrecht werd de opdracht begeleid door dhr. J. Ouwerkerk en dhr. P. Swart en vanuit de gemeente Maarssen door mevr. S. Lutters en mevr. M. Udo.
3
4
Inhoud Voorwoord.........................................................................................................................................3 Inhoud ................................................................................................................................................5 1
2
3
4
Inleiding.......................................................................................................................................7 1.1
Aanleiding en doel..........................................................................................................7
1.2
Aanpak quick scan en voortoets ...................................................................................7
1.3
Het plangebied ...............................................................................................................8
1.4
Voorgenomen ingreep en mogelijke effecten ............................................................11
1.5
Bronnenonderzoek.......................................................................................................15
Effectbeoordeling......................................................................................................................17 2.1
Flora...............................................................................................................................17
2.2
Vissen ............................................................................................................................18
2.3
Amfibieën......................................................................................................................18
2.4
Reptielen .......................................................................................................................19
2.5
Grondgebonden zoogdieren .......................................................................................20
2.6
Vleermuizen..................................................................................................................21
2.7
Vogels............................................................................................................................23
2.8
Beschermde soorten ongewervelden..........................................................................28
Beschermde gebieden ..............................................................................................................31 3.1
Inleiding.........................................................................................................................31
3.2
Natuurwaarden Natura 2000 en mogelijke effecten .................................................33
Conclusies en aanbevelingen...................................................................................................37 4.1
5
Conclusies .....................................................................................................................37
Literatuur...................................................................................................................................39
Bijlagen .............................................................................................................................................43 Bijlage 1
Wettelijk kader..............................................................................................................45
1.1
Inleiding.........................................................................................................................45
1.2
Flora- en faunawet.......................................................................................................45
1.3
Natuurbeschermingswet 1998 ....................................................................................47
1.4
Rode lijsten....................................................................................................................48
1.5
Ecologische Hoofdstructuur.........................................................................................49
Bijlage 2
Gegevens Natuurloket..................................................................................................51
Bijlage 3
Overzicht evenementen en mogelijke effecten vleermuizen.....................................53
5
6
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel De Maarsseveense plassen grenzen aan het Vogelrichtlijn- Habitatrichtlijngebied de Oostelijke Vechtplassen. De grote plas is in beheer bij het Recreatieschap de Stichtse Groenlanden en wordt voornamelijk gebruikt voor dagrecreatie (o.a. strandbad). Echter, er worden sinds jaar en dag ook evenementen gehouden bij deze plas. Sinds drie jaar is hierin een groei te zien qua geluidshinder. Er werden, op basis van de APV, altijd wel vergunningen verleend met geluidsnormen, maar dit gebeurde zonder een gedegen beleidsbasis. Vanwege de waargenomen groei heeft het college van B&W van Maarssen bepaald dat er een evenementenbeleid opgesteld moest worden, waarin o.a. duidelijke geluidsnormen opgenomen moesten worden. Onderdeel hiervan is een toetsing in het kader van de Flora- en faunawet en een voortoets met betrekking tot de Natuurbeschermingswet. Als de voorgenomen ingreep naar verwachting leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en faunawet moet worden verkregen. Met betrekking tot de Natuurbeschermingswet geldt dat er rekening gehouden dient te worden met eventuele (externe) effecten op het beschermde Natura 2000-gebied de ‘Oostelijke Vechtplassen’, omdat het recreatieterrein hier aan grenst.
Hoewel het recreatiegebied geen onderdeel is van het Natura 2000-gebied kunnen door middel van zogenaamde externe effecten de natuurwaarden toch beïnvloed worden. In dit rapport is op basis van bestaande kennis van voorkomen en de gevoeligheid van soorten voor ingrepen/verstoring een ecologische inschatting gemaakt van mogelijke effecten door de geplande evenementen en vervolgens een beoordeling van deze effecten uitgevoerd. Deze rapportage kan vervolgens dienst doen bij de onderbouwing van de ontheffingsaanvraag ex artikel 75 in het kader van de Flora- en faunawet en/of vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet.
1.2
Aanpak quick scan en voortoets De quick scan en voortoets betreft een beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in het plangebied, de functie van het plangebied en de directe omgeving voor deze soorten en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quick scan vindt plaats op grond van: Bronnenonderzoek Terreinbezoek Expert judgement. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen, is het Natuurloket
7
op internet (www.natuurloket.nl) bezocht en zijn diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd (zie literatuurlijst). Ten aanzien van vogels zijn de meest recente gegevens opgevraagd bij SOVON Vogelonderzoek Nederland (Eekelder 2007). Terreinbezoek Het plangebied Grote Maarsseveense Plas is op 24 april 2007 bezocht. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc). Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Expert judgement De quick scan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. De quick scan betreft geen veldinventarisatie. Een veldinventarisatie omvat verscheidene opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. Daarom is expert judgement nodig om de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk voorkomende soorten te beoordelen. Als de beschikbare gegevens onvoldoende houvast bieden om tot een goed beoordeling te komen, zal dit expliciet worden aangegeven.
1.3
Het plangebied Het plangebied betreft een recreatieplas, gelegen tussen Utrecht en Maarssen. De recreatieplas betreft een voormalige zandwinplas voor de stadsuitbreiding van Utrecht en de aanleg van een industrieterrein rond Maarssen. Het gebied bestaat uit een vrij toegankelijk deel en een afgebakend deel waarvoor entreegeld moet worden betaald. In het vrij toegankelijke deel zijn diverse recreatiemogelijkheden aangelegd. Rondom de plas loopt een verhard pad waardoor deze te bereiken zijn (Foto 1.). Het eigenlijke plangebied betreft het afgebakende deel (zie figuur 1.1). Dit bestaat uit zandstranden, ligweiden en bosschages (zie foto voorkant). De bosschages staan rondom de hele plas en bestaan uit soorten als lijsterbes, zomereik, wilg, berk, esdoorn en witte abeel. De bosschages hebben een open karakter waardoor zich een rijke kruidenbegroeiing heeft ontwikkeld. De ondergroei wordt gedomineerd door soorten als penningkruid, fluitenkruid, hondsdraf en kleefkruid.
8
1 .
2 .
Figuur 1.1
Ligging van de Grote Maarsseveense Plas (ten NNW van de stad Utrecht) met in de bovenste kaart de plaatsen waar de evenementen georganiseerd zullen worden; aangegeven met een ster: 1. Strand; 2. Parkeerplaats. Het grijs arceerde gebied behoort tot het Natura 2000-gebied Oostelijk Vechtplassengebied.
9
Foto 1.
Verhard pad rondom de recreatieplas.
In het vrij toegankelijk gedeelte van de plas groeit een gevarieerde oevervegetatie gedomineerd door riet (Foto 2). De watervegetatie is vrij uniek met klein glanswier en breekbaar kransblad (www.trendinwater.nl).
10
Foto 2.
1.4
Oevervegetatie langs de noordkant van de plas in het vrij toegankelijk deel.
Voorgenomen ingreep en mogelijke effecten Evenementen De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de lijst van evenementen (zie Tabel 1.1), overgenomen uit de notitie evenementenbeleid van de gemeente Maarssen (versie 18 januari 2007). In het evenementenbeleid zijn geluidsnormen opgenomen voor evenementen in drie categorieën. Bij elke categorie horen normen die gerelateerd zijn aan tijden. In de beleidsnota wordt aangegeven dat er 12 evenementen plaats mogen vinden (de zogenaamde twaalf dagen regeling uit het Besluit Horeca-, Sport- en Recreatieinrichtingen milieubeheer), waarbij meer geluidsbelasting mag optreden dan gangbaar. Deze evenementen worden als volgt verdeeld over de twee hoogste categorieën: 3 evenementen in de hoogste categorie 9 evenementen in de categorie daaronder. Met betrekking tot de data van evenementen is uitgegaan van de informatie zoals beschreven in de notitie evenementenbeleid van de gemeente Maarssen.
11
Daarnaast geldt dat: Met betrekking tot licht- en trillinghinder zijn geen gegevens bekend. Normaal wordt uitgegaan van hetgeen in de AmvB staat. De data van de evenementen kan gebaseerd worden op basis van de reeds aangevraagde evenementen en verder van de gegevens van vorig jaar. In de beleidsnota wordt ook het begrip spreiding in de tijd gehanteerd. De meeste evenementen worden op het strand (zie Tabel 1.1) of op de parkeerplaats gehouden. Tabel 1.1
Overzicht van evenementen/activiteiten op het terrein van de Maarssenveense Plassen (overgenomen uit de notitie evenementenbeleid van de gemeente Maarssen (versie 18 januari 2007, bijlage 4).
Stand van zaken zoals in 2006 1 januari
Evenement /activiteit
Naam organisatie
Aantal bezoekers
muziek/geluid ja/nee
Strandbad/ parkeerterrein
nieuwjaarsduik
200
Ja
strandbad
Kermis
?
Ja
parkeerterrein
Big Foot stunt show
Original Traber Big foot and Stunt Show Dhr. H.L. Traber
?
Ja
parkeerterrein
4 5
24 maart t/m 1 april 3 zaterdagen en 2 zondagen tussen 15 maart en 1 juni 27 april 10 juli
RTV Utrecht en Buano Uitgeverij Dhr. J. Ordelman
Dhr. A. Sijm St. Musketiers
? 400
Ja Ja
parkeerterrein strandbad
6
29 juli
FCA, dhr. C. de l’Isle
10.000
Ja
strandbad
7
19 en 20 augustus
Circus Bongo Beach volleybaltoernooi Rockit Open Air Dance Festival Springevenement
200
Ja
strandbad
8
9 september
Max 2000
Ja
parkeerterrein
9
15 t/m 17 september
Parachutistencentrum Midden Nederland. Mw. N van Voorthuizen. St. Rockweide dhr. O. Steman HD club, dhr. A. v.d. Heijden
450 per dag
Ja
10
30 september tot 2 oktober 29 september t/m 2 oktober
Ja
strandbad (met kamperen) strandbad
Ja
strandbad
1 2 3
11
Rockweide festival Harley Davidson International Clubdagen Bijeenkomst Lincolnliefhebbers Back to the Boomerang
Dhr. Priem Het Olde Regthuijs Mw. C. de Pijper
Max 700 personen per dag
Woonfunctie bungalow-parken Daarnaast wil de gemeente in het nieuwe bestemmingsplan de woonfunctie van de bungalowparken gelegen aan de Grote Maarsseveense Plas legaliseren. Deze parken worden reeds dertig jaar grotendeels permanent bewoond. De vraag is wat deze statusverandering betekent in het kader van de natuurwetgeving. Er is hiermee sprake van een situatie waarbij geen nieuwe verstoringsbronnen zullen optreden of toename van verstoring optreedt.
12
De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quick scan naar beschermde soorten. Deze rapportage geeft antwoord op de volgende vragen: Welke beschermde soorten zijn in het plangebied aanwezig en/of kunnen in het plangebied verwacht worden? Welke functie heeft het plangebied voor de aanwezige beschermde natuurwaarden? Welke effecten op beschermde natuurwaarden heeft de ingreep? Worden verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet overtreden? Zo ja , welke? Moet hiervoor ontheffing worden aangevraagd? Is nader onderzoek nodig? Zijn er mogelijkheden voor mitigatie (vermindering) en compensatie van schade aan beschermde natuurwaarden? De activiteiten/evenementen vallen niet onder een door de minister goedgekeurde gedragscode. Er geldt voor evenementen geen vrijstelling voor soorten van Tabel 1, 2 en 3 (zie Bijlage 1). De volgende mogelijke effecten worden in dit rapport beoordeeld: Verstoring door beweging, licht en geluid gedurende de evenementen. Verstoring door beweging, licht en geluid. Verlies van areaal / biotoop als gevolg van verstoring. Versnippering als gevolg van verstoring.
13
Verstoring van vogels (op basis van Krijgsveld et al. 2004) In verschillende studies naar verstoring bij vogels worden verstoringsafstanden vermeld. Hierbij moet altijd bedacht worden dat er feitelijk nooit sprake is van één verstoringsafstand voor een soort, maar dat de afstand in grote mate kan variëren, in eerste instantie afhankelijk van de verstoringsbron en daarnaast van vele verschillende factoren, te beginnen met de vogelsoort, verstoringsbron, habitat etc. etc.. Bij het toepassen van verstoringsafstanden vanaf een verstoringsbron moet daarom altijd met de volgende algemene factoren rekening worden gehouden: naast verstoringsafstand wordt ook de mate van verstoring weergegeven, bijv. een afname in dichtheid tot 50% van de ongestoorde situatie in open gebieden is de verstoringsafstand groter dan in meer beschutte gebieden; voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kleinere verstoringsafstanden; hoe groter een groep vogels, hoe groter de verstoringsafstand; gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roepen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstoringsafstand; duur en frequentie: Continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring.
Bij verstoring zijn onverstoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel. niet wegvliegen staat vaak niet gelijk aan geen verstoring. Wanneer een vogel niet wegvliegt kan de verstoring middels fysiologische effecten wel negatieve consequenties hebben. Zo kunnen bijvoorbeeld broedsucces, overlevingskansen, of dichtheid van de soort in het gebied in de toekomst aangetast worden; daarnaast bepalen meetmethode van de studie, seizoen, en menselijk medegebruik van het habitat (wel of geen jacht, recreatie) in belangrijke mate de verstorings-afstand (vogels extra schuw of juist gewenning). De in de literatuur genoemde verstoringsafstanden zijn op allerlei verschillende manieren en momenten gemeten en moeten dan ook met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.
14
1.5
Bronnenonderzoek Om een zo goed beeld te krijgen van in de regio voorkomende beschermde soorten is gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, waaronder verspreidingsatlassen, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst). Het plangebied ‘Grote Maarsseveense Plas’ ligt grotendeels in de kilometerhokken x:133 / y:461, x:134 / y:462, x:133 / y:462 en x:134 / y:461. Een eerste indruk van mogelijk aanwezige beschermde soorten geeft het Natuurloket (www.natuurloket.nl zie Bijlage 2). De betreffende kilometerhokken beslaan echter ook de omliggende natuurgebied Molenpolder. De gegevens van het kilometerhok x:134 / y:461 zijn waarschijnlijk het meest representatief voor het plangebied. Bij het interpreteren van de gegevens van het Natuurloket dient hier dan ook terdege rekening mee gehouden te worden. Uit de gegevens van het Natuurloket blijkt dat de soortgroepen vaatplanten, broedvogels, watervogels, dagvlinders en sprinkhanen ‘redelijk’ tot ‘goed’ zijn onderzocht. De aantallen watervogels variëren hier van 20 (x: 133 / y: 461) tot 45 (x: 133 / y: 462). Uit het kilometerhok x:133 / y:461 is één Tabel 2-3 soort dagvlinder bekend.
Figuur 1.2
De ligging van de watervogeltelgebieden (blauw; UT2461, UT2463, UT2462 en UT2470) en het BMP-proefvlak (rood; 1843). Het watervogeltelgebied UT2470 overlapt in het geheel met de recreatieplas Grote Maarsseveense Plas.
De soortgroepen reptielen en amfibieën zijn in de twee noordelijk gelegen kilometerhokken ‘matig’ onderzocht met één soort reptiel van Tabel 2-3 en tot vier Tabel
15
1 soorten amfibieën en één Tabel 2-3 soort. In het kilometerhok x:134 / y:461 is de soortgroep paddestoelen ‘redelijk’ onderzocht met 8 soorten van de Rode lijst. De overige soortgroepen zijn ‘slecht’ tot ‘niet’ onderzocht.
Foto 3
16
Oevers van de Grote recreatiemogelijkheden
Maarsseveense
Plas
voorzien
van
diverse
2 Effectbeoordeling Aangezien de verandering in status van tijdelijke naar permanente bewoning van bungalows in het geval van de parken grenzend aan de Grote Maarsseveense Plas geen verandering in gebruik en verstoring ten opzichte van de huidige situatie betekent, worden geen effecten verwacht op beschermde soorten in en rond deze bungalowparken. Het aspect mogelijke effecten van permanente bewoning van bungalows wordt dan ook niet nader behandeld in de volgende paragrafen.
2.1
Flora Voorkomen en functie In en rondom de recreatieplas komen voor zover bekend de volgende beschermde planten voor: brede wespenorchis en gewone vogelmelk (Van der Meijde, 1998). Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet aangetroffen in en rondom het plangebied. Wel is de strikt beschermde soort daslook in het vrij toegankelijke deel aangetroffen. De beheerder van het recreatieterrein meldt de waarneming van de strikt beschermde tongvaren in de bosschages van het afgesloten deel van het plangebied. De bosschages worden door de evenementen niet aangetast. In 2005 heeft een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar de watervegetatie in de hele recreatieplas (www.trendsinwater.nl). Tijdens dit onderzoek zijn soorten gevonden als klein glaswier, breekbaar kransblad, groot nimfkruid, doorgroeid fontijnkruid en schedefonteinkruid. In het plangebied waar de evenementen plaatsvinden zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Aangezien deze locaties bestaan uit parkeerplaats, strand en ligweide worden deze hier ook niet verwacht. In de bosschages rondom de recreatieplas is daslook en tongvaren waargenomen. Mogelijk komen hier ook brede wespenorchis (www.waarneming.nl) en gewone vogelmelk voor. Effecten Als gevolg van de evenementen worden geen effecten verwacht op beschermde soorten vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Tabel 2.1 Soort
Voorkomen van en effecten op beschermde soorten planten Voorkomen Effecten Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? daslook in omgeving geen geen tongvaren in omgeving geen geen gewone mogelijk in geen geen vogelmelk omgeving brede mogelijk in geen geen wespenorchis omgeving
17
2.2
Vissen Voorkomen en functie plangebied De volgende beschermde soorten vissen zijn uit de regio bekend en zouden in het plangebied kunnen voorkomen: bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad (RAVON, 2006). Tijdens het veldbezoek is het water niet bemonsterd. In een inventarisatie uitgevoerd door Aqua Terra in 2006 (Beers, 2007) zijn geen beschermde vissoorten aangetroffen. F. Brekelmans (Bureau Waardenburg) meldt waarnemingen van de rivierdonderpad en de kleine modderkruiper in de recreatieplas. Naar verwachting vormen de oevers met oevervegetatie het belangrijkste onderdeel van het leefgebied van deze soort(en). Op basis van de uitgevoerde inventarisaties wordt de bittervoorn niet in het plangebied verwacht. Effecten Als gevolg van de evenementen worden geen effecten verwacht op het voorkomen van de rivierdonderpad en de kleine modderkruiper. Dit gezien het tijdelijke karakter van de evenementen en de omvang van de plas. Tabel 2.2 Soort
Voorkomen van en effecten op beschermde soorten vissen Voorkomen Effecten Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? kleine zeker Geen geen modderkruiper rivierdonderpad zeker Geen geen
2.3
Amfibieën Voorkomen en functie plangebied De volgende beschermde soorten amfibieën zijn uit de regio bekend: groene kikker ‘complex’, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (RAVON, 2006, mededeling beheerder recreatieplas). Tijdens het veldbezoek is de bruine kikker waargenomen in een plasje, gelegen in de bosschages binnen het plangebied. Rondom de recreatieplas, buiten het plangebied, is op diverse locaties de groene kikker ‘complex’ (vermoedelijk de bastaardkikker) gehoord. Op basis van biotoopvoorkeuren en de terreinkenmerken worden gewone pad en kleine watersalamander in de omliggende bosschages verwacht. Deze functioneren als landbiotoop voor groene kikker ‘complex’, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Uit de omgeving van het plangebied (o.a. Polder de Gagel) zijn waarnemingen van de rugstreeppad en heikikker bekend (F. Brekelmans, Bureau Waardenburg). Beide soorten
18
zijn niet in het plangebied aangetroffen en worden hier ook niet verwacht (o.a. mededeling beheerder recreatieplas). Effecten In het plangebied is de bruine kikker waargenomen en worden groene kikker ‘complex’, gewone pad en kleine watersalamander in de omliggende bosschages verwacht. De evenementen hebben geen effect op de bosschages. De locaties waar de evenementen plaatsvinden worden ongeschikt geacht voor amfibieën. Effecten van de evenementen op amfibieën worden niet verwacht. Tabel 2.3 Soort
Voorkomen van en effecten op beschermde soorten amfibieën Voorkomen Effecten Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? bruine kikker, zeker geen geen groene kikker ‘complex’ gewone pad, mogelijk geen geen kleine watersalamander
2.4
Reptielen Voorkomen en functie plangebied Van beschermde soorten reptielen is alleen de ringslang uit de regio bekend. Deze kan in het plangebied voorkomen (RAVON, 2006). Tijdens het veldbezoek is de ringslang, buiten het plangebied, in het noordelijk deel van de recreatieplas waargenomen (Foto 3). De beheerder van de recreatieplas meldt waarnemingen van ringslangen in het plangebied op dagen met een hoge recreatiedruk. De Grote Maarsseveense Plas behoort tot het leefgebied van de ringslang. Op basis van terreinkenmerken en inventarisaties uit de omgeving worden geen andere soorten reptielen verwacht.
19
Foto 3. plangebied.
De ringslang komt vrij algemeen voor in de omgeving van het
Effecten Als gevolg van de evenementen worden geen effecten verwacht op het voorkomen van de ringslang in en rondom het plangebied. Op basis van waarnemingen van de soort ten tijden van dagen met veel recreanten mag aangenomen worden dat de soort niet gevoelig is voor dit type van verstoring. Daarnaast zijn de locaties waar de evenementen worden gehouden ongeschikt als leefgebied voor de ringslang. Tabel 2.4 Soort
Ringslang
2.5
Voorkomen van en effecten op beschermde soorten reptielen Voorkomen Effecten Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? zeker geen geen
Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie plangebied De volgende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn uit de regio bekend: mol, hermelijn, wezel, bunzing, rosse woelmuis, woelrat, noordse woelmuis en waterspitsmuis (Broekhuizen et al., 1992). Tijdens het veldbezoek zijn in de bosschages rondom de recreatieplas de mol, bosmuis, konijn en huisspitsmuis waargenomen. Op basis van biotoopvoorkeuren en de
20
terreinkenmerken worden rosse woelmuis en woelrat in het plangebied verwacht. De bosschages vormen het leefgebied van deze soorten. De hermelijn, wezel en bunzing worden mogelijk incidenteel in de bosschages rondom het plangebied verwacht. De geschatte dichtheden zijn hier waarschijnlijk laag aangezien er in het gebied veel honden loslopen. Loslopende honden hebben een verstorend effect op grondgebonden zoogdieren. Er zijn waarnemingen bekend van de waterspitsmuis en noordse woelmuis van het omliggende natuurgebied Molenpolder. Beide soorten worden op basis van hun biotoopvoorkeur echter niet in het plangebied verwacht. Het incidenteel voorkomen van een enkele individu kan echter niet uitgesloten worden. De oevervegetatie rondom de recreatieplas, buiten het begrensde plangebied, zijn het meest geschikt voor genoemde soorten. De ingreep zal geen effect hebben op de oevers en oevervegetatie. Effecten Als gevolg van de evenementen worden geen effecten verwacht op voorkomende grondgebonden zoogdieren in het plangebied. De evenementen zijn gepland op locaties (ligweides) die alleen geschikt zijn voor het konijn en mol. Het konijn profiteert van de beheermaatregelen en ondervindt geen hinder van de reeds aanwezige recreatiedruk. Voor de overige soorten geldt dat de locaties geen geschikt leefgebied vormen.
Externe werking van de evenementen op voorkomende soorten in de omliggende bosschages en oevervegetatie worden niet verwacht. Tabel 2.5
Voorkomen van en effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren Soort Voorkomen Effecten Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? mol, konijn, zeker geen geen bosmuis en huisspitsmuis hermelijn, wezel mogelijk geen geen en bunzing incidenteel waterspitsmuis waarschijnlijk geen geen en noordse niet woelmuis
2.6
Vleermuizen Voorkomen en functie plangebied De volgende beschermde soorten vleermuizen zijn uit de regio bekend: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis (Limpens et. al., 1997). Van het plangebied zijn ongepubliceerde waarnemingen bekend van een aantal waarnemers die hieronder worden beschreven.
21
De combinatie van bosschages, oevervegetatie en water maakt de recreatieplas een geschikte locatie om te foerageren. F. Brekelmans (Bureau Waardenburg) meldt waarnemingen van foeragerende exemplaren van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. E. Jansen (VZZ, Utrecht) geeft aan dat de soorten tweekleurige vleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis mogelijk tot waarschijnlijk in de omgeving van het plangebied foerageren. Tevens geeft Jansen aan dat er geschikte bomen aanwezig zijn langs de Grote Maarsseveense Plas die als verblijfplaats kunnen functioneren. A.J. Haarsma (VZZ, deskundige meervleermuis) meldt dat er in de omgeving van de Oostelijke Vechtplassen geen verblijfplaatsen van de meervleermuis bekend zijn. Gegevens met betrekking tot aantallen vleermuizen en spreiding door het jaar zijn niet voorhanden. Effecten Op basis van de bestaande gegevens is het onbekend in hoeverre het plangebied, en de omliggende gebieden een betekenis heeft voor foeragerende vleermuizen. In algemene zin kan op basis van de beoogde evenementen en de jaarcyclus van vleermuizen een inschatting worden gemaakt (Figuur 2.1). De kraamperiode is de meest kritische periode voor vleermuizen, gevolgd door de paarperiode.
Figuur 2.1.
Jaarcyclus van Europese vleermuizen (Schober & Grimmberger, 2001).
Voor de interactie tussen evenementen en vleermuizen geldt dat alleen effecten optreden indien er sprake is van lichtverstoring waardoor foerageergebied ongeschikt wordt. Aangaande van de gehouden evenementen in 2006 (zie uitwerking effectdagen
22
voor vleermuizen in Bijlage 3) wordt de omgeving van het plangebied in totaal vijf dagen gedurende de kraamperiode, negen dagen gedurende de paarperiode en twee dagen in de periode dat vleermuizen zich verplaatsen van winter- naar zomerkwartier aangetast. Gedurende de periode dat vleermuizen zich van winter- naar zomerkwartier verplaatsen worden geen effecten verwacht. Naar verwachting zal door een evenement lichtverstoring optreden tot ongeveer 24.00 uur. Vervolgens neemt de lichtverstoring af en kunnen vleermuizen weer gebruik maken van de Plas om te foerageren. Onbekend is in welke mate vleermuizen die boven de plas jagen hun route boven de plas aanpassen dan wel een ander jachtgebied zullen zoeken. Ervan uitgaande dat vleermuizen intensief van de Plas gebruik maken zullen ze vijf dagen elders moeten foerageren. Gezien het groene karakter van de omgeving levert dit naar verwachting geen problemen op. Als gevolg van de evenementen worden dan ook geen effecten verwacht die een wezenlijke invloed hebben op vaste- rust en verblijfplaatsen in het plangebied of omgeving. Tabel 2.6 Voorkomen van en effecten op vleermuizen Soort Voorkomen Effecten
watervleermuis gewone dwergvleermuis laatvlieger ruige dwergvleermuis tweekleurige vleermuis meervleermuis
2.7
zeker zeker
beperkt tot geen beperkt tot geen
Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? geen geen
zeker mogelijk
beperkt tot geen beperkt tot geen
geen geen
mogelijk
beperkt tot geen
geen
mogelijk
beperkt tot geen
geen
Vogels Voorkomen en functie plangebied Broedvogels Van het plangebied zelf, het afgebakende deel van het recreatieterrein de Grote Maarsseveense Plas, zijn broedvogelgegevens voorhanden uit de periode 1998-2000, waarbij op kilometerhok-niveau onderzoek heeft plaatsgevonden naar het voorkomen van broedvogels in het kader van het Atlasproject voor Broedvogels. Het kilometer hok x:133 / y:461 is daarbij 2 maal een uur op alle soorten onderzocht. Hierbij is alleen de presentie van soorten vastgesteld. Op basis van uitgebreide eigen gebiedskennis is een inschatting gemaakt welke soorten van de lijst op het recreatieterrein de Grote Maarsseveense Plas tot broeden komen, waarbij onderscheid is gemaakt tussen het afgebakende deel en het vrije deel (Tabel 2.7). Op basis van eigen waarnemingen (M.
23
Tabel 2.7
Lijst van vogelsoorten voorkomend in kilometer-hok x:133 / y:461, waarin een deel van het afgebakende deel van recreatieterrein de Grote Maarsseveense Plas is gelegen (periode 1998-2000 in het kader van het Atlasproject voor Broedvogels, bron; Eekelder 2007). Op basis van uitgebreide eigen gebiedskennis is vervolgens een inschatting gemaakt welke soorten mogelijk op het recreatieterrein tot broeden komen. afgebakend recreatiesoort terrein/parkeerterrein e.o. fuut knobbelzwaan grauwe gans soepgans brandgans nijlgans bergeend wilde eend x soepeend x sperwer ? buizerd fazant ? meerkoet scholekster ? kleine plevier kievit watersnip grutto tureluur stadsduif houtduif x turkse tortel koekoek x gierzwaluw ijsvogel boerenzwaluw graspieper witte kwikstaart winterkoning x heggenmus x roodborst x merel x zanglijster x bosrietzanger ? kleine karekiet x grote karekiet grasmus zwartkop x tjiftjaf x fitis x matkop x pimpelmees x koolmees x boomkruiper x gaai x ekster x zwarte kraai x spreeuw x huismus x ringmus x vink x groenling x putter x
24
open recreatieterrein e.o. x x ?
x x ? ? x
x x x
x x x x x ? x x ? x x x x x x x x x x x x x x x x
Tabel 2.8
Aantal paren per soort broedend in de Noordelijke Maarsseveense Plassen (reservaat SBB), het gebied ten noorden van de Grote Maarsseveense Plas. Weergegeven is het aantal in 2004 (meest recente gegevens) en het maximum aantal in de periode 2000-2004, de periode waarin het gebied is onderzocht ((telgebied 1843, zie figuur 1.2, gegevensbron; Eekelder 2007). Cursief weergegeven soorten betreft vogels van de Rode Lijst (van Beusekom et al. 2005).
soort fuut knobbelzwaan grauwe gans brandgans nijlgans slobeend havik sperwer buizerd waterral scholekster kievit bosuil
Tabel 2.9
2004 max in jaar 4 8 2000 2 3 2003 29 33 2003 9 13 2002 6 8 2000 0 1 2002 0 1 2000 0 1 2002 1 1 2004 0 3 2000 1 1 2004 0 1 2003 0 1 2000
soort ijsvogel kleine bonte specht blauwborst sprinkhaanzanger snor rietzanger spotvogel grasmus wielewaal groenling putter kneu goudvink
2004 max in jaar 1 1 2004 0 1 2003 2 5 2003 4 4 2004 2 2 2004 9 21 2000 1 1 2004 5 7 2003 0 1 2003 0 2 2002 2 5 2000 0 1 2000 1 1 2004
Aantal watervogels in januari (midwinter) op de Grote Maarsseveense Plas (telgebied UT2462, zie figuur 1.2, gegevensbron; Eekelder 2007, geen telgegevens uit 2002). soort fuut knobbelzwaan smient wilde eend soepeend tafeleend kuifeend brilduiker waterhoen meerkoet kokmeeuw stormmeeuw zilvermeeuw
2001 2 0 0 355 0 4 81 0 2 224 156 0 68
2003 0 0 50 0 0 0 2 1 2 80 0 20 0
2004 2 2 3 35 5 0 0 0 6 48 0 0 0
2005 0 0 3 6 0 5 35 2 0 20 30 40 0
gemiddeld 1,0 0,5 14,0 99,0 1,3 2,3 29,5 0,8 2,5 93,0 46,5 15,0 17,0
Poot ongepubliceerd) zijn aan deze lijst nog de volgende broedvogelsoorten toe te voegen; grauwe vliegenvanger, spotvogel, tuinfluiter en goudvink. Van het naastliggende gebied de Noordelijke Maarsseveense Plassen zijn voor de periode 20002004 ook nauwkeurige gegevens voorhanden van het aantal broedparen, maar alleen van de meer schaarse soorten (Tabel 2.8). Niet-broedvogels Met name de grote plas van het recreatieterrein heeft buiten het broedseizoen een overwinteringsfunctie voor met name watervogels. De aantallen in midwinter zijn echter laag te noemen, wat inhoudt dat in het seizoen dat de meeste evenementen plaatsvinden nauwelijks van deze categorie vogels aanwezig zullen zijn. In het zomerhalfjaar zijn mogelijk aalscholvers foeragerend actief op de plas. Daarnaast is
25
bekend dat in het vroege voorjaar het afgebakende deel van de Grote Maarsseveense Plas gebruikt wordt als voorverzamelplaats van scholeksters en visdieven, waarbij er tijdens de doortrekperiode ook andere steltlopersoorten zoals oeverloper, witgat en kleine plevier tijdelijk en afhankelijk van afwezigheid van mensen op het terrein kunnen opduiken (waarnemingen M. Poot ongepubliceerd). Effecten in het kader van de Flora en faunawet Hieronder zal de vraag beantwoord worden in hoeverre er als gevolg van de evenementen effecten optreden zodanig dat sprake is van een overtreding van de verbodsbepaling artikel 11 van de Flora en faunawet (zie ook bijlage 1). Artikel 11 luidt; “Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren”. Van de in het plangebied voorkomende en hierboven beschreven vogels is alleen sprake van mogelijke verstoring bij de in en nabij het recreatieterrein broedende vogels, aangezien deze sterk gebonden zijn aan de plek via hun nest en het daarbij behorende territorium. Rust- en verblijfplaatsen van vogels vallen niet onder het beschermingsregime van artikel 11. Dat betekent dat ingrepen die plaatsvinden in of effect hebben op bijvoorbeeld overwinteringsgebieden van bijv.
watervogels of doortrekkende steltlopers (zoals scholeksters in het vroege voorjaar), niet leiden toot een overtreding van artikel 11 en dus dat geen ontheffing aangevraagd of verleend hoeft te worden in relatie tot de Flora- en faunawet (LNV, 2005a) Bij broedende vogels geldt dat niet alleen de nestplek, maar ook het gebied dat gebruikt wordt/nodig is om een broedsel succesvol te laten zijn, wordt gerekend tot de vaste rusten verblijfplaats (LNV, 2005a). In het geval van de Grote Maarsseveense Plas gaat het hierbij vooral om de zangvogelsoorten die tot broeden komen in de bosschages op en rond het recreatieterrein. Deze zijn in Tabel 2.7 aangegeven. Alvorens de effecten bij deze vogels beschreven worden ten gevolge van de evenementen, volgt hieronder een beschrijving van wat bekend is over verstoring van zangvogels door recreanten en geluid. Effecten recreatie De verstoringsafstand van zangvogels in bosachtige gebieden is met 20 m (gemiddeld maximum van de soortsgroep) relatief klein. Deze afstand is op basis van een overzicht opgesteld door Krijgsveld et al. (2004). Het effect van recreatie op kleinere zangvogels in bossen is zeer variabel.
Voor sommige soorten wordt een lagere dichtheid gevonden rond druk bezochte paden en wegen (bv van Koersveld & Kooy 1976, in Winkelman 1984: tot 20 m van het pad), maar andere soorten tonen helemaal geen sporen van verstoring (bv van der Zande 1984: 5 van 15 hadden een lagere dichtheid; en Gutzwiller & Anderson 1999). Het effect is sterker en het verstoorde gebied groter naarmate het aantal recreanten dat over de paden passeert groter is (Slings 1999 in Pouwels & Vos 2001). De dichtheid aan foeragerende vogels en de broeddichtheid van op de grond foeragerende soorten als merel, ekster, spreeuw en houtduif nam af naarmate meer
26
wandelaars het studiegebied passeerden (in studies in beboste parken in Madrid; Fernández-Juricic (2000, 2001) en Fernández-Juricic & Telleria (2000)). Ook de soortenrijkdom nam af in deze studie. Cooke (1980) vond dat soorten in verstedelijkte gebieden zich dichter lieten benaderen dan in landelijke gebieden. Hier speelt gewenning dus mogelijk een rol, hetgeen ook bij de Grote Maarsseveense Plas een rol kan spelen. Een ander effect van verstoring door recreatie ligt in de zangactiviteit van de vogels. Vinken zongen minder en gingen meer over tot roepjes wanneer de frequentie aan passerende wandelaars toenam (Bergen & Abs 1997). Dit kan van invloed zijn op territoriumgrootte van de vogels, op partnerselectie en indirect op het broedsucces. Effecten geluid Voor broedvogels zijn in de literatuur maar een beperkt aantal studies gevonden naar het effect van geluid op reproductie- en populatieparameters. De meeste studies bij broedvogels betreft soorten van open terreinen en dan met name kolonievogels. Tijdens een driejarige studie aan zangvogels in Alaska is het effect van het geluid van militaire vliegtuigactiviteiten op soortdiversiteit, nestdichtheid en productiviteit onderzocht (Bartecchi Rozell 2003). In het gebied met militaire vluchten was het geluidsniveau altijd hoger dan in het controlegebied, variërend van 10 tot 30 dBA verschil.
Deze verhoging van het geluid had echter geen effect op de soortenrijkdom- of diversiteit. De militaire straaljagervluchten hadden bij één van de onderzochte vogelsoorten een marginaal negatief effect op het broedsucces. Effecten van geluid op zangvogels zijn met name uitgebreid bestudeerd in het kader van effecten van het geluid van snelwegen op de dichtheid van vogels in aangrenzende bosschages (Reijnen et al. 1992). Hierin werd gevonden dat de dichtheid bosvogels bij een geluidsniveau hoger dan ongeveer 45 dBA afnam. Bij ongeveer 60 dBA lag de dichtheid vogels op 40% van een ongestoorde situatie. Het betreft hier een effect op de langere termijn, waarbij vogels onder continue geluidsbelasting worden blootgesteld, inclusief tijdens de vestigingsfase waarbij vogels door middel van zang een territorium verdedigen/verwerven en een partner aantrekken. Inschatting effecten evenementen Door de te houden evenementen in 2006 (Tabel 1.1) wordt de omgeving van het plangebied in een aantal vooraf bepaalde dagen gedurende de broedperiode beïnvloed.
Het is echter aannemelijk te veronderstellen dat de dichtheid en verspreiding van vogels op het recreatieterrein al een weerslag is van de kwaliteit van het gebied, waarbij de verstoring door het menselijke gebruik van het gebied als recreatieterrein reeds een overheersende en voor vogels een sterk bepalende factor is (waardoor aantal/dichtheden laag zijn door de effecten beschreven hierboven). De kwaliteit van de bosjes en struwelen als broedgebied staat door het verblijf van grote aantallen bezoekers bij tijd en wijle onder grote verstoringsdruk. Naar verwachting zal afhankelijk van het type evenement naast aanwezigheid van mensen, ook geluid en lichtverstoring (alleen in de avond tot ongeveer 24.00 uur) optreden. In principe is onbekend in welke mate vogels die in de omliggende bomen en struwelen broeden zich door de in Tabel 1.1 beschreven activiteiten extra laten verstoren. We gaan er echter vanuit dat met name algemene soorten vogels zoals aangegeven in Tabel 2.7 van de begroeiing op het afgebakende recreatieterrein gebruik maken; zoals aangegeven moeten deze soorten reeds bij tijd en
27
wijle met een (zeer) hoge recreatieve drukte omgaan. De timing van deze drukte is hierbij van belang. In het algemeen is het zo dat wanneer vogels zich vestigen zij meer gevoelig zijn voor verstoring, dan wanneer eenmaal een nest is gemaakt. Uitgaande van de reeds optredende hoge verstoringsniveau’s op het recreatieterrein wordt derhalve niet verwacht dat als gevolg van de evenementen extra effecten optreden die een wezenlijke verstorende invloed hebben op broedende vogels in het plangebied of omgeving. Hierbij is er nauwelijks een verschil aan te geven tussen de verschillende typen evenementen of de plek in het afgebakende deel van het recreatieterrein waar deze plaats zullen vinden (strand of op het parkeerterrein). De vogels in de nestfase dan wel jongenfase zullen gedurende een evenement met relatief veel menselijke aanwezigheid/lawaai naar verwachting hun nest in de omliggende bosschages bij het strand of nabij het parkeerterrein blijven bezoeken, maar mogelijk alternatieve voedselgebieden opzoeken dan wel tijdelijk een mindere activiteit vertonen. Vanuit de Flora- en faunawet worden er ten aanzien van vogels daarmee geen verbodsbepalingen overtreden door de beoogde evenementen.
Tabel 2.7 Voorkomen van en effecten op vogels. Soort Voorkomen Effecten
Broedende watervogels Broedende rietvogels Broedende struweelvogels Broedende bosvogels Niet-broedende watervogels NIet-broedende steltlopers
2.8
zeker
beperkt tot geen
Welke onderdelen van verbodsbepalingen overtreden? Geen
zeker
beperkt tot geen
Geen
zeker
beperkt tot geen
Geen
zeker
beperkt tot geen
Geen
zeker (m.n. in winterhalfjaar) zeker (m.n. in vroeg voorjaar)
Geen
geen
Beperkt tot geen
Geen
Beschermde soorten ongewervelden Voorkomen en functie plangebied De volgende beschermde soorten ongewervelden zijn uit de regio bekend: gestreepte waterroofkever, platte schijfhoren, groene glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel (zie literatuurlijst).
28
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden waargenomen. Wel zijn de niet-beschermde soorten bont zandoogje, koolwitje en vuurkever waargenomen. De verspreiding van de groene glazenmaker beperkt zich tot de kilometerhokken x:135 / y:463 en x:136 / y:463, en ten noorden hiervan (www.groeneglazenmaker.nl). De soort is voor zijn voortplanting sterk afhankelijk van het voorkomen van krabbescheer. Krabbescheer komt voor in sloten en moerassen in moerasgebied. Krabbescheer is niet in het plangebied aangetroffen en wordt hier ook niet verwacht. De gevlekte witsnuitlibel is rondom de Vechtplassen zeer zeldzaam en wordt tegenwoordig alleen waargenomen in het natuurgebied Het Hol (Bouwman & Kalkman, 2005). Het betreft hier een kleine populatie. De soort wordt niet in en rondom het plangebied verwacht. Vooral in het Utrechtse plassengebied lijkt de gestreepte waterroofkever vroeger nogal talrijk te zijn geweest (Huijbregts, 2004). De soort komt hier nog steeds voor maar is sterk in aantal achteruit gegaan. De soort is een typische bewoner van grote, permanente stilstaande wateren in veengebieden, over het algemeen met dicht vegetatie aan de randen. de recreatieplas is een voormalige zandwinplas en derhalve ongeschikt voor de gestreepte waterroofkever. Mogelijk komt de soort wel in de noordelijker gelegen laagveengebieden voor.
De platte schijfhoren komt vooral voor in schone sloten met begroeiing van ondergedoken waterplanten in het veenweidegebied (Stichting Anemoon, 2005). Dergelijk biotoop ontbreekt in het plangebied, de soort wordt derhalve niet verwacht. Mogelijk komt de soort wel in de noordelijker gelegen laagveengebieden voor. Effecten Als gevolg van de evenementen worden geen effecten verwacht op het voorkomen van de gestreepte waterroofkever, platte schijfhoren, groene glazenmaker en gestreepte witsnuitlibel. De soorten worden niet in het plangebied verwacht maar zijn (mogelijk) wel bekend uit de omgeving.
29
30
3 Beschermde gebieden 3.1
Inleiding De Grote Maarsseveense Plas ligt nabij het Natura 2000 gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (Figuur 3.1). De Oostelijke Vechtplassen bestaan uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van de Utrechtse Heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning zoals de Grote Maarsseveense Plas. In het Natura 2000 gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen). De Oostelijke Vechtplassen is een belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen. Daarnaast is het van enig belang voor enkele moeras- en watervogels.
Figuur 3.1
Ligging van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (rode lijn) t.o.v. het plangebied (zwarte vierkanten).
Voor de Oostelijke Vechtplassen zijn de volgende algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd: Behoud van de bijdrage van het Natura 2000 gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie.
31
-
-
-
-
Behoud van de bijdrage van het Natura 2000 gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000 netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie. Behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende habitats en soorten. Behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische hoofdstructuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen.
Het Natura 2000 gebied is voor de volgende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten aangewezen (Tabel 3.1). Tabel 3.1
Habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten.
Habitattypen H3140 Kranswierwateren H3150 Meren met krabbescheer en fonteinkruiden H4010 Vochtige heiden H6410 Blauwgraslanden H7140 Overgangs- en trilveen H7210 Galigaanmoerassen H91D0 Hoogveenbossen Habitatrichtlijnsoorten H1042 Gestreepte witsnuitlibel H1082 Gestreepte waterroofkever H1134 Bittervoorn H1149 Kleine modderkruiper H1163 Rivierdonderpad H1318 Meervleermuis H1340 Noordse woelmuis H1903 Groenknolorchis Vogelrichtlijnsoorten
32
A021
Roerdomp – b
A022
Woudaap – b
A029
Purperreiger – b
A041
Kolgans – n
A043
Grauwe gans – n
A050
Smient – n
A051
Krakeend – n
A056
Slobeend – n
3.2
A059
Tafeleend – n
A068
Nonnetje – n
A119
Porseleinhoen - b
A160
Wulp – n
A197
Zwarte stern – b
A229
IJsvogel – b
A298
Grote karekiet – b
A292
Snor - b
Natuurwaarden Natura 2000 en mogelijke effecten Mogelijke effecten zijn menselijke aanwezigheid, lichthinder, geluidshinder en verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Met betrekking tot licht- en trillinghinder zijn geen gegevens bekend. Normaal wordt uitgegaan van hetgeen in de AmvB staat. Geluid en trillingen spelen gedurende de dag en avonduren. Om het plangebied te bereiken zijn er twee ingangen (Figuur 1.1). De hoofdingang bevindt zich ten zuiden van de plas (nr. 2 in Figuur 1.1). Hier bevindt zich een parkeerterrein en een toegangsweg vanaf de N230. Ten noorden bevindt zich nog een ingang die te bereiken is vanaf de Westbroekse Binnenweg. Deze biedt echter maar beperkte parkeergelegenheid waardoor het grootste deel van de bezoekers gebruik zullen maken van de zuidelijke ingang.
3.2.1
Instandhoudingsdoelstellingen Voor de Oostelijke Vechtplassen zijn (nog) geen specifieke instandhoudingsdoelstellingen opgesteld, anders dan algemene zoals in § 3.1. Wel zijn een aantal kernopgaven geformuleerd die betrekking hebben op een evenwichtig systeem, compleetheid in ruimte en tijd, overjarig riet en vochtige graslanden. Geen van deze kernopgaven hebben betrekking op de beoogde evenementen in het plangebied. De instandhoudingsdoelstellingen worden door de ingreep niet aangetast. Er is dus geen sprake van een significante aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen.
3.2.2
Habitattypen De watervegetatie in de grote recreatieplas bestaat deels uit soorten die overeenkomen met het habitattype kranswierwateren (H3140). Karakteristieke soorten van dit habitattype zijn echter niet in de plas aangetroffen, maar wel groot nimfkruid; een soort die in dezelfde wateren wordt aangetroffen als de betreffende kranswieren. De ingreep heeft echter geen effect op de watervegetatie. De overige habitattypen zijn niet in het plangebied aanwezig maar mogelijk wel in het aanliggende natuurgebied ‘Molenpolder’. De ingreep heeft hier naar verwachting geen extern effect aangezien de lichtverstoring beperkt blijft tot de zone rondom het plangebied.
33
3.2.3
Habitatrichtlijnsoorten Van de aangewezen Habitatrichtlijnsoorten komt rivierdonderpad (zie §2.2) in het plangebied voor (Brekelmans, Bureau Waardenburg). De waterspitsmuis en noordse woelmuis worden niet in het plangebied verwacht, mogelijk wel incidenteel langs het resterend deel van de Grote Plas (zie §2.5). Het mogelijke gebruik en effecten op vleermuizen wordt in §2.6 uitgebreid behandeld. Naar verwachting zijn de mogelijke effecten op vleermuizen verwaarloosbaar. Hierdoor wordt de gunstige staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoort meervleermuis niet aangetast. De overige soorten worden niet in het plangebied maar mogelijk wel in het Natura 2000 gebied verwacht. Er worden echter geen externe effecten verwacht op de genoemde habitatrichtlijnsoorten die in het plangebied of Natura 2000 gebied (kunnen) voorkomen.
3.2.4
Vogelrichtlijnsoorten De soorten op grond waarvan de Oostelijke Vechtplassen aangewezen zijn als Vogelrichtlijngebied komen allen op grote afstand van het recreatieterrein de Grote Maarsseveense Plas voor. Broedvogels Van de broedvogels komen alleen de grote karekiet, ijsvogel en snor op minder dan één tot twee kilometer van het evenementengebied voor (grote karekiet en ijsvogel in het open deel van het recreatieterrein en snor in de Noordelijke Maarsseveense Plassen), maar deze vogels zullen zoals eerder aangegeven niet verstoord worden door de evenementen. Het gaat hierbij voor grote karekiet om 1-2 territoria (die overigens niet binnen het Natura 2000-gebied voorkomen) en 1 territorium ijsvogel (evenmin binnen het Natura 2000-gebied). De populatie grote karekieten binnen het Natura 2000-gebied is enkele tientallen territoria groot, waarvan de meeste territoria op de Loosdrechtse en Loenderveense Plassen voorkomen, ver buiten het invloedsgebied van de evenementen van de Grote Maarsseveense Plas. Soorten als roerdomp, woudaap, purperreiger, porseleinhoen en zwarte stern komen net als de grote karekieten op meerdere kilometers afstand tot broeden (het gaat om de gebieden Molenpolder, Westbroekse Zodden, Tienhovense Plassen en de Breukeleveense plas) en zullen eveneens vanwege de grote afstand niet beïnvloed worden.
Ook de enkele individuen van soorten als zwarte stern en purperreiger die in de Molenpolder of Bethune Polder komen foerageren zullen niet verstoord worden door het evenementengeluid of anderszins. Daarvoor vinden de evenementen op een te grote afstand plaats (>1500 m) om te interfereren met foerageergedrag. Indien deze vogels verstoord zouden worden, zullen zij op evenementendagen overigens voldoende alternatieve foerageerplekken kunnen vinden.
34
Niet-broedvogels Niet-broedvogelsoorten als kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, slobeend, tafeleend, nonnetje en wulp kennen hun piekaantallen buiten het evenementenseizoen, met name in midwinter, en komen bovendien vooral voor in het plassengebied in het noorden van het Natura 2000-gebied (Breukeleveen, Loenderveen) op grote afstand van de Grote Maarsseveense Plas en zullen derhalve dan ook niet beïnvloed worden. Ook de vogels voorkomend in de polders (kolgans, grauwe gans, smient en wulp) in de Bethune Polder, Oostelijke Binnenpolder, Polder Achteraf op enkele kilometers afstand van het evenementengebied zullen niet beïnvloed worden vanwege de grote afstand.
35
36
4 Conclusies en aanbevelingen 4.1
Conclusies Expliciet vermelden wij hier dat onderstaande conclusies alleen betrekking hebben op het bepalen en de beoordeling van de mogelijke effecten van evenementen en de permanente bewoning van bungalows op natuur. Beschermde soorten In het plangebied komen (mogelijk) 2 soorten beschermde planten en 8 soorten beschermde dieren voor van op Tabel 2 en Tabel 3 van de Flora- en faunawet. Als gevolg van de evenementen en de permanente bewoning van bungalows op en rond de Grote Maarsseveense Plas zijn voor geen van deze soorten negatieve effecten verwachten met een wezenlijke invloed op aanwezige beschermde planten of dieren. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden en een ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en faunawet wordt daarom niet nodig geacht. Vanuit de Flora- en faunawet worden er ten aanzien van vogels geen verbodsbepalingen overtreden door de beoogde evenementen. Beschermde natuurgebieden Naar verwachting treden geen negatieve effecten op op het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Er is derhalve geen vergunning nodig op basis van de Natuurbeschermingswet.
37
38
5 Literatuur Backes,
C.W., P.J.J. van Buuren & A.A. Freriks natuurbeschermingsrecht. Sdu Uitgevers, Den Haag.
(2004).
Hoofdlijnen
Bergmans, W. & A. Zuiderwijk, 1986. Atlas van Nederlandse amfibieën en reptielen en hun bedreiging. Vijfde herpetogeografische verslag. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Van Beusekom, R., Huigen P., Hustings F., de Pater K. & Thissen J. (red.) 2005. Rode Lijst van de Nederlandse broedvogels. Tirion Uitgevers B.V., Baarn. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionidea. – Nederlandse fauna 7. Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Bouwman, J., 2005. Vlinders (Lepidoptera) in de periode 2000-2004. In: Waarnemingenverslag ongewervelden 2005. EIS-Nederland, de Vlinderstichting en Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, Leiden. Bouwman, J.H. & V. Kalkman, 2005. Eindrapportage inhaalslag libellen 2005. Rapport VS2005.020, De Vlinderstichting, Wageningen. Broekhuizen, S., Hoekstra, B., V. van Laar, C. Smeenk, & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Bruyne, R. de., 2002. De Nauwe korfslak Vertigo angustior in Nederland (Mollusca: Gastropoda). Nederlandse Faunistische Mededelingen (16): 11-20. Eekelder, P. 2007 Maarsseveen. Levering vogelgegevens. SOVON rapport GAS2007-37. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Gittenberger, E., A.W. Janssen, W.J. Kuijper, J.G.J. Kuiper, T.
Meijer, G. van der Velde & J.N. de Vries, 1998. De Nederlandse Zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. Nederlandse Fauna 2. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Huijbregts, H., 2003. Beschermde kevers in Nederland. Nederlandse Faunistische Mededelingen 19-2003, pag. 1-27. Huijbregts, H., 2004c. Gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus (Degeer, 1774). EIS-Nederland, www.naturalis.nl/eis . Huijbregts, H., 2004d. Vliegend hert Lucanus cervus (Linneaus, 1758). EIS-Nederland, www.naturalis.nl/eis. Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée, 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Kalkman, V., R. Ketelaar & M. van der Weide, 2003. Libellen (Odonata) in de periode 2000-2002. In: Waarnemingenverslag dagvlinders, libellen en sprinkhanen 2003. EIS-Nederland, de Vlinderstichting en Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, Leiden. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie Noord-Holland, Haarlem. Kleukers,