Toegevoegd - QA RES 1.0_8 september 2021.pdf
Tekst van het document
Q & A RES 1.0
versie 8 september 2021
ALGEMEEN 1. Wat is de RES? RES staat voor Regionale Energiestrategie. De Regionale Energiestrategie is het regionale plan voor de energietransitie. Nederland is opgedeeld in 30 regio’s die regionaal vorm moeten geven aan de energietransitie. Dit worden ook wel de energieregio’s of RES Regio’s genoemd. Elke RES Regio maakt zijn eigen plannen voor energietransitie en legt deze in de RES vast. In totaal zijn er dus 30 RES’en. 2. Wat staat er in de RES? In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat wij fossiele brandstoffen vervangen voor duurzame alternatieven. In de RES staan de plannen voor het grootschalig en duurzaam opwekken van elektriciteit en voor het duurzaam verwarmen van onze huizen en andere gebouwen. 3. Wat is ‘grootschalig’? We spreken van ‘grootschalige energieopwekking’ als een zonneveld een vermogen heeft van 15 kilowatt (kWp) of meer, ongeveer 60 panelen. Bij windturbines gaat om projecten waarbij een windturbine hoger is dan 20 meter en het vermogen groter is dan 1 megawatt (MW). In de RES U16 worden zowel grootschalige als kleinschalige windturbines meegeteld voor de opgave. 4.
Wat is het doel? Elke RES Regio bepaalt zijn eigen ambitie, maar in het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle RES Regio’s samen in 2030 minstens 35 terawattuur (TWh) duurzame elektriciteit grootschalig moeten opwekken. De RES Regio U16 heeft als ambitie om in 2030 minstens 1,8 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. De vergunningen voor de projecten waarmee 1,8 TWh moet worden opgewekt moeten voor 1 januari 2025 zijn verleend, zodat de windparken en zonnevelden voor 2030 operationeel zijn. 5. Volgens Martien Visser en een aantal andere experts schijnt landelijk gezien de 35 TWh al te zijn gehaald. Is de RES 1.0 dan nog wel nodig? Op sociale media was er discussie over of het doel van 35 TWh in 2030 niet al bijna gehaald was. Uit de monitor van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) blijkt dat het doel van 35 TWh in 2030 weliswaar binnen de door PBL genoemde bandbreedte valt. Maar ook dat dat geen gelopen race is. Het vraagt om een grote inspanning en lastige, vaak politieke, keuzes in de regio’s en op nationaal niveau. 1. Allereerst is in het Klimaatakkoord naar de ruimtelijke uitvoerbaarheid gekeken. Daar is bewust gekozen voor een behapbare opgave. Deels vanwege ervaringen uit het verleden, deels omdat de RES-systematiek zich ook nog moest ontwikkelen. Dit wordt nu door de analyses onderschreven. 2.
Verschillen tussen de op social media al genoemde hoeveel TWh en de analyse van het PBL worden voornamelijk verklaard door andere aannames. Bijvoorbeeld ten aanzien van de ‘mate van zekerheid’ dat projecten in de ‘pijplijn’ (waarvoor vergunning/subsidie is aangevraagd) daadwerkelijk worden gerealiseerd. Verder is de ervaring dat een deel van alle voorgenomen projecten afvalt voordat ze daadwerkelijk worden gerealiseerd, soms 1
ten gevolge van juridische procedures. Er blijven namelijk nog de nodige afwegingen te maken zoals: past het op het energienet? Wat is de uitkomst van het gesprek met bewoners? Dat gesprek gaat na de RES 1.0 door. Wat is de impact op de natuur? Ook onderzoeken die uiteindelijk bij concrete projecten uit de pijplijn gedaan moeten worden, kunnen leiden tot andere uitkomsten en afwegingen. Daarnaast heeft iedere gemeente ook een eigen lokale ambitie rond de opwek van duurzame elektriciteit en het minder uitstoten van CO2. 3. Eind 2021 komt PBL met geactualiseerde gegevens op basis van de dan beschikbare CBS gegevens. 6. Wat betekent de uitspraak van de Raad van State over het Nevele-arrest, de uitbreiding van een windpark in Delfzijl en Goyerbrug voor bestaande windparken en de ontwikkeling van nieuwe windmolens? Naar aanleiding van de zaak rond de uitbreiding van het windpark in Delfzijl en de uitspraak van de Raad van State hierover op 30 juni, heeft het Ministerie van Economische Zaken op 30 juni het volgende gecommuniceerd: “Door de uitspraak van de Raad van State zijn de huidige milieubeschermingsnormen (denk aan geluid, slagschaduw en externe veiligheid) tijdelijk opgeschort. Dit heeft in beginsel geen gevolgen voor bestaande windparken, waarvoor vergunningen zijn afgegeven. Nieuwe windparken kunnen nog steeds vergund worden.
Het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat laten een plan MER uitvoeren naar de huidige milieubeschermingsregels. Dit duurt naar verwachting 1,5 tot 2 jaar. Tot dit plan MER gereed is kunnen overheden zelf gekozen normen hanteren. Deze normen moeten zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering.” Dit geldt alleen voor windparken vanaf 3 windturbines. 7. Hoe zit het precies? In Nederland bestaan het Activiteitenbesluit Milieubeheer en de bijbehorende Activiteitenregeling. Deze bevatten de landelijke normen voor windparken voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Exploitanten van windparken moeten aan die normen voldoen. Daarvoor hoeven geen aparte regels voor worden opgenomen in bestemmingsplan of omgevingsvergunning. In het kader van die besluiten moeten exploitanten aantonen dat een windpark aan die normen voldoet. In Europese regelgeving is vastgelegd dat voorafgaand aan een besluit tot een (ruimtelijk) plan of programma de effecten voor het milieu moeten worden onderzocht in een Strategische Milieubeoordeling (SMB), de zogenaamde SMB-richtlijn. Een SMB wordt vaak ‘plan MER’ genoemd. De Raad van State oordeelde in 2017 nog dat een plan MER niet nodig was voor het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling.
De Raad van State heeft echter recent, na een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, geoordeeld dat wél een plan MER opgesteld had moeten worden. De Raad heeft uitsluitend een oordeel geveld over het totstandkomingsproces van de normen, niet over de inhoud of de kwaliteit van de normen zelf. Het gevolgd is dat het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling niet meer toegepast kunnen worden. Dit geldt voor windparken met meer dan 2 molens. 8. Wat houdt het Arrest Hof van Justitie (HvJ) Nevele juni 2020 precies in? De Vlaamse regels over windturbines zijn vergelijkbaar met ons Activiteitenbesluit. HvJ: die Vlaamse regels zijn aan te merken als plan of programma in de zin van de SMBrichtlijn.
2
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is daar in recente uitspraken over Delfzijl-Zuid en Goyerbrug in meegegaan. Waar zij eerder oordeelde dat het Activiteitenbesluit niet als plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn is, oordeelt zij nu dat dat wel het geval is. Dit betekent dat voordat het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling werden vastgesteld er een strategische milieubeoordeling had moeten worden uitgevoerd. Dat is niet gebeurd. Nu die milieubeoordeling niet is gemaakt, mogen bestuursorganen (gemeente of provincie) bij het nemen van besluiten over windturbineparken en bij de beoordeling of zo'n park ruimtelijk aanvaardbaar is, niet uitgaan van de normen in het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling. Hierbij is belangrijk dat de Afdeling niet zegt dat de normen inhoudelijk niet juist zouden zijn. De Afdeling zegt alleen dat de milieueffectennog niet in een milieubeoordeling volgens de SMB richtlijn zijn onderzocht. 9. Wat betekent dit voor ons? De Afdeling zegt daar ook iets over. 1. Voordat normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling weer mogen worden gebruikt, moet eerst milieubeoordeling worden uitgevoerd. Uit die milieubeoordeling moet dan blijken of normen moeten worden gewijzigd of niet. De Rijksoverheid moet dus een zogenaamd 'planMER' opstellen. 2.
Dit betekent niet dat er nu geen besluiten meer kunnen worden genomen, totdat die milieubeoordeling is gemaakt. Voor windmolenparken met 1 of 2 windmolens kunnen het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling nog steeds worden gebruikt, stelt het Hof en dit is bevestigd door de minister in haar Kamerbrief van 6 juli. Voor windmolenparken met meer dan 2 windmolens zijn er andere mogelijkheden, zegt de Afdeling. Het bestuursorgaan (gemeente of provincie) is namelijk niet verplicht om aan te sluiten bij de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om zelf gekozen normen te hanteren. Normen moeten zijn voorzien van actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. De Afdeling: “Je mag niet zonder meer terugvallen op de motivering die destijds door regering is gegeven aan normen uit Activiteiten besluit en Activiteiten regeling. Want je zult die milieutoets moeten uitvoeren.” Kortom: de ontwikkeling van windmolenparken ligt nu niet stil. De uitspraak heeft geen effect op parken van 1 of 2 windmolens en voor parken met meer molens kunt u zelf besluiten nemen, mits daar een goed onderzoek aan ten grondslag ligt en u goed motiveert waarom de normen waar u voor kiest voor dit specifieke windpark goed zijn.
Daarnaast zal het Rijk een planMER uitvoeren voor het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling. Naar verwachting is dit binnen 1,5 a 2 jaar afgerond. 10. Geldt de uitspraak voor alle windturbineparken? Nee, de Afdeling heeft uitdrukkelijk gezegd dat de uitspraak niet geldt als sprake is van een besluit voor een of max twee windturbines. Voor die situaties mag nog steeds worden teruggevallen op de normen voor windturbines in het Activiteiten besluit en Activiteiten regeling. 11. Hoe moet zo'n onderzoek eruitzien? Het onderzoek moet In ieder geval voldoen aan de eis van de Afdeling: normen moeten zijn voorzien van actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering Zo'n onderzoek kan bestaan uit twee delen (I) een algemeen deel, waarin wordt onderzocht welke normen milieutechnisch in het algemeen aanvaardbaar zijn. Daar zal dus aandacht moeten zijn voor hinder en gezondheidsaspecten (II) een op de specifieke situatie 3
toegesneden deel waarin wordt ingegaan op de vraag of en zo ja waarom deze normen voor de specifieke situatie 'goed' zijn. Bij Windpark Delfzijl-Zuid is men al bezig met zo'n onderzoek. Iedereen is natuurlijk benieuwd naar de inhoud van dat onderzoek. 12. Hoe weet je nu of een te verrichten onderzoek voldoet aan de eisen van de Afdeling? Een besluit moet altijd zijn voorzien van een deugdelijke en op het besluit toegesneden motivering. Dat is nu niet anders. En de Afdeling toetst zo'n besluit ook betrekkelijk marginaal: de Afdeling gaat niet op de stoel van het bestuursorgaan zitten, maar beoordeelt of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Als je als gemeente of provincie kiest voor bepaalde normen, en je kunt die goed onderbouwen met inachtneming van de specifieke situatie, dan kan het dus gewoon. 13. Geldt de uitspraak ook voor windturbineparken die al een onherroepelijke vergunning hebben? De uitspraken van de Afdeling zeggen niets over windparken met onherroepelijke vergunningen. Verder geldt in het bestuursrecht de hoofdregel dat onherroepelijke besluiten 'formele rechtskracht' hebben. Zij zijn in beginsel onaantastbaar en worden zowel wat betreft wijze van tot stand komen als wat betreft inhoud rechtmatig geacht. De besluiten worden ook niet ineens onwettig omdat ze niet verenigbaar zijn met het Europese recht (Unierecht).
De Afdeling heeft enkel gezegd dat bij het vaststellen van de besluiten is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling dat een plan MER niet nodig was. Verder: Het Europees recht geeft geen inhoudelijke normen voor windturbines, maar enkel dat als je normen wilt vaststellen, je die eerst aan een milieubeoordeling moet onderwerpen. Het feit dat een vergunning of een bestemmingsplan is gebaseerd op algemene regels waaraan een procedureel (Europeesrechtelijk) gebrek kleeft, betekent niet dat de vergunning zelf procedureel of materieel onrechtmatig is. Dus uitspraken betekenen niet dat onherroepelijke vergunningen nu moeten worden ingetrokken of opgeschort. 14. Hoe omgaan met intrekkingsverzoeken? Antwoord op die vraag hangt heel erg af van aard van besluit waarvan intrekking wordt verzocht en hoe precies het verzoek tot intrekking wordt geformuleerd. Dit is echt maatwerk waar van geval tot geval naar zal moeten worden gekeken. Op 30 augustus 2021 is een ambtelijke tussennotitie verschenen van de ministeries van EZK, BZK en IenW over de vraag hoe je met dergelijke intrekkingsverzoeken moet omgaan. Verschillende opties worden besproken. In z'n algemeenheid: Als intrekkingsverzoek wordt ingediend, dan moet je daar een besluit op nemen. Dit betekent niet automatisch dat het eerdere besluit moet worden ingetrokken. 15.
Is er al jurisprudentie over een intrekkingsverzoek? Er is onlangs een uitspraak gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant. Verzocht was om intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning. B&W van Noord-Beveland wezen dat verzoek af. Omdat inmiddels was begonnen met de bouw van het windpark vroegen verzoekers om stillegging van het windpark. De voorzieningenrechter wees dit verzoek af en oordeelde dat het schorsen van een onherroepelijke vergunning een ingrijpende maatregel is. De voorlopige voorziening leent zich niet voor de beoordeling van de vraag of de door verzoekers gewenste milieu herbeoordeling leidt tot strengere normen. Het zou zo kunnen zijn dat na die herbeoordeling blijkt dat de windturbinenormen ongewijzigd kunnen blijven. 4
16. Hoe zit het met de uitspraak Oss? Dit is de derde uitspraak in het rijtje van de Afdeling. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning had de gemeente géén gebruik gemaakt van de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling. De uitspraak Delfzijl had dus geen gevolgen voor dit windpark. In deze zaak ging het om een andere reden verkeerd. Het bestemmingsplan was op onderdelen in strijd met de provinciale verordening. Daarin was bepaald dat er financiële zekerheid moest zijn dat de windturbines na 25 jaar zouden worden afgebroken. De gemeenteraad had die voorwaarde niet in het bestemmingsplan opgenomen. 17. Hoe voorkom je nu dat je als overheden tegen elkaar wordt uitgespeeld? Afstemming is zeer nuttig en die vindt landelijk en regionaal ook plaats. Inmiddels zijn er heel veel initiatieven en vindt in vele samenstellingen overleg plaats. Het ministerie van EZK biedt daarbij ondersteuning. 18. Urgenda heeft een rapport geschreven over de voortgang van de afspraken uit het Klimaatakkoord. In de berichtgeving werd gemeld dat windparken op land niet meer nodig zijn volgens Urgenda. Klopt dit? Urgenda heeft inderdaad in juni 2021 een rapport gepubliceerd “Tussen Kolen en Parijs.” Urgenda omschrijft dit rapport als een gids waarin zij laten zien dat er regionaal veel meer kan dan nu wordt gedacht.
Zo staat er onder andere in dat door veel kleinschalige projecten met zonne-energie veel meer elektriciteit opgewekt kan worden dan nu het geval is. Daarnaast wordt gesteld dat daarom de urgentie voor wind op land minder hoog is. In het rapport van Urgenda wordt gerekend met onvolledige getallen en is soms niet duidelijk waar sommige conclusies op gebaseerd worden. Zo wordt er in het rapport aangegeven dat in 2030 30 GW wind op zee is gerealiseerd. Een realistische inschatting is dat in 2030 20 GW gerealiseerd is. Een snellere uitrol van wind op zee is lastig omdat er allerlei randwoorden niet op tijd klaar zijn. Denk hierbij aan de aansluiting op de netinfrastructuur of het tijdig aanwijzen van gebieden waar de windturbines worden geplaatst. Ook wordt steeds duidelijker dat er in Nederland veel meer duurzame energie nodig is dan 30 GW, door onder andere een grotere energievraag vanuit de industrie. 19. Wat is 1 TWh? 1 TWh staat gelijk aan een miljard kWh (kilowattuur), ofwel aan de opwek van 57 windmolens van 5 MW of 1000 hectare aan zonnepark. Het is ongeveer 1% van de jaarlijkse elektriciteitsvraag in Nederland. 20. Hoeveel energie verbruikt een gemiddeld huishouden? Het gemiddelde elektriciteitsgebruik per huishouden is 2.790 kWh per jaar. 1 TWh staat daarmee gelijk aan de elektriciteitsvraag van ongeveer 360 duizend huishoudens.
Het elektriciteitsverbruik van huishoudens in Nederland is een stuk lager dan het warmteverbruik. Een gemiddeld Nederlands huishouden gebruikt jaarlijks 1.270 m3 aardgas voor verwarming en warm water. Omgerekend is dit 12.400 kWh per jaar. 21. Wat levert 1 windmolen op? 1 windmolen produceert jaarlijks ongeveer net zoveel duurzame energie als: circa 7.500 zonnedaken op woningen of een zonneweide van 18 hectare, dat is ongeveer 27 voetbalvelden. 22. Wat is de ambitie van RES regio U16? De ambitie is om 1,8 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken in 2030. 5
23. Hoe reëel en robuust is de ambitie van 1,8 TWh? De ambitie van 1,8 TWh is een eerste belangrijke stap in het overstappen naar duurzame elektriciteit. Deze ambitie is vastgesteld in de Ontwerp-RES na zorgvuldig onderzoek over de ruimte binnen de netinfrastructuur, de beschikbare ruimte in het landschap en het energieverbruik in de regio in 2030 en 2050. In die zin is de ambitie haalbaar en reëel. Een gedeelte van de ambitie is al gerealiseerd of zit in de pijplijn. Daarnaast is er een ruimte planvoorraad voor ‘zon op dak’ projecten. Aanvullend komen er uit de lokale zoekprocessen, kansen voor wind- en zon op land projecten. Ten slotte is er bestuurlijk commitment op het behalen van de 1,8 TWh en is afgesproken dat bij planuitval aanvullende zoekgebieden voor zonne- en windenergie worden ontwikkeld. Door deze vier verschillende bouwblokken is de ambitie zeker robuust te onderbouwen. Bandbreedte voor de overprogrammering is 1,8 TWh – 2,1 TWh. Dit is zonder de uitkomst uit de lokale zoekprocessen van De Ronde Venen.
24. Hoe wil de RES regio U16 dat doen? Om duurzame elektriciteit op te wekken, willen we meer windturbines en zonnepanelen plaatsen in de regio. We zien vooral veel potentie voor zonnepanelen op bedrijfsdaken, zon langs infrastructuur en het overdekken van parkeerterreinen. Windturbines willen we plaatsen op plekken waar ze goed in het landschap passen en als de impact op mens en natuur zo beperkt mogelijk is. In de praktijk betekent dit dat we voor windturbines voornamelijk ruimte langs infrastructuur zoeken. 25. Duurzame energie opwekken is maar de helft van de opgave. Energie besparen is ook erg belangrijk. Hoe wordt er binnen de RES U16 gewerkt aan energie besparen? Energie besparen is een heel belangrijk thema. Dit vormt een onderdeel van de RES / RSW 1.0. We gaan hier de komende periode mee aan de slag op regionaal niveau. Daarnaast werken gemeenten lokaal aan hun isolatieopgave, onder andere via de transitievisie warmte. 26. Welke zoekgebieden of onderdelen van de RES 1.0 leveren nu het meeste op voor het regio bod? Deze vraag is op dit moment moeilijk te beantwoorden, omdat nog niet exact duidelijk is hoeveel turbines of hectares uiteindelijk worden aangelegd. Zo kan de polder Rijnenburg bijvoorbeeld een grote bijdrage leveren met 8 turbines, maar of alle 8 ook daadwerkelijk gerealiseerd worden, weten we nog niet.
Als je enkel naar de individuele ambities van de gemeenten kijkt (zie tabel in RES 1.0, p. 34), dan levert de gemeente Houten de grootste bijdrage. 27. Wat is het verschil tussen de Ontwerp-RES van vorig jaar en de RES 1.0? In de Ontwerp-RES werd een ambitie van 1,8 TWh hernieuwbare elektriciteit vastgesteld en aangegeven hoe de regio U16 de energietransitie wil vormgeven. In april 2020 is deze vastgesteld. Vanaf dat moment is concreet gemaakt hoe er in 2030 duurzame elektriciteit 6
wordt opgewekt. Zo is in kaart gebracht op hoeveel grote daken in de U16 zonnepanelen kunnen worden geplaatst. Daar gaat de regio vol op inzetten. Iedere gemeente heeft in kaart gebracht welke kansen inwoners en betrokken organisaties zagen om op een duurzame manier elektriciteit op te wekken. In sommige gemeenten zijn er al langer trajecten bezig waarbij inwoners en organisaties betrokken zijn. Er is ook aanvullend onderzoek gedaan om te kijken of de plekken voor zon- en windenergie ook makkelijk kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Dit alles heeft geleid tot concrete kansrijke gebieden voor windmolens, zonnevelden en grote zonnedaken. 28. Wat staat er precies in de RES 1.0 over de opwek van duurzame energie? Daarin staan de zoekgebieden en kansrijke locaties voor zon- en windenergie beschreven en aangegeven op kaarten. Deze kaarten betekenen nog niet dat windturbines en zonneweides op die plekken worden neergezet en zonneweides aangelegd. Hieraan gaat nog een uitvoerig proces van onderzoek, overleg en besluitvorming vooraf. De zoekgebieden worden de komende 2 jaar verder onderzocht en uitgewerkt. Zoekgebieden kunnen nog afvallen of worden aangepast. Ook kunnen nieuwe zoekgebieden worden toegevoegd. Uitgangspunten daarbij zijn: • Samen met inwoners wordt de RES ontwikkeld en gerealiseerd.
• Er wordt voornamelijk gekeken naar mogelijkheden voor zonnepanelen op bedrijfsdaken, zon langs de infrastructuur en het overdekken van parkeerterreinen. • De waarde van de unieke landschappen en natuur in de regio wordt zo veel mogelijk versterkt en bewaard. • Economische kansen worden benut. In samenwerking met onderwijs en ondernemers kan de energietransitie een positieve katalysator zijn voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid. 29. Hoe zijn de zoekgebieden tot stand gekomen? Er is gekeken naar wettelijke normeringen en belemmeringen en met inwoners en belanghebbenden is per gemeente in kaart gebracht waar mogelijke kansen voor zon- en windenergie liggen. Vervolgens hebben verschillende onderzoeken de potentie van zon op dak verder in kaart gebracht. De combinatie van onderzoeken, ruimte binnen de wettelijke kaders en de lokale participatietrajecten hebben geleid tot de huidige zoekgebieden. 30. Wat is de status van de kaart met zoekgebieden in de RES? De zoekgebieden op de kaart in de RES zijn tot stand gekomen na lokale participatieprocessen. Op dit moment zijn veel zoekgebieden nog in de verkennende fase. Er is nog aanvullend onderzoek nodig voordat deze uitgewerkt zijn naar concrete locaties waarbij duidelijk is of er duurzaam elektriciteit kan worden opgewekt en zo ja om hoeveel hectare zonneveld of windmolens het gaat. 31.
Hoe zit het met de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHWL), omdat daar een groot deel van de zoekgebieden ligt? Zonnevelden en windenergie kunnen alleen worden ingepast in de NHWL wanneer sprake is van bescherming en benutting van de cultuurhistorische waarden of van instandhouding en versterking van deze waarden (UNESCO-genomineerde gebieden). Dit kan inhouden dat locaties slechts deels, of helemaal niet benut kunnen worden, of dat schaal en vormgeving aan de cultuurhistorische waarden moeten worden aangepast. De provincie is bezig met het opstellen van een afwegingskader duurzame energie voor het gebied op de NHWL.
7
32. Hoeveel draagt de 1,8 TWh bij aan de afspraken uit het Klimaatakkoord? De ambitie van 1,8 TWh is passend gezien de eigen lokale ambities en voornemens en de landelijke doelstelling om in 2030 49% CO2 te reduceren ten opzichte van 1990. 33. Is de RES regio U16 klaar na het opleveren van 1,8 TWh in 2030? Of moeten we nog meer doen tot 2040/2050? De landelijke doelstelling is om in 2050 90% CO2 te reduceren ten opzichte van 1990. Dus ook na 2030 is er een landelijke opgave waaraan de regio een bijdrage moet leveren. 34. Wat als nu blijkt dat de zoekgebieden uit de RES 1.0 conflicteren met het Ruimtelijk Economisch Programma van de regio U16? De RES is een belangrijke pijler van het Ruimtelijk Economisch Programma van de regio U16. Er vindt dan ook regelmatig overleg plaats over de samenhang met de verschillende onderdelen binnen de REP. Wanneer er sprake is van conflicterende belangen of ruimtegebruik dan wordt hier bestuurlijk het gesprek over gevoerd. 35. Welke ruimte is nodig voor toekomstige warmte-infrastructuur in de ondergrond/bovengrond? De exacte ruimte die nodig zal zijn voor de toekomstige warmte-infrastructuur is op basis van de fase waarin de warmtetransitie zich op dit moment bevindt, nog lastig in te schatten. Deze hangt samen met de mate waarin woningen worden geïsoleerd en de aardgasvrije warmteoplossing die vervolgens wordt gekozen.
Keuzes die we maken in de warmtetransitie zijn van invloed op de energietransitie als geheel. Net als in alle sectoren, gaat elektriciteit ook bij het verwarmen van de gebouwde omgeving een grotere rol spelen. Zowel aan de kant van de warmtebron als bij de verwarming van de gebouwde omgeving is daarbij extra behoefte aan elektriciteit. Fossiele en duurzame bronnen kennen verschillende energiedragers en momenten van aanbod. Daardoor zullen opslag, netbalancering en omzetting een belangrijk deel van de puzzel uitmaken. 36. Wie werken mee aan de RES van de energieregio U16? De gemeenten Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist werken samen met de provincie Utrecht, 4 waterschappen en Stedin aan de RES. Daarbij wordt zo veel mogelijk de verbinding gezocht met andere belanghebbenden zoals Natuur en Milieufederatie Utrecht (NMU), EnergieSamen en Land en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO); en, bovenal, de inwoners van de regio. 37. Waarom werken gemeenten hieraan samen? Om de ambitie op het gebied van energiebesparing, duurzame elektriciteit en duurzame warmtebronnen te realiseren, is het noodzakelijk om over gemeentegrenzen heen te kijken. Gemeenten kunnen dit niet alleen.
Alleen al het elektriciteitsnet loopt dwars door de regio heen. Daarom werken zij samen met omliggende gemeenten om locaties voor windmolens en zonnevelden te vinden en om goede afspraken te maken over hoe om te gaan met de opbrengsten van de duurzame opwek. 38. Hoe gaat de RES verder na de besluitvorming rond de RES 1.0? Na de besluitvorming worden op basis van de uitkomsten de zoekgebieden verder onderzocht en uitgewerkt. De RES regio’s blijven in deze vorm samenwerken. In 2023 wordt de RES 2.0 opgeleverd, in 2025 RES 3.0 enzovoort, tot in 2030 de resultaten zichtbaar worden. In de volgende fasen wordt, naast de uitwerking van de huidige zoekgebieden ook 8
onder andere naar innovatieve oplossingen in participatie en technieken gekeken. We gaan als maatschappij nationaal en regionaal de komende decennia met elkaar dit pad in. 39. Hoe hangt RES samen met nieuwe Omgevingswet en met de Provinciale verordening? De Provinciale verordening biedt de ruimtelijke kaders waar binnen de zoekgebieden van de RES moeten passen. De nieuwe Omgevingswet biedt de wet- en regelgeving voor gemeenten bij de uitwerking en daadwerkelijke ontwikkeling van projecten op het gebied van zonne- en windenergie. ALTERNATIEVE TECHNIEKEN 40. Waarom gaat de RES alleen over elektriciteit uit zon en wind? De RES gaat over de doelstelling voor 2030. Daarom richt het Klimaatakkoord zich voornamelijk op technieken die zich in de praktijk al bewezen hebben, namelijk windturbines en zonnepanelen. Met deze zogenoemde ‘beproefde technieken’ is de kans het grootst dat wij onze uitstoot van broeikasgassen op de korte termijn het meest kunnen verkleinen. Zonne- en windenergie zijn op dit moment de goedkoopste en meest efficiënte bronnen van grootschalige duurzame energie. 41. Waarom geen kernenergie? Kernenergie is mogelijk een oplossing vanaf 2030 en niet tot 2030. De Rijksoverheid heeft momenteel al drie locaties aangewezen waar eventueel een kerncentrale gebouwd kan worden (bij Borsele, op de Maasvlakte en bij de Eemshaven).
Maar op dit moment zijn er geen bedrijven die hierin willen investeren. Bovendien is het niet mogelijk om al een kerncentrale of thoriumreactor te bouwen vóór 2030. Bij de bouw van kerncentrales in het buitenland zien we ook veel grote kostenoverschrijdingen en jarenlange vertragingen. Bovendien is alleen de Rijksoverheid bevoegd voor het vergunnen van een kerncentrale of thoriumreactor. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft hierover op 2 maart 2021 een brief gestuurd aan de Tweede Kamer naar aanleiding van kamervragen. De RES gaat daarom in op oplossingen die wél binnen onze invloedsfeer en binnen de mogelijkheden van de regio liggen. 42. Waarom niet veel meer windmolens op zee? Zo’n 60% van de landelijke opgave voor groene stroom wordt tot 2030 al door wind op zee gerealiseerd. De overige 40% – de opgave van de RES – moet op land opgewekt worden. Het gaat dan om 35 TWh. We hebben de zee namelijk ook nodig voor andere functies, zoals visserij, scheepsroutes, natuur, mijnbouwactiviteiten. Daarom moeten we ook hernieuwbare elektriciteit op land opwekken, om het doel te bereiken. Windenergie op land is op dit moment volgens het Planbureau van de Leefomgeving ook een van de goedkoopste en meest efficiënte bronnen van duurzame elektriciteit en daarmee onmisbaar in de omvorming van het energiesysteem. 43.
Kan de gehele RES opgave van 35 TWh niet op zee worden gerealiseerd? Dat is niet aan de orde. Voor duurzame energie op land (zonne- en windenergie) enerzijds en wind op zee anderzijds zijn in het Klimaatakkoord separaat doelstellingen opgenomen. De doelstelling voor wind op zee is 49 TWh. Wind op zee maakt is dus een integraal onderdeel van de Nederlandse klimaatambities. 44. Op de website van de RES staat dat 49 TWh waarschijnlijk het maximum was wat op zee gerealiseerd zou kunnen worden. Toch worden er nu extra turbines (10 GW vermogen) bijgeplaatst. Waarom is er nu opeens wel extra ruimte op zee en waarom kon de 35 TWh uit de RES niet in een eerder stadium naar zee verplaatst worden? Voor de bepaling 9
hoeveel windenergie op zee maximaal te realiseren is, wordt onder meer gekeken naar de te verwachten effecten op beschermde diersoorten onder de Wet Natuurbescherming, maar ook naar het tempo waarin de windparken gerealiseerd kunnen worden en de capaciteit van het hoogspanningsnet op land. Toen de afspraak voor 49 TWh windenergie op zee werd gemaakt, is op basis van de toen beschikbare data vastgesteld dat er tot 2030 49 TWh op zee gerealiseerd zou kunnen worden binnen de wettelijke kaders. Een verplaatsing was dus niet mogelijk. Inmiddels lijkt op basis van voortschrijdend inzicht en data uit nadere onderzoeken er voor 2030 meer wind op zee mogelijk te zijn. Er worden nog nadere onderzoeken gedaan naar de verwachte ecologische impact van de extra opgave voor windenergie op zee. De resultaten hiervan worden meegenomen in het aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden. Met deze zoektocht naar extra ruimte voor wind op zee wordt groene energie opgewekt waarmee de verduurzaming van de industrie mogelijk wordt gemaakt. 45. Wat is het maximale aantal TWh wind op zee dat gerealiseerd kan worden? Wind op zee kan een belangrijke bijdrage leveren aan de klimaatopgave en de daaruit voorkomende verduurzamingsopdracht voor de industrie. De Noordzee is één van de drukste stukken zee ter wereld, met onder meer intensieve scheepvaart, visserij, olie- en gaswinning en defensie-oefenterreinen.
Ook zijn de Noordzee en Waddenzee belangrijke natuurlijke ecosystemen die bescherming behoeven. Momenteel wordt gewerkt aan het uitvoeren van de routekaart windenergie op zee 2030 met de realisatie van 11,5 GW windenergie op ons deel van de Noordzee. Deze 11,5 GW windenergie is nodig om de CO2-reductiedoelstelling van 49% in 2030 te kunnen halen. In de Noordzee Energie Outlook is een maximumscenario opgenomen met 72 GW aan windenergie op het Nederlandse deel van de Noordzee in 2050, dat komt bij 4.500 draaiuren overeen met 325 TWh (Kamerstuk 32813, nr. 646). In de Europese zeeën voorziet de Europese Unie een potentieel van 60 GW wind op zee in 2030 en 300 GW in 2050[1]. Ook wil de Commissie de hoeveelheid oceaanenergie, zoals energie uit getijden en golfslag, verhogen naar 1 GW in 2030 en 40 GW in 2050. Zowel bij de totstandkoming van de Routekaart 2030 als bij de zoektocht naar ruimte voor extra windenergiegebieden wordt een belangenafweging gemaakt tussen de belangen en sectoren op de Noordzee. De maximale ruimte is dan ook sterk afhankelijk van deze integrale weging. De snelheid van de ontwikkeling van wind op zee is ook sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de vraag naar duurzame energie. De weging en besluitvorming over de verdere doorgroei van windenergie op zee bovenop de 11,5 GW van de routekaart windenergie op zee 2030 is aan volgende kabinetten. 46.
Hoeveel planschade zal de overheid naar verwachting moeten vergoeden door het uitvoeren van de RES? Zijn deze kosten ook meegenomen in de kosten van de energietransitie? De planschaderegeling is een wettelijk vastgesteld instrument om tegemoet te komen aan schade ontstaan door ruimtelijke ontwikkelingen. In het geval dat een woningeigenaar in aanmerking denkt te komen voor de planschaderegeling kan de eigenaar een planschadevergoeding vragen bij het bevoegd gezag voor schade als gevolg van het plan. Er zal vervolgens altijd een onafhankelijke planschadedeskundige worden ingeschakeld om de aanvraag te beoordelen. In de huidige planschaderegeling in de Wet ruimtelijke ordening is sprake van een normaal maatschappelijk eigen risico van ten minste 2% dat iedere eigenaar van onroerend goed geacht wordt zelf te dragen. In de Omgevingswet wordt dit vervangen door een vast eigen risico van 4% voor schade aan onroerende zaken als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van de onroerende zaak. Het verzoek voor planschadevergoeding wordt bij het bevoegd gezag ingediend, maar wordt vrijwel altijd 10
doorbelast aan de ontwikkelaar van een wind- of zonnepark door het afsluiten van een planschadeovereenkomst. Dit betekent dat de ontwikkelaar van een wind- of zonnepark eventueel waardeverlies dat hoger is dan het eigen risico zal moeten vergoeden aan de woningeigenaar. Het is aan ontwikkelaars om de te verwachte planschade als gevolg van het wind- of zonnepark mee te nemen in de business case. Bij veel projecten wordt door de projectontwikkelaar daarom een planschaderisicoanalyse gemaakt, als input voor de businesscase. Het is onmogelijk vast te stellen voor welk bedrag aan planschade in totaal zal moeten worden uitgekeerd als gevolg van de RES. Dit komt onder andere omdat er momenteel vaak zoeklocaties worden aangewezen, maar nog geen concrete locaties voor zonne- of windparken. Ook is niet in te schatten hoeveel planschadeclaims er zullen worden ingediend. Planschade wordt altijd per individueel geval beoordeeld. 47. Waarom niet veel minder wind en veel meer zonnepanelen? Met name op daken? Net als voor windmolens geldt dat voor zonnepanelen plek gevonden moet worden. Een logische keus zijn daken, maar niet elk dak leent zich hiervoor. Daarom worden nu steeds meer zonnevelden aangelegd. Daarnaast leveren zon en wind op verschillende momenten energie. Juist inzetten op de combinatie van beiden is goed voor de leveringszekerheid van energie.
Daarnaast is de energietransitie een enorme opgave: we hebben alle beschikbare bronnen hard nodig om de doelen te halen. Het is dus niet of-of, maar en-en. 48. Wanneer kunnen we gebruiken maken van geothermie? Geothermie kan een belangrijke rol spelen in het verduurzamen van de warmtevraag in onze regio. De meest actuele studie op het gebied van geothermie in de U16 is de studie “WARM2020” van EBN. Deze studie maakte gebruik van de op dat moment beschikbare ondergronddata. In het najaar van 2021 wordt de follow-up van deze studie verwacht. Het winnen en exploreren van geothermische warmte is een kostbaar traject waar relatief grote financiële risico’s mee gemoeid zijn maar waar tevens potentieel een grote hoeveelheid warmte mee kan worden gewonnen. Mede om die reden komt geothermie alleen van de grond bij voldoende (gecontracteerde) warmtevraag (minimaal 4.000 woningequivalenten). De (financiële) haalbaarheid van geothermie is daarom niet los te zien van het de haalbaarheid van een warmtenet als dat nog moet worden aangelegd. Inmiddels is er ook een factsheet Geothermie beschikbaar dat is gemaakt door de Provincie Utrecht. NETINFRASTRUCTUUR 49. Hoe is de verhouding tussen zonne- en windenergie? Op basis van het opgestelde piekvermogen in 2030 wordt de verhouding zonne- en windenergie: 84% zonne-energie en 16% windenergie.
Wanneer er gekeken wordt naar de verwachte elektriciteitsproductie dan is de verhouding 72% zonne-energie en 28% windenergie. 50. Hoeveel gaat het kosten om alle plannen aan te sluiten op het net? Daar kan op dit moment nog geen uitspraak over worden gedaan. In de volgende fase richting RES 2.0 wordt bekeken hoe de investeringsagenda van Stedin er uit ziet op basis van de uitgewerkte plannen. Stedin heeft wel al aangegeven zeker 250 miljoen euro te investeren in het elektriciteitsnet tot 2030. 51. In hoeverre zijn financiën leidend bij het bepalen van de investeringen door Stedin? Stedin heeft de wettelijke plicht om op verzoek nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet te realiseren. Stedin spant zich daarom maximaal in om nieuwe zon- en windparken op het net aan te sluiten. Vanwege de energietransitie moet Stedin vaker en meer investeringen doen. Hiervoor leent ze geld op de kapitaalmarkt. Om, ondanks de grote hoeveelheid van 11
uitgaven, de creditrating van Stedin op peil te houden is momenteel een aanvulling van het eigen vermogen nodig. Om dit te realiseren bewandelt Stedin momenteel meerdere routes. Stedin kijkt allereerst kritisch naar de eigen kosten. Daarnaast is Stedin, samen met andere netbeheerders, in gesprek met het ministeries van EZK, Financiën en de ACM over de financierbaarheid van de energietransitie. Ook is Stedin in gesprek met haar aandeelhouders over kapitaalstortingen. 52. Waarom is het belangrijk om een balans te hebben tussen zonne- en windenergie binnen een RES? Een combinatie van zon- en windenergie is nodig, omdat beide energievormen elkaar goed aanvullen. Zo hebben zon- en windenergie hun eigen piekmaanden in de opbrengsten. Dit zijn de maanden waarin ze het meeste energie leveren. Zonnepanelen produceren bijvoorbeeld meer energie in de zomer, terwijl windmolens meer energie leveren in de winter. De zon is namelijk krachtiger in de zomer, terwijl de wind over het algemeen krachtiger waait in de winter. Op deze manier vullen windmolens en zonnepanelen elkaar het hele jaar door goed aan. Zo kan er het hele jaar door gebruik gemaakt worden van groene stroom. Ook voor de aansluiting op de netinfrastructuur is het beter om een combinatie van zonne- en windenergie toe te passen.
Windenergie is vaak makkelijker aan te sluiten op de hogere netvlakken, waardoor het elektriciteitsnetwerk efficiënter wordt gebruikt. Zonneenergie heeft meer impact op de beschikbare netcapaciteit ten opzichte van de opbrengsten. 53. Maar wat als inwoners tijdens de participatietrajecten duidelijk hebben aangegeven een voorkeur te hebben voor zon op land in plaats van wind op land? De inbreng vanuit de lokale participatietrajecten van inwoners en lokaal betrokken organisaties is vertaald naar de huidige zoekgebieden voor zon- en windenergie in de RES U16. Hierin zien wij al een duidelijke voorkeur voor zon op land. De komende periode onderzoeken we of de huidige plannen technisch haalbaar en inpasbaar zijn. Wanneer blijkt dat er knelpunten zijn bij de huidige verhouding waarin zon op land gerealiseerd wordt, zal binnen de RES U16 gezocht moeten worden naar oplossingen hiervoor. Natuurlijk in dialoog met inwoners en betrokken organisaties. GEZONDHEID 54. Zijn windmolens slecht voor de gezondheid? Nee. Er zijn mensen die zorgen hebben over de impact van windturbines op de gezondheid. Hoewel er geen wetenschappelijk bewijs is dat geluid van windmolens gezondheidsschade veroorzaakt, nemen we de zorgen serieus en wegen we deze mee in de planvorming. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook op de voet gevolgd.
Uiteraard houden we ons te allen tijde aan de geldende wet- en regelgeving. Voor meer informatie over de gezondheidseffecten van windmolens, kijk op: https://www.rivm.nl/windenergie/windmolens-gezondheid 55. Geven hogere windmolens van 240 meter hoog meer geluidhinder dan lagere windmolens van 180 meter hoog? Nee niet als regel, er is geen automatisch verband tussen hoogte van een windmolen en de ervaren geluidhinder. In veel gevallen is het zelfs zo dat een hogere turbine minder geluidhinder veroorzaakt. Dit komt omdat het vaak nieuwere turbines betreft, die modernere technologie hebben om de geluidproductie te verminderen. Daarnaast is het brongeluid in de nacelle (de 'kast' waar de rotorbladen aan zijn bevestigd) in hogere windmolens hoger boven het maaiveld. Bovendien gelden voor zowel hogere als lagere windmolens dezelfde geluidnormen. 12
56. Welke richtlijnen worden er gegeven door de GGD voor het plaatsen van windmolens? De GGD’s hebben een landelijke handreiking opgesteld over de advieswaarden rond het plaatsen van windmolens. Dit gaat alleen over geluidsniveau, niet over de afstand tot bebouwing. De handreiking is hier terug te lezen: https://ggdghor.nl/thema/windturbines/ 57. Hoe heeft het participatietraject er uit gezien? Al bij de ontwikkeling van de Ontwerp-RES zijn regionale stakeholders geïnformeerd over het proces en de inhoud van de Ontwerp-RES. Hiervoor zijn een aantal bijeenkomsten georganiseerd met alle regionale stakeholders. In totaal hebben er 6 regionale stakeholderbijeenkomsten plaatsgevonden. Er zijn ook warmteateliers, tafelgesprekken en individuele gesprekken georganiseerd. Vanaf de zomer van 2020 zijn gemeenten aan de slag gegaan met een lokaal participatieproces waaraan inwoners en lokaal betrokken organisaties hebben deelgenomen. Tijdens dit proces zijn de kansen voor zoekgebieden voor de RES 1.0 geïnventariseerd. Hiervoor zijn verschillende middelen ingezet, van digitale enquetes tot bewonersavonden en nieuwbrieven. 58. Wat vinden de regionale stakeholders van de RES 1.0? De meeste regionale stakeholders zijn het er over eens dat er een stap moet worden gezet naar het opwekken van duurzame energie.
Natuurlijk zijn er bij de verschillende stakeholders vanuit hun perspectief zorgen en aandachtspunten over bijvoorbeeld het effect op de natuur en het milieu, het effect op de beschikbaarheid van landbouwgronden en in hoeverre lokaal inwoners voldoende mogelijkheden krijgen om financieel mee te doen aan de toekomstige projecten. De Natuur- en milieufederatie Utrecht en Energie van Utrecht hebben op 7 september een reactie gegeven op de RES 1.0. 59. Hoe gaan we energietransitie sociaal maatschappelijk inbedden? Het uitgangspunt in het Klimaatakkoord is dat we streven naar 50% lokaal eigendom in duurzame energieprojecten. Hoe dit wordt ingevuld wordt in de volgende fase verder uitgewerkt. 60. Hoe wordt er gewerkt aan draagvlak voor de RES? Draagvlak en participatie is in de RES opgebouwd vanuit de lokale omgeving. De gemeenten zorgen voor het participatieproces in en om de zoekgebieden, zodat inwoners worden betrokken bij de ontwikkeling. De RES organisatie biedt daarbij ondersteuning. 61. Wie maakt het Participatiebeleid? Iedere gemeente maakt zelf haar eigen participatiebeleid met hierin richtlijnen hoe zij inwoners mee wil nemen en betrekken bij projecten en activiteiten binnen de gemeente. BESLUITVORMING 62. De gemeente Montfoort heeft geen raadsbesluit genomen over de Ontwerp-RES.
Heeft Montfoort meegewerkt aan de RES 1.0? De gemeente Montfoort kreeg ondanks het besluit van de raad, de ruimte om te verkennen welke kansen er zijn voor zoekgebieden waar zonne- of windenergie. Gemeente Montfoort heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de RES 1.0. 63. Waarom heeft de gemeente de Ronde Venen nog geen bijdrage aangeleverd voor de RES 1.0? Wanneer doen ze dit? De bijdrage van De Ronde Venen staat niet in de RES 1.0 omdat het college het besluit van de raad heeft afgewacht. Inmiddels is tijdens de raadsvergadering van maandag 5 juli in de gemeenteraad besloten hoeveel De Ronde Venen inbrengt in de regionale samenwerking; 13
namelijk 410 TeraJoule duurzame energie voor 2030. De gemeente wil de energie opwekken met zonnepanelen op grote daken (zoals bedrijfsdaken) en zonnevelden. 64. Doet de gemeente Utrecht genoeg? De gemeente Utrecht, net zoals iedere gemeente in de regio, werkt aan deze opgave en kijkt welke bijdrage er binnen de ruimtelijke kaders en technische mogelijkheden haalbaar is. De gemeente Utrecht heeft elke kans en mogelijkheid voor de opwek van zonne- en windenergie opgenomen in de RES 1.0. 65. Wat als de raad in een (of meerdere) gemeente(n) de RES 1.0 niet vaststelt? Na besluitvorming in de parlementen wordt gezamenlijk op de bestuurstafel de koers bepaald ten aanzien van alle moties, amendementen en onverhoopte verwerpingen. De consequenties moeten aansluiten bij de concrete situatie en context en worden daarom op de BT KNR (Stuurgroep RES) vastgesteld. Ons uitgangspunt is hierbij dat we elkaar vasthouden zolang het kan. Dit sluit aan bij het Klimaatakkoord. De gemeenteraadverwerping heeft alleen directe invloed op die delen waarvoor de betreffende gemeente bevoegd gezag is. Het niet instemmen met de RES heeft dus geen directe gevolgen voor de andere overheden binnen het regionale proces. Bij het aanbieden van de RES aan het Nationaal Programma RES en het Planbureau voor de Leefomgeving wordt kenbaar gemaakt dat de betreffende gemeente niet heeft ingestemd.
In de doorrekening door het Planbureau voor de Leefomgeving wordt hier dan rekening mee gehouden. 66. Wat als gemeenten geen bijdrage aan de RES leveren? Komt de Provincie (of het Rijk) dan om de hoek kijken? Na besluitvorming in de parlementen wordt gezamenlijk op de bestuurstafel de koers bepaald ten aanzien van alle moties, amendementen en onverhoopte verwerpingen. De consequenties moeten aansluiten bij de concrete situatie en context en worden daarom op de BT KNR (Stuurgroep RES) vastgesteld. Ons uitgangspunt is hierbij dat we elkaar vasthouden zolang het kan. De deelnemer blijft betrokken op een wijze die later opnieuw aansluiten mogelijk maakt. Zo kan de deelnemer blijven deelnemen aan de bestuurlijke en ambtelijke overleggen. Als echter het terugtrekken uit de samenwerking wordt beoogd, dan kan besloten worden dat de deelnemer niet meer deelneemt aan de besluitvorming. Dit sluit aan bij het Klimaatakkoord waarin staat dat partijen eerst binnen de regio proberen het probleem op te lossen. Daarna kunnen partijen problemen agenderen bij het Nationaal Programma RES. Zij kunnen ondersteunen in het voeren van het 'goede bestuurlijke gesprek'. Als dat niet voldoende blijkt zullen overheden op een verstandige manier interveniëren om ervoor te zorgen dat de opgave alsnog gerealiseerd wordt. Hierbij is steeds het uitgangspunt: ‘Eerst zacht, dan pas hard’.
Oftewel: we proberen er altijd eerst onderling in goed overleg uit te komen (bestuurlijke interventie). En pas als het via de bestuurlijke route écht niet lukt, dan wordt er overgegaan op de inzet van meer dwingende juridische instrumenten (juridische interventie). We volgen hierbij de bestaande wettelijke bevoegdheidsverdelingen: eerst gemeenten, dan provincies, dan het rijk. Onder juridische instrumenten verstaan we hier de instrumenten uit de Omgevingswet, zoals instructieregels, de omgevingsverordening en het projectbesluit. Deze instrumenten kunnen overheden overigens niet ‘zo maar’ inzetten. Hier gaat een intensief traject aan vooraf, waarbij overheden – zeker voor de meer dwingende instrumenten – goed inzichtelijk moeten maken waarom de inzet van het desbetreffende instrument noodzakelijk is en past bij de opgave en de situatie. 67. Hoeveel invloed hebben de raden en staten eigenlijk op de RES? Gemeenteraden stellen de RES 1.0 vast, net als provinciale staten en de algemene besturen van de waterschappen. Daarmee doorloopt de RES de normale democratische besluitvormingsprocessen. Ook de latere uitwerkingen van de RES in de gemeentelijke 14
omgevingsvisies, omgevingsplannen of andere programma’s volgen het democratische proces. Hiermee heeft de raad dus het laatste woord bij de uiteindelijke vorm en uitwerking van de RES. 68. Hoe gaat de RES om met amendementen en moties die raden en staten aannemen over de RES? De RES 1.0 is opgesteld in afstemming met 21 overheden. Deze 21 overheden hebben ervoor gekozen om met andere samen te werken aan realisatie van de klimaatdoelen en bij te dragen aan de landelijke doelstelling voor grootschalige opwek. Moties en amendementen hebben een impact op de ontwikkeling naar RES 2.0 en de besluitvorming daarover bij andere overheden. Alle moties en amendementen worden gezamenlijk bestuurlijk besproken op de bestuurstafel KNR (stuurgroep RES) om te bepalen welk regionaal vervolg er aan gegeven kan worden. Aan moties kan hierbij relatief goed invulling worden gegeven. De uitvoering van een motie kan bijvoorbeeld worden opgenomen in het Regionaal Uitvoeringsplan of uitgewerkt in de RES 2.0 zonder dat de besluitvorming in andere parlementen wordt doorkruist. Een motie heeft daarom de voorkeur boven een amendement. In deze laatste fase van de RES 1.0 betekent een amendement op de RES 1.0 eigenlijk dat het college gevraagd wordt de onderhandelingen met de 20 andere partijen te heropenen.
Om goed uitvoering te kunnen geven aan een amendement helpt het daarom als bij het amendement is aangegeven hoe het moet worden gelezen bijvoorbeeld als 1) opdracht aan het dagelijks bestuur om in te brengen in de regionale samenwerking 2) een opdracht om te verwerken in het regionale uitvoeringsplan of RES 2.0 of 3) een aanpassing moet worden doorgevoerd in de RES1.0. In het laatste geval betekent dit dus een verzoek aan de andere overheden tot een nieuwe besluitvormingsronde. 69. De RES heeft geen juridische grondslag dus kan niets afdwingen, toch? De RES is een strategische verkenning. De opgaven en ambities uit de RES krijgen juridische status in de verankering in het instrumentarium van de Wet Ruimtelijke Ordening of Omgevingswet. Denk aan Structuur- of Omgevingsvisies, Omgevingsplannen en Programma’s. De RES 1.0 wordt bestuurlijk vastgesteld door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. Daarmee is de RES 1.0 bestuurlijk bindend. Dat betekent dat het bindend is voor de instantie die het vaststelt. 70. Is de RES 1.0, nu het door de verschillende gemeenteraden en Provinciale Staten wordt vastgesteld, een besluit dat vatbaar is voor bezwaar? De RES is geen besluit in de zin van de Awb, omdat de beslissing niet op rechtsgevolg is gericht. De vaststelling van de RES door raden en provinciale staten verandert dat niet.
De ruimtelijke procedure voor zoekgebieden of projecten uit de RES staan uiteraard wel open voor bezwaar en beroep. 71. Heeft de recente uitspraak van de Raad van State nog invloed op het punt dat de RES geen besluit is dat vatbaar is voor bezwaar? De recente uitspraak over het windturbinepark verandert niets aan het rechtskarakter van een RES. Een RES blijft een niet op rechtsgevolg gerichte beslissing. BESTUURLIJK VERKENNER 72. Waarom is de afgelopen maanden een bestuurlijk verkenner ingeschakeld? Wouter de Jong is gevraagd als bestuurlijke verkenner om de gesprekken aan de regiotafel vlot te trekken. De bestuurlijke gesprekken waren niet eenvoudig: Wouter de Jong is gevraagd om met een paar frisse ogen mee te kijken naar het vraagstuk. 15
73. Welke spanning zat er in de bestuurlijke gesprekken? De bestuurlijke gesprekken in RES verband waren niet eenvoudig omdat • er verschillende ambities/visies zijn met betrekking tot grootschalige opwek in de regio; • met name wind (en deels ook zon) geen opgaves zijn waarvoor direct de handen voor op elkaar gaan; dus zorgvuldige afwegingen met betrekking tot ruimte en inwoners nodig zijn, dat kost tijd; • bestuurders verschillende raden (in cultuur en kleur) moeten meenemen in de voorstellen • de bestuurlijke gesprekken focusten ook op hoe er omgegaan moest worden met planuitval en het aanvullen van de potentiële plancapaciteit. 74. Waarover gingen de gesprekken met de bestuurlijk verkenner? De gesprekken gingen met name over het maken van afspraken met elkaar hoe we in de toekomst verder met elkaar gaan werken aan het realiseren van de RES (grootschalige opwek elektriciteit, warmte is groot vraagstuk). Dat gaat niet alleen over de inzet die gemeenten gaan leveren, maar ook hoe we tegenvallers gaan oplossen als het tegenzit met het realiseren van die plannen. 75. Zijn de verhoudingen in de U16 nu verbeterd? De gesprekken over de RES waren stevig, het gaat immers over belangrijke zaken voor elke gemeente. Gedurende het gehele proces waren alle bestuurders in gesprek met elkaar. Bestuurders hadden gedurende het proces altijd de wil om er met elkaar uit te komen.
En inmiddels hebben bestuurders elkaar weer gevonden als het gaat over het samenwerken met elkaar om de opgave voor de opwek van duurzame elektriciteit in te vullen. 76. Hoe zijn de bestuurders uit de impasse gekomen? Bestuurlijk verkenner Wouter de Jong heeft met alle bestuurders binnen de RES U16 gesproken. Allereerst over hoe alle RES bestuurders de besluitvorming willen formuleren voor het behalen van de ambitie om in aan duurzame elektriciteit op te wekken, dat kan rekenen op draagvlak in alle gemeenteraden, provinciale staten en de algemene besturen van de 4 waterschappen. Daarnaast hoe het RES-bod wordt onderbouwd en bestuurlijke afspraken worden vastgelegd. Om op basis daarvan na de RES 1.0 verder te werken aan de vastgestelde ambitie. De opbrengsten van de gesprekken zijn op 14 april besproken met alle bestuurders. Dit overleg verliep in harmonie en heeft geleid tot voldoende ingrediënten om de RES 1.0 verder uit te werken. 77. In het advies van Wouter de Jong staat dat de gemeente Utrecht en de provincie Utrecht faciliteren in het proces. Wat houdt de facilitering van de provincie en gemeente Utrecht precies in? De provincie Utrecht en de gemeente Utrecht bekijken samen met andere gemeenten waar kansen zijn voor zonne- en windenergie of er mogelijk andere ontwikkelingen rond de opgaven voor de thema’s wonen en infrastructuur versneld kunnen worden. 78.
Wie van de partijen binnen de U16 heeft om een externe bemiddelaar gevraagd? Tijdens het bestuurlijk overleg van 19 februari zijn bestuurders gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat de inzet van een bestuurlijk verkenner helpend kon zijn om de gesprekken over de opwek van duurzame elektriciteit weer vlot te trekken.
16
79. Door wie is deze bemiddelaar aangesteld en wie is zijn opdrachtgever? De bestuurlijk verkenner is aangesteld door de ambtelijk opdrachtgevers van de Regio U16. 80. Wat was de exacte opdracht van de bemiddelaar? De opdracht bestond uit drie onderdelen. Allereerst hoe alle RES bestuurders de besluitvorming wilden formuleren rond het behalen van de vastgestelde ambitie, dat kon rekenen op draagvlak in alle gemeenteraden, provinciale staten en de algemene besturen van de 4 waterschappen. Ten tweede hoe we het RESbod konden onderbouwen en bestuurlijke afspraken vastleggen om na de RES 1.0 verder te werken aan het RES-bod. En als laatste verkennen of er een meer evenwichtige politieke en regionale vertegenwoordiging nodig was om bestuurlijk het proces verder te trekken. 81. Wat was het moment dat er besloten is om tot een extern bemiddelaar te komen? 19 februari 2021 82. Is er een verslag van de werkzaamheden die de bemiddelaar heeft uitgevoerd? Het advies en de conclusies van de bestuurlijk verkenner zijn als bijlage toegevoegd aan de RES 1.0. 83. Hoe gaan we om met elkaar in de samenwerking de komende jaren? De komende jaren wordt er samengewerkt om de plannen uit de RES 1.0 verder te concretiseren. Daarbij wordt gesproken over de impact van de plannen op de leefomgeving, wat te doen bij planuitval en de inbreng van nieuwe zoekgebieden. 84.
Is U10 organisatie te licht/te zwaar om de uitvoering van de RES te begeleiden? De U10 organisatie bekijkt op dit moment op welke manier de projectorganisatie wordt ingericht om van de RES 1.0 naar de RES 2.0 toe te werken. Er is daarbij aandacht voor wat er nodig is aan capaciteit en inhoudelijke kennis. 85. Er zijn veel middelen nodig om de RES uit te kunnen voeren. Wat als er geen geld beschikbaar komt voor na 2022? Het besluit hierover ligt bij het volgend kabinet in samenspraak met de decentrale overheden. Daarbij zal vooral gekeken worden naar de fase waarin de uitvoering van de RES’en in de periode 2022-2025 komt, en hoe de ondersteuning in dat licht effectief kan worden vormgegeven. Alle opdrachtgevers van NP RES hebben een sterk gezamenlijk bestuurlijk commitment uitgesproken om de ondersteuning te continueren, landelijk én in de regio’s. We maken in het uitvoeringsplan inzichtelijk wat de implicaties zijn wanneer er wel en geen middelen van het Rijk komen (verschillende scenario's). 86. Wat doen andere RES’en aangrenzend aan onze regio? Wat is hun bod, doet iedereen binnen de andere RES regio’s mee? De RES regio Amersfoort heeft een ambitie van 0,5 TWh, RES regio Foodvalley heeft een ambitie van 0,75 TWh, RES regio Noord-Holland Zuid heeft een ambitie van 2,7 TWh. Op dit moment is de besluitvorming binnen deze regio’s in volle gang. 87.
Hoe wordt omgegaan met gebieden die grenzen aan verschillende RES’en? Er vindt regelmatig overleg plaats met de aangrenzende RES’en, RES Regio Amersfoort, RES Foodvalley en RES Noord-Holland Zuid. Hierin wordt onder andere besproken hoe bepaalde zoekgebieden voor zonne- en windenergie elkaar raken. Er vindt afstemming plaats hoe de gebiedsprocessen zorgvuldig verlopen en hoe er mogelijk kansen gecombineerd kunnen worden. 17