CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Startnotitie Warmteprogramma.pdf

Commissie Fysiek Domein 7 oktober 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 5: Peilnota Startnotitie Warmteprogramma3.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Startnotitie Warmteprogramma 2027-2037 Bestuurlijk opdrachtgever Ambtelijk opdrachtgever

Dick Polman Marina Kersbergen

Initiatiefnemer Gemeente Stichtse Vecht, Team Ontwikkeling Leefomgeving en Economie

Beoogd projectleider Derk Hueting

Versie 0.04 Datum 01-09-2025

Inleiding Warmteprogramma 2027-2037 Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. In het warmteprogramma beschrijft de gemeente Stichtse Vecht haar plannen voor de verduurzaming van wijken voor de komende 10 jaar. Het programma is een uitwerking van de algemene ambities uit de omgevingsvisie en richt zich specifiek op het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Volgens de WGIW moet de gemeente uiterlijk 31 december 2026 het warmteprogramma hebben vastgesteld en vervolgens elke 5 jaar herijken. Het eerste warmteprogramma heeft betrekking op de periode tot en met 31 december 2036. Voor daaropvolgende warmteprogramma’s verschuift dit telkens 5 jaar. Kaders Belangrijke kaders en uitgangspunten voor de uitwerking zijn: • De Omgevingsvisie van Stichtse Vecht (GOVI SV) • De Transitie Visie Warmte 2021-2025 • Het uitvoeringsprogramma Op weg naar nieuwe energie • De uitvoeringsagenda Warmte Daarnaast stellen wettelijke regels randvoorwaarden en richting aan de uitwerking: • De omgevingswet • De Wet collectieve Warmte (WcW) • De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) • Het Besluit Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (BGIW).

• Het klimaatakkoord • De Klimaatwet • De energiewet (in behandeling 1e kamer, nu nog elektriciteitswet) Naast deze kaderstellende beleidsstukken zijn er meer beleidsstukken met impact op (de totstandkoming van) het warmteprogramma: • Regionale Energie Strategie (RES) • De lokale Participatieleidraad • Lokale verordeningen met betrekking tot gebruik van de ondergrond • Mobiliteitsbeleid (met name het onderwerp laadinfrastructuur) • De voortgangsnota Op weg naar nieuwe energie van eind 2024 Het aantal beschreven beleidsstukken zal niet uitputtend zijn en zal over de tijd toenemen in aantal en uitwerking.

Bovenstaande opsommingen maken duidelijk dat de energietransitie een complex speelveld is met wisselende belangen. Het beleid en de kaders zijn continu in ontwikkeling.

Scope en afbakening Gebied Het warmteprogramma heeft betrekking op de totale gemeente Stichtse Vecht. Periode Het warmteprogramma kijkt steeds 10 jaar vooruit (2027-2037) en wordt iedere 5 jaar herzien. Doelstelling De hoofddoelstelling is het beschrijven van de plannen van de gemeente Stichtse Vecht voor het aardgasvrij maken van de verschillende gebieden in de gemeente, met als einddoel een duurzame energievoorziening zonder aardgas in 2050. In het programma worden de plannen voor de komende 10 jaar concreet. Stichtse Vecht heeft 28.780 woningen en 1.320 utiliteiten. Al deze gebouwen worden uiterlijk in 2050 op een duurzame, CO₂-vrije manier zonder aardgas verwarmd. Medio 2025 zijn naar schatting ongeveer 2.200 woningen (7,5%) in Stichtse Vecht aardgasvrij; van de utiliteiten is (nog) geen informatie beschikbaar. Dit betreft alle woningen gebouwd na 2018, woningen (in het buitengebied) die nooit een aardgasaansluiting hebben gehad en woningen van voor 2018 waar inmiddels een aardgasvrije warmtevoorziening, bijvoorbeeld een warmtepomp is geïnstalleerd. Het warmteprogramma beschrijft het warmtebeleid van de gemeente Stichtse Vecht. Het is een strategisch beleidsinstrument, waarin de gemeente aangeeft in welke gebieden de komende 10 jaar aan de slag gegaan wordt en wat voor de komende 10 jaar het plan van aanpak voor deze gebieden is.

Het programma heeft daarmee betrekking op alle gebouwen (woningen en utiliteit) in de gehele gemeente. Concreet heeft het programma de volgende doelen: 1. Vaststellen van een gebiedsindeling op basis waarvan de komende jaren het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving aangepakt kan gaan worden. 2. Per gebied de startsituatie in beeld brengen. 3. Per gebied in samenspraak met de stakeholders vaststellen wat het beoogde energiesysteem van de toekomst wordt, waarbij het energiesysteem wordt gedefinieerd als een integrale voorziening die voorziet in elektriciteit, warmte en koude. 4. Per gebied beschrijven hoe het proces wordt ingericht om het gebied aardgasvrij te maken, daarbij rekening houdend met bijvoorbeeld netcongestie, de sociale kenmerken, staat van de bebouwing, enz. 5. Per gebied de termijn vaststellen waarbinnen het gebied aardgasvrij wordt, met daarbij een eerste indicatie of, en zo ja, wanneer de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving is een complex proces dat een grote inspanning vraagt van de gemeentelijke organisatie als regisseur van de operatie en alle gebouweigenaren in de gemeente die aanpassingen aan hun vastgoed moeten realiseren. Het is een langdurig proces van 25 jaar waarin op veel fronten afgestemd en gecoördineerd moet worden.

Dit warmteprogramma is het vervolg op de Transitie Visie Warmte uit 2021 en de Uitvoeringsagenda Warmte uit 2023. In bijlage 1 is een globaal beeld van de huidige stand van zaken opgenomen.

Vertrekpunten De energietransitie is naast een technische transitie ook een sociale en een ruimtelijke transitie. Om tot een goed warmteprogramma te komen moeten keuzes gemaakt worden. De Omgevingswet biedt beleidsruimte om die keuzes te maken. Om te voorkomen dat we verkeerde systeemkeuzes maken die ongewenste gevolgen hebben op sociaal of ruimtelijk vlak doen we hierbij een voorstel voor een aantal vertrekpunten bij de uitwerking van het Warmteprogramma. De vertrekpunten zijn waarden die sturend zijn in de bestuurlijke besluitvorming over het uiteindelijke voorkeursalternatief voor aardgas in een gebied, en mogelijk met gevolgen voor de gehele gemeente. Met deze vertrekpunten zorgen we voor een rechtvaardige transitie voor onze inwoners en bedrijven zodat iedereen mee kan doen. We stellen de volgende vertrekpunten voor, die een verdere uitwerking zijn van de vertrekpunten die in de transitievisie warmte waren opgenomen: 1. Samenwerking, lokale kracht en transparantie. We realiseren de warmtetransitie samen met bewoners, bedrijven, verenigingen, woningcorporaties en regionale partners. Transparantie over belangen, doelen en keuzes is essentieel. Lokale bronnen en lokaal eigendom hebben de voorkeur, zodat opbrengsten terugvloeien in de gemeenschap. 2. Duurzaamheid staat centraal. De warmtevoorziening moet op termijn volledig fossielvrij en CO₂-neutraal zijn.

We kiezen voor oplossingen met een hoge energie- en milieuprestatie, waarbij we rekening houden met de hele keten van bron tot hergebruik. 3. Betaalbaar en toegankelijk voor iedereen. Energie is een basisbehoefte. Iedereen moet kunnen meedoen onder eerlijke voorwaarden. We streven naar betaalbare oplossingen voor alle groepen en voorkomen energiearmoede. Dit vraagt om kostenefficiëntie, publieke regie, risicospreiding en waar nodig financiële ondersteuning of maatwerk. 4. Betrouwbaarheid en toekomstbestendigheid. Het energiesysteem moet leveringszeker zijn – nu en in de toekomst. We bouwen aan een robuuste, flexibele en schaalbare infrastructuur, met diverse bronnen, back-upvoorzieningen en aandacht voor netcapaciteit, koeling en innovatie. 5. Bewonersparticipatie als voorwaarde voor succes. De warmtetransitie raakt mensen in hun directe leefomgeving. We betrekken bewoners en gebruikers van het begin af aan intensief bij plannen en uitvoering. Ook bedrijven en maatschappelijke instellingen worden actief meegenomen, afgestemd op hun context. 6. Omgaan met onzekerheid: wendbaar én daadkrachtig. De energietransitie is in ontwikkeling. We maken keuzes op basis van wat nu bekend is, maar blijven flexibel om nieuwe inzichten en technologieën te benutten. We ondersteunen koplopers en bereiden gebieden voor op aardgasvrij (‘aardgasvrij-ready’). 7.

Gebiedsgericht én doelgroepgericht werken. Elke wijk is anders, en ook bewoners en bedrijven verschillen. We werken gebiedsgericht voor schaalvoordeel en efficiëntie, maar verliezen kwetsbare doelgroepen niet uit het oog. Maatwerk is noodzakelijk om iedereen mee te nemen.

8. Eenvoud en duidelijkheid voor inwoners. We streven naar eenvoud in beleid en uitvoering. Door helder te communiceren, drempels weg te nemen en onnodige complexiteit te vermijden, voorkomen we verwarring en weerstand. Lef is nodig om heldere keuzes te maken. 9. Slim en efficiënt ruimtegebruik. De fysieke ruimte is beperkt. We benutten deze efficiënt en multifunctioneel. Daarbij zoeken we actief naar koppelkansen, bijvoorbeeld bij infrastructurele werkzaamheden of gebiedsontwikkeling, om kosten te besparen en impact te vergroten. In het warmteprogramma worden bovenstaande vertrekpunten meegenomen in het afwegingskader dat wordt opgesteld om warmteoplossingen in een gebied af te wegen en te bepalen wanneer een oplossing in een gebied gerealiseerd kan worden. Werkwijze en beoogde projectorganisatie Werkwijze Het warmteprogramma komt stapsgewijs tot stand. We maken gebruik van de handleiding die is opgesteld door het NPLW (Nationaal programma lokale warmte), het bijbehorende ondersteuningsaanbod en de regionale samenwerking met buurgemeenten en Provincie Utrecht. Lokaal wordt een projectteam (uitvoering) en een warmtetafel (sturing) ingericht waarbij alle stakeholders betrokken worden.

Globaal worden de volgende stappen gezet: Fase 1: Verkennen en inventariseren a) Verzamelen/actualiseren data (info en kenmerken onderscheiden gebieden binnen de gemeente, overzicht realistische warmteopties, overzicht kansen/uitdagingen in fysieke leefomgeving, overzicht meekoppelkansen en samenhang met andere opgaven, verkenning van zorgen en wensen lokale gemeenschap b) Organiseren van kick-off met stakeholders, inrichten projectorganisatie c) Voorbereiden participatiestrategie Fase 2: Voorbereiden Warmteprogramma a) Formuleren afwegingscriteria b) Ontwikkelen plan van aanpak voor het warmteprogramma Fase 3: Uitwerken Warmteprogramma a) Uitvoeren verdiepend onderzoek b) Actualiseren gebiedsinformatie c) Aansluiting op koppelkansen d) Participatie trajecten starten, samenwerking met partners opzetten e) Uitvoeren plan-mer beoordeling cq plan-mer f) Opstellen concept Wamteprogramma Fase 4: Toetsen en verfijnen warmteprogramma a) Draagvlakmetingen b) Inbrengen concept in bijeenkomsten met lokale gemeenschap c) Informatieve raadscommissie. d) Evt (tussen)resultaat plan-mer in proces e) Toetsen concept aan wettelijke vereisten WP f) Verfijnen concept op basis van feedback g) Vaststellen ontwerp-WP

Fase 5: Vaststellen WP a) Ter inzage leggen ontwerp Warmteprogramma b) Vastelling volgens procedure (inclusief zienswijzen, enz) c) Bekendmaking (publicatie in DSO, publiekssamenvatting) Sturingsinstrumenten In het warmteprogramma geven we duidelijkheid over het inzetten van een aantal sturingsinstrumenten. Deze sturingsinstrumenten komen voor een deel voort uit het wettelijk kader bestaande uit de WCW (Wet collectieve Warmte), WGIW (Wet Gemeentelijk instrumentarium Warmtetransitie) en de BGIW (Besluit Gemeentelijk Instrumenten Warmtetransitie). Het gaat onder andere over het inzetten van de aanwijsbevoegdheid, waarmee de gemeente onder voorwaarden gebieden kan aanwijzen (plus einddatum) waar het aardgas wordt afgesloten. Daarnaast gaat het over het eventueel aanwijzen van warmtekavels (gebieden waar een collectieve oplossing wordt gerealiseerd) en het opzetten van cq deelnemen in een lokaal of regionaal warmtebedrijf. En over het inzetten van aanvullende financiële instrumenten, zoals een lokale subsidie of lokale financieringsmogelijkheden. Plan-mer beoordeling Als in het Warmteprogramma concrete uitspraken gedaan worden over maatregelen die mer plichtig zijn, dient voor het warmteprogramma een Plan-mer opgesteld te worden. Op dit moment wordt onderzocht of deze plan-mer een algemene landelijk mer kan worden.

Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat op gemeentelijk niveau geen Plan-mer wordt uitgevoerd. Monitoring De belangrijkste indicatoren om de voortgang van het programma te monitoren zijn: 1. Het aantal gebouwen (woningen + utiliteit) per gebied dat voldoende is geïsoleerd om de stap naar aardgasvrij te maken 2. Het aantal gebouwen per gebied dat daadwerkelijk aardgasvrij is. Op provinciale schaal wordt een uniforme monitoring opgezet die voor alle gemeenten gelijk is. Beschikbaar stellen monitoringgegevens De monitoring gegevens worden via de herijking van het programma eenmaal per 5 jaar openbaar. Projectorganisatie Voor het uitwerken van het warmteprogramma wordt een projectorganisatie opgezet. Participatie en belanghebbenden Belanghebbenden De belangrijkste belanghebbenden bij het warmteprogramma zijn de gebouweigenaren en bewoners (woningeigenaren en huurders) in Stichtse Vecht. Verder zijn belanghebbend: College van B&W, gemeenteraad, interne afdelingen (o.a.

ruimte, groen, vergunningen, (ondergrondse) infrastructuur, sociaal domein), Energie Coöperatie Duurzame Vecht, netwerkbeheerders (Stedin en Alliander), provincie Utrecht, waterschappen (HDSR en AGV), buurgemeenten, U10-samenwerkingsverband, NPLW (Nationaal Programma Lokale Warmte), Woningbouwcorporaties, Particuliere Verhuurders, eigenaren/beheerders van maatschappelijk vastgoed, sportaccommodaties, zorginstellingen, enz. Binnen de interne organisatie zal nauwe samenwerking tot stand gebracht worden met het sociaal domein, Ruimte, Beheer kabels en leidingen ondergrond. Deze samenwerking heeft berekening op de volgende aspecten:

1. De energietransitie is naast een technisch/financiële, ook een sociale transitie. Het gaat daarbij onder andere over aanpassing van gedrag, het leren omgaan met een wellicht niet altijd onbeperkte beschikbare energievoorziening, het ervoor zorgdragen dat iedereen mee kan doen met de transitie. 2. In het ruimtelijk domein en het beheer van kabels en leidingen gaat het om het inpassen en plannen van werkzaamheden in de ondergrond (als bijvoorbeeld in een gebied gekozen wordt voor een warmtenet), het werk-met-werk-maken in het geval van reconstructies, herinrichting van de openbare ruimte e.d, en met het ontwerpen van warmte- en koude voorzieningen in nieuwbouwgebieden waar de omgeving eventueel op aan kan sluiten. Participatievormen De participatie zal ingericht worden aan de hand van de Participatieleidraad van de gemeente Stichtse Vecht.

In de totstandkoming van het Warmteprogramma zullen alle niveaus van participeren worden ingezet. Omdat de energietransitie van alle gebouweigenaren vraagt plannen te maken om te verduurzamen, en deze uit te voeren passend binnen de eindoplossing voor de warmtevoorziening die wordt gekozen, is een hoge mate van participatie noodzakelijk om het einddoel in 2025 te gaan halen. De gekozen participatievormen zijn onder andere meedenkbijeenkomsten, klankbordgroepen, digitale en schriftelijke informatie verstrekking, adviesraden op thema en inloopbijeenkomsten. Naar behoefte zal gedurende het uitvoeren van de startnotitie de participatie bijgesteld en opgeschaald worden. Rol gemeente in participatie De gemeente heeft van de rijksoverheid de regierol gekregen in de energietransitie. De eerder geformuleerde vertrekpunten vragen om een uitgebreid en intensief participatie proces. De gemeente zal hierin een voortrekkersrol hebben om alle relevante belanghebbenden per onderwerp te betrekken in het vormgeven van het programma. In het algemeen zal de gemeente de overleggen voorzitten. De agenda zal steeds in samenspraak met de belanghebbenden vastgesteld worden. De gemeente zal het initiatief nemen om belanghebbenden te vragen naar te agenderen onderwerpen. Buiten de overleggen om heeft de gemeente de rol om alle belanghebbenden tijdig te informeren.

Hiervoor zien wij een belangrijke rol voor belangenbehartigers om hun achterban geïnformeerd en aangehaakt te houden. De gemeente staat open voor door belanghebbenden geïnitieerde overleggen.

In het participatietraject zal bij uitnodigingen voor overleggen gezocht worden naar balans van belangen, zoals deze zich voordoen in het betreffende gebied. Aan de andere kant zal de informatieverstrekking gericht zijn op het betrekken van zoveel als mogelijk belanghebbenden. In het geval van uitvoeringsprojecten zal de gemeente op zoek gaan naar werkgroep leden. Daarmee wordt inzet gevraagd van belanghebbenden en wordt tegelijkertijd de slagvaardigheid en betrokkenheid vergroot. In de Omgevingswet is een motiveringsplicht geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. In de motiveringsplicht moet staan hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn en wat de resultaten hiervan zijn. Het college zal in het vaststellingsbesluit aangeven hoe ze invulling heeft gegeven aan haar participatiebeleid. Uiteindelijk moet participatie ertoe leiden dat het beleid weloverwogen is en de maatregelen goed uitvoerbaar zijn. Procedure en afstemming met gemeenteraad Daar omgevingsprogramma’s documenten zijn voor de uitvoering dienen de programma’s vastgesteld te worden door het College. In samenspraak met de Raad is afgesproken om het startpunt van de op te stellen programma’s te peilen in de Raadscommissie in de vorm van een startnotitie.

Zo kan binnen de Raad gepeild worden of deze zich kan vinden in het hoofddoel en de richtinggevende subdoelen van de Startnotitie en of de Raad aanbevelingen wil meegeven aan het college voor het verder opstellen van het Warmteprogramma. Na peiling van de startnotitie in de raadscommissie zal de ambtelijke organisatie onder aansturing van het college het programma opstellen en in de lijnorganisatie uitzetten ter uitvoering. Uit het programma zullen regels voortvloeien voor het fysieke domein. Deze regels zullen vastgelegd worden in een Omgevingsplan. Het Omgevingsplan wordt vastgesteld door de Raad. Gedurende de ontwikkeling en uitvoering van het programma zal de raad via een informatieve commissievergadering op de hoogte gehouden worden van de voortgang. Nieuwe doelstellingen, monitoringsresultaten en concepten van oplossingen voor het energiesysteem van de toekomst zijn voorbeelden van informatie die via een informatieve commissievergadering gedeeld zal worden. Indien extra kaders nodig zijn voor de uitwerking, zal de gemeenteraad gevraagd worden extra kaders te stellen. Financiële aspecten Ten behoeve van het opstellen van het warmteprogramma neemt gemeente Stichtse Vecht deel aan het ondersteuningsaanbod van NPLW. Hieraan zijn geen kosten verbonden en het levert belangrijke bouwstenen op voor het warmteprogramma.

Datzelfde geldt voor de Warmtetafel van de provincie Utrecht, waar verschillende onderzoeken centraal en gecoördineerd worden uitgevoerd en waar voor Stichtse Vecht geen kosten aan verbonden zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor onderzoek naar de potentie van geothermie en aquathermie in de provincie. Voor aanvullende en/of verdiepende onderzoeken en ondersteuning bij het organiseren van het participatieproces wordt €100.000,- geraamd. Hiermee komt het totaal geraamde bedrag voor het opstellen van het warmteprogramma op € 100.000. Deze kosten worden gedekt vanuit de lopende begroting van het team duurzaamheid.

Tijdens het proces van het opstellen van het warmteprogramma wordt de noodzaak cq verplichting tot het uitvoeren van een plan MER duidelijk. Als dat blijkt noodzakelijk te zijn, worden de kosten geraamd op € 100.000. De inschatting medio augustus 2025 is dat uitvoering van een plan MER niet nodig is, en dat gebruik gemaakt kan worden van een algemene MER en/of de plan MER die de Gemeente Utrecht heeft laten uitvoeren.

Planning Volgens de Wigw moet het college het warmteprogramma voor 31 december 2026 hebben vastgesteld. Gezien de complexiteit en de verstrekkende gevolgen die het warmteprogramma kan hebben in combinatie met het feit dat 2026 een verkiezingsjaar is, wordt in de plannen uitgegaan van een uitloop naar het eerste kwartaal van 2027. Dat geeft de nieuwe raad en het nieuwe college de tijd een zorgvuldige afweging te maken en kan recht gedaan worden aan de participatie. Ondertussen wordt ook verder gewerkt aan de uitvoeringsagenda warmte. Sept. 2025 Vaststellen startnotitie Juli – Okt 2025 Voorbereiden warmteprogramma Okt. 2025 - juni 2026 Uitwerken warmteprogramma juli – okt 2026 Toetsen en verfijnen Warmteprogramma okt 2026 Ontwerp Warmteprogramma gereed jan-mrt 2027 Vaststelling en publicatie Warmteprogramma Risico’s Europese- en Rijksregelgeving De regelgeving op Europees- en Rijksniveau is constant in ontwikkeling met impact op het energiebeleid. Veranderende regelgeving (b.v. afschaffing saldering, invoering Wet Collectieve Warmte) en veranderende financiële kaders (richtlijnen ACM, subsidies, belastingen) op bijvoorbeeld energieprijzen cq maatregelen hebben directe impact op gebouweigenaren. De combinatie van impact en onzekerheid maakt dat regelgeving vanuit hogere overheden een risico vormt voor het gemeentelijke warmteprogramma.

Nieuwe of wijzigende regelgeving in de komende jaren is zeer waarschijnlijk. Het klimaat- en energiebeleid is een gaande transitie en dat zet overheden ertoe aan om hun regelgeving daarop aan te laten sluiten. Het programma dient daarom flexibel opgebouwd te worden, zodat het in doelen en maatregelen kan meebewegen met wijzigingen in de regelgeving. Steun voor uitvoering van maatregelen Maatregelen voortkomend uit het programma zullen niet uitgevoerd kunnen worden zonder medewerking van belanghebbenden in de betreffende gebieden. De totstandkoming van maatregelen moet plaatsvinden middels een zorgvuldig participatietraject, waarin gezocht wordt naar lokale steun om de maatregelen daadwerkelijk uit te kunnen voeren. Risico daarbij is dat de ondersteunende maatregelen vanuit het Rijk gebouweigenaren onvoldoende aanzetten tot het treffen van de noodzakelijke maatregelen. Gevolg kan zijn dat de transitie vertraagd wordt. Langjarige beslissingen t.a.v. infrastructuur in onzeker beleidsveld Mocht uit de analyse per gebied volgen dat een collectieve oplossing in de vorm van bijvoorbeeld een warmte-koude net de voorkeur verdient, dat leidt dit tot een besluit tot aanleg van deze infrastructuur voor een periode van 30 tot 50 jaar, zonder dat de afnemer zekerheid heeft dat het over langere tijd gerekend de meest interessante oplossing is.

Borging en monitoring Het Wamteprogramma wordt iedere 5 jaar herijkt op basis van het monitoren van resultaten en voortschrijdend inzicht. In principe loopt het programma door tot 2050 (of eerder als alle gebouwen aardgasvrij zijn). Het per gebied monitoren in hoeverre gebouwen verduurzaamd zijn en afgesloten worden van aardgas vormt een belangrijk sturingsinstrument van het programma. In het warmteprogramma wordt per gebied (wijk/kern) de grote lijn aangegeven, in wijk/gebiedsuitvoeringsplannen wordt de uitwerking per gebied gedetailleerd en van monitoringinstrumentarium voorzien. Voor akkoord Opdrachtgever

Projectleider

datum

datum

BIJLAGE 1: Korte Evaluatie Transitie visie Warmte 2021, stand van zaken Uitvoeringsagenda Warmte 2023 per juli 2025 Het warmteprogramma bouwt voort op de Transitie Visie Warmte die in 2021 door de raad is vastgesteld. In maart ’23 is het uitvoeringsprogramma ‘Op weg naar nieuwe energie’ vastgesteld, gevolgd door de Uitvoeringsagenda Warmte in oktober 2023. In december 2024 is een evaluatie uitgevoerd van deze drie beleidsstukken. In deze bijlage vatten we de belangrijkste resultaten, lessen, ontwikkeling vanaf 2021 puntsgewijs samen. Omdat het warmteprogramma nauw samenhangt met de voortgang ten aanzien van het verduurzamen van de gebouwde omgeving, worden die resultaten ook meegenomen. 1. Het versnellen van het verduurzamen van de woningvoorraad is goed op gang gekomen. Met de middelen die door het rijk beschikbaar zijn gesteld (Spuk, Cdoke) wordt een lokale aanpak isolatie uitgevoerd en een aanpak energiearmoede uitgerold. Tegelijkertijd is nog een lange weg te gaan voordat alle gebouwen gereed zijn om aardgasvrij te worden. Het isoleren is een belangrijke randvoorwaarde voor het in de toekomst aardgasvrij maken van gebouwen. 2. De afgelopen jaren stagneerde de isolatie aanpak deels omdat maatregelen niet uitgevoerd konden worden in verband met de bescherming van bedreigde diersoorten.

Via het opstellen van een Soortenmanagementplan (SMP), dat naar verwachting begin 2026 wordt vastgesteld, kan straks weer tempo worden gemaakt. 3. Met energie coöperatie Duurzame Vecht is een langjarige samenwerking geborgd via het instellen van een Dienst van Algemeen Economisch belang (DAEB). Hiermee heeft de woningeigenaar in Stichtse Vecht een betrouwbare lokale en nietcommerciële partner bij het verduurzamen en aardgasvrij maken van de woning. 4. In verschillende deelprojecten uit de uitvoeringsagenda warmte is op wijk- buurt- en straatniveau verkend welke warmteoplossingen mogelijk zijn: o Uit een verkenning in Zogwetering is met bewoners de conclusie getrokken dat een collectieve oplossing in de vorm van een warmtenet gevoed met o.a. warmte uit afvalwater en warmte uit de Vecht alleen haalbaar en betaalbaar is als het gebied vergroot wordt met omliggende buurten als Lanenkwartier, Zeeheldenbuurt en Staatsliedenbuurt. o Uit een verkenning in Op Buuren blijkt dat een collectieve oplossing in de vorm van een warmtenet op belangrijke beperkingen in de ondergrond stuit. Waarschijnlijk is alleen een zeer lage temperatuur net haalbaar. o In Zandweg Oostwaard bleek er onder bewoners weinig draagvlak te bestaan om een collectieve oplossing te verkennen. De reden die werd aangegeven is dat al veel mensen bezig zijn met een individuele oplossing.

o Uit een verkenning van de mogelijkheden geothermie als warmtebron te gebruiken voor Maarssenbroek is gebleken dat de kans op het vinden van economisch winbare warmte op grote diepte in Stichtse Vecht uitermate klein is. De optie geothermie als warmtebron is inmiddels voor heel Stichtse Vecht vervallen. o De potentie van aquathermie (warmte uit oppervlaktewater zoals de Vecht en het Amsterdam Rijnkanaal) daarentegen is groot. Op dit moment wordt in samenwerking met andere gemeenten langs deze wateren, Rijkswaterstaat en de betrokken waterschappen de werkelijke potentie verkend, de ecologische consequenties in beeld gebracht en gekeken hoe deze warmte slim verdeeld kan worden o Op kleinere schaal wordt in verschillende VVE’s verkend welke warmteoplossingen er zijn. Voorbeeld hiervan is VVE Bolenstein (Maarssendorp), waar een mini-warmtenet wordt verkend als onderdeel van

een provinciale pilot met 6 projecten. In Q4 2025 wordt het ontwerp definitief gemaakt en na akkoord van de bewoners naar verwachting in 2026 gerealiseerd. 5. Inmiddels is duidelijk dat netcongestie een belangrijke vertragende factor is bij het realiseren van aardgasvrije oplossingen (zowel bij warmtenetten als bij warmtepompen). Op dit moment is de inschatting dat pas na 2032 ruimte ontstaat om op grotere schaal aardgasvrije oplossing te realiseren. Tot die tijd kan het als tegelijkertijd ook de piekbelasting op het e-net in de betreffende gebieden die aardgasvrij worden wordt verlaagd, bijvoorbeeld door het inzetten van batterijen. In Tienhoven wordt met bewoners verkend of een buurtbatterij realiseerbaar is. 6. Het wettelijk kader om de warmtetransitie te ondersteunen is inmiddels bijna vastgesteld. Alleen de WCW moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld. 7. De energieprijzen (elektriciteit en gas) is na een enorme piek direct na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne op dit moment redelijk gestabiliseerd, op een niveau dat ca. 50% hoger ligt dan in 2021. De toekomst is onzeker, de verwachting is dat de aardgasprijs verder zal stijgen. 8. Er is een groot (landelijk) onderzoek onder bewoners uitgevoerd naar betaalbaarheid van de energietransitie. Er deden 17 gemeenten aan mee, waaronder Stichtse Vecht (met ruim 750 respondenten uit Stichtse Vecht).

Het onderzoek geeft een goed beeld wat inwoners uit Stichtse Vecht belangrijk vinden in het kader van betaalbaarheid. De resultaten worden gebuikt bij het opstellen van het warmteprogramma.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2884/documents/61719