CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels ontwerpbestemmingsplan 2e Herziening Maarsseveense Plassen.pdf

Commissie Fysiek Domein 13 april 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Ontwerpbestemmingsplan Maarsseveense Plassen, 2e herziening (veegplan).22.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

18.4.4 Parkeren Zie hiervoor hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 24 Algemene gebruiksregels artikel 24.3 parkeren.

58

Artikel 19 Woongebied (voormalig verblijfsrecreatief park) 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen dan wel bedrijfsmatige activiteiten aan huis; met de daarbij behorende: b. bouwwerken c. erven en tuinen; d. wegen en paden; e. toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; f. parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen i. (ondergrondse) afvalinzamelsystemen; j. straatmeubilair; k. water en waterhuishoudelijke voorzieningen l. bruggen, dammen en duikers; m. groenvoorzieningen; n. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie; o. overige functioneel met het wonen verbonden voorzieningen.

19.2 Bouwregels Op de in artikel 19.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat: ten aanzien van hoofdgebouwen: a. deze uitsluitend worden gebouwd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken; b. per bouwvlak een (1) woning is toegestaan, tenzij op de verbeelding en ander aantal is aangegeven dan is dat aantal woningen toegestaan; c. de oppervlakte van het bouwvlak minimaal 150 m2 bedraagt; d. het totale bebouwingspercentage per bouwvlak maximaal 50% bedraagt; e. de inhoud, afhankelijk van het genoemde percentage onder sub d, maximaal 250 m3 bedraagt; f. de goothoogte maximaal 3 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt; g. de afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelgrens en de dichtstbijzijnde verkeersbestemming minimaal 2m bedraagt onder voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van een parkeerplaats op eigen erf; h. een hoofdgebouw slechts één (1) officiële voorkant heeft namelijk de kant die naar de openbare weg is gekeerd. Als er onduidelijkheid is over de voorkant, zal het college van B&W de voorkant aanwijzen, binnen het gestelde in het beeldkwaliteitsplan Maarsseveense Plassen, toegevoegd als bijlage 1 bij de regels; i. het is niet toegestaan hoofdgebouwen samen te voegen tot 1 woning als deze woning groter wordt dan 250 m3; Ten aanzien van bijbehorende bouwwerken: j.

bij elk hoofdgebouw binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, waarbij geldt dat: 1. bijbehorende bouwwerken alleen mogen worden opgericht op het achtererfgebied; 2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken , afhankelijk van het genoemde percentage onder sub d, maximaal 30 m2 bedraagt;

59

3. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m bedraagt; 4. aanwezige bebouwing op het voorerfgebied, die tijdens de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan al aanwezig was, is toegestaan onder voorwaarde dat de oppervlakte van deze bebouwing niet mag worden vergroot; 5. bijbehorende bouwwerken vrij mogen staan of aan het hoofdgebouw vastgebouwd mogen worden. Wanneer het bijgebouw tegen het hoofdgebouw aangebouwd wordt, mag het niet hoger worden dan de goothoogte van het hoofdgebouw; 6. de afstand van de bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt ten aanzien van bouwwerken geen gebouwen zijnde de volgende regels gelden: l.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal: 1. 1 m op de gronden vóór de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw; 2. 2 m op de overige gronden; m. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen waaronder speelvoorzieningen, bedraagt maximaal 3 m.

19.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. ter waarborging van de bereikbaarheid van hulpdiensten.

19.4 Afwijken van de bouwregels Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 23 Algemene bouwregels is het mogelijk af te wijken van de onder artikel 19.2 genoemde bouwregels: a. voor het bouwen op een geringere afstand van de (bouw)perceelsgrens, dan wel tot op de (bouw)perceelsgrens, als dit 1. geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden en privacy van aangrenzende gronden en bouwwerken. 2. niet ten koste gaat van een parkeerplaats op eigen terrein; 3. De bereikbaarheid en brandveiligheid van het park hiermee niet in het geding komt

19.5 Specifieke gebruiksregels 19.5.1 Voorwaardelijke verplichting a. Binnen het woongebied ten minste 5% openbaar groen en/of water aanwezig is; b. Binnen het woongebied ten minste één (1) speelplek aanwezig is; c. Elk woongebied moet voorzien in de parkeerbehoefte voor bewoners en bezoekers. Voor de gronden met de bestemming Woongebied geldt ten minste een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. In geval er meer parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd wordt dit sterk aanbevolen. Het is niet toegestaan de parkeerbehoefte af te wentelen op de openbare weg.

60

19.5.2 Strijdig gebruik Zie hiervoor hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 24 Algemene gebruiksregels artikel 24.2 strijdig gebruik.

19.5.3 Beroep of bedrijf aan huis Zie hiervoor hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 24 Algemene gebruiksregels artikel 24.1 beroep of bedrijf aan huis.

61

Artikel 20 Leiding-Gas 20.1 Bestemmingsomschrijving a. De op de verbeelding voor 'Leiding-gas' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor een ondergrondse aardgastransportleiding met een ontwerpdruk van 40,0 bar en de daarbij horende belemmeringsstrook van 4 meter ter weerzijde van de hartlijn. b. Secundair zijn de op de verbeelding voor 'Leiding-gas' aangewezen gronden, een en ander voor zover zulks op de verbeelding is aangewezen, bestemd voor de doeleinden als omschreven in het voor de betreffende bestemming geldende artikel, waarbij het bepaalde in dat artikel van overeenkomstige toepassing is.

20.2 Bouwregels a. Ten behoeve van de in artikel 20.1 sub a bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van niet meer dan 3 m en die niet binnen de categorie “kwetsbare objecten vallen, worden gebouwd. b. De onder lid a genoemde bouwwerken en andere werken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen zijn slechts toegelaten als de belangen in verband met de aardgastransportleiding hierdoor niet worden geschaad en vooral schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

20.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), binnen de gronden op de kaart aangewezen met de bestemming 'Leiding-gas' de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen of bomen; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen; c. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, zoals diepploegen; d. het aanleggen van wegen, paden of andere oppervlakteverhardingen; e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

20.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 20.3.1 is niet van toepassing: a. op het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het onderhoud of beheer van de aanwezige aardgastransportleiding; b. op normale onderhoudswerkzaamheden van geringe omvang, of andere werken gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de aardgastransportleiding.

20.3.3 Toelaatbaarheid Het bepaalde in artikel 20.3.1 is slechts toelaatbaar, indien door de uit te voeren werkzaamheden geen schade aan de aardgastransportleiding wordt of kan worden veroorzaakt.

20.3.4 Voorwaarden Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning zoals bedoeld in artikel 20.3.1 na schriftelijk advies van de leidingbeheerder.

62

Artikel 21 Waterstaat - waterkering 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone.

21.2 Bouwregels a. Ten behoeve van de in artikel 21.1 bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van niet meer dan 3 m worden gebouwd. b. In afwijking van het bepaalde in artikel 21.2 sub a mogen gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en andere werken, ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Bij die belangenafweging wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. c. Ten behoeve van deze secundaire bestemmingen mag gebouwd worden conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen.

21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.3.1 Verbod Het is verboden op de in artikel 21.1 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0.30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; d. het omzetten van grasland in bouwland; e. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van bos of boomgaard; g. verlagen van het waterpeil; h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i. het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; j. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; k. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; l. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; m.

het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; n. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.

21.3.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; b. andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.

63

21.3.3 Toelaatbaarheid Het bepaalde in artikel 21.3.1 is slechts toelaatbaar, indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering.

21.3.4 Voorwaarden Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning zoals bedoeld in artikel 21.3.1 na schriftelijk advies van de beheerder van de waterkering.

64

3 Algemene regels Artikel 22 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 23 Algemene bouwregels 23.1 Algemene regel Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daarvoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.

23.2 Bestaande afwijkende maatvoering a. In die gevallen dat de bestaande goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan; b. in die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. c. ingeval van herbouw zijn de leden a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

23.3 Bruggen Het bouwen van bruggen met een maximale breedte van 10 m is uitsluitend toegestaan ten behoeve van: a. vervanging, herstel of verbetering van reeds aanwezige oeververbindingen; b. agrarische bedrijven, ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden'; c. recreatieve verbindingen.

23.4 Erf- en terreinafscheidingen Voor zover in hoofdstuk 2 niet reeds is bepaald gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal: 1. 1 m op de gronden vóór de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw; 2. 2 m op de overige gronden; b. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijde, waaronder speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 m

65

23.5 Milieu 23.5.1 Verkeerslawaai en industrielawaai Geluidsgevoelige functies mogen, onverminderd het bepaalde in de bouwregels per bestemming, slechts worden opgericht indien en voor zover wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet Geluidhinder en de Wet Milieubeheer.

23.5.2 Externe Veiligheid (Beperkt) kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen mogen, onverminderd het bepaalde in de bouwregels per bestemming, niet worden opgericht binnen een grenswaarde of richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand van een risicovolle inrichting.

23.5.3 Stikstofdepositie Er mag geen sprake zijn van een significatie toename van de stikstofdepositie (immissie) binnen de stikstofgevoelige habitats binnen het Natura2000 gebied.

23.6 Ondergronds bouwen 23.6.1 Bouwregels a. Ondergrondse bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en binnen de direct omringende gronden, waar de bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht, enkel onder de gebouwen die daar zijn of worden opgericht, met dien verstande dat; 1. ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen zijn toegestaan. b. Indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd; c. Ondergrondse bouwwerken mogen niet eer dan 1 meter buiten het bouwvlak gebouwd worden.

23.7 Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen tot maximaal 30 cm; c. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame met niet meer dan 50 cm; d. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels tot maximaal 75 cm; e. balkons met niet meer dan 1 m; f. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; g. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen de bouwgrens in geen enkele stand met meer dan 1 m overschrijden; h. vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 5 m wordt overschreden; i. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst; j.

bergbezinkbassins (dan wel andere waterstaatkundige werken) ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater) en afvalinzamelsystemen zowel boven- als ondergronds.

66

23.8 Waterhuishouding a. Voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, zijn toegestaan tot een oppervlakte van 10 m2 en een hoogte van 6 m; b. Als er meer dan 1000 m2 extra verharding wordt gerealiseerd moet een vergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap en moeten voorafgaand aan de bouw/aanleg de door hen genoemde compenserende maatregelen worden getroffen; c. Als er tussen de 500 m2 en 1000 m2 extra verharding wordt gerealiseerd hoeft geen vergunning te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap maar moeten wel voorafgaand aan de bouw/aanleg compenserende maatregelen worden getroffen; d. Als minder dan 500 m2 extra verharding wordt gerealiseerd zijn compenserende maatregelen niet verplicht maar wel gewenst; e. Het is niet toegestaan watergangen te dempen en dat een bouwwerk de primaire functie(s) van het watersysteem (berging, doorstroming en ecologie) en het onderhoud van het watersysteem belemmerd f. Ten aanzien van de onder c genoemde compenserende maatregelen en de onder e genoemde bouwwerken wordt advies ingewonnen bij een ter zake deskundige; g. De bovenkant van de afgewerkte begane grond vloer van gebouwen minimaal 30 cm boven peil ligt.

Artikel 24 Algemene gebruiksregels 24.1 Beroep aan huis Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis (activiteit) wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. alleen activiteiten die passen binnen het gebied en zijn benoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten en vallen onder milieucategorie 1 zijn toegestaan; b. In afwijking van het gestelde onder a. zijn opslag van vuurwerk, horeca (met uitzondering van (air)B&B),seksinrichtingen, koeriers of (personen-)vervoersbedrijven, kinderdagverblijven en detailhandel (met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel), en alle activiteiten die worden genoemd onder artikel 24.2 “strijdig gebruik” uitgesloten; c. ten aanzien van internethandel is alleen internethandel zonder showroom of d. afhaalfunctie (publieksaantrekkende werking) toegestaan; e. Het vloeroppervlak in gebruik voor een activiteit mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m². f. bij de activiteit moet sprake zijn van een normale afwikkeling van verkeer waaronder parkeren en moet worden voldaan aan de in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan opgenomen uitgangspunten met betrekking tot parkeren.

De regel is dat parkeren op eigen erf moet plaats vinden of dat de initiatiefnemer op eigen kosten parkeerplaatsen aanlegt in het openbaar gebied; g. De activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan. h. De activiteit mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. i. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.

24.2 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

67

a. b. c. d.

seksinrichting, prostitutie of erotisch getinte horecabedrijven; opslag en verkoop van vuurwerk; het gebruik van een (bedrijfs)woning voor meer dan één huishouden; commerciele kamerbewoning/-verhuur, met uitzondering van toeristisch en recreatief gerelateerde kamerverhuur namelijk (air)B&B; e. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval en/of bouwmaterialen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; f. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; g. het plaatsen van zeecontainers voor de opslag van goederen; h. het plaatsen van voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie anders dan voor eigen gebruik; i. risicovolle inrichtingen, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen; j. er mag geen sprake zijn van een significatie toename van de stikstofdepositie (immissie) binnen de stikstofgevoelige habitats binnen het Natura2000 gebied.

24.3 Parkeren 24.3.1 Algemeen Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten dienste van de bestemming kan alleen worden verleend als in, op of onder het gebouw of op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, conform de parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, deel B: Nota Parkeernormen, vastgesteld door de raad op 29 september 2015 of een recenter vastgestelde versie. Als de nota niet voorziet in een parkeernorm voor een specifieke functie, stelt het bevoegd gezag een parkeernorm vast.

24.3.2 Afwijken van de parkeernorm Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 24.3.1 als: a. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of b. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. c. als de onder artikel 24.3.1 bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 25 Algemene aanduidingsregels 25.1 karakteristiek 25.1.1 Woningsplitsing Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de bestemmingsregels en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' het toevoegen van één extra woning per bouwperceel binnen de bestaande bebouwing toestaan, mits: a. b. c. d.

in het betreffende pand ingevolge de planregels al één of meer woningen zijn toegestaan; dit noodzakelijk is voor het behoud van het gebouw; voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

68

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; f. de karakteristieke waarden van de bebouwing niet worden aangetast; g. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.

25.1.2 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen. b. Geen omgevingsvergunning is nodig voor sloopwerkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag; 4. plaatsvinden bij bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt slechts verleend indien geen onevenredige schade plaatsvindt van de karakteristieke waarden van de bebouwing, om te beoordelen of er geen onevenredige schade plaatsvindt kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat een bouwhistorisch en/of cultuurhistorisch onderzoek wordt verricht d. In afwijking van het bepaalde onder c kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd. e.

indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub c of d, wordt de commissie voor ruimtelijke kwaliteit om advies gevraagd.

25.2 milieuzone - 100-jaarsaandachtsgebied Binnen de aanduiding “milieuzone – 100-jaarsaandachtsgebied”, is het bepaalde in de Provinciale Ruimtelijke verordening (PRV) en Provinciale Milieuverordening (PMV) van toepassing. Rekening moet worden gehouden met het standstill-principe waarbij functiewijzigingen die kunnen leiden tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit niet zijn toegestaan. Verder geldt dat bedrijfstypen met een bodemrisico niet zijn toegestaan. Een overzicht van deze bedrijfstypen is opgenomen in de bijlagen bij de regels. Voor bestaande inrichtingen geldt overgangsrecht.

25.3 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Binnen de aanduiding “milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied”, is het bepaalde in de Provinciale Ruimtelijke verordening (PRV) en Provinciale Milieuverordening (PMV) van toepassing. Rekening moet worden gehouden met het standstill-principe waarbij functiewijzigingen die kunnen leiden tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit niet zijn toegestaan. In aanvulling op de PMV geldt dat bedrijfstypen met een bodemrisico niet zijn toegestaan. Een overzicht van deze bedrijfstypen is opgenomen in de bijlagen bij de regels. Voor bestaande inrichtingen geldt overgangsrecht.

Artikel 26 Algemene afwijkingsregels 26.1 Afwijkingen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor: a. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van maximaal 75 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m; b. afwijkingen van maten met niet meer dan 15% met uitzondering van oppervlaktematen en percentages;

69

c.

d.

e.

f.

g.

h.

i.

overschrijdingen van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover dat van belang is voor betere realisering van bestemmingen en bouwwerken dan wel voor zover dat noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen niet meer bedragen dan 3 m en het bouwvlak mag niet meer dan 15% worden overschreden; de bouw van reclameobjecten met inbegrip van aankondigingsborden, reclamemasten, gevelen lichtreclames en gebouwenaanduidingen met dien verstande dat de reclameborden geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke situatie en de beeldkwaliteit ter plaatse; het oprichten van masten en installaties ten behoeve van (tele)communicatiedoeleinden tot een bouwhoogte van maximaal 40 m waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, met bestaande of nieuw op te richten bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied; voor het gebruik van de gronden voor opslag en verkoop van vuurwerk na goedkeuring door de Veiligheid Regio Utrecht (VRU) of de opvolger van deze organisatie onder een andere naam; het gebruik van gebouwen voor kamerbewoning/-verhuur, mits: 1. er sprake is van langdurige leegstand (langer dan 3 maanden); 2.

het gebruik voor kamerbewoning/-verhuur geen ontwrichting van de ruimtelijke omgeving en daardoor overlast tot gevolg heeft; 3. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; 4. de tijdelijkheid van de kamerbewoning/-verhuur moet aantoonbaar zijn; afwijking als bedoeld onder a t/m g wordt niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de als gevolg van de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de aanwezige beeldkwaliteit zoals benoemd in paragraaf 3.3 van de toelichting bij dit bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan Maarsseveense Plassen d.d. 14 september 2017 dat als bijlage bij deze regels is gevoegd; de afwijkingsbevoegdheden mogen niet cumulatief worden gebruikt samen met afwijkingsmogelijkheden uit de afzonderlijke bestemmingen uit hoofdstuk 2 of ten opzichte van een eerder verleende afwijking.

26.2 JOP Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan en toestaan dat een jongerenontmoetingsplaats (JOP) wordt gerealiseerd, mits: a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m2; b. er geen gebouwen worden gebouwd; c. de bouwhoogte van overkappingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 2,5 m; d. de realisatie niet direct naast gebouwen plaatsvindt, waarvan de gebruikers overlast kunnen ondervinden van de jongeren, zoals woningen en winkels, waarbij de afstand tot een woning in ieder geval niet minder bedraagt dan 50 m; e. niet direct naast doorgaande wegen wordt gerealiseerd; f. de JOP goed bereikbaar is voor hulpdiensten; g. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; h. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; i. de landschappelijke en natuurlijke waarden, indien als zodanig op de verbeelding aangegeven, en de waarden van het beschermde dorpsgezicht onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

26.3 Gebouwen van openbaar nut Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels in hoofdstuk 2, teneinde de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen toe te staan ten dienste

70

van het openbaar nut, zoals wachthuisjes, ambulanceposten, telefooncellen, gemaalgebouwtjes en nutsgebouwtjes, met inachtneming van het volgende: a. de inhoud van het gebouw mag niet meer bedragen dan 100 m3; b. de goothoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de bouwhoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 4,5 m.

Artikel 27 Algemene wijzigingsregels 27.1 Algemene wijziging Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen en/of bouwvlakken te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen en/of bouwvlakken, voor zover dit van belang is voor een betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. Onder voorwaarde dat: c. d. e. f. g. h.

de overschrijdingen (zoals bedoeld onder a. en b.) mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak en/of bouwvlak mag met niet meer dan 10% mag worden vergroot; het wijzigen van de bestemming en/of bouwvlak niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; het wijzigen van de bestemming aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat; door de situering van een woning de omliggende (agrarische) bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsuitoefening; aangetoond is dat de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; het bevoegd gezag wint, alvorens over de wijziging te beslissen op grond van een inrichtingsplan, schriftelijk advies in bij ter zake deskundigen.

27.2 Natuur Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen in het plan te wijzigen ten behoeve van de bestemming ‘Natuur’, met dien verstande dat: a. de omliggende functies van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden belemmerd; b. natuurontwikkeling ter plaatse daadwerkelijk dient plaats te vinden; c. de gronden in eigendom zijn van een natuurbeschermingsorganisatie of via particulier natuurbeheer als natuurgebied worden ingericht of anderszins zekerheid wordt verkregen dat de natuurontwikkeling plaatsvindt.

27.3 Wijziging staat van bedrijfsactiviteiten Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen in die zin dat de categorie-indeling van bedrijven kan worden gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van de milieubelasting van het desbetreffende type bedrijf daartoe aanleiding geeft.

71

27.4 Wonen in een karakteristiek of monumentaal bijgebouw Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde het toestaan van een extra woning in een karakteristiek of monumentaal bijgebouw dat niet is aangebouwd aan de (voormalige) (bedrijfs)woning, met inachtneming van het volgende: a. het realiseren van een woning in een bijgebouw is alleen toegestaan in karakteristieke of monumentale bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek' of ‘monument’; b. er wordt daadwerkelijk bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze gebouwen; c. de cultuurhistorische waarde van deze gebouwen wordt niet aangetast; d. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden; e. met dien verstande dat: f. het gebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan waardoor het uitwendige karakter van het bijgebouw - zoals dit bepaald is door hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en nokrichting -behouden blijft; g. bij het wijzigingsplan beperkingen kunnen worden gesteld aan de oppervlakte van bijgebouwen bij deze nieuwe woning.

Artikel 28 Overige regels 28.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

72

4 Overgangs- en slotregels Artikel 29 Overgangsrecht 29.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

29.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

29.3 Persoonsgebonden overgangsrecht recreatieverblijven Een recreatieverblijf dat vóór 1 januari 2005 permanent werd bewoond en sedertdien onafgebroken is bewoond mag als woning in gebruik blijven door; a. personen die zulks kunnen aantonen, b. personen die volgens de gemeentelijke basis Administratie in dat recreatieverblijf vóór die datum ingeschreven stonden.

73

Artikel 30 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o..

74

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1508/documents/33064