Regels ontwerpbestemmingsplan 2e Herziening Maarsseveense Plassen.pdf
Tekst van het document
Regels bestemmingsplan “2e herziening Maarsseveense Plassen e.o.” Planstatus: ontwerp Plan identificatie: NL.IMRO.1904.BPmrssvnplsHRZ2MRS-ON01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 16 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 19 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden ................................................................... 19 Artikel 4 Bedrijf .................................................................................................................................. 26 Artikel 5 Detailhandel ........................................................................................................................ 30 Artikel 6 Groen - 1 ............................................................................................................................. 33 Artikel 7 Groen - 2 .............................................................................................................................
34 Artikel 8 Horeca ................................................................................................................................. 35 Artikel 9 Maatschappelijk .................................................................................................................. 36 Artikel 10 Natuur ............................................................................................................................... 38 Artikel 11 Recreatie - 1 ...................................................................................................................... 41 Artikel 12 Recreatie - 2 ...................................................................................................................... 45 Artikel 13 Recreatie - 4 ...................................................................................................................... 46 Artikel 14 Recreatie - 5 ...................................................................................................................... 48 Artikel 15 Tuin ................................................................................................................................... 50 Artikel 16 Verkeer..............................................................................................................................
52 Artikel 17 Water ................................................................................................................................ 55 Artikel 18 Wonen............................................................................................................................... 56 Artikel 19 Woongebied (voormalig verblijfsrecreatief park) ............................................................ 59 Artikel 20 Leiding-Gas........................................................................................................................ 62 Artikel 21 Waterstaat - waterkering.................................................................................................. 63 3 Algemene regels ...................................................................................................................... 65 Artikel 22 Anti-dubbeltelregel ........................................................................................................... 65 Artikel 23 Algemene bouwregels ...................................................................................................... 65 Artikel 24 Algemene gebruiksregels .................................................................................................. 67 Artikel 25 Algemene aanduidingsregels ............................................................................................
68 Artikel 26 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 69 Artikel 27 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 71 Artikel 28 Overige regels ................................................................................................................... 72 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 73 Artikel 29 Overgangsrecht ................................................................................................................. 73 Artikel 30 Slotregel ............................................................................................................................ 74
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 Plan: het bestemmingsplan '2e herziening Maarsseveense Plassen e.o.' met identificatienummer NL.IMRO.1904.BPmrssvnplsHRZ2MRS-ON01 van de Gemeente Stichtse Vecht.
1.2 Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en bijlagen.
1.3 Verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan '2e herziening Maarsseveense Plassen e.o.', bestaande uit de bladen met het nummer NL.IMRO.1904.BPmrssvnplsHRZ2MRS-ON01 (deelbladen 1 t/m 3) met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven.
1.4 Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.5 Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.6 Aanlegsteiger: Een bouwwerk, in het water staand, ten behoeve van het afmeren van een vaartuig.
1.7 Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.
1.8 Afmeervoorziening: Voorzieningen die bedoelt zijn om vaartuigen op een goede en veilige manier te kunnen laten afmeren zoals afmeerpalen, steigers, kades en bolders.
1.9 Afvalinzamelsysteem: geheel of gedeeltelijk onder peil gelegen bouwwerken/voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval, glas en dergelijke.
1.10 Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet- grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen, boomteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren, één en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten. Intensieve veehouderij is expliciet uitgesloten.
3
1.11 Agrarisch bedrijfsgebouw: een gebouw, dat blijkens zijn aard en indeling voor een agrarisch bedrijf is bestemd, met uitzondering van agrarische bedrijfswoningen en kassen.
1.12 Agrarische bedrijfswoning: een woning, behorend bij een agrarisch bedrijf, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van een huishouding behorend bij het agrarisch bedrijf.
1.13 Agrarisch beheer: het beheren en onderhouden van gronden, gericht op het voortbrengen van producten en behoud en herstel van het cultuurlandschap en natuurwaarden door middel van het telen van gewassen en/of het (hobbymatig) houden van dieren. Intensieve vormen van agrarische productie en (boom)kwekerijen zijn niet toegestaan.
1.14 Agrarisch hulp- en handelsbedrijf: een niet-industrieel bedrijf, dat is gericht op het leveren van dieren, goederen en diensten aan agrarische bedrijven dan wel op het verwerken of opslaan van dieren en goederen, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven.
1.15 Agrarisch hulpgebouw: buiten agrarische bouwvlakken gelegen gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf, zoals veldschuren, schuilgelegenheden voor vee.
1.16 Agrarisch loonbedrijf: een bedrijf dat uitsluitend of overwegende mate gericht is op het verrichten van werkzaamheden voor en/ of de levering van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur.
1.17 Agrarisch medegebruik: kleinschalig agrarisch gebruik waarbij het gebruik ondergeschikt en ondersteunend is aan de hoofdfunctie van de gronden.
1.18 Ander bouwwerk: een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
1.19 Antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.20 Archeologische waarde: de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.
1.21 Atelier: werkplaats van een kunstenaar.
1.22 Bebouwing: één of meer bouwwerken.
4
1.23 Bed en breakfast of air B&B: een activiteit ondergeschikt aan een woning die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kortdurend toeristisch nachtverblijf in combinatie met het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten.
1.24 Bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren, verhandelen en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Hieronder wordt tevens verstaan werkzaamheden en of activiteiten uitgevoerd door derden uitgevoerd ter plaatse van het bedrijf die overeenkomstig zijn en of aansluiten op de toegestane activiteiten ter plaatse .
1.25 Bedrijf aan huis: een bedrijf of het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid (geheel of overwegend door middel van handwerk), dat niet krachtens milieuregelgeving vergunnings- of meldingsplichtig is, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.26 Bedrijfsgebouw: een gebouw, dat blijkens zijn indeling en inrichting kennelijk is bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte.
1.27 Bedrijfswoning: een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een bedrijfsterrein, (uitsluitend) bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de bestemming, noodzakelijk is.
1.28 Beeldkwaliteit: alle aspecten die van invloed zijn op de voorstelbaarheid en beleving van de ruimtelijke omgeving en objecten in die omgeving (waaronder de cultuurhistorische en landschappelijke waarden).
1.29 Beroep aan huis: een dienstverlenend beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.30 Bestaande situatie: a. bij bebouwing: een legaal bouwwerk dat op het moment van ter inzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van de ter inzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders bepaald; b. bij gebruik: het legale gebruik dat bestaat op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, danwel nadien kan worden gebruikt krachtens een verleende vergunning, tenzij in de regels anders bepaald.
1.31 Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.
5
1.32 Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.33 Bezoeker van evenementen Een persoon die deelneemt aan een evenement met uitzondering van personen die bedrijfsmatig betrokken zijn bij het betreffende evenement.
1.34 Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
1.35 Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten vernieuwe of veranderen van een standplaats:
1.36 Bouwgrens: de grens van een bebouwbaar gebied.
1.37 Bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen met uitsluiting van een onderbouw of een zolderverdieping.
1.38 Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij het bepalen van de oppervlakte van het bouwperceel in geval van particuliere initiatieven worden gronden met openbare bestemmingen, zoals verkeer, groen en water niet meegerekend.
1.39 Bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel.
1.40 Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.41 Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.42 Caravan opslagbedrijf/caravanstalling: Een caravan opslag bedrijf is een opslagbedrijf voor (recreatie)objecten die niet langdurig vrij op de openbare weg geplaatst mogen worden. Behalve caravans is het ook toegestaan aanhangwagens, boten op trailer, campers, vouwwagens, auto`s en motoren te stallen. Tevens is het toegestaan kleinschalige onderhouds- en controle werkzaamheden te verrichten.
1.43 Cultuurhistorische waarde: belang in geschiedkundig opzicht; onder andere met betrekking tot het ontstaan van het gebied, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het kavelpatroon, de waterhuishouding, de beplanting en de (voormalige) bebouwing.
6
1.44 Dagrecreatie: recreatie in de vorm van een dagje uit zonder overnachting ter plaatse.
1.45 Dance-event: Een evenement waar electronic dance music (EDM) wordt gespeeld. EDM is een verzamelnaam voor alle soorten elektronische dansmuziek met als belangrijkste kenmerk dat de muziek grotendeels gemaakt is met elektronische muziekinstrumenten en meestal niet live gespeeld kan worden maar ten gehore wordt gebracht via één of meerdere DJ’s.
1.46 Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een bedrijfs- of beroepsactiviteit.
1.47 Dienstverlening: een (naar openingstijden grotendeels) met een winkel vergelijkbare onderneming die is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren, zoals reisbureaus, kapsalons, banken en (para) medische dienstverlening zulks met uitzondering van horecaondernemingen en seksinrichtingen/prostitutie.
1.48 Dierenpension: een onderneming, gericht op bewaring van huisdieren, hieronder vallen onder meer dierenasiels en hondenkennels.
1.49 Erf: een al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
1.50 Erotisch getinte horeca: een horeca(onderneming) die tot doel heeft het daarbinnen doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotisch-pornografische aard en tevens het bedrijfsmatig ten behoeve van verbruik ter plaatse verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken. Hieronder vallen eveneens een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.
1.51 Evenementen: 1. Onder een evenement wordt op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van de APV; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van de APV. 2. Onder een evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van de APV, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).
7
1.52 Evenementendag Een evenementendag loopt in een aaneengesloten periode van 07:00 ‘s ochtends tot 04:00 in de daaropvolgende dag.
1.53 Evenemententerrein: een terrein geschikt voor het houden van evenementen.
1.54 recreatief medegebruik: recreatief gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden.
1.55 Fte: fulltime equivalent: de rekeneenheid waarmee de omvang van een functie of personeelssterkte wordt uitgedrukt; een fte is een volledige werkweek van 38 uur.
1.56 Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.57 Geluidgevoelig object: woningen, alsmede gebouwen, terreinen en ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder.
1.58 Grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en veebedrijven voor zover het benodigde ruwvoer geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de structureel bij het bedrijf behorende gronden.
1.59 Hobbymatig agrarisch gebruik: het uitoefenen van agrarische activiteiten, niet zijnde uit hoofde van een volwaardig agrarisch bedrijf, waarvoor vanwege de beperkte omvang geen melding- of vergunningplicht op grond van het Activiteitenbesluit geldt.
1.60 Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.61 Horeca(onderneming): een onderneming die in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. De volgende specifieke vormen worden onderscheiden: Categorie h1: daghoreca waaronder verstaan wordt: een horecaonderneming, die qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen, althans geen latere sluitingstijd heeft dan 22.00 uur , zoals een sapbar, lunchroom, eetcafé zonder zaalverhuur, strandpaviljoen, koffiecorner en ijssalon;
8
Categorie h2: bed & breakfast, pensionbedrijf waaronder verstaan wordt: een activiteit ondergeschikt aan een woning die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van toeristisch nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is; Categorie h3: hotel waaronder verstaan wordt: een horecaonderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en eventueel het ondergeschikt exploiteren van zaalaccommodatie en het ondergeschikt verstrekken van voedsel en dranken; Categorie h4: restaurant/eetcafé waaronder verstaan wordt: een horecaonderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waarbij het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; alsmede tot het exploiteren van een ondergeschikte zaalaccommodatie; Categorie h5: cafetaria/snackbar waaronder verstaan wordt: een horecaonderneming gericht op het verstrekken aan de verbruiker van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren, welke al dan niet ter plaatse kunnen worden gebruikt; Categorie h6: zaalaccommodatie waaronder verstaan wordt: een horecaonderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften en partijen, alsmede tot het houden van
congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; Categorie h7: café/bar waaronder verstaan wordt: een zelfstandige, niet geheel of gedeeltelijk deel uitmakend van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomende bedrijvigheid, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van maaltijden daaraan ondergeschikt is; Categorie h8: discotheek/dancing waaronder verstaan wordt: een uitgaansgelegenheid bestaande uit één of meerdere bars en een plek waar je kunt dansen op of luisteren naar (live)muziek.
1.62 Hoveniersbedrijf: een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.
1.63 Huishouding: een vorm van wonen, zowel in de traditionele vorm van gezin als in de minder traditionele vorm, mits sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van onderlinge verbondenheid tussen de bewoners.
1.64 Inrichting: Het recreatieterrein De Maarsseveense Plassen inclusief de daarbinnen gevestigde ondernemingen en verenigingen of andere zakelijke rechtspersonen worden ten aanzien van de evenementen gezien als één inrichting.
9
1.65 Kampeerboerderij: een boerderij (agrarisch bedrijf) waarvan een gedeelte is ingericht en geschikt is voor derden om te kunnen overnachten.
1.66 Kampeermiddel: Niet als bouwwerk aan te merken object zoals een tent, vouwwagen, kampeerauto of caravan (met uitzondering van een stacaravan) of hiermee gelijk te stellen onderkomen dat bedoeld is voor tijdelijk recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun onderkomen elders hebben.
1.67 Kantoor: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen / het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord worden gestaan en geholpen.
1.68 Kap: een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk waarbij bij een horizontale projectie ten minste 50% van het gebouw wordt afgedekt met hellende dakvlakken.
1.69 Karakteristiek: een onroerend monument, gebouw, bouwwerk of beplanting aangemerkt als karakteristiek vanwege de karakteristieke waarde in het straatbeeld, zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, en waarvan het behoud van belang is.
1.70 Kassen: bouwwerken geheel of grotendeels van glas of ander lichtdoorlatend materiaal voor het kweken van gewassen in een beschermde omgeving.
1.71 Kassencomplex: Een grootschalig (tot 2,5 hectare) complex van kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen voor het telen van gewassen voor de handel ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf.
1.72 Kavelweg: voor agrarisch gebruik bestemde wegen ten behoeve van de ontsluiting van percelen of kavels, met een niet-doorgaand karakter.
1.73 Kelder: bouwwerk waarvan het merendeel onder de grond is gelegen.
1.74 Kelderingang: een constructie die dient voor de toegang tot een kelder.
1.75 Kelderkoekoek: een uitgebouwde constructie van beperkte omvang aan de buitenzijde van de kelderwand die dient voor daglichttoetreding en/of ventilatie van de kelder. Als uitgebouwde bak wordt het ook wel een lichtkolk of vossengat genoemd, een lange doorgaande koekoek ook wel een wolfskuil.
10
1.76 Kunstwerk: bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.
1.77 Landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van bodem, water, terreinvormen, niet-levende en levende natuur en het menselijk grondgebruik in onderlinge samenhang en wisselwerking.
1.78 Maatschappelijke voorzieningen zijn gebaseerd op de maatschappelijke taakstelling van de overheid en worden meestal uitgevoerd door vrijwilligersorganisaties , zelfstandige instellingen die de overheid financiert/subsidieert op basis van prestatieafspraken of professionele (welzijns)stichtingen. Het betreffen overwegend educatieve-, medische-, welzijns-, levensbeschouwelijke- en zorgvoorzieningen (waaronder opvang voor o.a. kinderen, ouderen en gehandicapten) en openbare dienstverlening, met bijbehorende ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
1.79 Manege: paardenhouderij, bestaande uit één of meerdere (binnen)rijbanen dat is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden en het geven van instructie aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf, al dan niet met een ondergeschikte horecavoorziening;
1.80 Mantelzorg: Huisvesting van maximaal twee personen in of bij een woning van één huishouden, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
1.81 Natuuurvriendelijke overbeschoeiing of steigers Een natuurvriendelijke beschoeiing is een voorziening die een oever of waterkant beschermt tegen afkalven, golfkrachten en andere invloeden die de stabiliteit van de waterkant in gevaar kunnen brengen en die de aanwezige natuurwaarden en natuurdoelstellingen niet aantast of hindert. Een natuurvriendelijke steiger is een voorziening bedoeld voor het afmeren van een vaartuig die eveneens die de aanwezige natuurwaarden en natuurdoelstellingen niet aantast of hinder.
1.82 Natuurwaarden: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de hydrologie en door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang.
1.83 Nevenactiviteit: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de in dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bestemming.
1.84 Normaal onderhoud, gebruik en beheer: een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.
11
1.85 Oever: waterkant langs rivieren, meren, kanalen enz.
1.86 Ondergeschikte detailhandel: detailhandel vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen detailhandel hebben en waarvan de detailhandelsfunctie aantoonbaar in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie.
1.87 Ondergeschikte horeca: horeca vanuit vestigingen/voorzieningen (niet zijnde horeca) waarbij deze functie aantoonbaar in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie zoals een kantine of restaurant bij een sportaccommodatie.
1.88 Onderkomen: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- of vaartuigen, kampeermiddelen, woonketen en soortgelijke verblijfsmiddelen, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
1.89 Opslagbedrijf: bedrijfsmatige en/of particuliere opslagruimte voor goederen, met uitzondering van gevaarlijke stoffen anders dan noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het opslagbedrijf.
1.90 Paardenbak: Niet overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem, waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinative paard en ruimter in diverse disciplines kan plaatsvinden.
1.91 Paardenhouderij: a. productiegericht: een grondgebonden agrarisch bedrijf dat is gericht op het fokken van paarden, het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden met daarbij behorende trainingsfaciliteiten en/of het voortbrengen van producten door middel van het houden van paarden, zoals een paardenmelkerij of een daarmee gelijk te stellen bedrijfsvorm, eventueel in combinatie met trainingsfaciliteiten ten behoeve van de eigen gefokte paarden en de in- en verkoop van paarden; b. gebruiksgericht: een paardenhouderij die mede is gericht op het bieden van stallingsruimte voor paarden, het trainen van paarden en het uitbrengen in de sport, alsmede verhuur van diensten met behulp van paarden, niet zijnde manege-activiteiten.
1.92 Paardenpension: een bedrijf dat gericht is op het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te laten weiden, niet zijnde een manege.
1.93 Paddock: Een ruimte waar één of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen.
1.94 Perceel: afgedeeld stuk land of water, kavel.
1.95 Perceelsgrens: een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.
12
1.96 Permanente bewoning: het gebruiken van een recreatieverblijf en/of kampeermiddel als hoofdverblijf. Onder hoofdverblijf wordt in dit verband verstaan: De plaats die feitelijk het centrum vormt van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Van een hoofdverblijf is in ieder geval sprake indien de betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van 180 dagen per kalenderjaar tenminste 2/3 van die tijd het adres van het recreatieverblijf c.q. het kampeermiddel als woonadres in gebruik heeft.
1.97 Recreatie: Activiteiten die in de vrije tijd plaatsvinden en plezier en ontspanning als doel hebben.
1.98 Recreatieverblijf/ -object: een gebouw, zoals een stacaravan, een chalet, mobilehome, trekkershut of een zomerhuis, dat bestemd is voor verblijfsrecreatie.
1.99 Ruwvoedergewassen: (ruw)landbouwgewas zoals snijmaïs en weidegras, niet zijnde gras, ten dienste van het voederen van dieren.
1.100 Seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.101 Showtuinen Tuinen bij een hoveniersbedrijf die dienst doen als inspiratiebron voor mensen die hun tuin willen veranderen.
1.102 Significante toename van stikstofdepositie Er is sprake van een toename van de stikstofdepositie wanneer vanuit het bouwvlak de bijdrage N/ha/jaar in het Natura 2000-gebied meer bedraagt dan op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan afkomstig van het aanwezige legale gebruik van de gronden en opstallen behorende tot het bouwvlak.
1.103 Speeleiland Eiland ten behoeve van recreatieve speel- en spel activiteiten.
1.104 Snackkiosk of foodtruck: Een permanent of tijdelijk bouwwerk voor het verstrekken van drink- en etenswaren die al dan niet zelf worden bereid.
1.105 Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
1.106 Steiger: een aan de oever gekoppelde, deel of geheel boven het water gebouwde constructive o.a. ten behoeve van het aanleggen of afmeren van een vaartuig.
13
1.107 Straatmeubilair: bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen.
1.108 Terras(bij horeca): een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
1.109 Tuinbouwbedrijf/glastuinbouw: een bedrijf dat overwegend of uitsluitend gericht is op het telen van tuinbouwgewassen in de volle grond al dan niet met behulp van een kassencomplex.
1.110 Tuincentrum: een tuincentrum is een winkel gespecialiseerd in de verkoop van tuinartikelen, bomen, planten (zowel tuinplanten als kamerplanten), bloemen, levende en dode huis- en tuingerelateerde artikelgroepen en een nevenassortiment dat onder andere bestaat uit vrijetijdsartikelen, dierproducten en streekproducten. Tevens opslag en verkoop van consumentenvuurwerk conform de daartoe benodigde omgevingsvergunning.
1.111 Verblijfsrecreatie: vorm van recreatie waarbij de recreant voor een bepaalde tijd, maar ten minste een nacht in het recreatiegebied of de toeristische plaats verblijft. Het gebied is daartoe ingericht met faciliteiten als hotels, pensions, kampeerterreinen en recreatiewoningen.
1.112 Volkstuin: grond met een beperkte omvang, deel uitmakend van een complex, waarop hobbymatig voedings- en siergewassen worden geteeld uit het oogpunt van recreatie.
1.113 Volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of - omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen, en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch opzicht als op milieutechnisch verantwoorde wijze.
1.114 Voorerf/voorerfgebied: de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn voor de voorgevel/voorkant en die geen onderdeel uitmaken van het achtererfgebied.
1.115 Voorgevel/voorkant: de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een hoofdgebouw die in de meeste gevallen architectonisch als de voornaamste gevel kan worden aangemerkt omdat daar de hoofdentree is gelegen.
1.116 Waterhuishoudkundige voorziening: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit., waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.
14
1.117 Woning of wooneenheid: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
1.118 Woonadres: a. het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.
1.119 Zelfstandige horecagelegenheid: een op zichzelf staande en openbaar toegankelijke horecagelegenheid die niet verbonden is aan een vestiging/voorziening zoals een pannenkoekenrestaurant; een kantine bij een duikschool wordt bijvoorbeeld niet gezien als een zelfstandige horecagelegenheid, maar als horeca ondergeschikt aan de hoofdfunctie.
15
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: Afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn. Bebouwde oppervlakte van een bouwperceel, bouwvlak of ander terrein: buitenwerks boven peil, met dien verstande, dat de grondoppervlakten van alle op een terrein gelegen bouwwerken worden opgeteld. Bebouwingspercentage: bouwgrenzen zijn aangegeven het percentage van het bestemmingsvlak, dat ten hoogste bebouwd mag worden met bebouwing, tenzij in de regels anders is bepaald. Bedrijfsvloeroppervlakte (bvo): binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten, worden opgeteld. Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, (geen gebouw zijnde), met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Bouwhoogte van een antenne-installatie: a. in geval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b.
in geval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenneinstallatie. Bouwhoogte bruggen en viaducten over water De hoogte van bruggen en viaducten of daarmee gelijk te stellen voorzieningen over het water wordt gemeten vanaf het gemiddeld waterpeil tot de onderzijde van de brug/viaduct. Breedte van een bouwvlak: tussen de twee zijdelingse perceelsgrenzen, gemeten in de grens van het bouwvlak of rooilijn. Breedte van een bouwwerk: buitenwerks en/of het hart van scheidingsmuren en evenwijdig aan de betreffende gevel. Dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. Diepte van een bouwwerk: (horizontaal) Buitenwerks en/of het hart van scheidingsmuren en haaks op de betreffende gevel; Diepte van een (ondergronds) bouwwerk: (verticaal) vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
16
Goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Met dien verstande dat bij een lessenaarsdak het laagste punt van het dak als goothoogte wordt aangemerkt; de hoogte van een windturbine of een windmolen: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine of windmolen Inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken. Insteek van watergangen: vanaf de insteek die wordt gevormd door de snijlijn tussen het schuine talud van de oever en het maaiveld. Maaiveldhoogte: De gemiddelde hoogte van de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft. Ondergeschikte bouwdelen: bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden stoepen, stoeptreden, trappen, funderingen, kelderkoekoeken, erkers, plinten, pilasters, kozijnen, gevel- en kroonlijsten, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt en overige ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
Oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van bouwwerk. Oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. Peil: De hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel, waarbij geldt dat: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: De bovenkant van de afgewerkte begane grond vloer van gebouwen minimaal 30 cm boven peil ligt; b. als de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst of de gronden waar het bouwwerk komt aantoonbaar lager liggen dan de weg, wordt door burgemeester en wethouders bij aanvang van de werkzaamheden het peil vastgesteld; c. ter plaatse van water het gemiddeld waterpeil als peil wordt aangehouden of de hoogte van de aangrenzende oever; d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden of een ruimtelijk ongewenste invulling, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil.
17
Verkoopvloeroppervlakte (detailhandel) (vvo): binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte van ruimten welke rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteiten en welke voor het publiek toegankelijk zijn worden opgeteld; kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen.
18
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van het bouwperceel grondgebonden veehouderijbedrijven, niet zijnde intensieve veehouderij; b. het beweiden van dieren; c. recreatief medegebruik; d. behoud, versterking en herstel van het veenweide gebied dat zich kenmerkt door de openheid van graslanden, het slotenpatroon, de langgerekte verkaveling van de gronden en de bebouwing langs de dijk (lintbebouwing); e. behoud, versterking en herstel van de aanwezige natuurwaarden; f. ter plaatse van het bouwvlak het trainen en berijden van paarden in een paardenbak; g. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is wonen toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’ is een glastuinbouwbedrijf toegestaan; i. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is de verkoop van groente, fruit en streekproducten toegestaan; j. ter plaatse van de aanduiding “showtuinen” zijn showtuinen zonder gebouwen toegestaan k. ter plaatse van de aanduiding “grond- en groendepot” is de opslag van schone grond en snoeiafval toegestaan; l. ondergeschikte detailhandel in goederen, die ter plaatse worden vervaardigd of verwerkt, is toegestaan, voor zover deze detailhandel geen zelfstandig onderdeel vormt van de bedrijfsvoering; m.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – paardenstal' is een paardenstal toegestaan; n. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’ is een veldschuur toegestaan; o. ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ is cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. met de daarbij behorende: q. r. s. t. u. v. w. x.
bouwwerken; erven en terreinen; erfbeplantingen en groenvoorzieningen; kunstwerken en nutsvoorzieningen; water en watergangen waterhuishoudkundige voorzieningen; voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie voor eigen gebruik; overige functioneel met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ verbonden voorzieningen.
3.2 Bouwregels Op de in artikel 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak of de speciale aanduiding mogen worden gebouwd; b. dit niet leidt tot een significante toename van de stikstofdepositie (immisie) in het Natura 2000gebied; c. kassencomplexen uitsluitend binnen de aanduiding ‘glastuinbouw’ mogen worden gebouwd;
19
d. e. f. g.
de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m bedraagt; de afstand van de gebouwen tot de insteek van een watergang minimaal 3 m bedraagt; De bedrijfswoning uitsluitend binnen de aanduiding “bedrijfswoning” mag worden gebouwd; Tenzij op de verbeelding met een aanduiding anders is aangegeven geldt voor bouwwerken en kassencomplexen de volgende maatvoering:
1
bedrijfswoning
2
Vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning
max. aantal max. per bouwvlak oppervlak of aanduiding één 60 m2 (per bedrijfswoning)
Aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
max. max. goothoogte inhoud 650 m³
4,50 m
max. bouwhoogte 10 m
3m
6m
0,30m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw 6m 11 m
bedrijfsgebouwen (niet zijnde kassencomplexen)
8000 m2
kassen
300m2
5m
7m
5000 m2
6m
11 m
2,50 ha
5m
7m
9
bedrijfsgebouwen niet zijnde kassen ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’ kassencomplexen ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’ Specifieke vorm van agrarischpaardenstal Specifieke bouwaanduiding veldschuur agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak mestsilo's
10
kuilvoerplaten en
3
4
5
6
7
8
één
3m
6m
één
3m
5m
twee
100 m² (per bedrijf)*
3m
5 m
6m
3m
20
11 12
13 14
15
16
sleufsilo’s overige silo's Installaties voor het duurzaam verwerken van mest en andere agrarische restproducten Windmolen
15 m 15 m
één
15 m
Erfafscheidingen voor de voorgevel van de bedrijfswoning en buiten het bouwvlak
1m
Erfafscheidingen binnen het bouwvlak veekralen
2,50 m
1,5 m
17
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde * indien dit noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering.
3m
3.3 Afwijken van de bouwregels Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 23 Algemene bouwregels is het mogelijk af te wijken van de onder artikel 3.2 genoemde bouwregels:
3.3.1 Ten behoeve van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2 sub d en artikel 3.2 sub e voor het bouwen op geringere afstanden tot zijdelingse perceelsgrens of de watergang, als dit geen onevenredige afbreuk doet aan de landschapswaarden (open weidegebied, slotenpatroon en verkaveling) en geen onevenredig afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.3.2 Ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van bedrijfswoningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2 sub f en artikel 3.2 sub g ten behoeve van het vergroten van de inhoud van bedrijfswoningen van 650 m3 naar maximaal 800 m3 met dien verstande dat: a. het bouwperceel voor maximaal 40% bebouwd is; b. de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden en gebruiksmogelijkheden van derden niet onevenredig worden aangetast; c. een schriftelijk advies wordt gevraagd van een deskundige inzake de te beschermen waarden en landschappelijk inpassing; d. woningen met de aanduiding “voormalige recreatiewoning” niet in aanmerking komen voor een vergroting van de maximale inhoud anders dan de 15% zoals genoemd in hoofdstuk 3 Algemene regels.
21
3.3.3 Ten behoeve van het afwijken van de bouwgrenzen bij bedrijfswoningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2 sub a en artikel 3.2 sub f voor het aanpassen van bouwgrenzen (niet zijnde bestemmingsgrenzen) van bedrijfswoningen, met de bijbehorende aanduiding voor bedrijfswoning, als uitbreiding tot de maximaal toegestane inhoud van de bedrijfswoning wel toelaatbaar maar niet mogelijk is binnen de op de kaart aangewezen bouwvlakken.
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 24 Algemene gebruiksregels artikel 24.2 strijdig gebruik is het in ieder geval verboden bedoelde gronden te gebruiken voor: a. detailhandel, met uitzondering van goederen, die ter plaatse worden vervaardigd en bewerkt; b. het plaatsen van onderkomens; c. Buitenopslag anders dan ten behoeve van het krachtens de bestemming en aanduiding toegestane gebruik en buitenopslag hoger dan 4 meter; d. de teelt van ruwvoeder gewassen op meer dan 25% van de structureel bij het agrarisch bedrijf behorende gronden; e. Het plaatsen van voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie anders dan voor eigen gebruik.
3.4.2 Ten behoeve van het aanleggen van paardenbakken, het trainen/africhten van paarden en uitoefening van de paardensport en bijbehorende voorzieningen binnen een bouwperceel Met betrekking tot het toestaan van paardenbakken, het toestaan van aan de paardenhouderij gerelateerde overige bouwwerken zoals stapmolens en paddocks, het africhten of trainen van paarden of het uitoefenen van de paardensport in een paardenbak, gelden de volgende regels: a. per bouwperceel is maximaal één (1) paardenbak toegestaan ten behoeve van eigen gebruik; b. de paardenbak mag uitsluitend binnen het bouwperceel worden gerealiseerd onder voorwaarde dat het bouwperceel ten minste 2.000 m2 bedraagt; c. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt maximaal 800 m²; d. de paardenbak moet minimaal 1m achter de voorgevel van de woning worden gerealiseerd; e. de afstand tussen een paardenbak en een woning van derden bedraagt minimaal 50 m; f. de afstand van de paardenbak tot de eigen woning op het bouwperceel bedraagt maximaal 50 m; g. de bouwhoogte van omheiningen bedraagt maximaal 1,5 m; h. lichtmasten in of rond de paardenbak zijn niet toegestaan; i. het aantal paarden bedraagt maximaal 5.
3.4.3 Nevenfuncties binnen de bestaande bebouwing Nevenfuncties als onderdeel van het agrarisch bedrijf wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.
de nevenfuncties een ondergeschikt onderdeel van de totale bedrijfsvoering uitmaken; het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden binnen het agrarisch bouwperceel; het oppervlak ten behoeve van de nevenfunctie maximaal 500 m2 mag bedragen; de oppervlakte aan bedrijfsbebouwingen niet mag worden vergroot omwille van de nevenfunctie, tenzij de nevenfunctie aantoonbaar noodzakelijk is voor de in stand houding van het agrarisch bedrijf; e. het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
22
f.
de bedrijfsactiviteiten ten behoeve van nevenfuncties blijven beperkt tot maximum categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; g. de activiteiten zijn milieuhygiënisch goed inpasbaar; h. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking staat in verhouding tot de capaciteit van de betrokken wegen; i. het parkeren vindt plaats binnen het bouwperceel, op eigen terrein; j. op het moment dat het agrarisch bedrijf wordt beëindigd wordt de nevenfunctie ook beëindigd; k. er geen sprake is van activiteiten die vallen onder de in hoofdstuk 3 onder artikel 28.2 genoemde strijdig gebruik.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Ten behoeve van de aanleg van paardenbakken, het trainen/africhten van paarden en uitoefening van de paardensport en bijbehorende voorzieningen buiten een bouwperceel Onverminderd het bepaalde onder artikel 3.4.1 is het toegestaan een paardenbak (deels) buiten een bouwperceel aan te leggen onder voorwaarde dat: a. de onder artikel 3.1 genoemde waarden en gebruiksmogelijkheden van derden niet onevenredig worden aangetast b. een schriftelijk advies wordt gevraagd van een ter zake deskundige.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid 3.6.1 Ten behoeve van het wijzigen naar de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' met aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' Burgemeester en wethouders zijn, als sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf, bevoegd de bestemming van het betreffende agrarische bouwvlak te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’, met de aanduiding “voormalig agrarisch bedrijf” onder voorwaarden dat: a. de aanvrager van de wijziging aannemelijk maakt dat hij het agrarische bedrijf en de agrarische activiteiten geheel heeft beëindigd en uit een advies van een agrarisch deskundige blijkt dat er niet langer sprake is van een agrarisch bedrijf; b. Nevenfuncties mogen alleen in stand blijven als deze passen binnen de regels voor beroepen en bedrijven aan huis; c. het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; d. het wijzigen van de bestemming aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat; e. de voormalige bedrijfswoning aanwezig blijft op de bestaande locatie tenzij het voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische)bedrijven beter is de woning anders te situeren; f.
de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassencomplexen, in stand mogen blijven en uitsluitend gebruikt mogen worden voor hobbymatig agrarisch gebruik of een beroep of bedrijf aan huis gelijk aan regels onder Wonen; g. De bestaande agrarische bedrijfsgebouwen niet mogen worden vergroot en landschappelijk worden ingepast.
3.6.2 Ten behoeve van het wijzigen naar de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' in combinatie met de ruimte voor ruimte regeling Burgemeester en wethouders zijn, als sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf, bevoegd de bestemming van het betreffende agrarische perceel en bouwvlak te wijzigen naar de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak, ‘Wonen’ en ‘Tuin’, onder voorwaarden dat:
23
a. de aanvrager van de wijziging aannemelijk maakt dat het agrarische bedrijf de agrarische activiteiten geheel heeft beëindigd en uit een advies van een agrarisch deskundige blijkt dat er niet langer sprake is van een agrarisch bedrijf; b. het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; c. het wijzigen van de bestemming aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat; d. door de situering van een woning de omliggende (agrarische) bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsuitoefening; e. de bouwwerken landschappelijk worden ingepast en aangetoond is dat de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; f. wordt voldaan aan de parkeernormen in hoofdstuk 3 Algemene regels onder artikel 24 Algemene gebruiksregels artikel 24.3 parkeren. g. een woning, afhankelijk van de landschappelijke inpassing, niet groter mag worden dan 800 m3 en een bijbehorend bouwwerk, afhankelijk van de oppervlakte van het perceel, niet groter mag worden dan 150 m2 h.
het bevoegd gezag wint, alvorens over de wijziging te beslissen op grond van een inrichtingsplan, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake, milieu, natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder artikel 3.6.2 sub e wordt voldaan. i. als de voormalige bedrijfsgebouwen en kassencomplexen, niet zijnde de agrarische bedrijfswoning, geheel worden gesloopt, het aantal nieuwe woningen mag worden gerealiseerd, zoals opgenomen in onderstaande tabel. Hierbij is cumulatie van sloop van kassen en bedrijfsgebouwen mogelijk: j. als de bestaande oppervlakte aan kassen 15% minder is dan het gestelde maximum om in aanmerking te komen voor een (extra) woning is maatwerk mogelijk waarbij een extra inspanningsverplichting wordt gevraagd ten aanzien van landschaps- en/of natuurontwikkeling en/of recreatief medegebruik Sloop oppervlakte kassen < 5.000 m2 5.000 – 10.000 m2 10.000 – 20.000 m2 > 20.000 m2 Sloop opp. agrarische bedrijfsgebouwen
Aantal te bouwen woningen 0 woningen 1 woning 2 woningen 3 woningen Aantal te bouwen woningen
* < 1.000 m2 1.000 – 2.000 m2 2.000 – 5.000 m2 > 5.000 m2
0 woningen 1 woning 2 woningen 3 woningen
* Onder agrarische bedrijfsgebouwen wordt niet verstaan omgezette voormalige kassen
3.6.3 Ten behoeve van het perceel Tuinbouwweg 19a en b Burgemeester en wethouders zijn, als sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf, bevoegd de bestemming van het betreffende perceel te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding 'maatschappelijk', ‘Tuin’, 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak en/of 'Natuur' ten behoeve van het herbestemmen van de bestaande agrarische
24
bedrijfswoning naar 'Wonen' en het mogelijk maken van een natuurgeneeskundig gezondheidscentrum, met dien verstande dat: a. de aanvrager van de wijziging aannemelijk maakt dat het agrarische bedrijf de agrarische activiteiten geheel heeft beëindigd en uit een advies van een agrarisch deskundige blijkt dat er niet langer sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; b. de voormalige bedrijfswoning aanwezig blijft op de bestaande locatie tenzij het voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische)bedrijven beter is de woning anders te situeren. c. het natuurgeneeskundig gezondheidscentrum is toegestaan binnen de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 1.000 m2; d. Met uitzondering van het onder sub b en c genoemde wordt de rest van de bouwwerken gesloopt e. het parkeren ten behoeve van het natuurgeneeskundig gezondheidscentrum dient te worden opgelost op eigen terrein. De normen uit het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013 gelden hierbij als uitgangspunt; f. het wijzigen van de bestemming mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. g. het wijzigen van de bestemming aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. h. er dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing; i.
de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden moeten worden behouden dan wel worden versterkt; j. het bevoegd gezag wint, alvorens over de wijziging te beslissen op grond van een inrichtingsplan, schriftelijk advies in bij ter zake deskundigen met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder artikel 3.6.3 sub i wordt voldaan.
3.6.4 Ten behoeve van het wijzigen naar de bestemming Tuin en/of Natuur Burgemeester en wethouders zijn, als er niet langer sprake is van functioneel agrarisch gebruik, bevoegd de bestemming van het betreffende perceel te wijzigen naar de bestemming Tuin en/of Natuur onder voorwaarde dat: a. de aanvrager van de wijziging aannemelijk maakt dat er geen sprake meer is van functioneel agrarisch gebruik hetgeen uit een advies van een agrarisch deskundige blijkt; b. de gronden direct grenzen aan een bestemming Wonen en/of Tuin; c. de landschappelijke kwaliteiten niet worden aangetast door de bestemmingswijziging en alvorens over de wijziging te beslissen wint B&W schriftelijk advies in bij ter zake deskundigen; d. het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.
25
Artikel 4 Bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor: a. bedrijven, zoals bedoeld in onderstaande tabel: Straatnaam
Nummer bedrijf
aanduiding
1 Oude Dijk
56
garagebedrijf
(sb-2)
2 Tuinbouwweg
29
caravanstalling met ondergeschikt onderhoud, reparatie, verkoop en verhuur van caravans
(cs)
3 Tuinbouwweg
33
houtbewerkend- en aannemersbedrijf
(sb-3)
4 Westbroekse Binnenweg
86a
caravanstalling met ondergeschikt onderhoud, reparatie, verkoop en verhuur van caravans en opslagbedrijf
(sb-1)
5 Westbroekse Binnenweg
52 a/b/c
opslagbedrijf
(op)
6 Westbroekse Binnenweg
86 b/c
hoverniersbedrijf
(hv)
b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één (1) bedrijfswoning toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'nutsbedrijf' zijn de gronden uitsluitend bestemd voor (openbare) nutsvoorzieningen. d. maximaal één (1) bedrijf per bouwperceel tenzij een aanduiding op de verbeelding is opgenomen “maximum aantal bedrijven” waaruit blijkt dat meerdere bedrijven binnen het bouwperceel zijn toegestaan; e. op de gronden met de nadere aanduiding “hoveniersbedrijf” zijn ook showtuinen zonder gebouwen toegestaan. met de daarbij behorende: f. bouwwerken; g. erven en terreinen; h. groenvoorzieningen en water; i. parkeervoorzieningen en straatmeubilair; j. wegen en paden; k. nutsvoorzieningen en kunstwerken l. ondergrondse afvalinzamelsystemen; m. waterhuishoudkundige voorzieningen; n. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie voor eigen gebruik; o. overige functioneel met de bestemming ‘Bedrijf verbonden voorzieningen.
4.2 Bouwregels Op de in artikel 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat:
26
a. gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken tot het binnen dat bouwvlak aangegeven aantal m2; b. de afstand tussen de bijbehorende bouwwerken en de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning minimaal 1 m bedraagt; c. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m bedraagt; d. de afstand van de gebouwen tot de insteek van een gemeentelijke watergang minimaal 3 m bedraagt; e. Tenzij op de verbeelding met een aanduiding anders is aangegeven geldt de volgende maatvoering: