CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

rbs Raadsbesluit verordening Wmo en Jeugd 2022 in wettelijk format.pdf

Commissie Sociaal Domein 8 december 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3.: 19:30 Verordening Jeugdhulp en WMO12.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Wmo 2015 is de opdracht aan gemeenten verwoord om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang). Volgens de Wmo 2015 is elke gemeente, tot welke een ingezetene van Nederland zich wendt, verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang. De maatschappelijke opvang is dus ‘landelijk toegankelijk’ voor cliënten. Dit betekent dat een ingezetene van

Pagina 23 van 29

/23 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

Zie ook de toelichting van artikel 13.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

Nederland in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang (in eerste instantie) te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort), indien hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Mensen die voor maatschappelijke opvang in aanmerking wensen te komen kunnen hiervoor een melding doen bij de gemeente Utrecht (Regionale Toegang). Bij het wijkteam bekende inwoners worden doorverwezen (warme overdracht) naar de centrumgemeente Utrecht. Het onderzoek van de noodzaak van een voorziening wordt door de Regionale Toegang uitgevoerd. De Regionale Toegang zal in spoedeisende gevallen, waarin terstond opvang noodzakelijk is, beslissen om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Vervolgens wordt onderzocht in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en de meest duurzame oplossing biedt voor de inwoner. Zie ook Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke opvang VNG (februari 2019). Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp regelt.

In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen. Het uitgangspunt is integrale jeugdhulp. Dit is jeugdhulp die passend en samenhangend is. Bij passende jeugdhulp is de jeugdige het uitgangspunt en is hulp zo licht en gewoon mogelijk maar ook direct intensief waar nodig. De afweging welke zorg passend is, is aan de jeugdige en/of zijn opvoeder en de professional. De hulp is samenhangend wanneer de deskundigheid vanuit verschillende specialismen en sectoren beter benut wordt en in samenhang wordt aangeboden vanuit het principe één gezin, één plan. ARTIKEL 15. VERWIJZING NAAR JEUGDHULP DOOR HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS

Als de jeugdige en/of (pleeg)ouders het niet eens kunnen worden met de jeugdhulpaanbieder, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en/of (pleeg)ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het Jeugd en Wmo team volgens artikel 2 van deze verordening.

Pagina 24 van 29

/24 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

In artikel 2.6 lid 1 sub e van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij toegankelijke voorzieningen als voor de niet vrij toegankelijke voorzieningen. In de praktijk is het de jeugdhulpaanbieder die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij baseert zijn oordeel mede op de richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er volgt geen beschikking van de gemeente. Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. Zo mogen artsen alleen verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. De gemeente maakt daarom afspraken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar de jeugdhulp. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is waar de artsen naar kunnen verwijzen.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

ARTIKEL 16. JEUGDHULP BIJ KINDERBESCHERMINGSMAATREGEL EN JEUGDRECLASSERING

Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking. ARTIKEL 17. JEUGDHULP IN SPOEDEISEND GEVAL

In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging afgegeven is door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden. De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. ARTIKEL 18. VERTROUWENSPERSOON JEUGD

De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Uit de Jeugdwet vloeit voort dat behalve jeugdigen en ouders ook pleegouders dit recht hebben. Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo ARTIKEL 19. REGELS VOOR BIJDRAGEN IN DE KOSTEN VOOR WMO VOORZIENINGEN

Lid een gaat over “Algemene voorzieningen”. De gemeente Stichtse Vecht heeft er voor gekozen om de algemene voorzieningen zo (financieel) laagdrempelig mogelijk te maken, zodat ze voor iedereen bereikbaar zijn. Lid twee gaat in op de ‘’Algemeen gebruikelijke kosten’’. De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de inwoner echter wel om een vergoeding vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die onderdeel uitmaken van de algemene voorziening, voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten voor het gebruik van consumpties, maaltijden en het gebruik van materialen bij dagbesteding. Ook wordt er een vergoeding gevraagd voor benzinekosten als vrijwilligers iemand ergens naar toe brengen. Deze vergoedingen bedragen nooit meer dan de kostprijs van de voorziening. Hier maakt het college duidelijke afspraken over met de aanbieder. Lid drie gaat over de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen. Op grond van artikel 2.1.4a eerste tot en met derde en vijfde lid, van de wet, kunnen gemeenten bepalen dat inwoners voor maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage verschuldigd zijn tot een maximum bedrag van €19,00 per maand (in 2021).

De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4 zesde lid van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel

Pagina 25 van 29

/25 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

De wet maakt onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Voor algemene voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt. Lid zes gaat in op de voorzieningen waarvoor geen eigen bijdrage wordt gevraagd. Op grond van artikel 2.1.4a derde lid kan het college bepalen dat het collectief vervoer niet onder de maximale eigen bijdrage van €19,00 per maand wordt gebracht. ARTIKEL 20. JAARLIJKSE WAARDERING MANTELZORGERS

Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening bepaald wordt op welke manier het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners die gebruik maken van een Wmo voorziening. Omdat het uitvoering betreft leent dit onderwerp zich voor overdracht aan het college. Artikel 2.1.6 van de Wmo stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert een cliënt als een inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een hulpvraag gemeld hebben, ook al is daar geen voorziening op basis van de Wmo uitgekomen. Verder is de woonplaats van de inwoner bepalend, het kan dus ook mantelzorgers betreffen die in andere gemeenten wonen. ARTIKEL 21. MAATWERKVOORZIENING INKOMENSONDERSTEUNING

Dit artikel betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo. Daarin is opgenomen dat bij verordening bepaald kan worden dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekt wordt ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag verstrekt worden. De beslissing op een dergelijke aanvraag wordt vastgelegd in een beschikking. ARTIKEL 22. KLACHTENREGELING EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

In de memorie van toelichting staat dat inwoners in principe moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich behandeld voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een ambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek gevoerd is of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over de behandeling van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder indienen. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het eerste lid is daarnaast een bepaling over medezeggenschapsregelingen van aanbieders van maatschappelijke ondersteuning opgenomen. Een dergelijke bepaling is

Pagina 26 van 29

/26 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

In het eerste lid is een bepaling over klachtenregelingen van aanbieders van maatschappelijke ondersteuning opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3 lid 2 sub d van de Wmo. De aanbieder is op grond van artikel 3.2 lid 1 sub a van de Wmo verplicht een klachtenregeling op te stellen.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

verplicht op grond van artikel 2.1.3. lid 2 sub e van de Wmo. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de regels van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder al gerealiseerd via de cliëntenraad. Onder de Wmo is het stellen van regels helemaal aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is op grond van artikel 3.2 lid 1 sub b van de Wmo verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot het opstellen van een klachtenregeling en medezeggenschap door aanbieders van maatschappelijke ondersteuning goed uitgevoerd wordt. Op aanbieders van voorzieningen die onder de Jeugdwet vallen, is een landelijk kader van toepassing. ARTIKEL 23. KWALITEITSEISEN VOORZIENINGEN ZOWEL IN NATURA ALS PGB

Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 sub c van de Wmo waarin bepaald is dat in de verordening in ieder geval bepaald wordt welke eisen gesteld worden aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij het college en de aanbieder van maatschappelijke ondersteuning. Het is aan het college om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen gesteld worden aan aanbieders. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 sub c van de Wmo dat de kwaliteitseisen die vastgelegd zijn in de artikelen 3.1 en verder van de Wmo en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit verleend wordt, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de Wmo. Artikel 2.5.1.

lid 1 van de Wmo is ook van toepassing op hulp vanuit de Jeugdwet, zie artikel 2.10 van de Jeugdwet. Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening

Pagina 27 van 29

/27 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

ARTIKEL 24. VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT AANBIEDERS JEUGDHULP EN UITVOERDERS KINDERBESCHERMINGSMAATREGELEN EN JEUGDRECLASSERING

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. ARTIKEL 25. VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT LEVERING DIENST DOOR DERDEN OP GROND VAN DE WMO

De aanleiding voor dit nieuwe artikel is dat er een nieuw artikel 5.4 is toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit artikel heeft tot doel dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. De AMvB biedt het college de mogelijkheid om in plaats van zelf een vaste of reële prijs vast te stellen de eis aan de inschrijvende partij te stellen om een reële prijs voor de dienst te hanteren gebaseerd op de eisen met betrekking tot kwaliteit en continuïteit en rekening houdend met de in de verordening genoemde kostprijselementen. De AMvB schrijft niet voor dat het college een overeenkomst op basis van een uurtarief moet sluiten met een aanbieder. Op basis van een reële prijs kunnen ook andere financieringsvormen overeengekomen worden zoals resultaatfinanciering of populatie gebonden bekostiging. Hierdoor past dit nieuwe artikel goed bij de gemeentelijke inkooppraktijk. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo dienstverlening. Uitgezonderd zijn de verstrekking van hulpmiddelen en woonvoorzieningen. ARTIKEL 26. TOEPASSEN VERORDENING EN STELLEN NADERE REGELS

In het eerste lid is vastgelegd dat de begrippen uit de landelijke wetten als ‘hogere regelgeving’ voorrang hebben op de begrippen uit deze verordening. In het tweede lid is vanuit praktisch oogpunt opgenomen dat er afspraken tussen het college en de betreffend artsen, specialisten en zorgverzekeraars van inwoners gemaakt dienen te worden over de verwijzing. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen voor het college om nadere regels te stellen op basis van deze verordening. De wettelijke basis hiervoor is artikel 156 van de Gemeentewet. ARTIKEL 27. MELDINGSREGELING CALAMITEITEN EN GEWELD

In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat het college personen aanwijst die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling opgesteld wordt over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college

Pagina 28 van 29

/28 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

In artikel 3.4 lid 1 van de Wmo is bepaald dat de aanbieder van maatschappelijke ondersteuning bij de toezichthoudend ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo meteen melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening plaatsgevonden heeft en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Het gaat hierbij om geweld door de aanbieder jegens de inwoner.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 140346 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk 7 Inspraak, cliëntenparticipatie en klachten ARTIKEL 28. INSPRAAK

In dit artikel wordt verwezen naar de op basis van artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor de diverse beleidsvelden. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. ARTIKEL 29. CLIËNTEN- EN INWONERSPARTICIPATIE

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet. In het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van deze participatie vorm te geven. ARTIKEL 30. KLACHTENREGELING

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling over klachtbehandeling gegeven is, en ook het recht neergelegd is om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te vragen een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling in dit artikel volstaan worden. ARTIKEL 31. HARDHEIDSCLAUSULE

Dit artikel voorziet in een mogelijkheid voor het college om af te wijken van het bepaalde in deze verordening als strikte toepassing van deze verordening leidt tot een onevenredige benadeling van betrokkene gelet op het doel van de regelgeving. De in artikel 3:4 van de Awb opgenomen verplichte belangenafweging en het daarmee verbonden evenredigheidsbeginsel spelen hierbij eveneens een rol. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen ARTIKEL 32. OVERGANGSRECHT

In het eerste lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het tweede lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. ARTIKEL 33. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

/29 c59fbfb9-341e-4aa5-a431-

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Pagina 29 van 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1831/documents/37622