CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Uitgangspunten Omgevingsplan.pdf

Raad 18 november 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 9: Uitgangspunten Omgevingsplan5.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota Uitgangspunten Omgevingsplan

1

Inhoud Uitgangspunten Omgevingsplan ............................................................................................ 3 Inleiding ............................................................................................................................. 3 Toelichting ...................................................................................................................... 4 We bouwen het omgevingsplan op via de open en gesloten normenbepaling ................... 5 Toelichting ...................................................................................................................... 6 We bouwen het Omgevingsplan op vanuit de activiteitengerichte benadering ................... 6 Toelichting ...................................................................................................................... 7 We werken vanuit drie sporen aan het Omgevingsplan ..................................................... 8 Toelichting ...................................................................................................................... 9 Bijlage 1: Begrippenlijst Omgevingswet ............................................................................12

2

Uitgangspunten Omgevingsplan Inleiding Het opstellen van het omgevingsplan vraagt vooraf om duidelijke keuzes op het gebied van beleid, normen en de manier waarop regels worden toegepast. Daarnaast speelt flexibiliteit, maatwerk en afstemming op lokale omstandigheden een belangrijke rol. Om deze keuzes de definiëren zijn uitgangspunten opgesteld. Deze uitgangspunten variëren van de keuze voor een beleidsrijke of beleidsarme aanpak, het gebruik van open of gesloten normen, tot een themagericht of een gebiedsgerichte aanpak van ontwikkelingen onder de Omgevingswet. Ook is er een wens om meer flexibiliteit en regeldruk te verminderen. Dit doen vanuit de ja-mits gedachte. Dit is elke keer de onderlegger voor de uitgangspunten. Tegelijk zal er altijd rekening gehouden moeten worden wat de effecten zijn op omgeving. De ja, mits voor de een is een (potentieel) effect voor de ander. Het omgevingsplan wordt een levend document die ieder jaar meerdere malen wordt aangepast. Dit kan zijn door een ontwikkeling of door een beleidswijziging waardoor de regels in het omgevingsplan aangepast moeten worden. We werken dan ook met verschillende sporen die gezamenlijk leiden tot het invullen van het omgevingsplan. De transitiefase is een van de sporen. Hieronder volgen de uitgangspunten waarbij steeds een nadere toelichting wordt gegeven over de keuzemogelijkheden bij het uitgangspunt.

Omgevingsplanregels vinden hun motivering in geldend beleid en we optimaliseren het beleid waar nodig. De ambitie is om zo veel als mogelijk inhoudelijk beleidsneutraal over te gaan en optimaliseren waar nodig. Dat betekent dat er vanuit de huidige opzet zo min mogelijk inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd tijdens de transitiefase. Het beleid moet wel herschreven worden om te kunnen voldoen aan de opzet van de Omgevingswet. Waar beleidsregels geënt zijn op het “nee- tenzij principe” moeten deze omgevormd worden naar het “ja-principe”. De basis blijft dan ook gelijk maar alles zal opnieuw geformuleerd worden. Als er ergens vanuit de huidige regelgeving quick-wins zijn te behalen ten behoeve van snellere en betere besluitvorming, dan kunnen er alsnog beleidswijzigingen worden doorgevoerd. Op basis hiervan gaan we uit van de volgende uitgangspunten: a. Bestaande regelgeving wordt zoveel mogelijk overgenomen Bestaande regels zoals opgenomen in de huidige bestemmingsplannen en verordeningen vormen de basis voor het nieuwe omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat hierdoor vooral algemene regels en kaders, waarbij minder wordt vastgelegd en meer ruimte blijft voor maatwerk. b. Vereenvoudiging van de regels Bij de omzetting van de regels gaan we de regels waar mogelijk uniformiseren.

Daarnaast gaat het onderdeel toepasbare regels helpen bij het leesbaar maken van de regels voor iedereen. Met de toepasbare regels worden vragenbomen ontwikkeld die inwoners en ondernemers kunnen gebruiken om te beoordelen wat voor vergunning ze nodig hebben. c. Bij conflicterende regels gaan we uit van de meest ruime regel De afgelopen jaren zijn de meeste algemene regels in de voormalige bestemmingsplannen reeds geharmoniseerd. Bij het opstellen van het omgevingsplan gaan we nogmaals naar kijken. Hierbij kan het zijn dat er toch nog regels zijn die hetzelfde regelen maar conflicterend zijn met elkaar. Op dat moment gaan we in beginsel uit van de meest ruime regeling. 3

d. De bruidsschat regels worden aangepast op basis van de uitgangspunten Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten (en waterschappen). Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. Daarmee wordt voorkomen dat de regels vervallen voordat de gemeente vergelijkbare of vervangende regels heeft. e. We maken bij de regels onderscheid in gebieden. Hierdoor kunnen activiteiten anders zijn We zijn een gemeente met een verscheidenheid van landschappen en kernen met ieder zijn eigen kwaliteiten. Regels voor de kernen en/ of het landelijk gebied zijn dan ook gebiedseigen. Op basis van omgevingswaarden worden de regels gevormd. f. Maatregelen vanuit omgevingsprogramma’s worden meegenomen bij opstellen van het omgevingsplan Het omgevingsplan wordt waar nodig aangevuld met nieuwe maatregelen die voortkomen uit de omgevingsprogramma’s om zo weer actueel beleid en regelgeving te hebben die passend is voor Stichtse Vecht.

Toelichting Beleidsneutrale overgang: Bij een beleidsneutrale overgang wordt de bestaande regelgeving van bijvoorbeeld bestemmingsplannen en andere verordeningen zoveel mogelijk overgenomen in het omgevingsplan. Dit betekent dat de gemeente in principe de huidige situatie handhaaft en niet actief nieuwe beleidskeuzes maakt, of bestaand beleid aanpast. Het beleid moet wel herschreven worden om te kunnen voldoen aan de opzet van de Omgevingswet. Waar beleidsregels geënt zijn op het “nee- tenzij principe” moeten deze omgevormd worden naar het “ja-principe”. Een beleidsneutrale overgang kan wenselijk zijn als de gemeente tevreden is met de huidige situatie en geen grote, nieuwe veranderingen wil doorvoeren. Het kan ook een snellere manier zijn om het omgevingsplan te realiseren, omdat er minder onderzoek en beleidsvorming voor nieuw of aanvullend beleid nodig is. Kenmerken van een beleidsneutrale omgevingsplan: • Ruimte voor initiatief en maatwerk: Het plan bevat vooral algemene regels/kaders en open normen, waardoor per geval kan worden bekeken wat passend is. Uiteraard zijn aan maatwerk ook voorwaarden gebonden. Zo moet ernaar verwezen worden in het omgevingsplan bij het betreffende hoofdstuk; • Eenvoud en begrijpelijkheid: De hoeveelheid regels is beperkt en overzichtelijk, wat leidt tot minder administratieve lasten en snellere besluitvorming.

Dit vraagt meer van de beoordelingscapaciteit en expertise van de uitvoerende ambtenaren en bestuurders, omdat er meer ruimte is voor interpretatie en afweging. De regels zijn immers niet uitputtend beschreven. • Gebiedskenmerken zijn relatief eenvoudig: In gebieden zonder complexe milieuproblemen of ruimtelijke conflicten kan een beleidsneutrale aanpak voldoende zijn. • Innovatie en flexibiliteit: Een beleidsneutrale aanpak is beter geschikt voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen of initiatieven, omdat de regels hiervoor meer ruimte bieden. Niet-beleidsneutrale overgang: Een niet-beleidsneutrale overgang daarentegen maakt gebruik van de flexibiliteit van het omgevingsplan om nieuwe beleidsdoelen te formuleren en te implementeren. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de gemeente nieuwe ambities op het gebied van duurzaamheid, woningbouw of leefbaarheid wil realiseren, en deze ambities vastlegt in het omgevingsplan. Een niet-beleidsneutrale overgang kan wenselijk zijn als de gemeente ambities heeft om de leefomgeving te verbeteren of te vernieuwen. Het biedt de mogelijkheid om nieuwe beleidsdoelen te formuleren en te verankeren in het omgevingsplan, en zo sturing te geven aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. 4

Kenmerken van een niet-beleidsneutrale omgevingsplan: • Duidelijkheid en rechtszekerheid: Het plan moet voldoende regels bevatten om duidelijkheid te bieden aan initiatiefnemers en burgers over wat wel en niet toegestaan is. Dit voorkomt interpretatieverschillen en biedt een stevige juridische basis. • Complexe of gevoelige gebieden: Bij gebieden met veel verschillende belangen, milieubeperkingen, of ruimtelijke conflicten is een beleidsrijke aanpak vaak noodzakelijk om alles zorgvuldig te regelen. • Bescherming van specifieke waarden: Wanneer bepaalde cultuurhistorische, ecologische, landschappelijke of maatschappelijke waarden beschermd moeten worden, is een niet-beleidsneutraal plan met gedetailleerde regels wenselijk. • Behoefte aan uniforme handhaving: Bij niet-beleidsneutrale plannen zijn regels helder en eenduidig, wat handhaving eenvoudiger en consistenter maakt. • Juridische verplichtingen: Soms schrijven landelijke of provinciale regelgeving of afspraken bepaalde beleidsregels en normen voor (bijvoorbeeld milieunormen).

We bouwen het omgevingsplan op via de open en gesloten normenbepaling Een belangrijk aspect bij het formuleren van regels in het omgevingsplan is het gebruik van open normen en gesloten normen. Open normen zijn vastgestelde regels of criteria, waarbij bewust is open gelaten hoe precies aan de genoemde verplichtingen moet worden voldaan. Gesloten normen zijn juist strikt, vaststaande regels. Het is niet wenselijk om alleen met het een of het andere te werken. Want voor sommige activiteiten wil je juist strikte regels en met andere activiteiten juist flexibele regels. Hoe strikter de regels hoe meer rechtszekerheid het biedt. Voorbeeld Een eigenaar heeft een grote tuin en wil deze tuin splitsen en hier een tweede woning bouwen. Een open norm in het omgevingsplan kan dan zijn het moet passen binnen de bestaande structuur": Hiermee wordt bedoeld dat nieuwe gebouwen moeten aansluiten bij de architectonische stijl, schaal en stedenbouwkundige opzet van de buurt. Er wordt geen maatvoering aangegeven. Bij een gesloten norm wordt dit juist wel gedaan. Dan zou er bijvoorbeeld in het omgevingsplan staan dat de bouwhoogte maximaal 10 meter mag zijn met een diepte van 12 meter en 5 meter afstand moet zijn van de naastgelegen perceel. Maatwerk Maatwerk speelt een belangrijke rol binnen de Omgevingswet en het omgevingsplan.

Het betekent dat regels en besluiten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van een locatie, situatie of initiatief. Door maatwerk toe te passen, kan worden voorkomen dat rigide regels tot onnodige belemmeringen leiden en kan worden ingespeeld op lokale wensen en omstandigheden. Maatwerk is dus een middel om flexibiliteit en rechtvaardigheid te waarborgen binnen het wettelijke kader. Het toepassen van maatwerk vormt geen doel op zich, maar is een middel om gewenste en mogelijk onvoorziene ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarbij moet oog worden gehouden voor de complexiteit van maatwerk en de capaciteit die dit van de organisatie vraagt.

5

Toelichting Open normen Een open norm in een omgevingsplan laat het bevoegd gezag flexibiliteit om te beoordelen of een aanvraag voldoet aan de regels, zonder exacte kaders te stellen. Dit betekent dat er bewust openheid is gelaten hoe aan de verplichting moet worden voldaan, waardoor er ruimte ontstaat voor maatwerk en een afweging van de wenselijkheid van een initiatief. Om dit te laten werken, moeten de open normen wel voldoende concreet en objectief begrensd zijn in de planregels of de verbeelding van het plan, zodat ook bij een aanvraag duidelijkheid bestaat over de mogelijke uitkomsten. Op het moment dat alle regels worden omgezet naar open normen dan wordt de rechtszekerheid van de inwoners en ondernemers sterk aangetast. Kenmerken van open normen: • Behoefte aan flexibiliteit: Open normen zijn geschikt als er ruimte moet zijn om per situatie een passende afweging te maken, bijvoorbeeld bij complexe of unieke omstandigheden. • Mogelijkheid tot maatwerk: Er moet voldoende expertise en beoordelingsvrijheid zijn bij de betrokken ambtenaren om open normen juist en consistent toe te passen. Hierbij moet aandacht zijn voor mogelijke precedentwerking. Dit kan worden voorkomen door goede coördinatie en interen afstemming.

• Duidelijke beoordelingscriteria: Hoewel de norm open is, moeten er wel heldere criteria of richtlijnen zijn die helpen bij de interpretatie en beoordeling, zodat beslissingen transparant en toetsbaar zijn. • Communicatie naar initiatiefnemers: Er moet goede communicatie zijn over wat onder een open norm valt en wat dit inhoudt, zodat initiatiefnemers weten wat ze kunnen verwachten. Daarbij is met name de vraag hoe wij dit als gemeente kunnen operationaliseren. • Handhaving en controle: Bij open normen kunnen initiatiefnemers zelf aangeven hoe zij invulling willen geven aan het voldoen aan bepaalde normen, maar dit bemoeilijkt handhaving. Gesloten normen Dit zijn: strikte, vaststaande regels, met beperkte ruimte voor afwijking en maatwerk. Gesloten normen zorgen voor rechtszekerheid en duidelijkheid, maar kunnen flexibiliteit beperken. Kenmerken van gesloten normen: • Behoefte aan rechtszekerheid: Gesloten normen worden gebruikt wanneer het belangrijk is dat regels eenduidig, voorspelbaar en toetsbaar zijn voor alle betrokkenen. • Heldere en concrete grenzen: De norm moet duidelijk en meetbaar zijn, zodat er geen ruimte is voor interpretatie of discussie (bijvoorbeeld maximale geluidsniveaus, bouwhoogtes). • Beperkte ruimte voor afwijking: Er mag niet of nauwelijks van de norm worden afgeweken, tenzij dit expliciet geregeld is via uitzonderingen of procedures.

• Handhaving en controle: Gesloten normen maken handhaving eenvoudiger, dus er moet een systeem zijn om te controleren of normen worden nageleefd.

We bouwen het Omgevingsplan op vanuit de activiteitengerichte benadering Bij de inrichting van het omgevingsplan moet een keuze worden gemaakt in de benaderingsvorm. Wij kennen drie varianten: gebiedsgericht, themagericht en activiteitengericht. Bij gebiedsgericht ligt de focus op een specifieke geografische locatie of gebied, waarbij het plan regels en beleidslijnen bevat die op dat gebied zijn afgestemd. Bij themagericht worden beleidsregels en normen gericht op specifieke thema’s zoals geluid en 6

natuur ongeacht de locatie. Bij activiteitengericht wordt op specifieke activiteiten of functies, zoals bouwen, horeca regels opgesteld. Deze kunnen gebiedseigen zijn. Op basis van ervaringen bij ander gemeenten is gebleken dat activiteitengerichte benadering het beste werkt om het omgevingsplan vorm te geven. Bij de inrichting van het omgevingsplan wordt vaak een keuze gemaakt tussen een mix drie benaderingen. Onze gemeente leent zich echter voor gebruik van een gebiedsgerichte en een themagerichte benaderingen waarmee tevens gewerkt wordt met activiteiten.

Toelichting Activiteitengericht Deze benadering richt zich op specifieke activiteiten of functies, zoals bouwen, horeca, of industriële activiteiten. Het plan bevat regels die specifiek gelden voor deze activiteiten, los van locatie of thema. In de praktijk worden deze benaderingen vaak gecombineerd om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de lokale situatie en beleidsdoelen. Voorwaarden voor activiteitengericht werken: • Overzicht activiteiten: binnen de gemeente moet zicht zijn op de meest voortkomende en herkenbare activiteiten in de gemeente. • Uniformering: de activiteiten moeten voorzien worden van een uniforme set met regels die betrekking hebben op bouw- en gebruiksmogelijkheden. Deze regels moeten uniform zijn en toepasbaar zijn binnen de hele gemeente, niet specifiek voor één gebied of één thema. Regels voortkomend uit activiteiten kunnen aanvullend van toepassing zijn op regels die specifiek van toepassing zijn in gebieden of bij verschillende thema’s. Gebiedsgericht Hierbij ligt de focus op een specifieke geografische locatie of gebied, waarbij het plan regels en beleidslijnen bevat die op dat gebied zijn afgestemd. Dit sluit aan bij de unieke kwaliteiten en uitdagingen van dat gebied. Voorwaarden voor gebiedsgericht werken: • Duidelijke geografische afbakening: Er moet een helder en herkenbaar gebied zijn waar het beleid specifiek op gericht is.

Dit kan een wijk, dorpskern, natuurgebied of stedelijk gebied zijn. • Specifieke kenmerken van het gebied: Het gebied moet eigen, unieke kenmerken, kwaliteiten, problemen of kansen hebben die vragen om een gerichte aanpak (bijvoorbeeld een natuurgebied met bijzondere flora, een historisch stadscentrum, of een bedrijventerrein). • Samenhang van maatregelen: De verschillende regels en beleidsmaatregelen moeten goed op elkaar aansluiten en integraal worden toegepast binnen het gebied. • Lokale betrokkenheid: Er moet voldoende betrokkenheid zijn van lokale belanghebbenden, bewoners en ondernemers, omdat het beleid direct op hun leefomgeving betrekking heeft. • Behoefte aan flexibiliteit: Binnen het gebied kunnen afwijkingen of specifieke regels nodig zijn die niet voor het hele grondgebied gelden. • Heldere doelen en prioriteiten per gebied: Het beleid moet duidelijke doelstellingen formuleren die passen bij de lokale context. Themagericht Hierbij worden beleidsregels en normen gericht op specifieke thema’s zoals geluid, luchtkwaliteit, waterbeheer, natuur of veiligheid, ongeacht de locatie. Deze benadering is geschikt wanneer bepaalde thema’s over meerdere gebieden vergelijkbaar geregeld moeten worden.

Voorwaarden voor themagericht werken: • Afgebakend thema of onderwerp: Het beleid richt zich op één of meerdere specifieke thema’s, zoals geluid, luchtkwaliteit, waterbeheer, archeologie, cultureel erfgoed, veiligheid of natuur. Brede toepasbaarheid: De thematische regels gelden over verschillende

7

• • •

•

gebieden heen, omdat het thema overal relevant is (bijvoorbeeld geluidnormen voor alle bedrijventerreinen in een gemeente). Consistente en eenduidige regels: Binnen het thema moeten regels uniform en helder zijn, zodat ze op verschillende locaties vergelijkbaar worden toegepast. In het verleden hebben wij bijvoorbeeld een paraplubestemmingsplan voor het thema archeologie vastgesteld. Duidelijke samenhang met andere thema’s en gebieden: Het themabeleid moet goed aansluiten op andere thema’s en gebiedsgerichte regels om conflicten te voorkomen. Expertise en monitoring: Er is voldoende deskundigheid nodig om het thema goed te kunnen beoordelen en monitoren (bijvoorbeeld waterkwaliteit meten of geluidsoverlast beoordelen). Daarnaast moet gebruik gemaakt worden van vaste externe adviseurs (zoals de ODRU, Waternet, GGD) en bekende vooroverlegpartners. Behoefte aan integrale benadering: Themagericht beleid sluit vaak aan bij bredere beleidsdoelen op het gebied van gezondheid, milieu of veiligheid en vereist afstemming met andere (thema)beleidsterreinen.

We werken vanuit drie sporen aan het Omgevingsplan De gemeente heeft tot 1 januari 2032 de tijd om te komen tot een definitief omgevingsplan. Hiervoor moeten we alle onderdelen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan omzetten naar het definitieve deel van het omgevingsplan. Het duurt dan ook meerdere jaren voordat het Omgevingsplan volledig is omgezet. In de tussentijd vinden er ook ontwikkelingen plaats zoals woningbouwprojecten maar ook initiatieven van inwoners en ondernemers die wel wenselijk zijn maar niet passend zijn in het tijdelijke omgevingsplan. Het is dan ook nodig om drie sporen te bewandelen. Op basis hiervan gaan we uit van de volgende sporen: Spoor 1: We werken aan één integraal omgevingsplan Via dit spoor werken we toe naar een gemeentebreed en integraal omgevingsplan. Het gaat daarbij om een integraal omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. • In dit spoor werken we aan het omzetten van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het permanente deel van het omgevingsplan. • In dit spoor werken we ook aan het inventariseren van bestaande ruimtelijk gerelateerde verordeningen en beleidsregels die opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. Hiervan kan gedacht worden aan de rioolverordening, welstandsnota en de verordening Fysieke Leefomgeving.

Spoor 2: Initiatieven blijven mogelijk Het duurt nog vele jaren voordat we een definitief omgevingsplan hebben voor het gehele grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht. Toch willen we in de komende jaren waar mogelijk nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. Wanneer we mee willen werken aan een nieuw initiatief wat niet passend is in het tijdelijke Omgevingsplan doen we dit via: • Een (B)OPA • Wijziging van het Omgevingsplan (Dit doen we via het tijdelijke hoofdstuk in het omgevingsplan) Spoor 3: Beleidsregels voortvloeiend uit Omgevingsprogramma’s worden waar mogelijk geïntegreerd in het nieuwe omgevingsplan Op basis van de opdrachten uit de Omgevingsvisie werken we hard aan Omgevingsprogramma’s om het bestaande beleid te vernieuwen. Uit deze Omgevingsprogramma’s vloeien maatregelen voort die kunnen leiden tot een wijziging van het Omgevingsplan. Die wijzigingen worden in het omgevingsplan verwerkt. Verordening Fysieke Leefomgeving wordt de komende jaren door middel van de beleidscyclus omgezet naar het omgevingsplan.

8

Toelichting Spoor 1 De globale opbouw van een omgevingsplan is voor elke gemeente gelijk. Het Rijk stelt een aantal technische eisen. Het omgevingsplan is verder vormvrij in te vullen. Je kunt het omgevingsplan zien als een kast waarbij we als gemeente zelf mogen bepalen waar we wat neerleggen. In die zin hebben we als gemeente voor bepaalde zaken afwegingsruimte. De opbouw van het omgevingsplan ziet er zo uit:

Afb 1: Opbouw omgevingsplan Hoe we hoofdstuk 2 t/m 21 opbouwen, ofwel het bepalen van de structuur, mogen we zelf bepalen. Alles wat in deze hoofdstukken landt, is onderdeel van het permanente deel van het omgevingsplan. Dit betekent niet dat we deze regels niet meer kunnen wijzigen, maar wel dat ze niet langer onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan vallen. Nu zijn de hoofdstukken 2 t/m 21 nog leeg, omdat we sinds 1 januari 2024 van rechtswege een omgevingsplan hebben met alleen regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 t/m 21 gaan we invullen met de regels die nu staan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze bestaan voor een gedeelte uit hoofdstuk 22 (de Bruidsschat). Daarnaast zijn vanuit de wet alle bestemmingsplannen aangewezen als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit zijn nog losse documenten en staan daardoor (nog) niet in deze structuur. Op basis van de structuur hebben we een globaal beeld van waar we wat willen laten landen. Op basis hiervan kunnen we de regels toevoegen Het omgevingsplan bestaat uit een set regels, die de regelbibliotheek wordt genoemd. Deze regels wijzen we toe aan bepaalde locaties. De locaties waar deze regels gelden heten werkingsgebieden. De regelbibliotheek en werkingsgebieden vormen samen het omgevingsplan. Het maken van het omgevingsplan is een proces van meerdere jaren.

Het is daarbij van belang dat we met beleidsmakers van diverse clusters en juristen om tafel gaan om thematisch/gebiedsgericht regels op te gaan stellen. De regelbibliotheek werkt van algemeen naar specifiek. Onderdelen van de regelbibliotheek kunnen zijn: gebieden, functies, activiteiten en begrippen. De regels in het permanente deel van het omgevingsplan moeten voldoen aan nieuwe digitale standaarden (STOP/TPOD) zoals opgegeven door het Rijk. Per 1 januari 2026 gaan we als gemeente hiermee werken. Nieuwe initiatieven (spoor 2) sluiten zoveel mogelijk aan op regels in de regelbibliotheek. Bij beleidswijzigingen kan de regelbibliotheek juist wijzigen (spoor 3). 9

Permanent (gebiedsdekkend) omgevingsplan voor heel Stichtse Vecht

Afb 2: Proces te komen tot een gebiedsdekkend omgevingsplan Spoor 2 Het faciliteren van nieuwe (gebieds)ontwikkelingen blijft onderdeel van ons werk. Meewerken aan ontwikkelingen die niet passen in het omgevingsplan kan op 2 manieren 1. door een vergunning voor een BOPA 2. door een wijziging van het omgevingsplan (wijzigingsbesluit) In de meeste gevallen bestaat er keuzevrijheid van de initiatiefnemer voor het mogelijk maken van een ontwikkeling via een BOPA of het wijzigen van het omgevingsplan. Maar in onderstaande gevallen moet er een wijziging van het omgevingsplan plaatsvinden en is een BOPA geen optie: 1. als een bouwplan nog niet concreet/afgebakend (genoeg) is en er enige flexibiliteit gewenst is voorafgaand de uitvoering; 2. als de algemene regels van het omgevingsplan gewijzigd moeten worden; 3. als blijkt dat voor het initiatief functies of gebruiksmogelijkheden buiten het plangebied gewijzigd moeten worden; 10

4. als er vanuit milieutechnische redenen activiteiten moeten worden weg bestemd om een initiatief mogelijk te maken; 5. als het vanuit financieel oogpunt noodzakelijk is om de benodigde bovenwijkse kosten te verhalen. In alle niet-genoemde gevallen kan men volstaan met het aanvragen van een BOPA. Een verleende BOPA moet binnen 5 jaar worden opgenomen in het omgevingsplan. Dit is wettelijk voorgeschreven, maar geldt pas vanaf 1 januari 2032. Spoor 3 De komende jaren wordt gewerkt aan het versterken van het beleid binnen de gemeente. Doordat we op verschillende thema’s beleid of relatief verouderd beleid hebben is het nodig om deze op te stellen. Dit doen we via de omgevingsprogramma’s. Deze opdrachten vloeien voort uit de Omgevingsvisie. Uit de Omgevingsprogramma’s vloeien maatregelen voort die kunnen leiden tot een wijziging van het Omgevingsplan. Voorbeelden hiervan zijn de parkeernormen horende bij het omgevingsprogamma Mobiliteit en het VAB-beleid horende bij het omgevingsprogramma Landelijk Gebied. Samen met spoor 1 wordt gekeken op welke wijze deze worden toegevoegd aan het omgevingsplan.

11

Bijlage 1: Begrippenlijst Omgevingswet Activiteit: Een juridische definitie is niet in de wet opgenomen. Bedoeld wordt het handelen of nalaten van handelingen die invloed kunnen hebben op de leefomgeving. Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB): De Omgevingswet is een kaderwet. De nadere uitwerking vindt plaats in vier AMvB’s. Het gaat om: Besluit activiteiten leefomgeving; - Besluit bouwwerken leefomgeving; - Besluit kwaliteit leefomgeving; - Omgevingsbesluit. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): In het Bal staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden moeten zich aan deze regels houden als ze die activiteiten uitvoeren. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl): In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl): In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels voor het Rijk en voor decentrale overheden. De regels gaan over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en monitoring. Bestemmingsplan: Een bestemmingsplan legt de gebruiks- en bouwmogelijkheden vast voor een gebied.

Bevoegd Gezag (BG): Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat door de wet is aangewezen om een vergunningaanvraag te behandelen, meldingen te ontvangen en bevoegd is voor toezicht en handhaving. Bevoegd gezag kan zowel het Rijk, een provincie, een waterschap als een gemeente zijn. Onder de Omgevingswet heeft ieder instrument een bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dat het instrument inzet, is ook het bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, meldingen en het toestaan van afwijken van algemene regels. Bruidsschat: Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten (en waterschappen). Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. Daarmee wordt voorkomen dat de regels vervallen voordat de gemeente vergelijkbare of vervangende regels heeft. Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA): Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Met een vergunning voor een BOPA kunnen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden die niet passen binnen het omgevingsplan.

Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO): Het DSO is het stelsel van de landelijke voorziening samen met de lokale systemen van overheden. De landelijke voorziening bestaat uit het Omgevingsloket met op de achtergrond een aantal informatiesystemen. Met de landelijke voorziening kunnen we: • onze Omgevingswetbesluiten publiceren; •

vragenbomen met toepasbare regels publiceren;

•

vergunningaanvragen en meldingen ontvangen;

•

begrippen en definities centraal beheren;

•

onderling en met initiatiefnemers samenwerken.

12

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties: Het omgevingsplan regelt allereerst een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Functie: Gebruiksgebied of een gedeelte daarvan, waar de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan de netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu). Fysieke leefomgeving: Een van de kernbegrippen in de Omgevingswet is de ‘fysieke leefomgeving’. Het begrip bepaalt tot waar de Omgevingswet geldt. Wanneer er geen sprake is van fysieke leefomgeving, dan is de Omgevingswet niet van toepassing. Een afgebakende definitie van de fysieke leefomgeving is er niet. In de wet staat wel een opsomming van onderdelen die in elk geval onder fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Deze opsomming is formeel niet uitputtend. Gemeenten hebben enige vrijheid om te bepalen welke activiteiten onder de fysieke leefomgeving vallen.

Gebiedstype: een gebied wat qua type op elkaar lijkt voor landelijke en stedelijke gebieden Hoofdstructuur: basis van het omgevingsplan Instructieregel: Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. LVBB: De Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB) is straks de centrale landelijke voorziening voor alle overheidspublicaties. Omgevingswetbesluiten komen via deze landelijke voorziening ook in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Motivering: Het aanleveren van een document waardoor je bewijst te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het initiatief. Noodregeling: De regels voor alle nieuwe initiatieven die nog niet kunnen landen in het permanente deel van het omgevingsplan. Omgevingsbesluit (Ob): Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming. Het regelt ook een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen. Het Ob is voor alle doelgroepen relevant, dus voor zowel burgers en bedrijven, als voor overheden.

Omgevingsplan: Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan. Deze komt in de plaats van de bestemmingsplannen en verordeningen.

13

Omgevingsregeling (Or): De Or is een ministeriële regeling bij de Omgevingswet. De regeling bouwt voort op de wet en de 4 AMvB’s. Het gaat om technische en administratieve regels voor het gebruik van de wet en de AMvB’s in de praktijk. Omgevingsverordening: Een omgevingsverordening bevat alle provinciale- of waterschapsregels voor de fysieke leefomgeving. Per provincie en waterschap is er 1 omgevingsverordening die de bestaande verordeningen vervangt. Zoals de milieuverordening, de planologische verordening, de ontgrondingenverordening, de landschapsverordening en de grondwaterverordening. Dit instrument is alleen voor provincies en waterschappen. Gemeenten nemen alle regels over de fysieke leefomgeving op in een omgevingsplan. Omgevingsvisie: In een Omgevingsvisie legt de gemeenteraad haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één Omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Deze komt in de plaats van structuurvisies, verkeers- en vervoersplannen, onderdelen van de natuurvisie en milieubeleidsplannen. Omgevingswaarden: Omgevingswaarden zijn bedoeld voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Ook ondersteunen ze bij het zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die een gemeente, provincie of Rijk voor de leefomgeving wil bereiken.

Deze staan in het Bkl, de omgevingsverordening of het omgevingsplan. Het is één van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moeten objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. Omgevingswet: In de Omgevingswet wordt alle bestaande wetgeving over de fysieke leefomgeving wordt gebundeld, vereenvoudigd en geïntegreerd in één wet. De Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2024 in werking. Participatie: Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn regels over participatie opgenomen. Voor de meeste kerninstrumenten geldt dat daarin moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. Permanente deel van het omgevingsplan: Het permanente omgevingsplan dat onderverdeeld is in de hoofdstructuur en regels heeft op basis van STOP/TPOD. Programma: Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden een programma opstellen met maatregelen. Het instrument programma is, evenals de omgevingsvisie, een beleidsdocument.

STOP/TPOD Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD) Om omgevingsdocumenten te publiceren, zijn de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD) ontwikkeld. Tijdelijk omgevingsplan: Het omgevingsplan zoals dat (van rechtswege) geldt vanaf 1 januari 2024. Tijdelijke deel van het omgevingsplan: Het tijdelijke omgevingsplan met daarin alle bestemmingsplannen onder de Wro etc. Toepasbare regels: In het DSO kunnen inwoners en ondernemers straks antwoord krijgen op vragen als: ‘Mag ik op deze locatie mijn initiatief starten? Of heb ik daar een vergunning voor nodig?’. Initiatiefnemers doorlopen

14

hiervoor vragenbomen in het Omgevingsloket. Om deze vragenbomen zo gebruiksvriendelijk mogelijk te laten werken moeten overheden hun juridische regels omzetten naar toepasbare regels en aanleveren aan het DSO. Vragenbomen: Eén van de onderdelen van het Omgevingsloket is de vergunningscheck. Initiatiefnemers kunnen via een vragenboom controleren of ze een idee mogen uitvoeren op een bepaalde locatie onder de Omgevingswet. Overheden kunnen hiervoor hun juridische regels omzetten naar toepasbare regels. Wijzigingsbesluit omgevingsplan: Het besluit dat gekomen is na een wijzigingsronde waardoor alles wat in die ronde zit tot vaststelling komt.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2896/documents/62100