Nadere Criteria Zonnevelden versie 5 februari 2025.pdf
Tekst van het document
De impact van het initiatief op de landbouwstructuur en de bedrijfsvoering van (agrarisch) ondernemers binnen de polder (indien van toepassing); Landschappelijke inpassing en vormgeving; Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen); Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging; Relatie van het initiatief met de omgeving, bijvoorbeeld met het oog op andere lopende ruimtelijke ontwikkelingen en/of ecologische verbindingen.
Proces: • • • •
Processtappen en planning; Stakeholders en doelgroepen; Toekomstbestendigheid van de afspraken in verschillende projectfases, waarbij speciale aandacht is voor de overdracht van de afspraken bij een eventuele wisseling van eigenaar; Wijze en frequentie van communicatie met de omgeving door initiatiefnemer.
38
Met opmerkingen [SV9]: Wat is financiële participatie? Of staat dat in de verordening participatie? Anders even toelichten denk ik. Met opmerkingen [SV10R9]: Wordt in hoofdstuk 6 uitgelegd zie ik, onhandige volgorde voor de lezer.
6. Participatie Gemeente Stichtse Vecht hecht veel waarde aan een goed participatieproces rondom zonnevelden. Het is van belang dat participatie rondom zonnevelden gebeurt in overeenstemming met de Verordening participatie bij ruimtelijke initiatieven Stichtse Vecht 202316. Dit hoofdstuk gaat in op zowel procesparticipatie (de mogelijkheden voor de omgeving om betrokken te zijn bij de totstandkoming van een initiatief) als financiële participatie (de mogelijkheden voor de omgeving om financieel deel te nemen aan een initiatief). Definitie van de omgeving De definitie van ‘omgeving’ verdient een nadere uitwerking. Aan de ene kant is de lokale omgeving de fysieke omgeving van het zonneveld. Aan de andere kant staat omgeving voor de omgevingsbelangen en belanghebbenden (naast eigenaren, gebruikers en omwonenden zijn dat bijvoorbeeld ook overlegorganen en belangengroepen) bij het project. Binnen gemeente Stichtse Vecht hanteren we als definitie voor de omgeving drie niveaus: • •
•
Plangebied: alle grondeigenaren, -gebruikers en eventueel andere aanwezige stakeholders binnen de begrenzing van het initiatief; Directe omgeving: alle grondeigenaren, -gebruikers, omwonenden, (agrarisch) ondernemers en andere stakeholders die zich binnen de begrenzing van het plangebied bevinden én alle grondeigenaren, -gebruikers, omwonenden, (agrarisch) ondernemers en andere stakeholders die direct aan het plangebied grenzen. Hieronder vallen (bij initiatieven op agrarische grond) in ieder geval LTO en de Gebiedscoöperatie Stichtse Vecht en (bij initiatieven op natuurgronden) natuurorganisaties; Wijdere omgeving: alle omwonenden binnen een straal van drie kilometer rondom de begrenzing van het plangebied wonen. Hieronder vallen ook tenminste de dorpsraden van de kernen in de gemeente Stichtse Vecht die (deels of helemaal) binnen de definitie van de wijdere omgeving vallen.
Uitzondering voor kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik De regels in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op kleinschalige zonnevelden (kleiner dan één hectare) gericht op het eigen energiegebruik. Zie hiervoor de regels in hoofdstuk 5. Categorie Zonnevelden groter dan één hectare worden ingedeeld in categorie 3 van ruimtelijke initiatieven zoals bedoeld in de Verordening participatie bij ruimtelijke initiatieven. De verwachte impact van zonnevelden op de omgeving is dermate groot dat het College van B&W van initiatiefnemers verlangt dat participatie grondig en met oog voor de bredere omgeving wordt uitgevoerd.
16
Verordening participatie bij ruimtelijke initiatieven Stichtse Vecht 2023 (LINK)
39
Met opmerkingen [SV11]: Eerste keer heb je het uitgeschreven met B&W tussen haakjes; of steeds uitschrijven of alleen eerste keer en daarna ‘afkorting’ hanteren (al zou ik daar dan college van B&W van maken o.i.d., niet alleen B&W).
Relatie met het gebiedsproces Participatie is de manier waarop het gebiedsproces om te komen tot de uitwerking van een initiatief voor een zonneveld, wordt ingevuld. Participatieplan De initiatiefnemer dient de voorgestelde aanpak voor zowel procesparticipatie als financiële participatie uit te werken in een participatieplan. Verslaglegging Gemeente Stichtse Vecht vraagt van initiatiefnemers dat hetgeen is besproken en uitgewerkt conform het participatieplan, wordt vastgelegd in een participatieverslag. Dit participatieverslag moet aantoonbaar met de betrokken omwonenden en andere stakeholders besproken en gedeeld zijn.
6.1.
Procesparticipatie
Gemeente Stichtse Vecht vindt het belangrijk dat de omgeving van een initiatief voor een zonneveld de kans krijgt om mee te denken over de exacte locatie, het ontwerp en mogelijkheden voor koppelkansen als recreatieve routes en ecologische bermen. Dit in aanvulling op de ontwerpprincipes zoals geformuleerd in hoofdstukken 3 en 4. Dit betekent een initiatiefnemer dient de omgeving dient te betrekken vóórdat een plan wordt ingediend bij de gemeente. Het organiseren en invullen van participatie is volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente zal beoordelen of is voldaan aan de wensen en eisen ten aanzien van participatie. Onderwerpen waarop de gemeente wil dat de omgeving kan meedenken zijn onder meer: • • • •
Indien van toepassing: De impact van het initiatief op de landbouwstructuur en de bedrijfsvoering van (agrarisch) ondernemers binnen de polder. Daar waar de impact groot wordt geacht, kan de initiatiefnemer denken aan maatregelen zoals grondruil; Landschappelijke inpassing en vormgeving; Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen); Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging.
De gemeente vindt het wenselijk dat de directe omgeving (zie ook hierboven) vanaf het eerste idee actief wordt betrokken in het participatieproces en inspraak krijgen. Ook de wijdere omgeving dient geïnformeerd te worden en de kans te krijgen om deel te nemen aan de procesparticipatie.
40
Met opmerkingen [SV12]: Heb ik al eerder gelezen; is deze herhaling noodzakelijk?
6.2.
Financiële participatie (lokaal eigenaarschap)
Gemeente Stichtse Vecht vindt het belangrijk dat de omgeving mee kan profiteren in de opbrengsten van zonnevelden, overeenkomstig de doelen zoals geformuleerd in het Klimaatakkoord (2019) en de RES U16. Financiële participatie (ook wel: lokaal eigenaarschap) zorgt ervoor dat behalve de lasten ook de lusten van het initiatief in de omgeving terecht komen, wat kan leiden tot een groter draagvlak voor zonnevelden. Gemeente Stichtse Vecht wil dat zonnevelden voor 100% in lokaal eigendom zijn. Wanneer dat niet lukt, kan de initiatiefnemer op een andere wijze zorgen voor 100% lokaal eigenaarschap. Bijvoorbeeld door een gebieds- of omgevingsfonds in te richten, een directe omgevingsregeling te treffen of door aandelen of certificaten te verkopen aan de omgeving (financiële deelneming). De initiatiefnemer dient in het participatieplan te beschrijven hoe initiatiefnemer aan deze verplichting invulling zal geven, en in het participatieverslag welke acties zijn ondernomen om dit te realiseren. De gemeente zal in de beoordeling van de vergunningsaanvraag nagaan in hoeverre aan de verplichting is voldaan. Er zijn verschillende vormen van financiële participatie. Onderstaand figuur toont welke vormen er zijn.
Lokaal eigendom Omwonenden profiteren mee als mede-eigenaar van een zonneveld, via vereniging of coöperatie Financiële deelneming Omwonenden nemen risicodragend deel aan een project, bijvoorbeeld door aandelen of certificaten
Gebieds- of omgevingsfonds Een deel van de opbrengsten wordt gestort in een (gemeentelijk) fonds dat ten goede komt aan maatschappelijke doelen in de omgeving, zoals een sportclub of wijkvereniging.
Directe omgevings-regeling Direct omwonenden ontvangen een financieel voordeel, bijvoorbeeld in de vorm van verduurzaming van hun woning of korting op groene stroom
Figuur 2: Vormen van financiële participatie.
Gemeente Stichtse Vecht wil dat initiatiefnemers zich maximaal inspannen om tot 100% lokaal eigendom te komen. Pas wanneer dat niet lukt, kan de initiatiefnemer kijken naar (combinaties van) de overige drie vormen van lokaal eigenaarschap, om zo tot 100% lokaal eigenaarschap te komen.
41
6.3.
Het participatieplan
In het op te stellen participatieplan is aandacht voor zowel procesparticipatie als financiële participatie.
6.3.1. Totstandkomingsproces participatieplan Initiatiefnemers moeten een participatieplan meeleveren vanaf de eerste beoordeling van het initiatief door de gemeente. Hieruit moet blijken dat de initiatiefnemer in staat is een participatieproces voor ruimtelijke initiatieven in categorie 3 te organiseren dat aansluit op de wensen van de gemeente. Uit het participatieplan moet blijken: a) wie de initiatiefnemer wil gaan betrekken bij het initiatief, rekening houdend met de definitie van de omgeving zoals gesteld op p. 41; b) op welke wijze de initiatiefnemer de omgeving actief wil gaan betrekken; c) dat de initiatiefnemer rekening houdt met de belangen van de omgeving. Het participatieplan wordt als bijlage toegevoegd aan het eerste Vooroverleg Plan (VOP) en vormt zo mede de basis voor de planologische medewerking van de gemeente, alsmede het verdere proces van vergunningverlening. Dat proces bestaat uit één of meerdere VOP’s en de aanvraag omgevingsvergunning. Meer over het indieningsproces is te vinden in hoofdstuk 7. De volgende stappen worden gevolgd om te komen tot plan en uitvoering van procesparticipatie en financiële participatie. Stap 1: Opstellen participatieplan op hoofdlijnen De initiatiefnemer dient bij het eerste VOP (zie paragraaf 7.3) een participatieplan op hoofdlijnen in. In het participatieplan geeft initiatiefnemer aan: a) b) c) d)
in hoeverre en op welke wijze de omgeving al betrokken is bij het initiatief (verslaglegging); hoe hij actief met de omgeving in gesprek gaat; op welke wijze de omgeving bij de besluitvorming over het initiatief wordt betrokken; hoe hij tot afspraken met de omgeving over financiële participatie wil komen en wat hij op dat punt aan de omgeving wil voorleggen.
42
Stap 2: Uitvoeren participatieplan op hoofdlijnen De gemeente geeft tijdens het eerste VOP feedback op het participatieplan, waarna de initiatiefnemer kan starten met de uitvoering van het participatieplan op hoofdlijnen. De resultaten van dat proces legt de initiatiefnemer vast in het participatieverslag, dat moeten worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Daarin maakt initiatiefnemer inzichtelijk: a) b) c) d) e) f) g)
welke inspanningen hij heeft gepleegd; wie binnen de omgeving betrokken is geweest en wanneer; wat de inbreng vanuit de omgeving is geweest; hoe hij deze inbreng vervolgens heeft verwerkt (welke aanpassingen zijn eruit voortgekomen); wat de uiteindelijke afspraken met de omgeving zijn (bijvoorbeeld m.b.t. grondruil); welke vorm(en) van financiële participatie (lokaal eigenaarschap) gekozen zijn en waarom; daar waar de participatie niet tot aanpassingen heeft geleid, licht de initiatiefnemer toe waarom dat niet gebeurd is.
Stap 3: Aanscherpen van het participatieplan tot een definitief participatieplan Aan de hand van de participatieverslagen wordt het participatieplan op hoofdlijnen aangescherpt tot een definitief participatieplan. Dit definitieve participatieplan, met de participatieverslagen als bijlagen, wordt besproken tijdens een eventueel tweede VOP. Stap 4: Beoordeling participatieplan bij beoordeling VOP Als onderdeel van het VOP beoordeelt de gemeente het geactualiseerde, definitieve participatieplan. Er zijn drie uitkomsten mogelijk: a) bij goedkeuring is initiatiefnemer gehouden het (goedgekeurde) participatieplan uit te voeren; b) bij afkeuring is initiatiefnemer gehouden de aanwijzingen van de gemeente (om alsnog tot goedkeuring te kunnen komen) op te volgen. In de uitzonderlijke situatie dat het gebiedsproces, ondanks de inzet van initiatiefnemer, niet heeft geleid tot afspraken met omwonenden beoordeelt de gemeente of de geleverde inspanningen voldoende zijn geweest. Is dat niet het geval, dan zal initiatiefnemer alsnog de beloofde inspanningen moeten plegen; c) Heeft de initiatiefnemer onvoldoende inspanningen geleverd, dan zal dat voor de gemeenten reden zijn de gewenste planologische medewerking te weigeren.
Stap 5: Goedkeuring VOP Nadat de gemeente het geactualiseerde participatieplan heeft goedgekeurd of heeft geoordeeld dat initiatiefnemer – ondanks het uitblijven van afspraken – voldoende inspanningen heeft gepleegd, zal de gemeente het VOP goedkeuren. Daarmee leggen initiatiefnemer en gemeente vast 43
welke onderdelen van het participatieplan voor het starten van het proces van vergunningverlening worden uitgevoerd. Het geactualiseerde (definitieve) participatieplan wordt als bijlage toegevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning.
6.3.2. Aspecten van het participatieplan In het participatieplan komen de volgende aspecten ten aanzien van procesparticipatie en financiële participatie terug: 1. Invulling van procesparticipatie De initiatiefnemer geeft aan over welke onderwerpen hij de omgeving betrekt. Dit betreft minimaal de volgende onderwerpen: • • • • • •
De impact van het initiatief op de landbouwstructuur en de bedrijfsvoering van (agrarisch) ondernemers binnen de polder (indien van toepassing); Landschappelijke inpassing en vormgeving; Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen); Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging; Relatie van het initiatief met de omgeving, bijvoorbeeld met het oog op andere lopende ruimtelijke ontwikkelingen en/of ecologische verbindingen; Proces rond invulling financiële participatie.
De initiatiefnemer omschrijft stap voor stap het proces hoe deze participatie vorm krijgt en hoe daarbij de omgeving bij de besluitvorming wordt betrokken. Hij gaat daarbij in overleg met de omgeving om tot overeenstemming te komen op welke wijze hij uitvoering gaat geven aan het project. Het participatieplan vormt hiervoor de basis. In het participatieplan geeft initiatiefnemer aan hoe hij tot overeenstemming met de omgeving gaat komen en welk proces hij hiervoor gaat organiseren. Daarbij gaat initiatiefnemer in op de volgende elementen: • • • • •
Organisatievorm die de financiële participatie regelt. Bij de organisatievorm valt te denken aan een project-bv of een coöperatie; Processtappen en planning; Stakeholders en doelgroepen; Hoofdlijnen van de overeenstemming proces- en financiële participatie; Toekomstbestendigheid van de afspraken in verschillende projectfases, waarbij speciale aandacht is voor de overdracht van de afspraken bij een eventuele wisseling van eigenaar.
Onderdeel van het participatieplan is ook hoe vaak en op welke manier(en) de initiatiefnemer de omgeving betrekt. Zo hoort initiatiefnemer van direct omwonenden en de wijdere omgeving hoe zij aankijken tegenover de hiervoor aangegeven onderwerpen van het project. Daarnaast organiseert de initiatiefnemer (digitale) bijeenkomsten om de lokale omgeving enthousiast te maken voor de financiële participatie in die gevallen waarin dat van toepassing is. De initiatiefnemer geeft in het participatieplan aan welke mediakanalen hij inzet om de omgeving te betrekken (inclusief financiële participatie). Daarbij kan worden gedacht aan: 44
Met opmerkingen [SV13]: Tussen haakjes? Mag ook live zijn lijkt mij?
• • • • • • •
persoonlijk geadresseerde brief aan iedereen binnen het plangebied en de directe omgeving (zie ook definitie omgeving op pagina 41); artikelen in het regionale dagblad; artikelen in lokale kranten; artikelen in huis-aan-huiskranten; artikelen in de online pers; artikelen voor de eigen media van de gemeente(n), zoals de digitale nieuwsbrieven en sociale media. Een en ander kan aangeleverd worden in overleg met de betreffende communicatie- afdelingen; een website die voor dit project wordt ingericht met informatie over het project (inclusief informatie over de financiële participatie).
Initiatiefnemer verzorgt tenslotte een digitale nieuwsbrief over de voortgang van het project. Deze nieuwsbrief is voor alle geïnteresseerde direct omwonenden, inwoners uit de wijdere omgeving en andere geïnteresseerden. Deze doelgroepen kunnen zich opgeven voor deze nieuwsbrief bij initiatiefnemer. 2. Invulling van financiële participatie (lokaal eigenaarschap). Gemeente Stichtse Vecht vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk stakeholders binnen de omgeving van zonnevelden eigenaarschap krijgen over het initiatief. Hoe dichterbij het initiatief, hoe belangrijker de gemeente het vindt dat stakeholders de mogelijkheid hebben om financieel te participeren. De initiatiefnemer geeft in het participatieplan aan hoe hij dit gaat organiseren. Bij de uitwerking van de financiële participatie vindt de gemeente het belangrijk dat er aantoonbaar inspanning is gepleegd om tot 100% lokaal eigenaarschap te komen. Initiatiefnemer dient in het participatieplan aan te geven hoe invulling wordt gegeven aan lokaal eigenaarschap in het project. Andere vormen van financiële participatie (zoals financiële deelneming via obligaties of kWh-certificaten) mag de initiatiefnemer wel aanbieden, maar zijn niet verplicht.
45
7. Indieningsproces Dit hoofdstuk beschrijft het indieningsproces voor initiatieven voor zonnevelden in focusgebieden binnen gemeente Stichtse Vecht.
7.1.
Schaarse vergunningen
Omdat zonnevelden vergunbaar zijn binnen focusgebieden, kan sprake zijn van schaarse vergunningen. Daarvan is sprake wanneer zich bij de gemeente meer gegadigden aanbieden dan dat er ontwikkelmogelijkheden zijn. De schaarste in het kader van dit beleidskader bestaat uit fysieke schaarste (beperkt in ruimte of natuurlijke hoeveelheid) voor initiatieven voor zonnevelden. In het geval er kans is op schaarste moeten de beschikbaarheid van het schaarse recht, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria duidelijk zijn. De gemeente zal hierover tijdig duidelijkheid scheppen over de selectieprocedure die wordt ingezet.
7.2.
Initiatieven buiten focusgebieden
Om een zonneveld buiten een focusgebied mogelijk te maken, moet het beoogde plangebied eerst als focusgebied worden aangewezen door het College van B&W. Hierna neemt de gemeenteraad hierover een definitief besluit. Een focusgebied zonne-energie kan alleen worden aangewezen buiten de voor zonne-energie uitgesloten gebieden (zie paragraaf 2.3). Voor het beoordelen of een gebied geschikt is om als focusgebied zonne-energie te worden aangewezen, zal de gemeente deze peilnota Criteria Zonnevelden Stichtse Vecht hanteren.
7.3.
Indieningsproces voor initiatieven voor zonnevelden binnen focusgebieden
Zonnevelden binnen focusgebieden zijn in principe toegestaan, indien wordt voldaan aan het adequaat betrekken van de omgeving (zoals omschreven in hoofdstuk 6) en aan de uitgangspunten zoals geformuleerd in deze Criteria. Stap 1: Opstarten participatieproces met de wijdere omgeving Een initiatiefnemer die een zonneveld wil ontwikkelen binnen één van de focusgebieden, dient vóórdat er een initiatief kan worden ingediend bij de gemeente een participatieproces op te starten met de omgeving. In het geval een focusgebied zich in een polder bevindt, betekent dat dat de hele polder hierbij de gelegenheid moet krijgen om deel te nemen aan dit proces, om een goede landbouwstructuur binnen de polder bij realisatie van een zonneveld te waarborgen. Dit dient te gebeuren middels een inventariserende bijeenkomst. Om aan te tonen dat initiatiefnemer het gebiedsproces is gestart, dient initiatiefnemer het volgende aan te leveren: • •
Overzicht van inwoners en bedrijven in de omgeving die benaderd zijn voor het participatieproces, rekening houdend met de definitie van de omgeving zoals gesteld op p. 41; Verslag van de inventariserende bijeenkomst (dat aantoonbaar met de betrokken omgeving is besproken en gedeeld).
46
Stap 2: Indienen aanvraag VOP Na opstarten van het gebiedsproces kan initiatiefnemer een aanvraag VOP indienen bij de gemeente. De gemeente kan voordat de aanvraag VOP in behandeling wordt genomen nog vragen stellen aan de initiatiefnemer. Deze dienen door de initiatiefnemer afdoende beantwoord te worden. Een aanvraag VOP moet minimaal voorzien zijn van de volgende bijlagen: •
•
• •
Documenten waardoor blijk wordt gegeven dat het gebiedsproces is opgestart: o Overzicht van inwoners en bedrijven in de omgeving die benaderd zijn voor het gebiedsproces o Verslag van de inventariserende bijeenkomst Gemotiveerde beschrijving van het plan op hoofdlijnen (wat bent u van plan en waarom?), met daarin: o Foto’s van de bestaande situatie en de omliggende omgeving; o Inrichtingsschets (conceptueel) van de huidige en de gewenste situatie (minimaal 1:1000); o Overzicht van beoogde veranderingen in het plangebied en impact daarvan op de omgeving. Participatieplan op hoofdlijnen (zie paragraaf 6.3); Overzicht van mogelijke koppelkansen, zoals: o Recreatief gebruik o Natuurversterking o Waterberging
Na ontvangst van de aanvraag VOP en de eventuele antwoorden op gestelde vragen zal de gemeente de aanvraag VOP beoordelen. De gemeente Iaat weten hoe groot de kans is dat er een vergunning wordt afgegeven, of wijst het conceptverzoek direct af. Stap 3: Verder uitwerken van het initiatief en (eventueel) volgende behandeling VOP Bij een positief besluit op de aanvraag VOP gaat de initiatiefnemer verder met uitwerken van het initiatief. Bijvoorbeeld door het participatieplan verder aan te scherpen en uit te voeren, door gedetailleerde ontwerpen op te stellen en door een voorstel te doen voor financiële participatie. Zo dient een goede onderbouwing van het initiatief op de fysieke leefomgeving te worden opgesteld. Indien nodig kan er een extra VOP worden ingelast om het verder uitgewerkte plan nogmaals te beoordelen. Dit wordt besproken tijdens het eerste VOP.
47
Stap 4: Aanvraag buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) Na afronding van de vereiste indieningsdocumenten dient de initiatiefnemer een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) in, met daarbij alle relevante documenten (vooraf af te stemmen met gemeente) en het aanleveren van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. Ook dienen de omwonenden en stakeholders, conform ingediend participatieplan, te zijn betrokken bij de plannen. Vragen hierover van de gemeente dienen te worden beantwoord. Onderstaande documenten moeten in ieder geval worden aangeleverd: • • • • • •
In behandeling genomen conceptverzoek; Gedetailleerde ontwerpen van het zonneveld, met bovenaanzichten en dwarsdoorsnedes; Onderbouwing van aanpassingen in de fysieke leefomgeving (inclusief milieuonderzoeken); Resultaat van de Nettoets; Participatieplan en verslagen participatiebijeenkomsten; Uitwerking financiële participatie.
Stap 5: Toetsing op de indieningsvereisten door de gemeente Het principeverzoek, de aanvraag omgevingsvergunning en alle relevante documenten dienen te voldoen aan de wettelijke indieningsvereisten en deze Criteria (aanvrager gemachtigd, onderbouwing fysieke leefomgeving, onderzoeken, etc.). Stap 6: Verlenen van Omgevingsvergunning bouwen en BOPA Binnen gemeente Stichtse Vecht worden zonnevelden alleen ruimtelijk mogelijk gemaakt met behulp van een omgevingsvergunning waarbij van het omgevingsplan wordt afgeweken (zie ook paragraaf 3.1). In de Omgevingsvergunning worden voorwaarden opgenomen. Bijvoorbeeld over de maximale termijn van 25 jaar dat zonnevelden mogen blijven staan. Na aflopen van deze termijn dienen de zonnepanelen te worden opgeruimd en eventuele inpassingsmaatregelen ongedaan te worden gemaakt*. Het omgevingsplan zelf wijzigt niet. *: Een uitzondering kan – na beoordeling door de gemeente – gemaakt worden voor inpassingsmaatregelen die een positieve impact hebben op de biodiversiteit, de waterhuishouding of de bodemkwaliteit.
48
7.4.
Indieningsproces voor kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
Kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik zijn ook buiten focusgebieden (maar niet binnen de uitsluitingsgebieden zoals benoemd in paragraaf 2.3) toegestaan. Er dient daarbij te worden voldaan aan de regels zoals gesteld in hoofstukken 3, 4 en 5 van deze Criteria. Het indieningsproces voor dergelijke kleinschalige zonnevelden is als volgt: Stap 1: Bespreken initiatief met de omgeving Een initiatiefnemer die een kleinschalig zonneveld gericht op het eigen energiegebruik wil ontwikkelen, dient vóórdat er een initiatief kan worden ingediend bij de gemeente de omgeving te betrekken. Dit dient te gebeuren middels een inventariserende bijeenkomst indien er in de omgeving (zie paragraaf 5.2.1) stakeholders aanwezig zijn. Om aan te tonen dat initiatiefnemer dit heeft gedaan, dient initiatiefnemer het volgende aan te leveren: • •
Overzicht van inwoners en bedrijven in de omgeving die benaderd zijn voor de bijeenkomst; Verslag van de inventariserende bijeenkomst.
Stap 2: Indienen conceptverzoek Na het betrekken van de omgeving kan initiatiefnemer een conceptverzoek indienen bij de gemeente. De gemeente kan voordat het conceptverzoek in behandeling wordt genomen nog vragen stellen aan de initiatiefnemer. Deze dienen door de initiatiefnemer afdoende beantwoord te worden. Het conceptverzoek moet minimaal voorzien zijn van de volgende bijlagen: •
•
• •
Documenten waardoor blijk wordt gegeven dat de omgeving is betrokken: o Overzicht van inwoners en bedrijven in de omgeving die benaderd zijn voor het gebiedsproces o Verslag van de inventariserende bijeenkomst Gemotiveerde beschrijving van het plan op hoofdlijnen (wat bent u van plan en waarom?), met daarin: o Foto’s van de bestaande situatie en de omliggende omgeving; o Inrichtingsschets (conceptueel) van de huidige en de gewenste situatie (minimaal 1:1000); o Overzicht van beoogde veranderingen in het plangebied en impact daarvan op de omgeving. Participatieplan op hoofdlijnen (zie paragraaf 5.2.3); Overzicht van mogelijke koppelkansen, zoals: o Recreatief gebruik o Natuurversterking o Waterberging
49
Na ontvangst van het conceptverzoek en de eventuele antwoorden op gestelde vragen zal de gemeente het conceptverzoek beoordelen. De gemeente Iaat weten hoe groot de kans is dat er een vergunning wordt afgegeven, of wijst het conceptverzoek direct af. Stap 3: Verder uitwerken van het initiatief Bij een positief besluit op het conceptverzoek gaat de initiatiefnemer verder met uitwerken van het initiatief. Bijvoorbeeld door het participatieplan verder aan te scherpen en uit te voeren, door gedetailleerde ontwerpen op te stellen en door financiële participatie te organiseren. Zo dient een goede onderbouwing van het initiatief op de fysieke leefomgeving te worden opgesteld. Stap 4: Aanvraag buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) Na afronding van de vereiste indieningsdocumenten dient de initiatiefnemer een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) in, met daarbij alle relevante documenten (vooraf af te stemmen met gemeente) en het aanleveren van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. Ook dienen de omwonenden en stakeholders, conform ingediend participatieplan, te zijn betrokken bij de plannen. Vragen hierover van de gemeente dienen te worden beantwoord. Onderstaande documenten moeten in ieder geval worden aangeleverd: • • • •
In behandeling genomen conceptverzoek; Gedetailleerde ontwerpen van het zonneveld, met bovenaanzichten en dwarsdoorsnedes; Onderbouwing van aanpassingen in de fysieke leefomgeving (inclusief milieuonderzoeken); Participatieplan en verslagen participatiebijeenkomst(en);
Stap 5: Toetsing op de indieningsvereisten door de gemeente Het principeverzoek, de aanvraag omgevingsvergunning en alle relevante documenten dienen te voldoen aan de wettelijke indieningsvereisten en deze Criteria (aanvrager gemachtigd, onderbouwing fysieke leefomgeving, onderzoeken, etc.). Stap 6: Verlenen van Omgevingsvergunning bouwen en afwijken omgevingsplan Binnen gemeente Stichtse Vecht worden zonnevelden alleen ruimtelijk mogelijk gemaakt met behulp van een omgevingsvergunning waarbij van het omgevingsplan wordt afgeweken. In de Omgevingsvergunning worden voorwaarden opgenomen. Bijvoorbeeld over de maximale termijn van 25 jaar dat zonnevelden mogen blijven staan. Na aflopen van deze termijn dienen de zonnepanelen te worden opgeruimd en eventuele inpassingsmaatregelen ongedaan te worden gemaakt*. Het omgevingsplan zelf wijzigt niet. *: Een uitzondering kan – na beoordeling door de gemeente – gemaakt worden voor inpassingsmaatregelen die een positieve impact hebben op de landschappelijke structuur, de biodiversiteit, de waterhuishouding of de bodemkwaliteit.
50