Memo Vechtplassencommissie - Werkdocument Omgevingsvisie Stichtse Vecht - 20210318.pdf
Tekst van het document
Memo Aan: Gemeente Stichtse Vecht t.a.v. wethouder Jeroen Willem Klomps Van: Vechtplassencommissie Betreft: Bij het Werkdocument Omgevingsvisie SV 18 maart 2021 Datum: 18 april 2021
De Vechtplassencommissie maakt hiermee graag gebruik van de geboden mogelijkheid om een eerste reactie te geven op het Werkdocument Omgevingsvisie SV 18 maart 2021. De Omgevingsvisie Doel van de omgevingsvisie is om op hoofdlijn de strategische ambitie te beschrijven voor de ontwikkeling, het beschermingsniveau, het behoud en het beheer van de hele fysieke leefomgeving. In de visie wordt de samenhang beschreven tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. Daarbij schrijft de Erfgoedwet voor dat het cultureel erfgoed (waaronder het cultuurlandschap) wordt gebruik als ondergrond van de visie. Erfgoed als bodem van de taart, niet slechts als kers erop. Het werkdocument In het werkdocument komt veel aan de orde en er is veel (denk-)werk verzet om zo ver te komen – maar het is nog lang niet voldragen en mist de noodzakelijke duidelijkheid. Gelukkig geeft de gemeente zelf aan dat het document verre van volledig is en zelfs fouten en tegenstrijdigheden bevat. Wij juichen het toe dat de gemeente desondanks deze ‘halverwege-versie’ nu al ter discussie stelt en ons in de gelegenheid stelt commentaar te leveren en suggesties ter verbetering te doen.
Participatieproces In de ontwikkeling van de Omgevingsvisie was een uitgebreid participatieproces voorzien; in brede zin met de bevolking (daarvan is ruim gebruik gemaakt) en met stakeholders (dat proces schoot ernstig tekort). Wij hebben er begrip voor dat dit proces, als gevolg van de corona-perikelen, tot nu toe niet noemenswaardig vorm en inhoud heeft gekregen. Dat wreekt zich; het is te betreuren dat niet toch naar mogelijkheden is gezocht om tussentijds terug te koppelen, want wij zien enkele ernstige tekortkomingen, waardoor een solide fundament ontbreekt voor de ontwikkeling van de strategische lange termijnvisie voor de fysieke leefomgeving van ons grondgebied. Het bespreken van de matrix (zie hieronder) was juist bedoeld om de opdrachten en risico’s te benoemen en tot heldere afwegingen en keuzes te komen. Wat voorafging Ter voorbereiding op de Omgevingswet was er, na de vorming van de nieuwe gemeente SV, behoefte om de positie en potentie van cultuur en erfgoed in de gemeente in kaart te brengen. Dit leidde tot de Ambitienota Cultuur Stichtse Vecht (2017). Onderdeel van die nota is het narratief door Marinke Steenhuis, een powerpoint presentatie waarin kernwaarden van de gemeente werden beschreven op basis van de ontwikkelingsgeschiedenis van de verschillende kernen en landschappen.
Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied - VPC Secretariaat: Postbus 5347 -1380 GH Weesp -www.vechtplassencommissie.nl -vpc@vecht.nl Bank: NL67ABNA.0477.3526.50 - KvK: 41179121 - ANBI-RSIN: 8133.51.935 - Tel. 0294-480.000
In de aanloop naar de Omgevingsvisie is dit narratief uitgewerkt in het boekje De Kracht van Stichtse Vecht (2018) dat in 8 verhaallijnen beschrijft hoe ons cultuurlandschap in de loop der jaren is ontstaan door interactie van de actieve mens met zijn natuurlijke ondergrond – en de kernwaarden benoemt die richting zouden kunnen geven aan toekomstige ontwikkelingen. Het Trendlijnen rapport (2019) gaat een stap verder: het is ontwikkeld als instrument om vanuit de verhaallijnen en waarden weloverwogen keuzes voor de toekomst te maken. Trendlijnen koppelen verhalen aan de ruimte, het verleden aan de toekomst, waarden aan opgaven en thema’s aan gebieden. Het trendlijnen rapport onderscheidt vier landschappen, ieder met een eigen dynamiek en (on-)mogelijkheden. Het houdt o.a. ook een pleidooi de oost-west zone tussen Maarssen en Breukelen open te houden als eerste groene corridor sinds Vianen (ruim 20 km). In de oorspronkelijke opzet van het rapport was een inventarisatie voorzien van de belangrijkste uitdagingen en problemen, de opgaven die spelen (natuur/landbouw, bodemdaling, verstedelijkingsdruk, mobiliteit, werelderfgoed ..) om deze in de vorm van een matrix te relateren aan de trendlijnen.
Vanwege de complexiteit van die opgave en de noodzaak om bij het opstellen van die matrix de vele verschillende belangen tegen elkaar af te wegen - en daarbij externe stakeholders te betrekken - is indertijd besloten deze exercitie onderdeel te laten uitmaken van het vervolgtraject. De volgende stap - toekomst - risicoanalyse Om een nadere analyse te maken van de belangrijkste uitdagingen en problemen, was het opstellen van de matrix daarom doorgeschoven naar de volgende fase. Wij vinden het bezwaarlijk dat deze fase is overgeslagen – althans niet zichtbaar gemaakt. Over de toekomst is veel ongewis. Toch zijn er ‘autonome’ ontwikkelingen waarvan met grote zekerheid kan worden voorspeld dat zij zich voltrekken en dat zij grote gevolgen voor ons gebied zullen hebben. Denk o.a. aan: bodemdaling/zeespiegelstijging, klimaatverandering, waterhuishouding, bevolkingsgroei/woningnood, landbouw/biodiversiteit, digitale wereld. Uit een risicoanalyse van deze ontwikkelingen volgen opdrachten. Sommige opdrachten zullen gelden voor het hele grondgebied, andere zijn vooral ‘landschapgebonden’ (zoals bodemdaling). Het is zaak de gevolgen van deze risicoanalyse als opdracht in de Omgevingsvisie mee te nemen en te gebruiken als toetssteen of ontwikkelingen voldoende toekomstbestendig zullen zijn. Temeer daar er in de komende periode urgente ruimtelijke keuzes gemaakt moeten worden.
Naast deze opdrachten liggen er de verantwoordelijkheden die voortvloeien vanuit goed bestuur, zoals de zorg voor de gezondheid (van mens èn natuur!), huisvesting, infrastructuur, voorzieningen, … Wij stellen vast dat in het werkdocument een dergelijke risicoanalyse ontbreekt. Ook is het maken van de matrix, waarin al deze opdrachten en verantwoordelijkheden tegen elkaar – en de landschappen – zijn afgewogen, achterwege gelaten. Het gevolg hiervan is dat niet inzichtelijk is welke feitelijke of politieke overwegingen ten grondslag liggen aan de voorgestelde oplossingsrichtingen. Grote opgaven in beperkte ruimte - opdracht – verantwoordelijkheid Het is overduidelijk dat er in de komende periode urgente ruimtelijke keuzes gemaakt moeten worden. In een beperkte ruimte vraag dat om balans tussen die ruimtelijke opgaven (woningnood, klimaat, natuur, waterbeheer, landbouw), de verantwoordelijkheden (gezondheid, voorzieningen, enz.) en het maatschappelijk draagvlak. In het werkdocument wordt geen helder onderscheid gemaakt tussen de opdrachten die voortvloeien uit de ‘autonome’ ontwikkelingen en de verantwoordelijkheden vanuit goed bestuur.
Het werkdocument laat zien hoeveel, veelal tegenstrijdige opgaven op ons afkomen, hoeveel ambities de gemeente heeft en wat van ons verwacht wordt vanuit Rijk en regio. Door geen helder onderscheid te maken tussen de opdrachten en verantwoordelijkheden – en door geen keuzes te maken – leidt dit in de uitwerking van het werkdocument tot tekortkomingen en tegenstrijdigheden. Gevolgen in de praktijk Aan de hand van een tweetal praktijkvoorbeelden geven wij hieronder aan waartoe deze tekortkoming in de aanpak en het uit de weg gaan van heldere keuzes kan leiden. De conclusie die wij daaruit trekken is dat er grote behoefte aan is om alsnog de risicoanalyse uit te voeren en het rapport aan de hand daarvan bij te stellen. Het is in de omgevingsvisie, die 20 jaar of meer vooruitkijkt, niet alleen van belang om aan te geven wat wèl gewenst is, maar ook wat niet moet gebeuren en welk instrumentarium daarvoor ingezet zal worden. Woningbouw Vast staat, dat we in een gebied wonen met sterke bodemdaling en dat we rekening moeten houden met zeespiegelstijging. De bodem van de gemeente SV bestaat voor 5.247 ha uit veen. Met een landoppervlak van 9.610 ha (en 1.072 ha water) staat ruim 54% van het grondgebied uit veen met een gemiddelde bodemdaling van 4 tot 8 mm per jaar 1.
We weten ook dat bodemdaling, als gevolg van inklink, doorgaat onder woningbouw op veen; dat kan oplopen van 1 tot enkele mm per jaar. Bodemdaling heeft tal van (nadelige) en onomkeerbare effecten (en (maatschappelijke) kosten) waarmee rekening gehouden moet worden, variërend van waterhuishouding, de uitstoot van CO2 en schade aan aansluitingen van riolering en infrastructuur tot grondwaterkwaliteit. Vast staat ook, dat àls er eenmaal huizen staan, je de mensen er niet zomaar weer weg krijgt. Vast staat ook, dat landelijk wordt nagedacht over de aan de nationale woningbouwopgave gekoppelde verstedelijkingsstrategie, waarbij het bodem-watersysteem leidend is. Al deze signalen betekenen dat we heel goed moeten nadenken òf we hier nog wel kunnen of willen bouwen, of dat we besluiten niet mee te werken aan bouwen in het veen - en vanuit een visie op de lange termijn en vanuit de wetenschap dat bouwen in het veen maatschappelijk niet langer verantwoord is besluiten niet mee te werken aan de gedachte om een nieuwe woonwijk bij het knooppunt Breukelen te ontwikkelen.
En àls we toch willen bouwen, wat legitimeert dat dan, hoeveel en waar we nu nog willen bouwen – en waar niet?! Om deze keuzes te kunnen maken moeten, zoals boven beschreven, veelal tegenstrijdige belangen en randvoorwaarden tegen elkaar worden afgewogen – en zolang dat niet is gebeurd kunnen geen verantwoorde keuzes gemaakt worden. De strategie ‘hogedrukketel’ – waar de onmogelijkheid pas bij de uitwerking blijk, omdat niet vooraf keuzes zijn gemaakt – achten wij niet verantwoord. Als gemeente kan je je op het standpunt stellen dat het redelijk is om mee te doen met de landelijke norm van 1%. Uitgaande van de bestaande 28.206 woningen (2020) zou SV bij een groei met 2.820 woningen voldoen aan die norm. 1
Startnotitie Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse veenweiden, januari 2021
Aan die norm voldoet SV al ruimschoots met de inmiddels de vastgelegde 3.000 in Maarssenbroek. Deze zijn aan de westzijde van de corridor, dus vormen geen belasting voor de reeds overbelaste oost-west verbinding. Voeg daarbij een nader te bepalen aantal dat wenselijk is voor de leefbaarheid van de kleine kernen en de paar honderd woningen die in de pijplijn zitten als gevolg van o.a. diverse inbreidingen, herbestemming van kantoren, functiewijziging (project Zogwetering, Bammens, enz.) en ontwikkelingen zoals Cronenburg en Straatweg 66, Breukelen, dan komt de gemeente op een kleine 4.000 nieuwe woningen, ruwweg 1,5% van het landelijk gemiddelde. Het merendeel hiervan in de al overbelaste oostzijde.
• •
•
•
Tegen deze achtergrond is de vraag: Waar komt het aantal van 5.460 woningen vandaan dat de komende 20 jaar gerealiseerd zou moeten worden? (p 42) Waarom is het wenselijk om bij de kleine kernen (p 44) nog eens 1.500 woningen te plaatsen? Is de infrastructuur daarop berekend? Maar vooral: wat legitimeert om in een gebied met sterke bodemdaling, zoals het stationsgebied Breukelen (p 60), nog grootschalige, toekomstbestendige woningbouw toe te staan? Er is zelfs sprake van 3.000 woningen, een toename van 56%. Is er voor het doen van deze uitspraken uitgezocht of deze ‘ambitie’ ruimtelijk en qua bodemgesteldheid realiseerbaar is? Wij realiseren ons zeer goed dat Stichtse Vecht onderdeel is van een regio en dat op dat niveau afspraken gemaakt moeten worden. Bij de keuze voor concentratie rond het knooppunt Breukelen lijkt de economische benutting van de ruimte, als vanouds, centraal te hebben gestaan, terwijl deze insteek botst met het bodemwatersysteem dat juist in deze omgeving zo’n doorslaggevende rol zou moeten spelen.
Recreatie Het rapport schrijft over allerlei opgaven en doelstellingen (woningbouw, gezondheid, …) alsof die makkelijk gelijktijdig kunnen worden gerealiseerd. Dat er spanningen tussen die verschillende doelstellingen bestaan, wordt hier en daar natuurlijk wel aangegeven, maar niet als een probleem dat nu onder ogen moet worden gezien om beleid voor een periode van twintig jaar te kunnen formuleren. Het zou goed zijn als het rapport veel duidelijker aangeeft dat niet alles kan, dus dat er nu keuzes moeten worden gemaakt. Het rapport wil zich beperken tot hoofdlijnen, maar de gemaakte keuzes behoren daartoe. Dit vereist in onze visie een tamelijk ingrijpende revisie van het rapport: zolang die keuzes nog niet zijn gemaakt, kunnen de hoofdlijnen niet worden uitgewerkt. Een goed voorbeeld is de spanning tussen “recreatie” en “prettig wonen”. Het rapport benadrukt dat de bewoners zelf het beste weten wat de leefbaarheid van de dorpskernen bevordert of bedreigt. De bewoners klagen nu al over de overlast die wordt veroorzaakt door recreatie (p. 32). Het rapport erkent dat en geeft aan dat reguleren en spreiden van recreanten nodig is (pp. 32, 66). Maar de instrumenten die daarvoor worden genoemd, zijn de toeristische overstapplaatsen en het spreiden van bezoekers over de hele gemeente (p. 46).
Daarmee kun je weinig doen aan de voornaamste bronnen van overlast (gemotoriseerd verkeer, waaronder zeer lawaaiige groepen motoren, op het Zandpad en de Straatweg en een enorm aantal te snel varende motorvaartuigen op de Vecht).
De gemeente moet veel duidelijker aangeven wat zij gaat doen om ongewenste vormen en ongebreidelde toename van recreatie te voorkomen (verbod van motoren, effectief handhaven van snelheids- en geluidsbeperkingen op de Vecht, ..). Als zij dat niet doet, maar wel de grote kansen voor recreatie en ontspanningseconomie roemt (p. 82) dan is de balans zoek. Ongewenste recreatie zal dan snel blijven groeien en daarmee de door burgers ervaren overlast. Nu u in de omgevingsvisie het beleid voor een periode van decennia ontwerpt, is het van groot belang dat de gemeente niet alleen aangeeft wat zij wil aanmoedigen, maar ook wat zij onmogelijk wil maken. Uitstel werkt hier niet; dan ontstaan er gevestigde belangen die de handelingsruimte van de gemeente beperken. Wij willen u dan ook dringend vragen om het rapport op dit punt bij te stellen. Maarssen, 18 april 2021