Inspreektekst mw. I. Schottelndreier - cie FD 9-5.pdf
Tekst van het document
Geachte commissieleden, Over onze ontstaansgeschiedenis vertelde Margreet eerder al – Wíj waren dus de illegalen van die tijd waar een oplossing voor gevonden moest worden. Die ontstaansgeschiedenis heeft geleid tot een bijzondere woonvorm voor ons als bewoners, met niet alleen een bijzondere omgeving maar ook met een bijzondere verantwoordelijkheid en daarmee een bijzondere noodzaak voor saamhorigheid. Sommigen van u hebben mogelijk één of meerdere van de parken bezocht. Dat geeft op zich een goed beeld. Maar wel alleen een beeld van de buitenkant. Binnenin zijn wij eigenlijk piepkleine gemeentetjes binnen de gemeente. Ik weet niet in hoeverre bij u bijvoorbeeld bekend is dat wij als ‘parkbewoners’ behoorlijk op onszelf zijn aangewezen. Dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor heel veel zaken die voor ‘de doorsnee burger’ door de gemeente geregeld worden? Eigenlijk moeten wij alles 'achter de slagboom' dus alle infrastructuur - zowel onderals bovengronds – óns eigen fysieke domein zeg maar - niet alleen zelf regelen maar ook zelf betalen. Dit brengt met zich mee dat bewoners van een park goed moeten samenwerken. Historisch is dit gelukkig ook zo gegroeid , het zijn gemeenschappen die meer naar elkaar omkijken dan gemiddeld in de samenleving.
En dan helpt het heel erg als de onderlinge verschillen niet al te groot zijn – En jarenlang samen in de illegaliteit schept natuurlijk ook een band. . . . Toen zo rond 2009 de wijzigingsbevoegdheid van de gemeente in beeld kwam om daar verandering in te brengen - begonnen er 'sociale scheurtjes' te ontstaan. Lang niet iedereen zag dat zitten namelijk. Dit ging niet alleen om de ‘angst van een gewijzigde toekomst’ – er moest gewoon best heel veel gebeuren. Maar de gemeente dacht met ons mee en stelde ons feitelijk op alle knelpunten gerust. Rijk en Provincie waren slechts onder strikte voorwaarden akkoord gegaan met het voorstel van de gemeente voor die wijzigingsbevoegdheid. Één hárde eis was het 'tegen gaan van verstening en/ of verstedelijking'. Een bestemmingsplan zonder dát als uitgangspunt, zou niet op steun kunnen rekenen. Het groene, kleinschalige, open karakter van onze parken zou niet veranderen. Mócht zelfs niet veranderen. Maximale bouwhoogte 5 meter, één bouwlaag, eventueel een kap. Er werd door de gemeente een convenant opgesteld waarin al die zaken werden vastgelegd en dit is door alle partijen ondertekend.
En de gemeente heeft hierin werkelijk voortreffelijk werk geleverd en heeft ons altijd overal bij betrokken en geïnformeerd. Op één dingetje na - blijkt nu – Een algemene afwijkingsbevoegdheid van 15 % In het moederplan wordt er wel terloops melding van gemaakt: “Het samenvoegen van bouwpercelen geeft geen recht tot het bouwen van grotere woningen. 250m3 - is altijd het maximum. De algemene afwijkingsbevoegdheid van 15% kan hierin iets marge bieden” [één keer, op blz 84] Maar die 15% blijkt in de werkelijkheid ineens overal - en zelfs op voorhand, - te worden vergund. En niet per ongeluk – 'sorry we kwamen er anders niet uit’ - maar simpel weg bij de eerste aanvraag. 15% hoger, 15% groter - straks wordt het nog 15% meer woningen! - het kan zijn dat ik over mijn spreektijd ga - misschien wel 15% - excuus vast daarvoor. Maar goed - Dat zijn afwijkingen die wij op geen enkel moment hebben kunnen voorzien of verwachten. En dat brengt verdeeldheid. De één wil alle ruimte die het bestemmingsplan - mogelijk - te bieden heeft optimaal benutten - ook al moeten ze daar goed naar zoeken – en geef ze eens ongelijk . . . De ander wil graag het kleinschalige, groene karakter behouden zoals afgesproken.
En dan kijk je ineens allebei een andere kant uit – dan heb je – letterlijk - niet meer de zelfde ‘bestemming’ Ook aan afwijken van een bestemmingsplan worden voorwaarden gesteld Bijvoorbeeld; "Het is mogelijk dat gewenste ruimtelijke ontwikkelingen onnodig worden beperkt door de regels van het bestemmingsplan." Maar groter bouwen wás - en ís - toch juist niet een “gewenste ruimtelijke ontwikkeling”? Een “marge regeling” is bedoeld als maatwerkregeling – bijvoorbeeld als het technisch of esthetisch niet anders kan. Maar ja - het technische deel is een uitdaging voor de architect en of de bouwer - en de 'esthetische aard' is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan. En dan denk je; hm ach .. . . .dat afwijkingenbeleid, slaat niet op ons. De voor ons in het bestemmingsplan beschreven regelgeving is toch op zích al die afwijking? En dus, alsnog daarvan afwijken waarvan dan? Wat zíjn wij eigenlijk? Een park? Een Woongebied? Een Recreatiepark? We zijn een "voormalig-recreatiepark . . ." Alleen een "Voormalige recreatie woning" is niet een categorie die terug te vinden is in het bouwbesluit.
Voor ‘gewone’ recreatiewoningen is alles keurig omschreven maar die komen nergens in aanmerking voor een ‘afwijkingsmarge . ' Wij zíjn dus de afwijking – of, mooier woord; wij zijn ‘maatwerk’ Stel: je laat je een maatkostuum aanmeten en bij het doorpassen blijken de mouwen ineens 15% langer . . . Dus waar Rijk, Provincie én wij als bewoners [!] zo zorgvuldig het uiterlijk van de parken wilden bewaken, verstening en verstedelijking wilden beperken en waar mogelijk zelfs terug willen dringen, ondergraaft deze algemene afwijkingsregel feitelijk alle doelstellingen van het bestemmingsplan. Maar ook; Voor ons gebied is een beheerplan opgesteld om de kwetsbare natuur te behouden. In dit beheerplan wordt uitgegaan van een zekere mate van stikstofdepositie. Daarvoor is voor de nulmeting uitgegaan van maart 2010 voor het zogenaamde ‘bestaand gebruik’. Dat was ruim vóór dat er überhaupt gebouwd mocht worden. Ik heb nergens kunnen vinden of er in dát plan rekening gehouden is met een afwijkingspercentage. 5 meter is al heel wat waar 3 meter 20 het gemiddelde is. En een beetje architect kan echt best in 5 meter een behoorlijk, zelfs ecologisch verantwoorde woning tekenen en dan heb je - zoals beschreven in het bestemmingsplan: ruimte voor berging onder de kap over. Ook als het bouwpeil 30 cm boven maaiveld is.
Dat percentage terugbrengen naar 10% zoals de voorliggende wijziging voorstelt, wil alleen maar zeggen dat ze daar nét iets harder voor moeten werken. Wij hopen u hier vanavond geval voldoende ‘stof’ te geven om de voorgestelde herziening uitvoerig te bespreken - en in íeder geval na te gaan of de minimale wijzigingen daarin - wel recht doen aan de doelstellingen van alle partijen en de door alle partijen gemaakte afspraken. Dank voor uw aandacht. ****************** Vragen die nog open staan: 1. Wat is de correcte benaming van onze categorie woningen? Door de toevoeging van het woord ‘voormalig’ vallen wij niet onder de [bouw] richtlijnen van gewone recreatiewoningen. Wat is voor ons ‘de standaard’ waartegen een afwijking wordt afgezet? 2. Heeft de gemeente voldaan aan de voorwaarden gesteld door Rijk en provincie betreft de inzet van de wijzigingsbevoegdheid bij de legalisatie van de parken ? 3. Is het bekend bij de politiek /de commissieleden: Zijn er vergunningsaanvragen gedaan die boven de afwijkingsbevoegdheid uit stijgen- zo niet wat wil dat zeggen?
gemeenteraadsleden dat de gemeente met “vertegenwoordigers” van parken een convenant tekende? 4. Is de commissie op de hoogte van de kern en het aantal van de tot nu toe aangespannen bezwaren? Dit is niet terug te vinden in de Concept Nota Zienswijzen. 5. Adresseert de herziening de in de bezwaren genoemde gebreken? 6. Heeft de gmeente Stichtse Vecht (de vorigjaar ingevoerde) WOO op orde? 7. Waarom moeten wij als parkbewoners en gewone burgers, juridisch advies inwinnen om de implicaties te duiden van de in een bestemmingsplan ‘verborgen voorwaarden’. Deze zijn voor de burger niet in te schatten. In de hoorzitting is een jurist van de gemeente aanwezig om namens hen te spreken (Irene). 8. Zijn de gemeenteraadsleden op de hoogte van het feit dat de parken zelf verantwoordelijk zijn voor een groot aantal zaken die normaal gesproken bij de gemeente liggen? Zijn er mogelijkheden vanuit de overheid om landelijk – om daarin te onderstuenen? 9. Is het – alsnog mogelijk om voor ons als parken een bestuursverordening te maken; en is deze constructie niet te verkiezen boven een ‘passage’ in een bestemmingsplan? Dit zou beter toegespitst kunnen worden op onze specifieke situatie op de specifieke cultureel historisch perspectief en ook een betere bescherming aan de natuur op het bouwen in veengebieden kunnen bieden. (Irene)