CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp - Regels - Landgoed Ouderhoek - 13-09-2021.pdf

Commissie Fysiek Domein 7 december 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: b.: Ontwerpbestemmingsplan Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis.16.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

8.3.3

Ten behoeve van nevenfuncties binnen bestaande bebouwing Gebruik van de buitenplaats ten behoeve van nevenfuncties is toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a door aanvrager wordt aangetoond dat de aangevraagde functie in wezenlijke mate bijdraagt aan de instandhouding van de buitenplaats en zijn landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; b de nevenfuncties ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming; c maximaal 2 functies per buitenplaats zijn toegestaan; d de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot de categorieën 1 en 2 van de als bijlagen bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten; e de functies binnen het bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak dienen plaats te vinden; f de functies binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; g de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet mag worden vergroot ten gevolge van de nevenfunctie; h het totaal oppervlak voor de functies maximaal 200 m² bedraagt; i omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt; j de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de functies in verhouding staan tot de capaciteit van de betrokken wegen; k parkeren op eigen erf plaatsvindt; l het uitoefenen van de functie mag door visuele aspecten, zoals buitenopslag en – stalling, reclame-uitingen en technische installaties, het buitenplaatskarakter niet onevenredig

aantasten; ter bewerkstelliging van een redelijke visuele inpassing hiervan kunnen nadere eisen worden gesteld betreffende de situering, afscherming door beplanting of anderszins.

31

8.3.4

8.4 8.4.1

Bed & Breakfast Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een Bed & Breakfast wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a het gebruik gaat niet ten koste van de woonfunctie van de bestemming ‘Wonen’; b de Bed & Breakfast mag totaal uit maximaal 3 kamers en/of maximaal 8 bedden bestaan; 1 indien het maximum aantal kamers en/of bedden reeds is gerealiseerd op basis van de bestemming 'Buitenplaats' het totaal aantal kamers en bedden niet mag worden overschreden; c er is maximaal één gezamenlijke keuken toegestaan; d de woning binnen de bestemming ‘Wonen’ dient door de hoofdgebruiker te worden bewoond; e de hoofdgebruiker dient aanwezig te zijn tijdens het nachtverblijf; f het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend; g op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; h het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; i het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; j de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het

hoofdgebouw binnen de bestemming ‘Wonen’ en het woongebied; k er mag geen andere horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel. Afwijken van de gebruiksregels Ten behoeve van nevenfuncties met een oppervlak groter dan 200 m² en kleiner dan 400 m² binnen de bestaande bebouwing Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.1 ten behoeve van nevenactiviteiten, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a door aanvrager wordt aangetoond dat de aangevraagde functie in wezenlijke mate bijdraagt aan de instandhouding van de buitenplaats en zijn landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; b de nevenfuncties ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming; c maximaal 2 functies per buitenplaats zijn toegestaan; d de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; e de functies binnen het bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak dienen plaats te vinden; f de functies binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; g de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet mag worden vergroot ten gevolge van de nevenfunctie; h het totaal oppervlak voor de functies maximaal 200 m² bedraagt;

32

i

omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt; j de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de functies in verhouding staan tot de capaciteit van de betrokken wegen; k parkeren op eigen erf plaatsvindt.

33

Artikel 9 9.1

9.2 9.2.1

Waarde - Archeologie 3 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Bouwregels Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3' mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

9.2.2

Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 9.2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 9.2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 2 b een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 500 m bedraagt; c een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; d bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.

9.3 9.3.1

Afwijken van de bouwregels Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 9.2.2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 9.2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

9.3.2

Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 9.3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

9.3.3

34

9.4 9.4.1

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van drainage; g het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j het verwijderen van fundamenten dieper dan

0,3 m beneden het maaiveld.

9.4.2

Uitzonderingen op het aanleg verbod Het in artikel 9.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a in het kader van het normale beheer en onderhoud; b in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; 2 c die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 500 m ; 2 d die een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m maar waarbij de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; e in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1 is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

9.4.3

Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a In afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 9.4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;

35

2 archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 9.4.2; c Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 9.4.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 9.4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 9.4.4

Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.4.5

Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

36

Artikel 10

Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht

10.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a instandhouding, bescherming en herstel van de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden.

10.2

Bouwregels Voor het bouwen op de in artikel 10.1 bedoelde gronden gelden, naast en mogelijk in afwijking van het bepaalde elders in de bestemmingsplanregels, de volgende regels: a de horizontale en verticale maten alsmede de dakvorm en de dakhelling zoals aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan mogen niet worden gewijzigd; b de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen dient in overeenstemming te zijn met de situering van de voorgevel op het tijstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; c indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, die van invloed kan zijn op het beschermde dorpsgezicht, wordt de commissie voor omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

10.3

Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2, met dien verstande dat: a het veranderen van de dakvorm of dakhelling een herstel of verbetering van de karakteristieke cultuurhistorische waarden betreft en geen onevenredige aantasting van het beschermd dorpsgezicht tot gevolg heeft; b de dakhelling niet minder bedraagt dan 30º; c indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke commissie voor omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

10.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het aanleggen van oppervlakteverhardingen; b het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte; c het bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal; d het bestraten en verharden van onverharde gronden.

10.4.1

10.4.2

Uitzondering Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b andere-werken die verband houden met de normale voortgang van de uitoefening van het agrarisch beheer op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’; 37

c andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning. 10.4.3

Toelaatbaarheid a Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen; b een omgevingsvergunning voor het vellen, kappen en/of rooien van hagen als bedoeld in artikel 10.4.1, wordt zeker wel verleend indien instandhouding van de haag vanwege de staat redelijkewijs niet kan worden geëist, met dien verstande dat: 1 de aanvraag voor de omgevingsvergunning dient te worden vergezeld van een advies van een terzake deskundige over de staat van de haag; 2 aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden tot herplant van de te vellen haag.

38

Artikel 11

Waarde - Cultuurhistorie

11.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van: a de Nieuwe Hollandse Waterlinie; b de versterking van de buitenplaatszone langs de Vecht; c het behouden, versterken, herstellen en ontwikkelen van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de Vecht en haar oevers.

11.2

Bouwregels a Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; b Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in; c Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.

11.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; b het verlagen of verhogen van het waterpeil; c het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

11.3.1

11.3.2

Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 11.3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 11.3.1 in acht genomen is; b betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; c behoren tot het normaal onderhoud en beheer; d mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; e reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

39

11.3.3

Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 11.3.2a zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.

40

Artikel 12

Waarde – Ecologie

12.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Ecologie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; b de aanleg en instandhouding van een natte en/of droge ecologische verbindingszone; c het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers; d het behoud, versterking en ontwikkeling van de aanwezige ondiepe waterzone met de daarbij behorende ecologische en landschappelijke waarden; e groenvoorzieningen en water; f ondergeschikt agrarisch medegebruik; g extensief recreatief medegebruik; h overige functioneel met de bestemming 'Waarde - Ecologie’ verbonden voorzieningen, zoals informatiepanelen.

12.2

Bouwregels a Op of in deze gronden mogen uitsluitend terreinafscheidingen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2m; b steigers mogen de ecologische waarde van de ecologische verbindingszone niet aantasten, daarom is verlichting niet toegestaan.

12.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het realiseren van een steiger waarbij eisen gesteld kunnen worden aan: a de locatie en situering van de steiger; b de maximale oppervlakte van de steiger; c de ruimte tussen aan te brengen steigerplanken; d het aanbrengen van extra palenrijen en/of beschoeiingen ten behoeve van verondiepingen voor waterplanten.

12.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Ecologie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; c het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; d het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.

12.4.1

41

12.4.2

Uitzonderingen op het aanlegverbod Het verbod als bedoeld in artikel 12.4 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c betrekking hebben op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

12.4.3

Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 12.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden zoals genoemd in artikel 12.1 sub a niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

12.4.4

Advies Het bevoegd gezag kan uitsluitend vergunning verlenen als bedoeld in artikel 12.4.1 na schriftelijk advies van een deskundige inzake de te beschermen waarden.

42

Artikel 13

Waterstaat - Natuurvriendelijke oever

13.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Natuurvriendelijke oever' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen primair bestemd voor het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers.

13.2

Bouwregels Binnen de bestemming mag niet gebouwd worden.

13.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij de afgifte van een Omgevingsvergunning voor een afmeervoorziening nadere eisen stellen aan: a de situering van een afmeervoorziening; b de vorm en omvang van een afmeervoorziening; dit ter bevordering van:  de ecologische kwaliteit van de oever;  de aanleg en instandhouding van riet- en rietkragen.

13.4

Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.2 voor de bouw van bouwwerken als genoemd in de andere op deze gronden geldende bestemmingen, mits de betreffende bouwwerken geen belemmering vormen voor het onderhoud aan de watergangen en indien is gebleken dat de genoemde bouwwerken dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze bouwwerken niet zullen leiden tot een onevenredige afbreuk van de ecologische, natuurlijke en landschappelijke waarden.

13.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel 13.1bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders: a het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen; b het ophogen van gronden en of verharden van gronden; c het verwijderen van vegetatie, waaronder rietkragen; d het graven of dempen van waterpartijen en het afdammen van waterpartijen; e boringen te verrichten, seismisch of ander bodemonderzoek te doen; f het wijzigen van het waterpeil.

13.5.1

13.5.2

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

43

13.5.3

Uitzonderingen Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.5.1wordt uitsluitend verleend indien is gebleken dat de genoemde werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.5.1 dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een onevenredige afbreuk van de ecologische, natuurlijke en landschappelijke waarden.

13.5.4

Voorwaarden Burgemeester en wethouders kunnen de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden onder beperkingen verlenen en kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die zien op het behoud van de natuurvriendelijke oevers in het plangebied.

44

Artikel 14

Waterstaat - Oeverzone

14.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Oeverzone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor afmeervoorzieningen zoals o.a. steigers en andere aanlegvoorzieningen.

14.2

Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan; b de hoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan 1 meter; c bouwwerken mogen uitsluitend in combinatie met bouwwerken die zijn toegestaan op grond van de onderliggende bestemming.

45

Artikel 15

Waterstaat - Waterkering

15.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone.

15.2

Bouwregels Op de gronden met de bestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: a uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; b in afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad; c ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mag worden gebouwd conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen; d burgemeester en wethouders ter beoordeling van het bepaalde onder b. goedkeuring vragen aan de beheerder van de waterkering.

15.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel 15.3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; d het omzetten van grasland in bouwland; e het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van bos of boomgaard; g verlagen van het waterpeil; h het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; j het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; k het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; l het aanbrengen van diepwortelende beplanting; m het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; n alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die

niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.

15.3.1

46

15.3.2

Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 15.3.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: a behoren tot het normale onderhoud en beheer gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; b uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.

15.3.3

Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 15.3.1 zijn slechts toelaatbaar: a indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering; b de beheerder van de waterkering schriftelijke goedkeuring heeft verleend.

47

3

Algemene regels

Artikel 16

Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 17

Algemene bouwregels

17.1

Vervangende bouwregel a Voor een bouwwerk dat, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden en dat in dit bestemmingsplan ingevolge de bestemming is toegestaan, maar waarvan de bestaande maatvoering afwijkt van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1 bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven als maximaal toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2 bestaande maten die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven als minimaal toelaatbaar mogen worden aangehouden; b Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

17.2

Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwwerken De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door: a stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; b plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorgevellijn niet meer dan 20 cm bedraagt; c gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 50 cm overschrijden; d balkons, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 1 m overschrijden; e ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; f hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevellijn met meer dan 1 m overschrijden; g vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 5 m wordt overschreden; h dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag

van het gebouw, waarop zij worden geplaatst; i afvalinzamelsystemen zowel boven- als ondergronds;

48

j

bergbezinkbassins, dan wel andere waterstaatkundige werken, ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater).

17.3 17.3.1

Ondergronds bouwen Algemeen Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen ruimten gelden de volgende regels: a de verticale bouwdiepte mag niet meer bedragen dan 3,5 m beneden peil; b ondergrondse bouwwerken, die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen; c ondergronds bouwen, zoals verwoord in sub a en b is alleen toegestaan indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de regels voor grondwaterbeschermingsgebieden zoals opgenomen in artikel 14 t/m 18 van de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013.

17.3.2

Parkeergarage In afwijking van het bepaalde in artikel 17.3.1 onder b is een toegang tot een parkeergarage toegestaan waarvan de oppervlakte niet wordt meegeteld in de oppervlakte regeling voor bijgebouwen.

17.4

Afwijken van de bouwregels voor bouwen buiten bovengronds gelegen gebouwen Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in het bepaalde artikel 17.4 ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a de verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil; b een kelder mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet minder dan 0,10 m onder het aansluitende afgewerkte terrein zijn gelegen; c de afstand tot de perceelgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m; d kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel zijn toegestaan; e ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen; f bergbezinkbassins (dan wel andere waterstaatkundige werken) ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater) zijn toegestaan op alle gronden binnen het plangebied.

17.5

Het bouwen van bruggen met een maximale breedte van 10 m is uitsluitend toegestaan ten behoeve van: a vervanging, herstel of verbetering van reeds aanwezige oeververbindingen; b recreatieve verbindingen.

17.6

Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige eenheid van de gebouwde omgeving nadere eisen stellen aan: 49

a de plaats, positie, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de visuele en functionele kwaliteit van de aangrenzende openbare ruimte; b de plaats, positie, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de gebruikswaarde van belendende panden en percelen met betrekking tot milieuhygiëne, bereikbaarheid, zichtbaarheid, uitzicht, belichting, bezonning en privacy; c de plaats, positie, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. 17.7

Artikel 18 18.1

Stikstofdepositie Er mag geen sprake zijn van een significatie toename van de stikstofdepositie (immissie) binnen de stikstofgevoelige habitats binnen het Natura2000 gebied.

Algemene gebruiksregels Beroep aan huis Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis (activiteit) wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a alleen activiteiten die passen binnen het gebied en zijn benoemd in de als bijlage 1 van de bijlagen bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten en vallen onder milieucategorie 1 zijn toegestaan; b In afwijking van het gestelde onder a. zijn opslag van vuurwerk, horeca, seksinrichtingen, koeriers of (personen-)vervoersbedrijven, kinderdagverblijven, en detailhandel, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel, en alle activiteiten die worden genoemd onder artikel 18.2 'strijdig gebruik' uitgesloten. c ten aanzien van internethandel is alleen internethandel zonder showroom of afhaalfunctie (publieksaantrekkende Aardkundige waardenerking) toegestaan; d Het vloeroppervlak in gebruik voor een activiteit mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m².

e bij de activiteit moet sprake zijn van een normale afwikkeling van verkeer waaronder parkeren en moet worden voldaan aan de in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan opgenomen uitgangspunten met betrekking tot parkeren. De regel is dat parkeren op eigen erf moet plaats vinden of dat de initiatiefnemer op eigen kosten parkeerplaatsen aanlegt in het openbaar gebied; f De activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan. g De activiteit mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. h De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.

50

18.2

Strijdig gebruik a Onder strijdig gebruik van gronden en bouwwerken die strijdig zijn met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken voor: 1 opslagplaats van (bouw)materialen, grond, bagger, afval, puin, grind, brandstoffen, (onderdelen van) onklare machines en naar aard gelijk te stellen materialen en/of grondstoffen; 2 landings- of opstijgplaats voor helikopters en (ultralight)vliegtuigen; 3 het beproeven van voertuigen, voor het beoefenen van de auto- en motorsport en modelvliegtuigsport, voor het houden van wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; 4 het afmeren van woonschepen, recreatievaartuigen, beroepsvaartuigen en partyboten; 5 gebruik van een woning voor meer dan één huishouding; 6 gebruik van vrijstaande bijgebouwen en recreatieverblijven ten behoeve van (zelfstandige) bewoning; 7 (commercieel) kamerverhuurbedrijf; 8 detailhandel; 9 seksinrichtingen, prostitutie of erotisch getinte horecabedrijven; 10 standplaats voor onderkomens; 11 uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen alsmede kampeerterrein.

b Onder strijdig gebruik als bedoeld in het vorige lid wordt niet verstaan: 1 vormen van gebruik die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de betrokken grond ingevolge de bestemming(en), de daarbij behorende bestemmingsomschrijving(en) en/of de overige regels mag worden gebruikt; 2 het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen; 3 het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen alsmede kampeerterrein ter plaatse van gronden en gebouwen waar de gebruiksmogelijkheden hiervoor zijn opgenomen op grond van hoofdstuk 2.

18.3

Voorwaardelijke verplichting a Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen zonder de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 2 opgenomen voorlopig ontwerp, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing. b In afwijking van het bepaalde onder a mogen gebouwen overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na de ingebruikname van de gebouwen ten behoeve van de bestemming, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 2 opgenomen voorlopig ontwerp teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.

18.4 18.4.1

Parkeren Parkeernormen a Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken en gebruik van de gronden ten dienste van de bestemming kan alleen worden ver-

51

leend indien in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het perceel hoort, in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, conform de parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, deel B: Nota Parkeernormen, vastgesteld door de raad op 29 september 2015; b Indien de nota niet voorziet in een parkeernorm voor een specifieke functie, stelt het bevoegd gezag een parkeernorm vast. 18.4.2

Afwijken van de parkeernormen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 18.4.1 indien: a aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of b op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.

18.4.3

Wijziging beleidsregel Als de in artikel 18.4.1 bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 19 19.1

Algemene afwijkingsregels Afwijken Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 afwijken reeds mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van dit plan voor: a afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen waarbij het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden overschreden; c de bouw van reclameobjecten met inbegrip van aankondigingborden, reclamemasten, gevelreclames, met uitzondering van lichtreclames, en gebouwenaanduidingen met dien verstande dat de reclameborden geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke situatie en de beeldkwaliteit ter plaatse; d het oprichten van masten en installaties ten behoeve van (tele)communicatiedoeleinden tot een bouwhoogte van maximaal 40 m waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, met bestaande of nieuw op te richten bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied; e het gebruik van gebouwen voor kamerbewoning/-verhuur, mits: 1 er sprake is van langdurige leegstand (langer

dan 6 maanden); 2 het gebruik voor kamerbewoning/-verhuur geen ontwrichting van de ruimtelijke omgeving en daardoor overlast tot gevolg heeft; 3 het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; 4 de tijdelijkheid van de kamerbewoning/-verhuur moet aantoonbaar zijn;

52

f

de bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

19.2

Ontmoetingsplaats Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan en toestaan dat een ontmoetingsplaats wordt gerealiseerd, mits: a de oppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m²; b er geen gebouwen worden gebouwd; c de bouwhoogte van overkappingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 2,5 m; d de realisatie niet direct naast gebouwen plaatsvindt, waarvan de gebruikers overlast kunnen ondervinden van bijvoorbeeld de jongeren, zoals woningen en winkels, waarbij de afstand tot een woning in ieder geval niet minder bedraagt dan 50 m; e niet direct naast doorgaande wegen wordt gerealiseerd; f de ontmoetingsplaats goed bereikbaar is voor hulpdiensten; g de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; h het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; i de landschappelijke en natuurlijke waarden, indien als zodanig op de verbeelding aangegeven, en de waarden van het beschermde dorpsgezicht onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

19.3

Gebouwen van openbaar nut Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels in hoofdstuk 2, teneinde de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen toe te staan ten dienste van het openbaar nut, zoals wachthuisjes, ambulanceposten, gemaalgebouwtjes en nutsgebouwtjes, met inachtneming van het volgende: a de inhoud van het gebouw mag niet meer bedragen dan 100 m³; b de goothoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 3 m; c de bouwhoogte van de het gebouw mag niet meer bedragen dan 4,5 m.

Artikel 20 20.1

Algemene wijzigingsregels Algemene wijziging - overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; b overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; c de overschrijdingen (zoals bedoeld onder a en b)mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

53

20.2

Wijziging bestemming Waarde - Archeologie Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

20.3

Wijziging Natuur Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen in het plan te wijzigen ten behoeve van de bestemming 'Natuur', met dien verstande dat: a het wijzigen van de bestemming niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; b de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast door de bestemmingswijziging en alvorens over de wijziging te beslissen winnen Burgemeester en Wethouders schriftelijk advies in bij een ter zake deskundige; c de gronden in eigendom zijn van een natuurbeschermingsorganisatie of via particulier natuurbeheer als natuurgebied worden ingericht of anderszins zekerheid wordt verkregen dat de natuurontwikkeling plaatsvindt.

54

4 Artikel 21

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht

21.1

Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c het onder lid a bepaalde is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

21.2

Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c indien het gebruik, bedoeld in artikel 21.2 sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d artikel 21.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.

Artikel 22

Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam 'regels van het bestemmingsplan Buitenplaats Ouderhoek’, van de gemeente Stichtse Vecht.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1698/documents/37481