Bp p Toelichting - Landgoed Ouderhoek - 13-09-2021.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Rijksstraatweg 68, Nieuwersluis
Gemeente Stichtse Vecht
Datum: 13 september 2021 Projectnummer: 190267 ID: NL.IMRO.1904.BPRijksstrtwg68NWS-OW01
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doelstelling Plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Bestaande en toekomstige situatie
6
2.1 2.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
6 9
3
Beleid en regelgeving
17
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
17 19 22
4
Milieu- en omgevingsaspecten
27
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 1.2 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Bodem Ecologie Bedrijven en milieuzonering Duurzaamheid Geur Externe veiligheid Explosieven Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Water Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
27 28 29 32 33 35 36 38 39 39 40 41 45 48 48
5
Economische uitvoerbaarheid
50
5.1 5.2
Inleiding Beoordeling plan
50 50
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51
6.1 6.2 6.3
Omgevingsdialoog Overleg Zienswijzen
51 51 52
7
Wijze van bestemmen
53
7.1 7.2 7.3
Inleiding Algemene methodiek Specifieke regeling in dit bestemmingsplan
53 53 54
Bijlagen
Bijlage 1: Voorlopig Ontwerp Buitenplaats Ouderhoek Bijlage 2: Tuinhistorische quick scan Bijlage 3: Toetsing UNESCO Nieuwe Hollandse Waterlinie Bijlage 4: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Quick scan natuur Bijlage 7: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8: Waterhuishoudkundig plan Bijlage 9: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 10: Onderzoek OCE Bijlage 11: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 12: Ecologisch werkprotocol Bijalge 13 Stikstofonderzoek
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis (gemeente Stichtse Vecht) bevindt zich een fruitbedrijf met laagstamfruit en een bedrijfswoning. De gronden van dit fruitbedrijf maakten ooit onderdeel uit van Buitenplaats Ouderhoek. Het voornemen is om hier opnieuw een buitenplaats te realiseren. Dit betekent onder andere dat op de locatie natuur- en landschapsontwikkeling plaatsvindt en er een nieuwe, grotere woning wordt gebouwd, waar de huidige woonfunctie naartoe wordt verplaatst. Door Stichting in Ar1 cadië is het voorlopig ontwerp voor de inrichting van het plangebied opgesteld. Het definitieve voorlopig ontwerp is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierin zijn ondermeer de toekomstige ruimtelijke structuur, bebouwing en beplanting vastgelegd. Om de buitenplaats te kunnen realiseren moet het bestemmingsplan worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het hiervoor benodigde planologischjuridisch kader.
1.2
Plangebied Het plangebied bevindt zich tussen Nieuwersluis en Loenen aan de Vecht, op de westelijke oever van de Vecht. Aan de zuidoostzijde grenst het plangebied aan de Vecht, waarin ter hoogte van het plangebied vijf woonboten aanwezig zijn. Aan de noordwestzijde grenst het plangebied aan de Rijksstraatweg en aan de noordoostzijde aan de gronden van de buitenplaats aan de Rijksstraatweg 70. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.
Globale ligging plangebied (rode stippellijn), bron: opentopo.nl)
1
‘Ouderhoek te Nieuwersluis, Herontwikkeling voormalige buitenplaats, voorlopig ontwerp’, Stichting in Arcadië, 17 maart 2021
3
Globale begrenzing plangebied (rode kader, bron: pdokviewer.pdok.nl)
1.3
Vigerend bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan Nieuwersluis dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Loenen op 24 maart 2009 is vastgesteld. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorie’, Waarde – Beschermd stads- en dorpsgezicht’ en ‘Waterstaat - Waterkering’. Ter plaatse van de bestaande bebouwing zijn in het bestemmingsplan twee bouwvlakken opgenomen, één binnen de woonbestemming en één binnen de agrarische bestemming. Binnen het bouwvlak met de woonbestemming is de bouw van een woning toegestaan. De toekomstige woning op de buitenplaats is buiten deze bouwvlakken gesitueerd en de realisatie hiervan is op basis van het geldende bestemmingsplan daarom niet mogelijk.
4
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5), de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (Hoofdstuk 7).
5
2
Bestaande en toekomstige situatie
2.1
Bestaande situatie
2.1.1
Geschiedenis Het plangebied ligt aan de Vecht, waarlangs in het verleden veel buitenplaatsen aanwezig zijn geweest. Buitenplaats Ouderhoek was één van deze buitenplaatsen. Halverwege de 19e eeuw is het huis voor afbraak verkocht en is de buitenplaats verdwenen. 2
In een tuinhistorische quick scan en het voorlopig ontwerp voor de inrichting van het plangebied zijn de ontwikkelingsgeschiedenis van Ouderhoek en de ontwikkeling van het omliggende landschap uitgebreid beschreven. De tuinhistorische quickscan en het voorlopig ontwerp zijn als bijlage bij dit plan gevoegd. Historisch ruimtelijke ontwikkeling In het voorlopig ontwerp worden naar aanleiding van de beschreven ontwikkelingsgeschiedenis de volgende conclusies getrokken: De aanleg van Ouderhoek was in zijn oorspronkelijke opzet zeer prestigieus. Ouderhoek was een van de eerste en een van de voornaamste buitenplaatsen aan de Vecht, bezongen in lofdichten, meermaals bezocht door Peter de Grote, vereeuwigd in zeven verschillende prenten in De Zegepraelende Vecht, etc.; Bijzonder is dat de buitenplaats in een bocht van de Vecht was gesitueerd en dat de situering van het huis hierop was aangepast zodat er een panoramisch zicht op de omgeving (eigen aanleg, Vecht, jaagpad en Hereweg en Nieuwersluis) was; Bijzonder is eveneens dat de aanleg parallel aan de Vecht lag, omdat de meeste buitenplaatsen met de voorgevel en aanleg haaks op deze rivier staan. De aanleg kon op deze manier vanaf de rivier optimaal beleefd worden.
Een ander bekend voorbeeld van een parallel aan de Vecht liggende aanleg is Nijenrode, Breukelen; Waarschijnlijk heeft er omstreeks 1800 in ieder geval in de omgeving van het hoofdhuis een omvorming in landschapsstijl plaatsgevonden. Nader onderzoek kan hier meer licht op werpen. In de actuele situatie is de geschiedenis van Ouderhoek als buitenplaats door het verdwijnen van bebouwing en aanleg nauwelijks beleefbaar. Er resteren echter nog structuren en cultuurhistorische elementen. Landschaps-DNA In de tuinhistorische quick scan is de landschappelijke setting van het plangebied samengevat in een landschaps-DNA kaart (zie volgende afbeelding).
2
‘Tuinhistorische quick scan, Ouderhoek, Nieuwersluis’, Debie & Verkuijl, Kenmerk: 20160188, 19 januari 2017
6
Kaart landschaps-DNA, bron: Tuinhistorische quick scan, Debie Verkuijl
Uit deze kaart volgt dat er drie belangrijke zones zijn: de eerste zone valt binnen de directe invloed van de rivieren en stromen, zoals de Vecht, Angstel en Aa. Deze zone is meer besloten, heeft meer bebouwing en opgaande beplanting en oogt daardoor kleinschaliger. De dorpskernen zijn geconcentreerd op de hogere oeverwallen. de tweede zone zijn de kleiige komontginningen. Karakteristiek hiervoor is de openheid, weinig bebouwing en de sterke lineaire structuur die min of meer haaks op de oeverwal langs de rivieren gesitueerd is. de derde zone wordt gevormd door de open veengebieden aan beide zijden van het stroomgebied. Aan de oostzijde van de Vecht ziet men petgaten die ontstaan zijn door de turfwinning en aan de westzijde de smalle, systematische verkaveling kenmerkend voor de copeontginningen. 2.1.2
Huidige functies Aan de Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis is een fruitteeltbedrijf gevestigd. Op het bedrijfsperceel zijn een fruitboomgaard, een woning, een bedrijfsgebouw/ schuur, een tunnelkas en een boothuis aanwezig. De woning en het bedrijfsgebouw staan centraal op het perceel. In de huidige schuur is een bed & breakfast aanwezig met maximaal 8 bedden. Aan de zuidzijde van het perceel liggen een afwateringssloot en een jaagpad langs de Vecht. Het jaagpad wordt recreatief gebruikt. De afwateringssloot loopt ook langs de noordwestkant van het plangebied. De volgende afbeeldingen geven een impressie 7
van het plangebied. Ten noordoosten van het plangebied is een natuurvriendelijke oever langs de vecht aanwezig. Aan de zuidwestzijde van het plangebied liggen vijf woonboten net buiten het plangebied. De tuinen/erven bij deze woonboten en bijbehorende toegangsweg en parkeerplaatsen maken wel onderdeel uit van het plangebied.
Huidige situatie plangebied, bron: voorlopig ontwerp, Stichting in Arcadië
Woning en bedrijfsgebouw (links); de Vecht en jaagpad (rechts)
8
Boomgaard en afwateringssloot
Tunnelkas (links) en boothuis (rechts)
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1
Algemeen Ter plaatse van het plangebied wordt een nieuwe buitenplaats gerealiseerd, ruimtelijk en functioneel passend binnen het historische buitenplaatsenlandschap van de Vecht waar het plangebied onderdeel van uitmaakt. Op de buitenplaats wordt aan de Vecht een woning gerealiseerd. De huidige woning en het bedrijfsgebouw gaan functioneren als bijgebouwen. Daarnaast worden nieuwe bijgebouwen gerealiseerd, waaronder een oranjerie en een dierenverblijf voor hobbymatig gebruik. Aan de Vecht wordt een nieuwe steiger aangelegd. De boomgaard wordt geheel verwijderd, evenals de botenloods, de fruitstal en de tunnelkas. De restanten van vroegere aanleg van Ouderhoek blijven behouden en worden in hun samenhang ingepast in de nieuwe aanleg. Vanwege de archeologische waarden wordt het nieuwe huis niet op de oorspronkelijke locatie teruggebouwd. De oude huisplaats wordt wel in de aanleg als accent in de aanleg herkenbaar gemaakt. De tuinen/erven en verkeer- en parkeervoorzieningen bij de woonboten maken onderdeel uit van het plangebied, maar hier zullen geen wijzigingen plaatsvinden. Het jaagpad blijft in gebruik als een openbare recreatieve verbinding en wordt opgewaardeerd. Het overig deel van het plangebied wordt ingericht als een landschapspark. In de vol-
9
gende afbeeldingen zijn het voorlopig ontwerp van het inrichtingsplan opgenomen met twee uitsnedes voor de leesbaarheid. Deze tekening is gedetailleerder te bekijken in de het bijgevoegde inrichtingsplan bij de regels en in het voorlopig ontwerp (bijlage 1).
Inrichtingsplan voorlopig ontwerp, bron: voorlopig ontwerp, Stichting in Arcadië
10
Uitsnede inrichtingsplan voorlopig ontwerp, bron: voorlopig ontwerp 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
11
Uitsnede inrichtingsplan voorlopig ontwerp, bron: voorlopig ontwerp d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
2.2.2
Ruimtelijke structuur De ruimtelijke structuur van de buitenplaats bestaat uit een oost-west georiënteerde hoofdas en een noord-zuid georiënteerde secundaire as. Hierbinnen heeft de toekomstige bebouwing een plek gekregen en het biedt de basis voor de landschappelijke inrichting. Een ander belangrijk element in de ruimtelijke structuur zijn de (rond)wandelmogelijkheden in het plangebied. Vanuit deze structuur zal de buitenplaats in de toekomstige situatie beleefd worden. Op de volgende afbeeldingen zijn beide ruimtelijke structuren weergegeven.
12
Ruimtelijke structuur (hoofdas en secundaire dwars-as), bron: voorlopig ontwerp d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
Ruimtelijke structuur (de rondwandeling), bron: voorlopig ontwerp d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
2.2.3
Bebouwing Op de volgende afbeelding is de toekomstige bebouwing in het plangebied weergegeven met nummers. Dit bestaat uit: 1. bijgebouw dat gebruikt gaat worden als mantelzorgwoning (in de huidige situatie de woning); 2. bijgebouw dat gebruikt gaat worden als schuur (in de huidige situatie het bedrijfsgebouw/ de schuur); 3. woning; 4. oranjerie langs nieuwe tuinmuur; 5. dierenverblijf; 6. boothuis;
13
7. steiger. Daarnaast zullen verschillende nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde gerealiseerd, zoals een toegangspoort, een parkbank, een tuinhek, een vechtstoep, twee bruggen.
7
Toekomstige bebouwing, bron: voorlopig ontwerp d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
De nieuwe woning wordt een eigentijdse vertaling van een klassiek Vechtbuiten georienteerd op de Vecht. De maximale bouwhoogte van de woning zal 15 meter bedragen, waarbinnen de realisatie van een gebouw met souterrain en maximaal 2 bouwlagen met kap mogelijk is. Het ontwerp van de woning wordt in de omgevingsvergunningfase uitgewerkt. De verschillende bijgebouwen bestaan deels uit bestaande en deels uit nieuwe ge2 bouwen. Ze hebben gezamenlijk een oppervlakte van maximaal 400 m . 2.2.4
Landschappelijke inrichting en beplanting Aan de westzijde van de buitenplaats worden twee nieuwe vijvers aangelegd. Eén op de centrale as, met aansluitend een verhoogde tuin op de locatie van de voormalige huisplaats. En één vijver ten westen van de nieuwe woning, welke uitmondt in de Vecht. De randen van het plangebied krijgen een besloten karakter, doordat hier parkbossen en boomgroepen worden gerealiseerd. Op verschillende plekken is echter een doorzicht mogelijk richting de Vecht en het agrarische gebied ten noorden van het plangebied. In het westelijk en oostelijk deel van de buitenplaats worden rondom de centrale as twee parkweides gerealiseerd. Deze worden van elkaar gescheiden door de tus-
14
senliggende bebouwing van de toekomstige mantelzorgwoning en schuur, met aansluitend een omhaagde boomgaard. In de volgende afbeelding is de toekomstige beplanting in het plangebied weergegeven. In het voorlopig ontwerp zijn hiervoor streefbeelden beschreven.
Toekomstige beplanting, bron: voorlopig ontwerp d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
2.2.5
Natuur Het plangebied is geen onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en is ook niet gelegen binnen de gebiedsbescherming van de Groene Contour. Ouderhoek is niet (meer) gerangschikt onder de Natuurschoon-wet. Het plangebied heeft als modern fruitteeltbedrijf met commerciële laagstam-fruitbomen weinig natuurwaarden. De plek leent zich wel voor de versterking van natuurwaarden in combinatie met de ontwikkeling van het parklandschap en de verbindende functie tussen de NNN gebieden aan weerszijden van de Vecht. Het plangebied zal een schakelfunctie vervullen tussen deze gebieden met natuurmaatregelen als uitstapplaatsen aan de westoever van de Vecht, lokbeplanting bij de uitstapplaatsen (schuilmogelijkheden, biotoop) en een plas-draszone. Ten behoeve van de verbindende functie worden de volgende maatregelen genomen: aanleg fauna-uitstapplaatsen in combinatie met een plas-draszone langs de Vecht voor o.a. reeën, hazen en watervogels. De oevers van de bestaande vijver aan de noordzijde van het plangebied en de nieuwe vijver (met haventje) lenen zich voor deze maatregel vanwege de directe verbinding van het water met de Vecht. Bij de noordelijke vijver liggen langs de Vechtoever geen woonboten en is er relatief meer rust; aanleg van natuurvriendelijke oevers met voldoende dekking langs de Rijksstraatweg t.b.v. overgang.
15
Het inrichtingsplan voor Ouderhoek voorziet daarnaast in de realisatie van landschapselementen met natuurkwaliteiten en een verbetering van het beheer van bestaande landschapselementen (zie volgende afbeelding): I. Aanleg landschappelijke gradiënten door de aanleg van nieuwe oevers, plasdraszones en reli-ëf (m.b.v. vrijkomende grond bij aanleg vijvers); II. Aanleg en beheer van voortplantingswater (vijvers, sloten) voor reptielen, amfibieën, vissen; III. Aanplant nieuwe bomen en inpassing bestaande bomen: parkbos, parkbosranden, lanen, knotbomen en solitaire parkbomen. Zie hoofdstuk 6.5 (beplantingen en sortiment); IV. Aanleg en beheer bloem– en kruidenrijke vegetatie: parkweiden en bermen (jaagpad); V. Aanleg tuin– en parkaanleg met een diverse en rijke beplanting van bloeiende heesterbeplan-ting, vaste plantenborders, bloembedden, kruidentuin en hagen. Zie hoofdstuk 6.5 (beplantingen en sortiment); VI. Aanleg en beheer hoog- en halfstamboomgaard met daaronder bloem– en kruidenrijk hooi-land. Het ontwerp voor de natuurmaatregelen zal in het kader van de omgevingsvergunning worden uitgewerkt.
Natuurmaatregelen, bron: voorlopig ontwerp, d.d. 17 maart 2021, Stichting in Arcadië
2.2.6
Verkeer en parkeren De nieuwe buitenplaats wordt met één inrit ontsloten op de Rijksstraatweg. Deze inrit ligt op dezelfde locatie als de huidige inrit. Voor parkeren is voldoende ruimte op het terrein rondom de woning en bijgebouwen.
16
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. De NOVI geeft richting aan grote en complexe opgaven waar Nederland voor staat. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt: 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio's; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. De afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3 Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Natuurnetwerk Nederland (NNN voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.
Ten aanzien van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het
17
Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen in haar beleid. In toelichting paragraaf 3.1.2 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. Toetsing De ontwikkeling voorziet in een combinatie van functies die met aandacht voor het de kenmerken en identiteit van een gebied vormgegeven is. Het plangebied valt binnen de begrenzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) (zie volgende afbeelding). In het Barro is geregeld dat voor erfgoed van uitzonderlijke waarde (de NHW) de provincie in een verordening de kernkwaliteiten moet uitwerken, objectiveren en regels moet stellen voor de instandhouding en versterking van deze kernkwaliteiten.
Uitsnede kaart 7 van het Barro (erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde) met aanduiding plangebied (rode pion), bron: ruimtelijkeplannen.nl
In paragraaf 3.2.1 is het voorliggende plan getoetst aan de provinciale verordening van Utrecht en wordt geconcludeerd dat het voorliggende bestemmingsplan past binnen het beleid dat hierin is opgenomen. Het plan valt niet binnen de reikwijdte van andere onderwerpen uit het NOVI of het Barro. Het plan is hierdoor niet strijdig met het rijksbeleid dat hierin is opgenomen. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt,
18
bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een buitenplaats en de verplaatsing van een woning mogelijk. Er worden geen nieuwe woningen of andere stedelijke functies toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking is voor het voorliggende plan daarom niet van toepassing. 3.1.3
Conclusie rijksbeleid Het voorliggende plan is niet in strijd met de nationale belangen uit het SVIR of het Barro. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht (OPV) vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten;
19
De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; Het vergroten van de duurzaamheid; Specifiek in spelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorg gedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. In het omgevingsbeleid worden staan twee centrale uitgangspunten centraal: kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven.
Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het plangebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hier op ingegaan. Aantrekkelijke landschappen Het plangebied behoort tot het landschapstype Groene Hart en kent de volgende kernkwaliteiten: 1. openheid 2. (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc. 3. landschappelijke diversiteit 4. rust en stilte Het voorliggende plan wordt in de volgende paragraaf (3.2.2.) getoetst aan deze kernkwaliteiten. Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed Landgoed Ouderhoek is gelegen binnen de gebiedsbegrenzing van de Hollandse Waterlinies en het valt binnen de Historische buitenplaatszone. Hiervoor zijn regels opgenomen in de omgevingsverordening. In paragraaf 3.2.2. wordt het voorliggende plan hieraan getoetst. Milieu en gezondheid Landgoed Ouderhoek is gelegen in de Groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur richt zich op een gezonde leefomgeving, klimaatbestendige leefomgeving, natuur/biodiversiteit en recreatie, en die passen bij het bodem- en watersysteem. Met het inrichtingsplan voor het landgoed wordt invulling gegeven aan deze aspecten.
20
3.2.2
Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld. Toetsing Binnen de IOVPU geldt voor het plangebied dat het is gelegen binnen de Hollandse Waterlinies en de Historische buitenplaatszone binnen het landschapstype Groene Hart. Navolgend wordt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante regels uit de IOPVU. Artikel 7.2 Instandhouding en versterking (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies Het bestemmingsplan dat betrekking heeft op de Hollandse Waterlinies neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en richt zich op de instandhouding en versterking daarvan. Het inrichtingsplan voor buitenplaats Ouderhoek is getoetst aan de UNESCO Nieuwe Hollandse Waterlinie en hierbij zijn eventuele knelpunten en kansen die het militair 3 erfgoed heeft voor de ontwikkeling van de buitenplaats heeft in beeld gebracht . Deze toets is als bijlage bij het plan gevoegd.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen inrichting van Ouderhoek niet in conflict is met de (voorlopige) aanwijzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als UNESCO werelderfgoed en levert een bijdrage aan de herkenbaarheid en beleefbaarheid van de in het landschap bewaard gebleven 18e en 19e eeuwse militaire structuur. Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur De cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden waaronder de Historische buitenplaatszone. In de Cultuurhistorische hoofdstructuur dient rekening gehouden te worden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en de bescherming en benutting van deze waarden. Door de realisatie van een buitenplaats op de locatie van een voormalige buitenplaats wordt een bijdrage geleverd aan en cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de Historische buitenplaatszone. Artikel 7.9 Zoals eerder aangegeven maakt het plangebied onderdeel uit van het landschap van het Groene Hart. In de IOPVU is vastgelegd dat de kernkwaliteiten van het landschap niet onevenredig mogen worden aangetast.
3
Ouderhoek te Nieuwersluis, herontwikkeling voormalige buitenplaats, toetsing UNESCO Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stichting in Arcadië, 22 oktober 2019
21
Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van het Groene Hart verschillende accenten. Een uitgebreidere beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten zijn opgenomen in de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen. De provincie vraagt gemeenten en initiatiefnemers bij ontwikkelingen hiervan gebruik te maken. In de kwaliteitsgids is beschreven dat het Groene Hart bestaat uit twee families van landschappen: zones (hoger gelegen, kleinschalig, meer besloten) en velden (nat, laaggelegen en open), die elk een fundamenteel andere structuur hebben. In paragraaf 2.1.1 is het landschaps-DNA van de omgeving van het plangebied beschreven. Hieruit is af te leiden dat het plangebied in een zone ligt, namelijk in een gebied dat binnen de directe invloed van de rivier de Vecht ligt. Deze zone is meer besloten, heeft meer bebouwing en opgaande beplanting en oogt daardoor kleinschaliger. De realisatie van de buitenplaats met opgaande beplanting en doorzichten, past binnen de kernkwaliteiten van dit deelgebied. Artikel 2.10 Instructieregel overstroombaar gebied De locatie is in de IOPVU aangewezen als overstroombaar gebied. De provincie wil in deze gebieden goed voorbereid zijn op eventuele overstromingen.
Voor het binnendijks ontwikkelen van kwetsbare en vitale objecten, woonwijken en bedrijventerreinen moet een ruimtelijk besluit bestemmingen en regels bevatten die rekening houden met overstromingsrisico’s. Voorliggend plan voorziet met de realisatie van de buitenplaats en als onderdeel hiervan de verplaatsing van een woning, niet in de toevoeging van een nieuw kwetsbaar object. In het voorliggende bestemmingsplan zijn daarom geen bestemmingen en regels opgenomen met betrekking tot overstromingsrisico’s. 3.2.3
Conclusie provinciaal beleid De realisatie van de buitenplaats past binnen het door de provincie opgestelde beleid in de OPV en IOPVU.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Focus op morgen – Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 De gemeenteraad heeft de toekomstvisie ‘Focus op morgen’ op 29 januari 2013 vastgesteld. De toekomstvisie bevat vier hoofddelen: een beschrijving van de kernkwaliteiten van Stichtse Vecht; inzicht in de trends en ontwikkelingen waarvoor de gemeente zich gesteld ziet; de opgaven en kansen voor de toekomst; het gevolg geven aan de visie en het verder ontwikkelen van deelvisies op Stichtse Vecht. Behoud van het landschap met haar eeuwenoude buitenplaatsen en ontginningenstelsel wordt gezien als cruciale opgave voor de toekomst. Het landschap geeft Stichtse Vecht identiteit en toekomstwaarde. Voor het dragen van de kosten van landschapsontwikkeling zal naar nieuwe vormen van financiering moeten worden gezocht. De gemeente wil in de toekomst beperkt bouwen toelaten, waarbij het buitengebied zoveel mogelijk wordt ontzien.
22
Toetsing Het voorliggende plan maakt de realisatie van een nieuwe buitenplaats mogelijk op de locatie van een fruitteeltbedrijf. De boomgaard maakt geheel plaats voor een landschappelijke inrichting van het terrein, met parkweides, bosschages en waterpartijen. Met deze landschapsontwikkeling wordt bijgedragen aan het behoud van het landschap en hiermee aan de opgaven uit de toekomstvisie. De (markante) woning wordt op een nieuwe locatie op het terrein gerealiseerd en de huidige woning en het bedrijfsgebouw worden in gebruik genomen als bijgebouw. Op het terrein ontstaat hierdoor enige toename van bebouwing, maar niet van het aantal woningen. De toename van de hoeveelheid bebouwing maakt dat landschapsontwikkeling op deze locatie financieel mogelijk wordt. De ontwikkeling sluit hierdoor aan op het beleid in de toekomstvisie. 3.3.2
Trendlijnen Stichtse Vecht In 2021 wordt de Omgevingswet van kracht. Stichtse Vecht bereidt zich hierop voor. In de nieuwe wet is vastgelegd dat alle gemeenten voor hun hele grondgebied een omgevingsvisie moeten opstellen. Dit is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Dit is de samenvatting van het trendlijnenrapport dat is opgesteld als onderlegger voor de omgevingsvisie. Het trendlijnenrapport is in 2019 in opdracht van de gemeente Stichtse Vecht opgesteld. Het rapport laat zien hoe het grondgebied van Stichtse Vecht zich door de wisselwerking van mens en natuur heeft ontwikkeld. Het geeft inzicht in de manier waarop het verleden doorwerkt in de huidige leefomgeving. Dit zijn de trendlijnen van Stichtse Vecht die het vertrekpunt voor de toekomst vormen. De trendlijnen helpen om weloverwogen keuzes te maken in de omgevingsvisie, vanuit de eigen kracht en cultuurhistorische rijkdom van de gemeente Stichtse Vecht. Toetsing Het plangebied ligt binnen het gebied dat in het trendlijnenrapport wordt aangeduid als de ‘langzame Vecht’. De ‘langzame Vecht’ heeft een kleinschalig landschap met een afwisseling van dorpen, buitenplaatsen, kastelen en boerderijen. Hier is sprake van een sterke verwevenheid van functies (wonen, werken en recreatie) die zich aan de rivier vestigden, het omliggende landschap en de Vecht.
Zo is er bijvoorbeeld een sterke oriëntatie van de dorpen en de buitenplaatsen op de Vecht en zijn er zichtlijnen en doorlopende landschappelijke structuren van de buitenplaatsen en de waterlinies richting de omgeving. De herinrichting van het plangebied past binnen het karakter van deze omgeving, door de realisatie van een buitenplaats met woonfunctie aan de Vecht. Daarnaast raakt de ontwikkeling van het plangebied aan de trendlijnen Watersysteem en Waterlinie. In paragraaf 3.1.1 van deze toelichting is al ingegaan op de ligging van het plangebied binnen de Nieuwe Hollandse waterlinie en in paragraaf 3.2.1 is geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale beleid voor militair erfgoed de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Daarmee wordt in dit plan voldoende rekening gehouden met de uitzonderelijke kenmerken van dit gebiedstype.
23
Door de ligging van het plangebied aan de oevers van de Vecht, is ook de trendlijn voor watersytemen op de ontwikkeling van toepassing. Langs de rivieren is een relatief lage ruimtelijke dynamiek; het historische cultuurlandschap is nog steeds goed te herkennen. Dit landschap is gelaagd, pittoresk en kleinschalig van karakter. De herinrichting van de buitenplaats sluit aan op deze uitgangspunten door de cultuurhistorische kenmerken van het gebied in stand te laten en versterken. 3.3.3
Landschapsontwikkelingsplan Breukelen - Loenen Het landschapsontwikkelingsplan betreft het buitengebied van de voormalige gemeenten Loenen en Breukelen. Het landschapsontwikkelingsplan bevat een visie, waarin een belangrijk uitgangspunt het behoud van het landelijk karakter van dit unieke landschap in het Groene Hart is. Voor een vitaal landschap zijn echter wel ontwikkelingen nodig en wenselijk. De visie geeft voor nieuwe ontwikkelingen landschappelijke randvoorwaarden aan. Een belangrijk doel van het landschapsontwikkelingsplan is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling in het buitengebied door particulieren, instanties en de gemeenten zelf. Hierbij staat het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke identiteit van verschillende deelgebieden binnen de gemeentes voorop. Het landschapsontwikkelingsplan is een integraal plan en besteedt aandacht aan alle aspecten van het landschap, uiteenlopend van cultuurhistorie tot agrarisch en recreatief gebruik. Het plangebied ligt in het stroomruggenlandschap Vecht-Zuid.
In het landschapsontwikkelingsplan zijn voor dit gebied de volgende doelstellingen geformuleerd: behouden en versterken van de ruimtelijke samenhang en de grote historische waarden van de Vechtzone; geleiden bebouwing en de fraaie beeldkwaliteit door goed RO-beleid en handhaving; versterken van de natuurwaarden horend bij de Vecht en de stroomruggronden; droge ecologische verbindingen tussen landgoedbossen (aan de achterzijde); extensivering agrarisch gebruik graslanden op landgoederen; behoud agrarisch landschap ter plekke van doorzichten; geleiden recreatief gebruik en verbeteren recreatieve toegankelijkheid; natte ecologische verbinding over de Vecht. Langs de oevers van de Vecht ligt net als in het noordelijke deel een meervoudige opgave, het verder ontwikkelen, evalueren en beheren van natuurvriendelijke oevers, verbeteren van de beeldkwaliteit van de oevers (uitzichten, geen dichte afschermende beplantingen of hekken), het ontwikkelen van enkele openbare oevers en het plaatselijk herstellen van de jaagpaden.
24
Uitsnede algemene visiekaart landschapsontwikkelingsplan Breukelen – Loenen, met aanduiding plangebied (rode cirkel)
Toetsing Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een nieuwe buitenplaats. Het is een particulier initiatief voor landschapsontwikkeling aansluitend op de Vecht, waarmee op verschillende manieren wordt bijgedragen aan de doelstellingen uit het landschapsontwikkelingsplan. Door de realisatie van een buitenplaats op de locatie van een voormalige buitenplaats wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke samenhang en cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de Vechtdalzone. Het beëindigen van het fruitteeltbedrijf en de toekomstige landschappelijke inrichting die hiervoor terugkomt, wordt tevens een bijdrage geleverd aan de natuurwaarde van het plangebied. De recreatieve toegankelijkheid wordt vergroot, door het opwaarderen van het openbaar toegankelijke jaagpad dat door het plangebied loopt. 3.3.4
Welstand Stichtse Vecht 2013 Het welstandsbeleid voor de gemeente Stichtse Vecht is vastgeslegd in de Welstandsnota Welstand Stichtse Vecht 2013. In de welstandsnota wordt per gebied en object aangegeven welke welstandscriteria van toepassing zijn. Het plangebied ligt binen de Vechtzone. De Vechtzone een bijzonder welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijk structuurelementen en de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in een groene omgeving. Voor de volkstuinen ten noorden van Oud-Zuilen is een soepele beoordeling op zijn plaats. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht worden 25
geschonken aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een zorgvuldige en gevarieerde vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Toetsing Het voorliggende plan ziet niet op de sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. In de omgevingsvergunningfase zal het ontwerp van de toekomstige bebouwing worden uitgewerkt. Hierbij zal rekening worden gehouden met het welstandsbeleid van de gemeente Stichtse Vecht voor de Vechtzone. 3.3.5
Omgevingsvisie Stichtse Vecht Tijdens het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is de omgevingsvisie Stichtse Vecht op 1 juni 2021 in ontwerp gebracht. De omgevingsvisie is voor de gemeente een van de belangrijkste beleidsinstrumenten onder de Omgevingswet. Hierin wordt de langetermijnvisie vastgelegd. De omgevingsvisie is het centrale instrument. De Ontwerp Omgevingsvisie Stichtse Vecht staat niet op zichzelf, maar is geënt op het nationale, provinciale en regionale beleid. Voor de omgevingsvisie Stichtse Vecht zijn bij de start drie overkoepelende opgaven geformuleerd: Aantrekkelijke, bereikbare en gezonde leefomgeving voor wonen, werken en recreëren; Versterken van de kwaliteit van cultuurhistorie, landschap en natuur; Inspelen op klimaatverandering en ruimte maken voor de energietransitie. Uit het proces met de samenleving en de betrokkenen van de gemeente is een behoorlijke lijst met actuele onderwerpen naar voren gekomen waar de omgevingsvisie op in zou moeten gaan. Hieruit hebben we de rode draad van spelende thema’s en opgaven gedestilleerd. Het gaat om de volgende opgaven en verantwoordelijkheden: Gezondheid voor iedereen; Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven (wonen en werken); Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio; Prettig leven in de kernen; Ruimte voor recreatie; Toekomstbestendig vitaal platteland; Werken aan klimaatverandering.
Toetsing Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een nieuwe buitenplaats. Het is een particulier initiatief voor landschapsontwikkeling aansluitend op de Vecht, waarmee op verschillende manieren wordt bijgedragen aan het versterken van de kwaliteit van cultuurhistorie, landschap en natuur. Door de realisatie van een buitenplaats op de locatie van een voormalige buitenplaats wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke samenhang en cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de Vechtdalzone. De recreatieve toegankelijkheid wordt vergroot, door het opwaarderen van het openbaar toegankelijke jaagpad dat door het plangebied loopt, hiermee wordt bijgedragen aan een aantrekkelijke, bereikbare en gezonde leefomgeving voor recreëren.
26
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: C- en D-lijst) staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en Ddrempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een activiteit onder de drempelwaarden blijft uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., betekent dit echter niet dat er geen beoordeling meer nodig is. De drempelwaarden zijn namelijk indicatieve waarden (zie artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit m.e.r.). Dit betekent concreet dat wanneer de omvang van de activiteit onder de drempelwaarden blijft, het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij in het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag dus via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit ziet op de besluiten op grond waarvan de activiteit direct kan worden uitgevoerd. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.procedure worden doorlopen.
Het bevoegd gezag mag de m.e.r.beoordelingsprocedures ook overslaan en direct de m.e.r.-procedure volgen; Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is vormvrij: de wet schrijft geen procedure voor. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-procedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.
27
Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing Het bestemmingsplan voorziet in functieverandering van een agrarisch bedrijf (fruitteelt) naar een buitenplaats. In de D-lijst, onderdeel D9 van de bijlagen van het Besluit m.e.r zijn een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan de volgende drempelwaarden opgenomen: een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. De oppervlakte van de nieuwe buitenplaats blijft met circa 3,7 hectare ver beneden de 4 drempelwaarden. Om die reden is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld . De aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in de bijlagen. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen milieueffect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in een m.e.rbeoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college). Het m.e.r.
besluit zal te zijner tijd aan deze toelichting worden toegevoegd. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd voor de realisatie van een buitenplaats aan de Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.
4
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Buitenplaats Ouderhoek, SAB, 19 mei 2020, kenmerk 190267
28
Toetsing 5 Ter plaatse van het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek volgen de volgende conclusies: de bodem op de locatie bevat in de bovengrond in verschillende gradaties baksteen (sporen); de bovengrond van het toekomstige erf is licht verontreinigd met lood, kwik en (plaatselijk)PCB; in de toplaag van het gehele gebied is in één van de mengmonsters een licht verhoogd gehalte DE aangetroffen. In de overige mengmonsters zijn geen verhoogde gehalten OCB’s aangetroffen; in de ondergrond van het nieuwe erf zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; het grondwater is licht verontreinigd met barium; de hypothese ‘onverdacht’ voor het nieuwe erf dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden; de hypothese ‘verdacht’ voor het totale plangebied dient aangenomen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Geconstateerd wordt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3
Ecologie Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.
5
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740, Rijksstraatweg 68 Nieuwersluis, De Klinker Milieu, 9 april 2020
29
Quick scan natuur 6 Ter plaatse van het plangebied is een quick scan natuur uitgevoerd, om te onderzoeken of het project van invloed is op natuurwaarden en beschermde soorten en of de ontwikkeling niet in strijd is met de provinciale verordening of de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen in de buurt van het plangebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten.
Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Het betreft nestlocaties van de ringslang. Er kan gewerkt worden conform een ecologisch werkprotocol om verstoring van eventueel aanwezige nestlocaties van de ringslang te voorkomen. Alternatief kan aan de hand van aanvullend ecologisch onderzoek vastgesteld worden of de ringslang inderdaad in het plangebied aanwezig is. Verder wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden eventuele ondiepe poelen op braakliggend terrein zo snel mogelijk te dempen om eventuele nieuwvestiging van de rugstreeppad te voorkomen. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
6
Quickscan natuur Nieuwersluis, Buitenplaats Ouderhoek, SAB, kenmerk: 190267, 23 januari 2020.
30
Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Ecologisch werkprotocol In verband met de mogelijk aanwezige nestlocaties van de ringslang is een ecologisch 7 werkprotocol opgesteld. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform dit ecologisch werkprotocol om verstoring van nestlocaties van de ringslang te voorkomen. Stikstofonderzoek Om te bepalen of er sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden is een onder8 zoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het plangebied ligt op ongeveer 2 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’, op ongeveer 7 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Botshol’, op ongeveer 10 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en op ongeveer 11 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Naardermeer’. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is tijdens de bouwfase is een stikstofberekening uitgevoerd met het programma Aerius.
Uit de uitgevoerde berekeningen voor de referentiesituatie blijkt dat de huidige activiteiten een depositie van maximaal 0,14 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Deze activiteiten stoppen, waarmee een afname aan depositie plaatsvindt. Geconcludeerd wordt dat de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j in de aanlegfase middels intern salderen niet wordt overschreden; significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000gebieden zijn uitgesloten. De nieuwbouw wordt gasloos opgeleverd en heeft geen extra verkeersaantrekkende werking. Daarmee zal er in het gebruik geen wijziging plaatsvinden t.o.v. de huidige situatie die zorgen voor extra stikstofuitstoot. Geconcludeerd wordt dat door de ontwikkeling de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie afneemt. Significant negatieve effecten vanwege het plan worden derhalve uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.
7
Ecologisch werkprotocol Buitenplaats Ouderhoek, SAB, kenmerk: LEEU/190257, 10 mei 2021
8
Onderzoek stikstofdepositie, Landgoed Ouderhoek, SAB, kenmerk: 190267, 7 juni 2021
31
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.4
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand
Milieucategorie
10 m
1
30 m
2
50 m
3.1
100 m
3.2
200 m
4.1
300 m
4.2
De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. De brochure geeft als voorbeeld lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid of gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur (grote wegen) gelegen zijn. Onderhavig plangebied ligt in overwegend agrarisch gebied en er is daarom geen sprake van sterke functiemenging. Er kan geen afstandstap terug worden gedaan.
32
Toetsing Bij het voorliggende plan is sprake van de verplaatsing van een gevoelige functie (woning) in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Daarnaast blijft de huidige woning in gebruik als mantelzorgwoning (ook een gevoelige functie). In de directe omgeving van het plangebied komen voornamelijk agrarische bedrijven en een buitenplaats voor. Er is geen sprake van sterke functiemenging en er kan daarom geen afstandstap terug worden gedaan. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende veehouderijen. Met betrekking tot veehouderijen wordt niet getoetst aan de richtafstanden uit de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, maar aan de wet geurhinder en veehouderij. Deze toetsing is opgenomen in paragraaf 4.6. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen fruitteeltbedrijven of boomkwekerijen aanwezig of toegestaan die gewasbeschermingsmiddelen gebruiken. In de omgeving van het plangebied komen geen andere hinder veroorzakende functies voor. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat het voorliggende plan geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
Duurzaamheid Provinciaal beleid De provincie stelt in de provinciale verordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Ambitie gemeente Stichtse Vecht In de Voorjaarsnota 2016 heeft de gemeenteraad van Stichtse Vecht de ambitie vast-
33
gelegd om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2030 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt. Woonvisie 2017-2022 In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Met behulp van GPR gebouw wordt de duurzaamheidsambitie vertaald in een concrete prestatiescore voor duurzaam bouwen. GPR Gebouw is een online programma dat duurzaam bouwen concretiseert door op vijf thema’s een rapportcijfer te geven. De gemeente Stichtse Vecht heeft haar beleid rond duurzaam bouwen verankerd in een GPR score.
De inzet binnen de 5 thema’s van de tool GPR gebouw zijn vastgesteld op: Thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10 Thema energie (gemeente heeft wel grondeigendom): 10+ Thema toekomstwaarde: 8 Overige Thema’s (milieu, Gezondheid en Gebruikskwaliteit): gemiddeld 8 Opties voor verduurzaming Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen. Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. Een (collectieve) bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden.