CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bestemmingsplan Bosdijk 9 in Kockengen.pdf

Raad 2 juli 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 19: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Bosdijk 923.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Plangebied Bosdijk 9 Kockengen erf natuurvriendelijke oever Water toegangsweg met recht van overpad brug nieuwe woning bomen wadi P

P

P

parkeren op eigen terrein

te slopen bebouwing 128 m2

P

P

bouwvlak in bestemmingsplan

P

Verklaring topografische en kadastrale gegevens (16-06-2022)

datum

22-1-2024

schaal

1 : 1000

formaat

A3

inrichtingsplan

blad

1/1

Bosdijk 9 Kockengen

gemeente

Stichtse Vecht

lannen-makers experts in ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschap

broed

BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. H. van Arendonk ’t Goylaan 11 3525AA Utrecht

Datum

28 juli 2021

Kenmerk

BE/2021/752/r

Uw kenmerk

Email d.d. 8 juli 2021

Auteur(s)

ing. J. Dekkers

Collegiale toets

ing. G. Fairhurst

Quickscan Wet natuurbescherming Bosdijk 9 te Kockengen Aan de Bosdijk 9 te Kockengen is een recreatiewoning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande recreatiewoning en bijbehorende schuren op de planlocatie te saneren ten behoeve van een nieuwe woning. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch met waarden’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en/of de Groene Contour? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bosdijk 9 te Kockengen (figuur 1). De planlocatie bestaat grotendeels uit gemaaid Engels raaigras waarop enkele kleine schuren en een vervallen kas aanwezig zijn. De te saneren recreatiewoning (gebouw A) bestaat uit houten planken en een plat, bitumen dak. In gebouw B op de planlocatie is dakbeschot aanwezig. Gebouw C bevat is een overkapping en heeft derhalve geen dakbeschot en een open karakter. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch landschap, waartussen watergangen gelegen zijn. Direct aan de noord- en oostzijde van de planlocatie grenzen watergangen. Circa 2,3 km ten oosten van de planlocatie ligt de A2.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bosdijk 9 te Kockengen. Gebouw A is de recreatiewoning, gebouw B en C zijn de bijbehorende schuren (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de recreatiewoning op de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bestaande recreatiewoning en de bijbehorende schuur en overkapping en de realisatie van een nieuwe woning. Er worden geen bomen gekapt. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch met waarden’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

3

In de Omgevingsverordening Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaal beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

4

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. De planlocatie bestaat grotendeels uit gemaaid Engels raaigras. Op enkele plekken zijn bomen en struiken zoals berk, hazelaar en laurierkers aanwezig. Enkele andere waargenomen soorten betreffen: basterdwederik, gewone paardenbloem, kleine klaver, klein kruiskruid, melkdistel, vingerhoedskruid en witte klaver. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, otter, ree, vos, waterspitsmuis en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: otter en waterspitsmuis. Ten tijde van het opstellen van dit rapport zijn kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De verwachting is echter dat kleine marterachtigen hun vrijstelling verliezen in de voorziene toekomst. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.

De otter leeft in oeverzones van allerlei soorten wateren waar voldoende dekking en rust aanwezig is (Zoogdiervereniging otter, 2021). De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers (Zoogdiervereniging waterspitsmuis, 2021). De watergang aan de noord- en oostzijde van de planlocatie bevat geen rijk ontwikkelde watervegetatie. De waterkant is geheel gemaaid, waardoor er geen beschutting aanwezig is. Derhalve is de watergang direct naast de planlocatie ongeschikt voor de otter en de waterspitsmuis. Daarnaast is er een hoge mate van verstoring op de planlocatie. Negatieve effecten wegens de beoogde ontwikkeling op de otter en de waterspitsmuis zijn derhalve uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. De bunzing en de hermelijn worden ook wel in bebouwde omgeving aangetroffen, mits er voldoende groen aanwezig is, de hermelijn vermijdt bebouwing. Droge, beschutte ruimten of holten worden door kleine marterachtigen als rust- of nestverblijfplaats gebruikt (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017).

In een van de open schuren zijn houtstapels gelegen welke door kleine marterachtigen als rustplaats gebruikt kunnen worden. Echter zijn deze houtstapels hoogstwaarschijnlijk tijdelijk en zullen ze gedurende de winter verdwijnen. Op het overige terrein van de planlocatie zijn geen plaatsen aanwezig die als rustplaats door kleine marterachtigen gebruikt kunnen worden. In de bebouwing zijn geen openingen aanwezig welke kleine marterachtigen toegang kunnen verlenen tot de bebouwing.

5

De aanwezige groenstroken aan de noord- en zuidzijde van de planlocatie kunnen door kleine marterachtigen gebruikt worden als foerageergebied of migratieroute. In de directe omgeving van de planlocatie zijn meer groenstroken aanwezig die kleine marterachtigen als foerageergebied of migratieroute kunnen gebruiken. Door de afwezigheid van plaatsen die als dagrustplaats gebruikt kunnen worden en door de aanwezigheid van foerageergebied en migratieroutes in de directe omgeving van de planlocatie, is de planlocatie geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. In de beoogde ontwikkeling wordt enkel de bebouwing gesaneerd, er worden geen bomen gekapt en de groenstroken op de planlocatie blijven behouden. Negatieve effecten wegens de beoogde ontwikkeling op de bunzing, hermelijn en wezel zijn derhalve uit te sluiten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

De te saneren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De recreatiewoning bestaat uit houten muren en een plat bitumen dak, er zijn geen openingen aanwezig. In gebouw B is dakbeschot aanwezig. Het gehele gebouw is omringd door begroeiing en de invliegroute is laag voor vleermuizen (circa 2,5 m), Derhalve is gebouw B niet bereikbaar voor vleermuizen. De aanwezigheid van rust- en of verblijfplaatsen van vleermuizen op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de beoogde ontwikkeling wordt er geen groen gekapt en worden er geen bomen gedempt.

Derhalve wordt een eventuele vliegroute of foerageergebied van vleermuizen niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.

6

De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De heikikker is kritisch wat betreft zijn leefgebied.

De drie habitattypen waar hij gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied, zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand van elkaar voor te komen (Creemers & Van Delft, 2009). In de afgelopen 10 jaar is er binnen een straal van 2 km van de planlocatie 1 waarneming van een heikikker gedaan op een afstand van 1,9 km ten westen van de planlocatie (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn geen vochtige plaatsen in schraal, ruig gebied aanwezig. Gezien de afstand tot de bekende waarneming en het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van de heikikker op de planlocatie uit te sluiten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: ringslang (NDFF 2011-2021).

Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitatten. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, ze jagen voornamelijk op amfibieën, maar ok op andere gewervelde dieren waaronder vissen. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben of opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd (Zoogdiervereniging ringslang, 2021). De ringslang is waargenomen in de watergang die ten oosten van de planlocatie stroomt (NDFF 2011-2021). In de beoogde ontwikkeling wordt enkel de recreatiewoning met bijbehorende schuren gesaneerd, alle watergangen en groenstructuren blijven behouden. Derhalve zijn negatieve effecten op de ringslang wegens de beoogde ontwikkeling uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021).

Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

7

Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, houtduif, meerkoet, sprinkhaanzanger, vink en wilde eend. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn 2 veren van de ransuil aangetroffen op het gazon van de planlocatie. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

De recreatiewoning bestaat uit houten platen met een plat bitumen dak en is derhalve ongeschikt voor nestlocaties van de huismus. Gebouw B bevat een dakbeschot, waaronder een beperkte ruimte aanwezig is. De begroeiing naast de schuur belemmert de ingang tot het dakbeschot. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van de huismus op en in de directe omgeving van de planlocatie. De afgelopen 10 jaar zijn er binnen een straal van 500 m van de planlocatie geen waarnemingen gedaan van de huismus (NDFF 2011-2021). Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Op de planlocatie zijn geen openingen aanwezig die gierzwaluwen toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. De aanwezigheid van gierzwaluwen op de planlocatie kan uitgesloten worden. Er zijn geen openingen in de bebouwing die uilen toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. Op het terrein van de planlocatie zijn 2 veren van de ransuil aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.

De planlocatie bestaat grotendeels uit gemaaid Engels raaigras. In de directe omgeving van de planlocatie is geschikt foerageergebied voor uilen en roofvogelsoorten aanwezig. De planlocatie is derhalve geen functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

8

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 3).

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een recreatiewoning en bijbehorende schuren en de realisatie van een woonhuis. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.

Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (4,6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour.

9

Op een afstand van circa 150 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4). Op een afstand van circa 3 km ligt de Groene Contour (figuur 5).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 150 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 3 km tot de Groene Contour (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden las het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

10

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)

Tabel 3

Nee Nee

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

4,6 km

Geen

N.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

150 m

Geen

N.v.t.

Groene Contour

3 km

Geen

N.v.t.

Tabel 4

11

Nee Nee Nee Nee, Nee Nee Nee

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Het saneren van de recreatiewoning met bijbehorende schuren en de realisatie van een woning aan de Bosdijk 9 te Kockengen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

12

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.zoogdiervereniging.nl

13

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. J. Dekkers Auteur

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1 Fotografische impressie

15

Figuur 1

De te saneren schuur (gebouw B) op de planlocatie is gelegen aan de Bosdijk 9 te Kockengen. De schuur is geheel omgroeid door bomen en stroken.

Figuur 2

De watergang direct naast de planlocatie.

16

Figuur 3

Gebouw C van de planlocatie, deze overkapping wordt gesaneerd.

Figuur 4

De tuin op de planlocatie bestaat grotendeels uit gemaaid Engels raaigras.

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 Kockengen 22-2132-R01ML

COLOFON

Opdrachtgever

Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht

Locatie

Bosdijk 9 te Kockengen

Type onderzoek

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Rapportnummer

22-2132-R01ML

Datum rapport

29 juni 2022

Auteur

Mevr. M. Lawende Assistent projectleider Bodem

Kwaliteitscontrole

Mevr. M. Penders Projectleider Bodem

Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .......................................................................................................................... 1

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2 2.1 2.2 2.3

3.

OPZET, UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740 .......... 5 3.1 3.2 3.3

4.

Algemeen ....................................................................................................................... 2 Verzamelde informatie vooronderzoek ............................................................................... 2 Hypothese ...................................................................................................................... 4

Onderzoeksopzet ............................................................................................................ 5 Uitvoering veldwerk ......................................................................................................... 5 Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek ......................................................................... 6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................... 8

BIJLAGEN 1.

2. 3. 4. 5. 6.

Weergave onderzoekslocatie 1.1 Omgevingskaart en kadastrale gegevens 1.2 Situatietekening(en) 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

1. INLEIDING

In opdracht van Plannen-makers heeft Inventerra in juni 2022 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Bosdijk 9 te Kockengen. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en een aanvraag van een Omgevingsvergunning in verband met de geplande nieuwbouw van een woning. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd conform de werkwijze volgens de NEN 5725:2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek). Kwaliteit Inventerra is door Normec Certification gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer ECSIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001.

De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever. Op dit bodemonderzoek zijn de volgende protocollen, behorende bij de BRL SIKB 2000, van toepassing: ☒ 2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van ☒

grondmonsters en waterpassen. 2002 – Het nemen van watermonsters.

☐

2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem.

De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is niet van toepassing op:  de processen vóór het veldwerk, zoals vraagstelling, gegevens verzamelen en onderzoeksvoorstel;  de processen ná het veldwerk, zoals laboratoriumanalyses, interpretatie van analyse- en veldwerkresultaten en advies;  veldwerk anders dan middels de technieken boringen, steken en graven van sleuven, inclusief alle veldwerk dat volgt op deze technieken zoals plaatsen van peilbuizen of bemonsteren van peilbuizen;  de monsterneming in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 1 van 8

2. MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725

2.1

Algemeen

Om inzicht te krijgen over de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek. De aanleiding voor het navolgend beschreven vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Ten behoeve hiervan dient in ieder geval informatie te worden verzameld over:  Bodemopbouw en geohydrologie, inclusief informatie over de verwachte aan- of afwezigheid van antropogene lagen in de bodem;  Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart, reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en of mogelijk sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging;  Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situaties, asbest, activiteiten en/of ongewone voorvallen, op basis van het voormalige en huidige gebruik.

Voor het verzamelen van de benodigde informatie kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals:  Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever  Archieven gemeente, omgevingsdienst en/of provincie  Online bronnen zoals bodemloket.nl en topotijdreis.nl  Bodemkwaliteitskaarten  Topografische kaarten  Geohydrologische kaarten Verder dient een terreinverkenning te worden uitgevoerd. Deze kan eventueel meteen voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk worden uitgevoerd. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie. 2.2

Verzamelde informatie vooronderzoek

In de navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie weergegeven. Tabel 1 Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Gegevens onderzoekslocatie Adres

Bosdijk 9 te Kockengen

Kadaster

Kockengen, sectie E, nr. 784

XY-coördinaten

X: 125.226

Begrenzing onderzoekslocatie

De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt 1.590 m².

Huidig gebruik

Recreatiewoning met tuin

Toekomstig gebruik

Gepland is de sloop van de recreatiewoning en nieuwbouw van een reguliere woning.

Omgeving

Noord: recreatiegebied Bosdijk Oost: openbare weg en watergang Zuid: akker- en grasland met sloten West: akker- en grasland met sloten

Y: 466.247

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 2 van 8

Vervolg tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Overige informatie vooronderzoek Informatie eigenaar / opdrachtgever

Geen bijzonderheden

Terreinverkenning

Kaartmateriaal

 

 Omgevingsdienst ODRU

De oprit van de locatie is voorzien van grind. Tevens is rondom de recreatiewoning ook grind aanwezig. Er is een tuin met een hobby kas en gras aanwezig. Rondom het perceel is asbestverdachte beschoeiing gelegen. Bij de terreininspectie is aandacht besteed aan het voorkomen van verdachte punten, zoals brandplaatsen, terreinophogingen of verzakkingen, aanwezigheid van puin op de bodem en de aanwezigheid van asbestverdachte bouw- en/of verhardingsmaterialen. Voornoemde aspecten zijn niet waargenomen. Ook is gelet op de aanwezigheid van invasieve exoten zoals de ‘Japanse Duizendknoop’. Deze zijn op de onderzoekslocatie niet waargenomen. BAG-viewer: De recreatiewoning dateert uit 1985. Topotijdreis: Tot ca. 1960 is de locatie grasland geweest. Van begin jaren ’60 tot begin jaren ’80 van de vorige eeuw is een boomgaard aanwezig geweest. Vanaf 1988 is bebouwing te zien. Voor zover te herleiden zijn er geen kassen of sloten aanwezig geweest op de onderzoekslocatie. De locatie ligt in het gebied waarin in het verleden een toemaakdek kan zijn toegepast. Toemaak is stadsafval dat historisch als ophoogmateriaal en meststof gebruikt werd, vooral in laaggelegen landelijk gebied zoals veenweiden. Explosieven: Volgens de bommenkaart van Beobom zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie geen mijnenvelden, ruimingen of luchtaanvallen geweest.

De locatie is vooralsnog onverdacht voor de aanwezigheid van niet-gesprongen conventionele explosieven. Grondwaterbeschermingsgebied: De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Bodeminformatie onderzoekslocatie: Bij de Omgevingsdienst is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse tanks. Ook is er geen informatie over eerder uitgevoerde bodemonderzoeken of de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Bodeminformatie aangrenzende percelen: Op het naast gelegen perceel is in 2013 een verkennend bodemonderzoek door Hopman en Peters Holding B.V., met kenmerk 13-P-269, uitgevoerd. In de boven- en ondergrond zijn slechts lichte verhogingen met zware metalen aangetoond. In 2019 is een aanvullend vooronderzoek door Hopman en Peters Holding B.V., met kenmerk P1900517, uitgevoerd. Er zijn tijdens de locatie inspectie geen bijzonderheden naar boven gekomen (locatiecode AA190400192). Grootschalige mobiele gevallen van ernstige bodemverontreiniging: In de nabijheid van en op de onderzoekslocatie zijn geen grootschalige mobiele gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend.

Bodemloket.nl

Geen aanvullende informatie

Bodemkwaliteitskaart

Locatie is gelegen in zone Landbouw/natuur. De ontgravingskwaliteit van de bovengrond valt in klasse Industrie en de ondergrond valt in klasse Wonen.

Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)

Holocene deklaag, bestaande uit klei op venige afzettingen: tot ca. 6 m-mv Eerste watervoerend pakket, bestaande uit zandige afzettingen van de Formaties van Kreftenheye, Urk en Sterksel: dikte circa 44 meter Scheidende laag, bestaande uit de kleiige afzettingen van de Formatie van Waalre: dikte ca. 2 meter Stromingsrichting van het freatisch grondwater (<10 m): beïnvloed door lokale factoren Stromingsrichting grondwater in eerste watervoerend pakket: westelijk

In bijlage 1 zijn de kadastrale informatie, foto’s, gemaakt tijdens de terreininspectie, en de situatietekening bijgevoegd. In bijlage 5 zijn relevante gegevens van het vooronderzoek opgenomen.

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 3 van 8

2.3

Hypothese

Ten behoeve van het opstellen van de onderzoekshypothese(s) dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie? De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Is sprake van bodemvreemde lagen en waar bevinden deze zich? Er wordt verwacht dat sprake is van een toemaakdek. Is de bodem asbestverdacht? Omdat op grond van het vooronderzoek geen bodemvreemde lagen worden verwacht, is de bodem vooralsnog onverdacht voor asbest. Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? In de bodemkwaliteitskaart en het bijbehorende bodembeheerplan zijn voor de bodem twee bodemlagen te herleiden, namelijk 0 – 0,5 m-mv en 0,5 – 2,0 m-mv. Voor de bodemlaag van 0 – 0,5 m-mv is de verwachting dat die matig tot sterk verontreinigd is (klasse Industrie). Voor de bodemlaag van 0,5 – 2,0 m-mv is de verwachting dat die licht verontreinigd is (klasse Wonen). Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Vanwege het (mogelijk) aanwezige toemaakdek en de voormalige boomgaard. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Er is op de locatie nog geen bodemonderzoek uitgevoerd; derhalve is de uitvoering van bodemonderzoek nodig.

Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Op de onderzoekslocatie is sprake geweest van een boomgaard en is de bovengrond verdacht voor bestrijdingsmiddelen; organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Tevens wordt vanwege de (mogelijke) aanwezigheid van een toemaakdek rekening gehouden met verontreinigingen met voornamelijk zware metalen en PAK. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? De volgende potentiële bron van bodemverontreiniging is geïdentificeerd:  Voormalige boomgaard, verdachte parameters: organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB)  Toemaakdek, verdachte parameters: zware metalen en PAK Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek? Het onderzoek naar bestrijdingsmiddelen (vanwege de voormalige boomgaard) en het (mogelijk) aanwezige toemaakdek wordt uitgevoerd volgens de strategie voor een ‘verdachte, niet-lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging’ (VED-HE-NL). De te onderzoeken bodemlaag voor bestrijdingsmiddelen is de (oorspronkelijke) bovengrond (bovenste 30 cm).

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 4 van 8

3. OPZET, UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740

3.1

Onderzoeksopzet

Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypothese en onderzoeksstrategie is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. In onderstaande tabel is aangegeven welke werkzaamheden en analyses volgens de NEN 5740 worden verricht. Tabel 2 Veldwerkzaamheden en analyses Locatie

Strategie

Opp. ca. 1.590 m2 Verklaring tabel: m-mv: meter-maaiveld OCB : NENG :

NENW :

VED-HE-NL

bg: bovengrond

Veldwerk

Analyses

boringen

peilbuizen

bg/vd

og

gw

10x 0,5 m-vd 2x 2,0 m-mv

1x

3x OCB 3x NENG

1x NENG

1x NENW

vd: verdachte laag

og: ondergrond

gw: grondwater

organochloorbestrijdingsmiddelen en organische stof standaard pakket grond (droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte, 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), polychloorbifenylen (PCB), minerale olie) standaard pakket grondwater (9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl, 11 stuks), minerale olie)

Het onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in en op de bodem beperkt zich tot het doen van waarnemingen tijdens de terreininspectie en tijdens het boren. Dit asbestonderzoek is indicatief. Specifiek onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond en/of puin, conform de NEN 5707/5897, maakt geen onderdeel uit van dit bodemonderzoek. Er is niet in de recreatiewoning geboord waardoor er geen uitspraak worden gedaan over de bodemkwaliteit onder de woning. We gaan er vanuit dat de bodemkwaliteit onder de woning niet (noemenswaardig) zal afwijken van de bodemkwaliteit rondom de woning. 3.2

Uitvoering veldwerk

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2002. De uitvoerend veldmedewerker, dhr. P. van Achterberg, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Op 7 juni 2022 zijn in totaal 13 boringen (boringen 101 t/m 113) geplaatst, in diepte variërend van 1,0 – 2,4 m-mv. Boring 113, centraal gelegen op het perceel en het grindpad, is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De situering van de boringen en de peilbuis en enkele overzichtsfoto’s zijn weergegeven in bijlage 1.2 en 1.3. Het omhoog gebrachte bodemmateriaal is ter plaatse zintuiglijk beoordeeld, de vrijgekomen grond is geclassificeerd en bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen (zoals kleur, geur, bijmengingen, verontreinigingen) zijn beschreven in boorprofielen, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. Bij iedere boring zijn monsters genomen van de te onderscheiden bodemlagen. De bodem op de locatie bestaat tot 0,5 m-mv uit klei gevolgd door veen tot de maximale boordiepte. Het grondwater bevond zich tijdens het veldwerk op een diepte van 0,8 à 0,9 m-mv. In en op de bodem is geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen; onder asbestverdacht (plaat)materiaal wordt materiaal verstaan dat op basis van voorkennis en/of een visuele beoordeling een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten.

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 5 van 8

Het grondwater uit de geplaatste peilbuis 113 is op 16 juni 2022 door dhr. P. van Achterberg zorgvuldig afgepompt en bemonsterd. De resultaten van de veldmetingen en eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3 Resultaten veldmetingen en waarnemingen tijdens monstername grondwater Peilbuis

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

pH

EGV (µS/cm)

Troebelheid (NTU)*

Bijzonderheden

113

1,40 - 2,40

0,80

6,3

731

21

-

Verklaring tabel: pH: zuurgraad EGV: elektrisch geleidend vermogen *: Bij een NTU >10 dient het grondwater als troebel te worden beschouwd

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen van de proceseisen opgetreden. 3.3

Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters en de uitgevoerde analyses. De analyseresultaten zijn getoetst aan het vigerende bodembeleid en zijn eveneens weergegeven in de tabel. Daarbij zijn alleen de parameters vermeld die verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrond- c.q. streefwaarde(n). De analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage 3. In bijlage 4 is het wettelijk toetsingskader beschreven en is de uitgebreide toetsing van de analyseresultaten bijgevoegd. Tabel 4 Overzicht grond- en grondwatermonsters en analyseresultaten Grond

Boring met traject (m-mv)

Analyse

Toelichting

> AW

>T

>I

MM01

101 (0,08 - 0,50) 103 (0,25 - 0,50) 111 (0,08 - 0,50) 113 (0,20 - 0,50)

NENG

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

Molybdeen (0,01)

-

-

MM02

104 (0,00 - 0,50) 105 (0,00 - 0,50) 106 (0,00 - 0,50) 107 (0,00 - 0,50)

NENG

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

Nikkel (0,02) Molybdeen (0,01) Kwik (-) Lood (-)

-

-

MM03

109 (0,00 - 0,50) 110 (0,00 - 0,50) 112 (0,00 - 0,50)

NENG

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

Molybdeen (0,01) Kwik (-)

-

-

MM04

101 (0,08 - 0,30) 102 (0,08 - 0,30) 104 (0,00 - 0,30) 105 (0,00 - 0,30)

OCB

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

-

-

-

MM05

106 (0,00 - 0,30) 107 (0,00 - 0,30) 109 (0,00 - 0,30)

OCB

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

-

-

-

MM06

110 (0,00 - 0,30) 111 (0,08 - 0,30) 112 (0,00 - 0,30)

OCB

Kleiige bovengrond, visueel onverdacht

-

-

-

MM07

101 (0,50 - 1,00) 104 (0,50 - 1,00) 107 (0,50 - 1,00) 108 (0,50 - 1,00) 109 (0,50 - 1,00) 113 (0,50 - 1,00)

NENG

Venige ondergrond, visueel onverdacht

Molybdeen (0,01)

-

-

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 6 van 8

Vervolg tabel 4

Overzicht grond- en grondwatermonsters en analyseresultaten

Grondwater

Filterstelling (m-mv)

Analyse

Toelichting

>S

>T

>I

113-1-1

1,40 - 2,40

NENW

-

Barium (0,47)

-

-

Verklaring tabel: OCB : organochloorbestrijdingsmiddelen en organische stof NENG : 9 zware metalen, PAK, PCB, minerale olie, droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte NENW : 9 zware metalen, vluchtige aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie > AW : overschrijding achtergrondwaarde(n) >S : overschrijding streefwaarde(n) >T : overschrijding voormalige tussenwaarde(n) >I : overschrijding interventiewaarde(n) : geen overschrijding (getal) : verontreinigingsfactor t.o.v. de interventiewaarde (interventiewaarde is factor 1) (-) : verontreinigingsfactor is kleiner dan 0,01

Verkennend bodemonderzoek Bosdijk 9 te Kockengen 22-2132-R01ML

pag. 7 van 8

4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van Plannen-makers heeft Inventerra in juni 2022 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Bosdijk 9 te Kockengen. Op de onderzoekslocatie, met een oppervlakte van 1.590 m2, is een vrijstaande recreatiewoning aanwezig. Het terrein rondom is in gebruik als tuin en terras. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en een aanvraag van een Omgevingsvergunning in verband met de geplande nieuwbouw van een woning. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB), zware metalen en PAK. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:  De zintuiglijk onverdachte kleiige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM01 t/m MM03) is licht verontreinigd met enkele zware metalen.  De zintuiglijk onverdachte kleiige bovengrond op de locatie (0 – 0,3 m-mv, MM04 t/m MM06) is niet verontreinigd met bestrijdingsmiddelen.  De zintuiglijk onverdachte venige ondergrond op de locatie (0,5 – 1,0 m-mv) is verontreinigd met molybdeen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2487/documents/54615