Bijlage 8 Ecologische Voortoets Scheendijk 2 en 3.pdf
Tekst van het document
Ecologische Voortoets Scheendijk 2 en 3 te Breukelen Aanvullend onderzoek gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2024-0454
Datum:
18 april 2024
Samensteller:
ing. L. Pieterman
Collegiale toets:
ir. M. Vos
Opdrachtgever:
Plannen-makers
Contactpersoon:
C. Vaartjes
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
5
1.3
Wettelijk kader
6
2 Gebiedsinformatie
7
2.1
Gebiedsbescherming
7
2.2
Gebiedsinformatie
7
2.3
Effectenindicator
8
2.4
Storingsfactoren
9
3 Beoordeling storingsfactoren
10
3.1
Oppervlakteverlies
10
3.2
Versnippering
11
3.3
Verontreiniging
12
3.4
Verdroging
13
3.5
Verstoring door geluid
14
3.6
Verstoring door licht
15
3.7
Verstoring door trilling
16
3.8
Optische verstoring
17
3.9
Verstoring door mechanische effecten
18
4 Conclusie
19
4.1
Samenvatting
19
4.2
Conclusie
19
1 Inleiding Aan de Scheendijk 2 en 3 is een woonperceel/boerenerf met woning en bijgebouwen gesitueerd. Ten behoeve van de natuurontwikkeling aansluitend op het natuurgebied ‘Kievitsbuurt’, is de initiatiefnemer voornemens om de agrarische bedrijfsfunctie aan de Scheendijk 3 te beëindigen. Hiervoor worden een aantal opstallen en een woning gesloopt op Scheendijk 2 en 3. Door toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd op de Scheendijk 3. Voor de beoogde ruimtelijke ingreep is reeds een quickscan Wet natuurbescherming (Ruit, 2024) en een AERIUS stikstofberekening uitgevoerd (Lakerveld, 2023). De stikstofberekening gaf geen verhoging van de stikstofdepositie aan op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Gezien de planlocatie naast een Natura 2000-gebied is gelegen is geadviseerd om een Voortoets ecologie op te stellen om de mogelijke effecten van de ontwikkeling op het nabij gelegen natuurgebied in kaart te brengen. Ten aanzien van externe (verstorende) effecten op het naastgelegen Natura 2000-gebied wordt de beoogde ontwikkeling in voorliggend rapport getoetst om de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen te beoordelen (c.q. Voortoets Ecologie).
Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht deze Ecologische Voortoets op te stellen om mogelijke effecten van de beoogde ruimtelijke ingreep op het nabijgelegen Natura 2000-gebied in kaart te brengen. Voorliggend document voorziet in deze Ecologische Voortoets. Onderzoeksdoelen • Resulteert de voorgenomen ruimtelijke ingreep in een significante verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats of de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied? • Resulteren de voorgenomen werkzaamheden in een significant verstorend effect op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De recreatiewoning met tuin aan de Scheendijk 2.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Scheendijk 2 en 3 te Breukelen (figuur 1.2). Aan de Scheendijk 2 bevindt zich woonperceel met twee woningen en enkele recreatiewoningen. De opdrachtgever is voornemens de recreatiewoning (met garage en tuin) ten noordwesten van de planlocatie te slopen ten behoeve van een nieuwbouwhuis. Hierbij wordt ook de agrarische bedrijfsvoering beëindigd. Scheendijk 3 betreft een boerenperceel met boerderij, bijgebouw, twee hooibergen met een zeshoekig dak, een kapschuur en een veestal. Een van de hooischuren met zeshoekig dak (1), de kapschuur (2) en de veestal (3) worden gesloopt. De twee percelen zijn op ongeveer 300 meter van elkaar gesitueerd. In de quickscan Wnb (Ruit, 2024) is een uitgebreide impressie opgenomen van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocaties (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Scheendijk 2 en 3 Breukelen. Scheendijk 3 geeft nummer 1 de hooischuur met zeshoekig dak weer, nummer 2 de kapschuur en nummer 3 de veestal. De rood gearceerde bebouwing dient gesloopt te worden.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van de agrarische opstallen, recreatiewoning en garage ten behoeve van een nieuwbouwhuis. De functie van Scheendijk 3 dient te wijzingen. Op Scheendijk 2 dient een bouwvlakwijzing plaats te vinden. • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • mogelijk kappen van een enkele boom: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie aan de scheendijk 2 (bron: Plannen-makers).
1.3
Wettelijk kader Als een ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van de ontwikkeling te worden onderzocht. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het niet bij voorbaat vast staat dat er significante gevolgen kunnen optreden als de KDW van een habitattypen en/of leefgebied overschreden wordt (zie onder meer de uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3129). Of een ontwikkeling moet worden beschouwd als een ontwikkeling dat significante gevolgen kan hebben moet per ontwikkeling worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000- gebied en in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het betrokken Natura 2000-gebied (voortoets). In de voorliggende rapportage worden de (eventuele) significante gevolgen op het betrokken Natura 2000-gebied nader uitgewerkt.
6
2 Gebiedsinformatie 2.1
Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen aan het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Op basis van objectieve gegevens wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Een AERIUS stikstofberekening is reeds uitgevoerd, waaruit geen negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn waargenomen. Externe effecten ten aanzien van stikstof worden derhalve niet meegenomen in deze beoordeling.
Figuur 2.1 De planlocatie ligt aan het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
2.2 Gebiedsinformatie In voorliggende rapportage worden de (eventuele) significante negatieve effecten op het omliggende Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ nader uitgewerkt. De planlocatie is geen onderdeel van het Natura 2000-gebied zelf (figuur 2.1). Het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ bestaat uit een reeks van laagveengebieden waarin vele meren en plassen aanwezig zijn die ontstaan zijn door turfwinning. Onder het veen is voor het grotendeel zandgrond aanwezig. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden hebben een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen). Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (Woudaap, Grote karekiet) is aanwezig (?). Het gebied is ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moerasen watervogels (Porseleinhoen, Zwarte stern, IJsvogel) (Natura2000.nl).
7
2.3 Effectenindicator Potentiële effecten van activiteiten op het Natura 2000-gebied kunnen in kaart worden gebracht middels de Effectindicator (Synbiosys Alterra, 2022). De indicator is een interactieve tool waarmee op hoofdlijnen bepaald kan worden welke effecten mogelijk optreden bij een bepaalde ruimtelijke activiteit. De output bestaat uit een tabel waarin per habitat en doelsoort van het gebied wordt aangegeven wat de gevoeligheid is. De indicator is opgesteld om op hoofdlijnen een indicatie te verkrijgen van de potentiële effecten bij ruimtelijke activiteiten. De output dient vervolgens nader geanalyseerd te worden. Niet alle ruimtelijke activiteiten zijn gespecificeerd waardoor de meest gelijkende activiteit geselecteerd dient te worden. Activiteit wonen/woningbouw Om de beoogde ontwikkelingen het beste te kunnen categoriseren is in de ‘effectenindicator soorten’ het effect van de activiteit ‘Woningbouw’ gegenereerd. De ontwikkelingen kunnen leiden tot verschillende tijdelijke en/of permanente effecten.
Figuur 2.1 Effectenindicator van de aangewezen habitattypen en doelsoorten van het Natura 2000gebied (bron: Synbiosys Alterra).
8
2.4 Storingsfactoren De Effectenindicator geeft voor de beoogde ontwikkelingen nabij het Natura 2000-gebied de volgende storingsfactoren (zie figuur 2.2): [1] [2] [7] [8] [13] [14] [15] [16] [17]
Oppervlakteverlies Versnippering Verontreiniging Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trilling Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten
Per storingsfactor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is in de voorliggende casus. De storingsfactoren zijn genummerd volgens de door Synbiosys Alterra gebruikte systematiek. Om de effecten juist te interpreteren zijn de storingsfactoromschrijvingen van de Effectenindicator overgenomen.
9
3 Beoordeling storingsfactoren De invloed van de storingsfactoren op habitattypen en doelsoorten wordt onderstaand toegelicht. De informatie over de storingsfactoren (kenmerking, interactie en andere factoren en werking) is afkomstig van de effectenindicator (Synbiosys Alterra, 2022).
3.1
Oppervlakteverlies Kenmerk Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimumaantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.
Beoordeling Het plangebied ligt in zijn geheel buiten het Natura 2000-gebied. Aangezien de huidige functie en het gebruik van de planlocatie, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een afname van de huidige kwantitatieve noch kwalitatieve waarden van het gebied. De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot een afname van beschikbaar oppervlak van het leefgebied van soorten en/of habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’.
10
3.2 Versnippering Kenmerk Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Beoordeling Een potentiële verbindingsfunctie van een locatie heeft te maken met regelmatige verplaatsingen via vaste routes en met verbindingen tussen leefgebieden. Bijvoorbeeld tussen voedsel- en rustgebieden of migratieroutes om hun leefgebied te vergroten.
De situatie in de beoogde ontwikkeling betreft een netto afname aan bebouwing. Op hetzelfde perceel waar een woning wordt verwijderd wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Belangrijke verbindingsfuncties tussen verschillende leefgebieden worden niet onderbroken door de beoogde ontwikkelingen. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natura 2000-gebied. Tevens is in het oriënterend onderzoek geconcludeerd dat er geen sprake is van essentiële migratieroutes over het plangebied (Ruit, 2024). Derhalve heeft het plangebied geen functie als verbindingsgebied en worden overige algemene functies niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen. Er is ten gevolge van de beoogde ontwikkeling geen sprake van versnippering.
11
3.3 Verontreiniging Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.
Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen leiden zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot een toename van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen. De toe te passen materialen bij de ontwikkeling zijn bij juist gebruik onschadelijk voor flora en fauna. Ten aanzien van het vrijkomen schadelijke (chemische) stoffen bij sloop- en bouwwerkzaamheden gelden strenge wet- en regelgeving. Het is de verwachting dat er geen schadelijke stoffen bij de bouw van de woning gebruikt wordt. Indien deze stoffen worden toegepast worden voldoende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld verantwoord opslag en afvoer, om uitloging naar de omgeving, grondwater en lucht te voorkomen. Daarnaast zullen mogelijke aanwezige schadelijke stoffen in de bestaande bebouwing (c.q. asbest) deskundig, verantwoord en volgens de geldende handelswijzen verwijderd worden. Ecologische (en chemische) processen en interacties worden niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen.
12
3.4 Verdroging Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Beoordeling Er wordt geen extra verharding aangelegd waardoor verdroging op kan treden.
Ook zal er geen extra drainage toegepast worden die de waterhuishouding van de planlocatie of het nabije gelegen natuurgebied aantasten. Verdroging en bijbehorende effecten op flora en fauna treden aannemelijk niet op of nemen niet toe als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
13
3.5 Verstoring door geluid Kenmerk Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosiseffect relatie goed gekwantificeerd. Beoordeling Er is enkel sprake van een tijdelijke toename aan geluidshinder gedurende de sloop- en aanlegfase. Gezien de beoogde situatie het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering betreft zal er een afname aan zwaar verkeer optreden, en dus een afname in permanente effecten ten aanzien van geluid.
Binnen het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ zijn vissoorten aanwezig, namelijk de bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper, die gekenmerkt staan als ‘zeer gevoelig’ voor verstoring door geluid (NDFF, 2014-2024). Van de overige soorten die ‘gevoelig’ zijn voor geluid, zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving (straal 250m) van de planlocatie. In de huidige situatie is er op de planlocatie en in de directe omgeving reeds sprake van bewoning, agrarische bedrijfsvoering, recreatie en (vracht)autobewegingen. Gezien de huidige agrarische bedrijfsvoering op het plangebied is de aanwezige fauna reeds gewent aan diverse niveaus van geluidsverstoring. Tijdens de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden zullen vergelijkbare categorieën zware machines het terrein op- en afrijden als met de agrarische bedrijfsvoering reeds gaande is. De mogelijk aanwezige vissoorten rondom de planlocatie hebben tevens voldoende uitwijkmogelijkheden om naar wens de mogelijke geluidsverstoring te ontwijken. De werkzaamheden leiden niet tot een dermate hoge geluidsbelasting dat er sprake is van significante effecten op (doel)soorten. Het is echter wel het advies om de mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Eventueel aanwezige broedvogels zullen dan geen effecten ten gevolge van geluidshinder ondervinden.
Een andere methode om verstoring op broedvogels te ondervangen is om van tevoren de planlocatie en de directe omgeving (50 meter) te inspecteren op de aanwezigheid van broedende vogels. Indien deze niet aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden. Dit geldt voor zowel algemene broedvogels als doelsoorten voor het Natura 2000-gebied.
14
3.6 Verstoring door licht Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren Geen Gevolg Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Beoordeling In de toekomstige situatie zal er een netto afname aan bouwwerken zijn, waardoor mogelijk ook de totale hoeveelheid lichtuitstraling afneemt. Gezien de beëindiging van de bedrijfsvoering zal er een afname zijn aan verkeersbewegingen, waardoor ook de tijdelijke lichtverstoring van koplampen zal afnemen. Soorten die gevoelig zijn voor licht, zoals veel vleermuissoorten, zijn reeds gewent aan de huidige lichtuitstraling. In de beoogde situatie wordt een woning vervangen, ook hier is geen toename aan lichtverstoring te verwachten. Bij de aanleg van de woning kan gebruik worden gemaakt van bouwlampen.
Ten behoeve van vleermuizen wordt aangeraden om, waar mogelijk, verlichting zo veel mogelijk te minimaliseren. Indien verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) te gebruiken gedurende de uitvoering van het project. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen worden uitgesloten.
15
3.7 Verstoring door trilling Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trillingen is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Beoordeling Binnen het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ is van drie vissoorten bekend dat deze ‘zeer gevoelig’ zijn voor verstoring door trillingen. De vissoorten betreffen de bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper. De aanwezigheid van deze soorten is bekend in de waterwegen rondom de planlocatie. De soorten die ‘gevoelig’ zijn betreffen de meervleermuis, rivierdonderpad en zeggekorfslak. Van deze soorten is de aanwezigheid binnen 250 m vanaf de planlocatie niet bekend (NDFF 2014-2024). Een significante toename aan trillingen is enkel te verwachten tijdens de aanlegfase, gezien er heiwerkzaamheden plaats dienen te vinden voor de nieuwe woning.
In de toekomstige situatie is een afname aan trillingen te verwachten, gezien door de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering minder zware machines op en in de omgeving van de planlocatie zullen rijden. Voor de tijdelijke trillingen hebben de aquatische soorten ruime uitwijkmogelijkheden om te ontsnappen aan de (tijdelijke) verstoring. De heiwerkzaamheden zullen niet verstorend werken op de meervleermuis gezien de soort overdag, wanneer de werkzaamheden plaatsvinden, niet actief is. Zoals al beargumenteerd bij de storingsfactor geluid is er in de huidige situatie reeds sprake van bewoning, recreatie, bedrijfsvoering met zware machines en autobewegingen in de omgeving van het plangebied. Aanwezige fauna is in de huidige situatie dan ook al wel óf gewend aan de reguliere trillingshinder óf reeds verplaatst buiten de verstoringszone. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen worden uitgesloten.
16
3.8 Optische verstoring Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. Een soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen leiden mogelijk tot een tijdelijke lichte toename van activiteiten die optisch waarneembaar zijn voor fauna. Ten aanzien van de aanwezigheid van mensen en voertuigen is hier in de huidige situatie al sprake van. Gezien er momenteel agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt op de planlocatie welke beëindigd zal worden, is er sprake van een afname aan optische verstoring.
De sloopen nieuwbouwwerkzaamheden zullen tijdelijk resulteren in optische verstoring. Van de doelsoorten in het nabij gelegen natura 2000-gebied zijn enkel de roerdomp en de zwarte stern ‘zeer gevoelig’ voor optische verstoring. De roerdomp broedt in dichte rietlanden en de zwarte stern maakt diens nest op drijvende vegetatie (het liefst krabbenscheer). In de directe omgeving (~250 m vanaf de planlocatie) zijn geen waarnemingen van roerdomp of de zwarte stern bekend (NDFF, 20142024). Ook wordt niet verwacht dat de soorten nabij de planlocatie broeden gezien het broedhabitat er ontbreekt en de soorten zeer gevoelig zijn voor menselijke verstoring. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen worden uitgesloten.
17
3.9 Verstoring door mechanische effecten Kenmerk Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren Verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. Beoordeling Gezien de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering kan een significante afname aan mechanische verstoring verwacht worden. Ook zal er netto niet meer woningen bijgebouwd worden, waardoor een toename aan bezoekers aan het Natura 2000-gebied door de beoogde ontwikkeling niet wordt verwacht. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen worden uitgesloten.
18
4 Conclusie 4.1
Samenvatting [1] [2] [7] [8] [13] [14] [15] [16] [17]
Oppervlakteverlies Versnippering Verontreiniging Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trillingen Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten
geen negatief effect geen negatief effect geen negatief effect geen negatief effect geen negatief effect, wel maatregelen geen negatief effect, wel maatregelen geen negatief effect geen negatief effect geen negatief effect
4.2 Conclusie Uit de quickscan Wet natuurbescherming en de Ecologische Voortoets blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het nabij gelegen Natura 2000gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Ten aanzien van aanwezige flora en fauna wordt, in het kader van de Algemene zorgplicht, geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt, mits enkele mitigerende maatregelen worden getroffen, niet tot de aantasting van het Natura 2000-gebied en zijn instandhoudingsdoelen. In de aanlegfase treden mogelijk tijdelijke niet-significant effecten op welke worden ondervangen door maatregelen te treffen of buiten de kwetsbare periodes van specifieke fauna te werken. Mitigerende maatregelen: • Mogelijk verstorende werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief 15 maart – 15 juli), E.e.a. op aanwijzing van deskundige, of het uitvoeren van een broedvogelinspectie. Indien de inspectie wijst dat er geen broedvogels aanwezig zijn binnen de verstoringszone kunnen de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten.
Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
19
Bronvermelding Ruit, A.H.M., 2024. Quickscan Wet natuurbescherming Scheendijk 2 en 3 te Breukelen. Blom Ecologie, Waardenburg Lakerveld, W., 2024. Aeriusberekening Scheendijk 2, Breukelen. Plannen-makers, Utrecht. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Watervleermuis (Myotis daubentonii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Wettelijke bepalingen
20
Bijlage 1
Wettelijke bepalingen
§ 2.3. Beoordeling van plannen en projecten Artikel 2.7 1
Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.
2
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3
Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
4
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.8 1
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
2
In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
3
Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
4
In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
5
Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
6
Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan Onze Minister.
7
Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan. De verplichting om compenserende maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid, tenzij die verplichting volgt uit het programma, bedoeld in artikel 1.13a, tweede lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
8
Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
Artikel 2.9 1
Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten die zijn beschreven in en worden gerealiseerd overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, of een plan of programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, indien:
21
a. ten aanzien van het plan of het programma, althans het desbetreffende onderdeel, een passende beoordeling van projecten is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, en b. het bestuursorgaan dat het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, voor een dergelijk project, of, als dat niet het geval is, het laatstbedoelde bestuursorgaan heeft ingestemd met het onderdeel van het plan of programma dat betrekking heeft op het project. 2
Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten, behorende tot door provinciale staten bij verordening of, indien dat in het algemeen belang geboden is, bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van projecten, indien ten aanzien van het project is voldaan aan bij of krachtens die verordening of bij ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. een drempelwaarde die door het project niet mag worden overschreden; b. de wijze waarop een project wordt gerealiseerd; c. de ligging van de locatie waar een project wordt gerealiseerd ten opzichte van een Natura 2000-gebied, een natuurlijke habitat of een habitat van een soort in dat gebied; d. de te verrichten onderzoeken naar de gevolgen van de realisatie van een projecthandeling voor de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied; e. de voorafgaand aan of tijdens de realisatie van een project te treffen maatregelen om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied worden aangetast; en f. de melding van het voornemen een project te realiseren aan een bij of krachtens de verordening of ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de melding wordt gedaan, en de daarbij te overleggen gegevens.
3
Op grond van het tweede lid kunnen uitsluitend categorieën van projecten als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, worden aangewezen: a. ten aanzien waarvan op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kunnen hebben; b. ten aanzien waarvan een passende beoordeling is gemaakt waaruit zekerheid is verkregen dat de projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zullen aantasten; of c. waarvoor de afwijking van artikel 2.7, tweede lid, met inachtneming van artikel 2.8, vijfde lid, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
4
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of plannen, projecten of andere handelingen dan projecten als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, gevolgen als bedoeld in artikel 2.7, eerste of tweede lid, kunnen hebben. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee gevolgen kunnen worden bepaald.
5
Een ministeriële regeling als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2.9a De gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, worden buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.
22
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 23