Bijlage 5 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
In het geval van dit planvoornemen geldt dat op basis van het aandeel zwaar vrachtverkeer, de lage frequentie van expeditie en de afstand van de omliggende wegen tot het projectgebied geen effecten van trillingshinder te verwachten zijn. Voor trillingen door railverkeer moet dan ook worden gekeken naar het aandeel goederenvervoer en de ligging ten opzichte van het projectgebied. Het projectgebied ligt op een afstand van meer dan 250 meter tot het spoor, op basis van deze afstand zijn geen effecten van trillingshinder te verwachten zijn. Voor trillingen door industriële activiteiten moet worden gekeken naar de ligging van het projectgebied ten opzichte van industriële activiteiten. In het geval van dit planvoornemen geldt dat op basis van de afstand van industriële activiteiten tot het projectgebied er geen effecten van trillingshinder te verwachten zijn gelet op de afstand tot industriële activiteiten. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6 Ecologie Kader In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000 -gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten - en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbesch erming.
Het gebieds - en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Toetsing In september 2025 is door Antea Group een natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 5). Doel van de natuurtoets is om inzicht te krijgen in de beschermde gebieden en beschermde soorten in en rondom het projectgebied. De resultaten uit dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000 -gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden is Oostelijke Vechtplassen op circa 2,3 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Het gebied is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.
In een straal van 25 kilometer liggen de volgende Natura 2000 - gebieden: Naardermeer, Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Lepelaarplassen, Zouweboezem, Uiterwaarden Lek, Vecht - en Beneden- Reggegebied, Markermeer & IJmeer, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein en Liniepolder & Diefdijk-Zuid. Bij voorliggend planvoornemen is zowel sprake van een realisatiefase als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de storingsfactoren, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000 -gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is er een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van AERIUS Calculator. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V.
27 Stikstofdepositie Door Natuurbank Overijssel is in oktober 2025 een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is in februari 2026 geactualiseerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6. Om stikstofdepositie in omliggende Natura 2000 - gebieden te berekenen is gebruik gemaakt van het verplicht gestelde rekenprogramma AERIUS-calculator (Versie 2025.2). Hiermee is de emissie voor de realisatiefase en gebruiksfase berekend. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator gedurende de ontwikkelfase (rekenjaren 2027 en 2028) en de gebruiksfase (rekenjaar 2031) een toename van stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar in één Natura 2000-gebied: Oostelijke Vechtplassen. De toename is echter beperkt. In de rekenjaren 2029 en 2030 (ontwikkelfase) is er geen sprake van een toename van depositie. Omdat uit de stikstofberekening blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000 -gebied Oostelijke Vechtplassen , is een voortoets uitgevoerd. D eze beoordeling is als bijlage 7 bijgevoegd. In het rapport wordt getoetst of de berekende toename aan stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor het betreffende Natura 2000 -gebied.
Uit de ze ecologische beoordeling blijkt dat h et voorgenomen project op zichzelf, of in combinatie met andere reeds vergunde maar nog niet gerealiseerde projecten, niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van de betreffende habitattypen /leefgebieden van soorten in het Natura 2000 -gebied Oostelijke Vechtplassen. Het voorgenomen project staat niet in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 -gebied kunnen worden gehaald. Significante gevolgen voor het Natura 2000 -gebied Oostelijke Vechtplassen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Het voorgenomen project kan worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Natuur Netwerk Nederland (NNN) In het projectgebied is geen NNN -gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN -gebied bevindt zich op circa 730 meter ten noorden van het projectgebied. Op grond van de provinciale verordening in de provincie Utrecht hoeft niet getoetst te worden op externe werking en zijn vervolgstappen niet aan de orde. Overige beschermde gebieden Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van de Groene contour, weidevogelkerngebieden, ganzenrustgebieden en/of natuurparels. Er zijn wat betreft overig provinciaal beleid geen vervolgstappen benodigd.
Beschermde houtopstanden In het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig (houtopstanden van minimaal 10 are en rij- of laanbeplantingen van meer dan 20 bomen). Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden daarom geen beschermde houtopstanden gekapt. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom niet noodzakelijk. Soortenbescherming Binnen het projectgebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroep: vleermuizen. Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Verblijfplaatsen Het politiekantoor bevat diverse openingen in de spouwmuur. Tevens is er ruimte aanwezig tussen de muur en de overhang van het dak. Deze openingen geven vleermuizen toegang tot de spouwmuur van het politiekantoor en/of het dak waar ze naar toe weg kunnen kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, baardvleermuis, Brandts vleermuis, tweekleurige vleermuis ) kan niet worden uitgesloten.
Nader onderzoek is benodigd en vindt in de hiervoor vastgestelde periode plaats. Zodra blijkt dat er mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk zijn, worden deze genomen. Hiermee is het project niet evident onuitvoerbaar. In het projectgebied zijn bomen aanwezig, het betreft enkele Amerikaanse eiken en een taxus. Deze bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holen/gaten en/of loshangend schors, welke niet zijn aangetroffen. Ook Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 28 de canadapopulieren ten zuiden van het projectgebied zijn gecontroleerd op holen/gaten en/of loshangend schors, welke ook hier niet zijn aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten (rosse vleermuis en bosvleermuis) worden uitgesloten. Vliegroutes De canadapopulieren ten zuiden van het projectgebied zouden als vliegroute kunnen dienen. Deze vliegroute volgt verder de bomen en watergang langs de Safariweg. Onder het huidige planvoornemen worden deze bomen aan de zuidzijde van het projectgebied en de watergang niet verwijderd en blijft de potentiële vliegroute bestaan. Het projectgebied bevindt zich in een stedelijke omgeving waardoor er constant een hoge mate van lichtvervuiling aanwezig is.
Het planvoornemen zal geen significante verhoging van de bestaande lichtvervuiling veroorzaken, hierdoor blijven potentiële vliegroutes onder het h uidige planvoornemen behouden. Er zijn wat betreft vliegroutes geen vervolgstappen aan de orde. Foerageergebied In het projectgebied is sprake van opgaande begroeiing. Daarbij is geen sprake van unieke beplanting en/of structuren die enkel in het projectgebied aanwezig zijn. Bij verwijdering van deze begroeiing blijft er voldoende beschut en geschikt foerageergebied over in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daardoor geen sprake van essentieel foerageergebied in het projectgebied. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7 Luchtkwaliteit Kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl) zijn voor de kwaliteit van de buitenlucht omgevingswaarden vastgelegd. Maatgevend voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM 10 en PM 2,5). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit voor namelijk in de zogenoemde aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden zijn aangewezen in artikel 5.51 van het Bkl. Dit geldt alleen voor NO2 en PM10. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 of PM 10.
Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Het kan ook voorkomen dat de achtergrondconcentratie zo hoog is, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, mits deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente besluit activiteiten toe te laten die leiden tot verkeersaantrekkende werking of b ewegingen, óf waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit heeft ook betrekking op activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aa n extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de emissie van NO 2 of PM10 concentraties. Dit is opgenomen in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl .
Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. De grenswaarden voor de stoffen zijn als volgt: Tabel: Grenswaarde concentratie stoffen (Bron: Luchtwaarden Bkl) Stoffen Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5) Grenswaarden 40 μg/m3 40 μg/m3 25 μg/m3 Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. Hieraan kan worden getoetst in de planomgeving door middel van kaarten van Atlasleefomgeving.nl | . Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in ieder geval rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). De heersende luchtkwaliteit is daarbij | – ook buiten aandachtsgebieden | - een van de te beoordelen aspecten, aangezien luchtverontreiniging effect kan hebben op de gezondheid van mensen. Toetsing Het projectgebied | bevindt zich niet in een | luchtaandachtsgebied zoals bedoeld in artikel | 5.51 van het Bkl. De gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit hoeven daarom niet te worden beoordeeld. | Rekening houdend met de locatieomvang en de opzet van het plan | , zal het initiatief per definitie niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Tabel 4-3: Hoogste concentraties NO2, PM10 en PM2.5 in het projectgebied (Bron: Atlas Leefomgeving) Stoffen | Grenswaarden | Waarden projectgebied Stikstofdioxide (NO2) | 40 μg/m3 | 16 μg/m3 Fijnstof (PM10) | 40 μg/m3 | 16 μg/m3 Fijnstof (PM2,5) | 25 μg/m3 | 10 μg/m3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 | Windhinder Kader Windhinder is meer dan 'tegenwind' voor fietsers of voetgangers. Naast nuttig (windenergie) kan wind ook hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Mensen mijden recreatieve plekken als het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Sociale en economische effecten van windhinder zijn vooral te merken bij activiteitengebieden zoals terrassen en looproutes. Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld.
De gemeente kan de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. | Als richtwaarden | voor de windhinderklassen wordt | onderstaande tabel aangehouden. 29 Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 30 Toetsing De torens hebben een hoogte van 36,5, 51,5 , en 66,1 meter (exclusief dakrand ) hoog. Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lo kale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Daarom is door Actiflow in maart 2026 een onderzoek naar windhinder en windgevaar uitgevoerd. In de berekening is rekening gehouden met de luifel voor de oostelijke woontoren . Het rapport is bijgevoegd als bijlage 8. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Het heersende windklimaat in het projectgebied varieert van windhinderklasse A (geschikt voor alle activiteiten) tot en met klasse D (matig geschikt voor de activiteit doorlopen). De zones met windhinderklasse C bevinden zich op locaties waar geen andere voetgangersactiviteiten worden verwacht dan 'doorlopen' en zullen daardoor geen hinder veroorzaken .
Om te zorgen dat de windcondities deze zone geen hinderlijke of gevaarlijke situaties veroorzaken, wordt aanbevolen om deze gebieden voor voetgangers niet-preferent te maken. Hierbij kan gedacht worden aan het inpassen van een groenstrook. Aan de Safariwegzijde liggen er in de doorgang tussen de torens twee zones met klasse D. Deze gebieden bieden een matige kwalificatie voor de activiteit 'doorlopen'. Dit is acceptabel. In deze zones geldt ook een beperkt risico op windgevaar. Ook hier geldt dat het inpassen van een groenstrook hinderlijke of gevaarlijke situaties door wind tegengaat. In de rest van het projectgebied is er geen risico op windgevaar waargenomen. De gebouw-entrees van de torens aan de noord - en zuidzijde hebben een uitstekende windhinderklasse voor het gebruik van entrees (klasse A). De entree van de oostelijke toren (toren 3) ligt in een gebied met klasse C. De plaatsing van de entree in een gebied met klasse C kan hier geaccepteerd worden omdat de interne inrichting van de binnenkomsthal beschutting biedt. Er kan geconcludeerd worden dat er na realisatie van de nieuwbouw een acceptabel windklimaat zal heersen. Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9 Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging.
Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van b estaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie versc hillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22); • regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Toetsing Door Antea Group is in oktober 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 9. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 31 Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de grond geen overschrijding van de interventiewaarde is aangetoond. De ondergrond voldoet plaatselijk aan de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’ en de boven - en ondergrond aan de klasse ‘landbouw/natuur’. Voor PFAS zijn geen gehalten boven de rapportagegrens gemeten en het gehalte overschrijdt de INEV -waarde niet. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringsparameter vastgesteld. De voorlopige veiligheidsklasse is ‘basishygiëne’.
De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het projectgebied. Met de resultaten van dit onderzoek is de actuele kwaliteit van de bodem voldoende bepaald. Er kan worden geconcludeerd dat de bodem (grond en grondwater) ten hoogste licht verontreinigd is. De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.10 Ontplofbare oorlogsresten Kader In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en om het projectgebied nog ontplofbare oorlogsresten (oo) in de bodem aanwezig zijn. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze ontplofbare oorlogsresten uitgesloten te worden of dienen de resten verwijderd te worden. Toetsing Door Antea Group is in augustus 2025 een onderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 10. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Uit het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten aangetroffen. Bij de voorgenomen werkzaamheden hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met het aantreffen van OO.
Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een OO aangetroffen worden, dan dient het protocol ‘Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten’ aangehouden te worden. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11 Archeologie Kader In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is de definitie van cultureel erfgoed opgenomen. Dit omvat monumenten, archeologische vindplaatsen, historische stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, en ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is verplicht om bij de belangenafweging de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie te betrekken, zowel vo or beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze deskundig te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. Toetsing Voor het projectgebied geldt het parapluplan Archeologie. Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 4 -5.
Hierin is bepaald dat het overleggen van een archeologisch rapport niet verplicht is als het bouwwerk een oppervlakte heeft van maximaal 100.000 m², ongeacht de diepte van de bodemingrepen. Omdat het bouwwerk kleiner is dan de drempelwaarde van 100.000 m², is het niet nodig om een archeologisch rapport te overleggen. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 32 Figuur 4-5: Uitsnede verbeelding Parapluplan Archeologie (Bron: Regels op de kaart) Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.12 Cultuurhistorie en erfgoed Kader Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke- en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal, de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. Het Bal stelt onder andere regels aan rijksmonumenten. De provinciale omgevingsverordening stelt regels aan provinciale monumenten (zoals provinciale monumenten, molenbiotopen en landgoed - en kasteelbiotopen). In het omgevingsplan legt de gemeente de te be schermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet de gemeente voldoen aan de instructieregels van het Rijk (paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl ).
Deze instructieregels gelden ook bij het afwijken van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Beleid provincie Utrecht In de provincie Utrecht dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT)’. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Toetsing Na raadpleging van de CHAT blijkt in of in de omgeving van het projectgebied geen cultureel erfgoed te liggen of andersoortige cultuurhistorisch waardevolle elementen , zoals rijks - of gemeentelijke monumenten, waar bij de planvorming rekening mee moet worden gehouden (zie figuur 4-6). Het Amsterdam-Rijnkanaal wordt op de CHAT aangemerkt als militair erfgoed , omdat militair erfgoed direct verbonden is met het kanaal . Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. Beschermde maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk.
Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 33 Figuur 4-6: Uitsnede CHAT, projectgebied aangeduid met rode cirkel Conclusie Het aspect cultuurhistorie en erfgoed vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.13 Weging van waterbelang Kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een ontwikkeling wordt vaak een onderzoek voor de waterhuishouding uitgevoerd. Vervolgens worden de verschillende waterhuishoudkundige belangen afgewogen. In de onderzoeken worden niet alleen de wateraspecten opgenomen, maar ook welke maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van onder andere klimaatadaptatie. Toetsing Door Antea Group is in januari 2026 een weging van het waterbelang opgesteld. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 11. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Oppervlakteverharding In de bestaande situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit verhard oppervlak. Hierbij is de ruimte naast de parkeergarage als verhard beschouwd.
Het totale verharde oppervlak (dak en verharding) bedraagt circa 3.994 m² (98,8% van het plangebied). Het onverharde oppervlak bedraagt circa 47 m² (1,2% van het plangebied). In de toekomstige situatie is onderscheid gemaakt tussen dakoppervlak, verharding, open verharding en groen. Oppervlakken onder overstekken zijn beschouwd als verhard oppervlak, aangezien hier geen directe infiltratie van hemelwater plaatsvindt. Het dakoppervlak bedraagt circa 2.303 m² (57%), de verharding 1.596 m² (39.5%) en het onverharde oppervlak bedraagt circa 142 m² (3,5%). In figuur 4-7 is de toekomstige oppervlakteverdeling
Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 34 weergegeven. Door de geplande ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af met 95 m² ten opzichte van de huidige situatie. Figuur 4-7: Oppervlakteverdeling toekomstige situatie Wateropgave Een afname van verhard oppervlak zorgt voor minder directe afvoer van hemelwater en heeft daarmee een positief effect op de waterhuishouding. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak, waardoor de compensatieplicht van het waterschap niet van toepassing is. Voor de bepaling van deze opgave is het gemeentelijk beleid van de gemeente Stichtse Vecht van belang. Conform het uitgangspunt “strengste norm is leidend” wordt het ontwerp afgestemd op de zwaarstwegende eis. Volgens artikel 9.2 van de Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht (2023) moet bij nieuwbouw minimaal 50 mm neerslag worden verwerkt op eigen terrein, gerekend over het bebouwd/verhard oppervlak. Het totale verhard oppervlak in de toekomstige situa tie bedraagt: 3.899 m ². De vereiste bergingscapaciteit bedraagt daarmee: 3.899 m² x 0,05 m = 195 m³. Waterberging De benodigde waterberging van circa 195 m³ kan worden gerealiseerd door een combinatie van maatregelen op daken en in de inrichting van de buitenruimte. 830 m² dakoppervlak kan worden ingericht als sedumdak.
Intensieve groene daken hebben een waterbergende capaciteit van circa 60 mm, waarmee hemelwater tijdelijk wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd. Bij de aanleg van groene daken moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de constructie; de gebouwen moeten het extra gewicht van een groenblauw dak kunnen dragen. Bij een beschikbaar dakoppervlak van circa 830 m² resulteert dit in een bergingscapaciteit van 830 m² × 0,06 m = circa 50 m³. Daarnaast wordt de verharding binnen het plangebied deels uit gevoerd als open bestrating met waterbergende fundering (lavasteen). Deze fundering maakt het mogelijk om hemelwater tijdelijk te bergen en te laten infiltreren in de ondergrond. Bij een oppervlak van circa 997 m² open verharding en een waterbergende laag van 0,3 m met een holle ruimte van circa 48%, bedraagt de bergingscapaciteit 997 m² × 0,30 m × 0,48 = circa 144 m³. Met deze maatregelen beschikt het projectgebied over een totale waterbergende capaciteit van circa 194 m³. Hiermee wordt nagenoeg volledig voldaan aan de benodigde wateropgave van circa 195 m³. In de verdere uitwerking kan de resterende afronding worden geborgd.
Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 35 Watersysteem Het projectgebied maakt deel uit van het regionale watersysteem van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). De dichtstbijzijnde watergangen liggen op circa 45 tot 55 meter van het plangebied en hebben vaste peilen van respectievelijk NAP –1,10 m en NAP –1,65 m. Deze watergangen vormen het lokale afvoerstelsel richting het Amsterdam‑Rijnkanaal. De herontwikkeling leidt niet tot ingrepen in bestaande watergangen en er wordt geen oppervlaktewater gedempt of nieuw aangelegd. Omdat het hemelwater volledig op eigen terrein wordt verwerkt, neemt de afvoer naar het omliggende watersysteem niet toe ten o pzichte van de huidige situatie. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van HDSR, die voorschrijven dat ruimtelijke ontwikkelingen geen extra belasting op het regionale watersysteem mogen veroorzaken. Door het toepassen van voldoende waterberging en infiltratievoorzieningen ontstaat er geen versnelde afstroming richting de watergangen en blijft het vaste peilbeheer van HDSR onaangetast. Negatieve effecten op doorstroming, peilbeheer of waterkwaliteit worden daarmee voorkomen. Grondwater Op basis van de beschikbare peilbuisgegevens bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) circa NAP –1,0 m.
Met een maaiveldhoogte tussen NAP –0,1 m en –0,4 m resulteert dit in een ontwateringsdiepte van circa 0,7 tot 1,3 meter, wat voldoet aan de landelijke richtlijnen. De ontwikkeling omvat geen ondergrondse bouwdelen of noemenswaardige maaiveldverhoging, waardoor het grondwaterregime in de toekomstige situatie gelijk blijft aan de huidige. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermings gebied of boringsvrije zone en er zijn geen aanwijzingen voor kwel of beïnvloeding door nabijgelegen onttrekkingen. De grondwatercondities vormen geen beperking voor de ontwikkeling. Negatieve effecten op grondwaterstanden of de omgeving worden niet verwacht. Vuil- en hemelwater De nieuwe gebouwen worden aangesloten op het bestaande gescheiden vuilwaterriool in de wijk Bisonspoor. Conform het gemeentelijk rioleringsplan is in dit gebied een droogweerafvoer aanwezig. In overleg met de gemeente Stichtse Vecht wordt bevestigd dat de bestaande riolering voldoende capaciteit heeft voor de afvalwaterstroom van de circa 332 appartementen en voorzieningen. Er worden geen ondergrondse bouwdelen gerealiseerd, waardoor risico’s op instroming van grond- of rioolwater niet aan de orde zijn. Volgens artikel 9.2 van de Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht (2023) moet al het hemelwater van nieuwe bebouwing op eigen terrein worden verwerkt.
Hemelwater van daken en verhard oppervlak wordt daarom niet aangesloten op het hemelwaterriool of op oppervlaktewater. Het hemelwater wordt lokaal verwerkt door middel van infiltratie en berging. Hierbij wordt voldaan aan de gemeentelijke eisen: • Minimaal 50 mm berging; • Een maximale afvoer van 1 l/m²/uur in de eerste 24 uur; • De voorziening moet binnen 60 uur opnieuw beschikbaar zijn. Waterkwaliteit Om hemelwater dat van de daken en overige verharde oppervlakken, afstroomt te mogen infiltreren/bergen, dient onder meer aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: • Vereist is de toepassing van niet -uitloogbare bouwmaterialen als kunststoffen en geen zink, lood, koper of asfalt. Staal, aluminium en zink voorzien van een duurzame coating kan wel worden toegepast. Hierbij ontstaan geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen); • Hemelwater van (afgekoppelde) verhardingen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Bij de communicatie met de toekomstige gebruikers van het projectgebied moet duidelijk worden gewezen op de risico’s van het toepassen van chemicaliën en dergelijke en de gevolgen voor de waterkwaliteit van het niet naleven van deze regels. De ontwikkeling van het projectgebied heeft beperkte impact op de waterkwaliteit.
Binnen het projectgebied wordt hemelwater afgekoppeld van het vuilwaterriool en lokaal geïnfiltreerd of geborgen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater onnodig wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, wat bijdraagt aan het verminderen van belasting op het zuiveringssy steem en het verbeteren van de waterkwaliteit in de regio. De Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 36 locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en er zijn geen waterkwaliteitsknelpunten bekend in de directe omgeving. Wateroverlast Bij extreme neerslag (70 mm in 2 uur, ≈ T=100) kan lokaal waterdiepte tot circa 20–25 cm ontstaan. Wateroverlast treedt op wanneer neerslag niet snel genoeg infiltreert of wordt geborgen. De hier voorgestelde maatregelen zorgen ervoor dat hemelwater onder normale omstandigheden volledig op eigen terrein wordt verwerkt, conform de gemeentelijke voorkeursvolgorde vasthouden – bergen – afvoeren. Hierdoor neemt de afvoer naar het regionale watersysteem niet toe. Waterveiligheid Volgens de legger van HDSR ligt het projectgebied buiten de kern‑ en beschermingszones van waterkeringen . Er zijn daardoor geen aanvullende eisen . of risico’s op het gebied van waterveiligheid. De ontwikkeling heeft geen invloed op waterstaatswerken en brengt de regionale waterveiligheid niet in het geding.
Weging waterbelang Op basis van deze weging wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling waterhuishoudkundig uitvoerbaar is binnen de beleidskaders van de gemeente Stichtse Vecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, mits de waterbergingsopgave volledig en conform de eisen wordt gerealiseerd. Conclusie Het aspect waterbelang vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.14 Klimaatadaptatie Kader Klimaatverandering heeft een directe invloed op onze leefomgeving. Extreme weersomstandigheden zoals stormen, droogte en hevige regenval nemen toe en veroorzaken schade in zowel stedelijke als natuurlijke gebieden. Steden kampen met hitte -eilanden, overstr omingen en druk op infrastructuur. Dit heeft niet alleen gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit, maar ook voor de werking van stedelijke systemen. Klimaatadaptatie en -mitigatie zijn essentieel om deze effecten te beperken en onze omgeving veerkrachtig te maken. De gevolgen van klimaatverandering zijn opgedeeld in vier thema’s: 1. Wateroverlast: Water in gebouwen en water op straat bij extreme neerslag voorkomen en de bereikbaarheid van ontwikkelingen langs hoofdwegen en andere wegen waarborgen. 2. Hitte: Voldoende koele plekken in de openbare ruimte creëren en zorgen voor ruimte voor groen en water in bebouwde gebieden. 3.
Droogte: Schade aan infrastructuur, groenvoorzieningen, waardevolle bomen en negatieve effecten op de waterkwaliteit, natuur en landbouw voorkomen. 4. Ruimtelijke aanpassingen: Klimaatadaptief ruimtegebruik in het centrum bevorderen en klimaatadaptieve nieuwbouw stimuleren. Toetsing Wateroverlast De kans op een overstroming verschilt per gebied. Een groot deel van Nederland kan bij een overstroming onder water komen te staan. De kans op een overstroming wordt groter door klimaatverandering. Rivieren hebben meer piekafvoer en de zeespiegel stijgt. Of een gebied gevoelig is voor overstroming is afhankelijk van de hoogte en inrichting van het gebied. De Atlas Leefomgeving laat de kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier zien . Voor het projectgebied geldt een zeer kleine overstromingskans, zie figuur 4-8. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 37 Figuur 4-8: Kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier in het projectgebied (Bron: Atlas Leefomgeving, 2026) Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Wateroverlast is bij deze extreme buien niet te voorkomen. Het is daarom niet de vraag of, maar vooral waar de wateroverlast zal optreden, en welke gevolgen te verwachten zijn . Figuur 4-9 geeft inzicht in waar water op straat blijft staan na een extreme bui.
De kaart is gebaseerd op een Rainfall overlay. Voor het model is een regenbui gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. Uit de kaart blijkt dat binnen het projectgebied overwegend weinig wateroverlast optreedt. Wel is aan de westzijde van het projectgebied, nabij de bestaande garage, een lokale laagte zichtbaar waar water zich tijdelijk kan ophopen tot een diepte van > 30 cm. Bij de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met deze lokale wateroverlast door passende maatregelen voor waterberging en -afvoer te treffen, zie paragraaf 4.13. Hierdoor vormt wateroverlast geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Figuur 4-9: Water op straat projectgebied Hittestress Klimaatverandering leidt niet alleen tot extremere buien, maar ook tot meer hittegolven. Vanwege het hitte - eilandeffect is de hittestress in stedelijk gebied gemiddeld hoger dan in het landelijk gebied. In figuur 4-10 is de mate van mogelijke hittestress weergegeven. Hierin is duidelijk te zien dat plekken rondom de bestaande bebouwing warmer zijn. Enkel aan de randen van het projectgebied groeien bomen. Op plekken waar meer groen of water is, is de gevoelstemperatuur lager. De groenstructuur in Maarssen is nauw verweven met de wegenstructuur. Langs hoofdwegen, de A2 en tussen woonwijken is het wijkgroen gegroepeerd aangelegd.
Hoewel er in Maarssenbroek diverse typen groengebieden aanwezig zijn, zoals wijkparken en buurtplants oenen,
Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 38 bevinden zich geen van deze binnen het projectgebied. Dit benadrukt het belang van het integreren van groen in het ontwerp. Door de geplande ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af met 95 m² ten opzichte van de huidige situatie. Met de ontwikkeling wordt ingezet op het toevoegen van groenstroken en bomen in de openbare ruimte. Daardoor wordt ten opzichte van de huidige situatie met het planvoornemen meer schaduw gerealiseerd. Figuur 4-10: Hittestress projectgebied Droogte Bij droogteschade is sprake van een tekort aan grondwater. Door de geplande ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af met 95 m² ten opzichte van de huidige situatie. Door de realisering van waterberging in het projectgebied neemt de droogtestress in het projectgebied niet significant toe. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.15 Duurzaamheid Kader Gemeente Stichtse Vecht zet concrete stappen om bij te dragen aan de landelijke klimaatdoelstellingen. Dit vraagt om het maken van scherpe keuzes die in het programma ‘Op weg naar Nieuwe Energie 2023 -2026’ staan beschreven.
Aan de hand van vier thema’s stimuleert de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijk partners op het gebied van verduurzaming: • Opwekken van duurzame energie in de vorm van zonne-energie; • Besparen op energiekosten en verduurzamen van woningen; • Vervangen van aardgas door duurzame bronnen van warmte; en • Verduurzaming van de eigen organisatie. Een duurzame leefomgeving is essentieel voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan behoud of verbetering van de omgevingskwaliteit en het voorkomen van schade en overlast. Daarbij moet reke ning worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden, zoals technologische ontwikkelingen en de betrouwbaarheid van het energiesysteem. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Toetsing Met onderhavig planvoornemen kan de gemeente inzetten op een duurzamere leefomgeving door de ontwikkeling te laten aansluiten op de ambities ten aanzien van duurzaamheid.
Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 39 Naast de geldende vereisten voor energieneutraal bouwen en mogelijk hergebruik van materialen , kan de gemeente met de komst van nieuwe woningen hier nog meer richting aan geven. Nieuwbouwprojecten kunnen energie-efficiënt worden ontworpen door gebruik te maken van hoogwaardige isolatie, energiezuinige apparaten en systemen en hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen of warmtepompen. Met de ontwikkeling wordt gestreefd om de energiebehoefte te minimaliseren en zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam op te wekken. Het ontwerp van het voorliggende plan sluit aan bij de doelstellingen uit het Programma ‘Op weg naar Nieuwe Energie 2023-2026’. In het projectgebied worden alle woningen aardgasloos opgeleverd. Energie wordt duurzaam opgewekt en de oriëntatie van de zonnepalen kan worden geoptimaliseerd voor het opwekken van zonne -energie. Er worden voorzieningen aangelegd voor het opladen van elektrische voertuigen. B ij de uitwerking van het energieconcept wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het ontlasten van het elektriciteitsnet, zodat de energiebehoefte kan worden gefaciliteerd binnen de huidige netcapaciteit. Daarnaast wordt groen gerealiseerd en wordt voldaan aan de eisen voor waterberging.
De ontwikkeling zorgt daarmee voor een bijdrage aan de doelstellingen van de omgevingsvisie. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.16 Gezondheid Kader Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan h et veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving.
Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.1 02 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid. De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld: 1. rookvrije omgeving; 2. aantrekkelijke plekken; 3. gezond gewicht; 4. wonen en druk verkeer; 5. voorzieningen dichtbij; Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V.
40 6. actief vervoer; 7. fiets- en ov-verbindingen; 8. gezond binnenklimaat; 9. prettig wonen 10. geschikte woningen. Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD-omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema’s luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw . Toetsing Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp van de onderliggende motivatie tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid. De beoogde ontwikkeling bevordert de leefomgeving van bewoners. Nieuwbouwwoningen kunnen bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap. Door klimaatverandering wordt extreme hitte een steeds groter aandachtspunt in Stichtse Vecht, ook bij nieuwe ontwikkelingen zoals Centerspoor.
Hitte heeft niet alleen invloed op het comfort en welzijn van bewoners – bijvoorbeeld door verminderde productiviteit en een verhoogd risico op gezondheidsklachten – maar vormt ook een direct gevaar voor kwetsbare groepen. Volgens het RIVM lopen met name ouderen, chronisch zieken, mensen met overgewicht, kinderen en anderen die minder goed voor zichzelf kunnen zorgen extra risico bij hittegolven. Uit het onderzoek “De hittebestendige stad” van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat het creëren van schaduw de meest effectieve manier is om de gevoelstemperatuur te verlagen. Daarnaast is het aanleggen van zoveel mogelijk groene en blauwe (water) opper vlakken op wijkniveau de beste strategie om de luchttemperatuur structureel te verlagen. Daarom wordt bij de ontwikkeling van Centerspoor nadrukkelijk ingezet op het toevoegen van groenstroken en bomen in de openbare ruimte. Hiermee wordt niet alleen het wooncomfort vergroot, maar wordt ook actief bijgedragen aan een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor alle toekomstige bewoners. Hiermee draagt de gemeente bij aan een gezonde leefomgeving. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.17 Infrastructuur en/of kabels en leidingen Kader Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook.
Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De hiernavolgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal); d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl); e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal). Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V.
41 Toetsing Binnen en in de nabijheid van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen, als verstaan in artikel 3.101 van het Bal, aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect infrastructuur en/of kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.18 Mer-beoordeling Kader Het instrument milieueffectrapport (MER) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een ontwikkeling voor alle relevante milieuasp ecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnem er bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. Voor ontwikkelingen geldt het wettelijk kader voor milieueffectrapporten dat is omschreven in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De toepassingsregels zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een proj ect-mer-plichtig of mer -beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (kolom 1) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-plicht of mer-beoordelingsplicht van toepassing zijn. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit kolom 2 en kolom 3. In kolom 2 zijn de gevallen opgenomen waarvoor een mer -plicht geldt en in kolom 3 zijn de gevallen opgenomen waarin een mer-beoordelingsplicht geldt. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling valt onder de MER-categorie “J11 Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is vastgelegd dat voor een besluit over een omgevingsplan voor deze activite it geen project -mer-plicht geldt, maar wel een mer-beoordelingsplicht. Deze mer-beoordeling is toegevoegd als bijlage 12 bij deze motivering. Conclusie Gelet op de beoordeelde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 42 5.
Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de participatie rondom het voorlopig ontwerp van de ontwikkeling Centerspoor is een participatieaanpak opgesteld en uitgevoerd. Een samenvatting en verantwoording van de participatie is bijgevoegd als bijlage 13 . Hieronder volgt een toelichting op de manier waarop de omgeving is geïnformeerd en betrokken . Verplichte participatie Onder de Omgevingswet is participatie vormvrij. De gemeenteraad heeft gevallen aangewezen waarin vormvrije participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht is. De gemeenteraad wil nog meer sturen op participatie en d aarom worden sommige gevallen op de advieslijst omschreven als minimale prestaties voor participatie. Dit wordt de ‘drempelwaarde participatie’ genoemd. In geval van de realisering van 25 of meer nieuwe woningen moet overleg gevoerd worden met omwonenden via een klankbordgroep . Er is een klankbordgroep Bisonspoor. Deze groep is op meerdere momenten bij elkaar gekomen , zie ook het participatieverslag (bijlage 13). Er wordt hiermee voldaan aan de drempelwaarde participatie. Omgevingsdialoog In een vroeg stadium van de planvorming is een omgevingsdialoog gevoerd in de vorm van een openbare inloopbijeenkomst.
Het doel van deze bijeenkomst was het informeren van omwonenden en andere geïnteresseerden over het voorlopig ontwerp van Centerspoor en het ophalen van ideeën, zorgen en aandachtspunten uit de omgeving. De bijeenkomst vond plaats op 30 juni 2025 en betrof het eerste moment waarop omwonenden en geïnteresseerden de plannen konden bekijken . Bewoners uit de wijken Bisonspoor, Antilopespoor en Duivenkamp zijn actief benaderd via een uitnodigingsflyer. Daarnaast is de bijeenkomst aangekondigd via de projectwebsite en sociale media van winkelcentrum Bisonspoor. De bijeenkomst had de vorm van een inloopbijeenkomst. De plannen werden gepresenteerd aan de hand van negen informatiepanelen, waaronder: • de ligging van het projectgebied; • de ontwikkeling in het gebied; • de voorlopige indeling van de woongebouwen; • architectuur; • openbare ruimte en voorzieningen; • bereikbaarheid en parkeren; en • voorlopige planning. Tijdens de bijeenkomst waren zowel de ontwikkelaar als de architecten aanwezig om vragen te beantwoorden. Bezoekers konden daarnaast via een reactiepaneel hun ideeën en zorgen kenbaar maken. De bijeenkomst werd bezocht door circa 100 personen, voornamelijk omwonenden. Uit de reacties bleek dat het merendeel van de bezoekers positief stond tegenover de ontwikkeling, maar ook zorgen en aandachtspunten heeft gedeeld.
Deze hadden onder meer betrekking op: • verkeersdrukte en bereikbaarheid; • parkeergelegenheid; • hoogte van de gebouwen; • woningtypen en prijsklassen; en • mogelijke gevolgen voor zonlicht en schaduwwerking. Deze aandachtspunten zijn door initiatiefnemer meegenomen en worden nader uitgewerkt en gecommuniceerd via de projectwebsite en nieuwsbrief. Klankbordgroep De klankbordgroep Bisonspoor heeft als doel om een kleinere groep omwonenden, die bij elkaar komt, vragen om mee te denken en zorgen en vragen die leven in de wijk te delen. Voor de ontwikkeling Centerspoor is een klankbordgroep opgericht om vertegenwoordigers uit de omgeving actief te betrekken bij de planvorming. De bijeenkomsten zijn onder onafhankelijke begeleiding van Beaumont Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 43 Communicatie georganiseerd, zodat deelnemers in een open setting hun vragen, zorgen en aandachtspunten konden delen. Tijdens de sessies zijn de plannen toegelicht en is gesproken over onder meer bezonning, verkeer en parkeren, leefbaarheid, bereikbaarheid tijdens de bouw, de inrichting van de openbare ruimte en de invulling van de plint. Op 23 juli 2025 vond een eerste bijeenkomst plaats met zeven deelnemers.
Op 4 juni 2026 volgde een tweede bijeenkomst met zes deelnemers, waarbij Claster Group, Aiscube Studio en de gemeente Stichtse Vecht aanwezig waren. Tijdens deze bijeenkomst is toegelicht hoe eerdere reacties zijn meegenomen in de verdere uitwerking van het Voorlopig Ontwerp. De opgehaalde aandachtspunten zijn waar mogelijk verwerkt i n het ontwerp of worden betrokken bij de verdere uitwerking. Afgesproken is om de klankbordgroep ook bij toekomstige mijlpalen in het project te blijven informeren en betrekken. Tijdens deze vervolgfasen blijft Claster Group transparant communiceren richting omwonenden en andere betrokkenen. De projectpagina, nieuwsbrief en eventueel aanvullende contactmomenten worden ingezet om de omgeving op de hoogte te houden van de voortgang en belangrijke mijlpalen. 5.2 Financiële uitvoerbaarheid De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Voor deze planontwikkeling worden de (financiële) afspraken, waaronder het kostenverhaal, vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente. De kosten voor het project, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken/werkzaamheden, vanwege voorliggende BOPA zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer.
Het voornemen is daarmee financieel uitvoerbaar. 5.3 Voorschriften Uit hoofdstuk 4 van deze motivering blijkt dat het mogelijk is om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te bereiken met het verlenen van de beoogde omgevingsvergunning, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden worden opgenomen in de te verlenen vergunning. Voor deze ontwikkeling geldt dat de aanwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen niet kan worden uitgesloten. Nader onderzoek in de hiervoor vastgestelde periode plaats is opgenomen als vergunningvoorschrift. Daarnaast worden de eventuele mitigerende en compenserende maatregelen in de vergunning geborgd. Ook de vereiste waterbergingscapaciteit (minimaal 195 m³) wordt als voorschrift in de vergunning opgenomen. Ten aanzien van het maximale geluidniveau als gevolg van de nabijgelegen supermarkt dienen maatwerkvoorschriften te worden opgesteld om te borgen dat de supermarkt niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Herontwikkeling Centerspoor Motivering BOPA projectnummer 0488527.100 6 juli 2026 Centerspoor B.V. 44 6. Conclusie Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle omgevingsaspecten van de gevraagde activiteit nader onderzocht en afgewogen in dit document. 6.1 Belangenafweging De ontwikkeling past binnen de relevante beleidskaders op rijks -, provinciaal en gemeentelijk niveau. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het woon - en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd is en dat geen van de milieu- of fysieke omgevingsaspecten leidt tot belemmeringen. Wanneer alle belangen gezamenlijk worden beschouwd – ruimtelijk, maatschappelijk, economisch, milieukundig en participatief – leidt de ontwikkeling tot een kwalitatieve verbetering van de locatie , een positieve bijdrage aan de woningvoorraad en een versterking van de leefomgeving . De ontwikkeling is uitvoerbaar, aanvaardbaar en passend binnen de ruimtelijke en maatschappelijke context van gemeente Stichtse Vecht. 6.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie woontorens met 332 appartementen en ruimte voor commerciële voorzieningen. Op basis van de integrale belangenafweging wordt geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de eisen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@anteagroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group. www.anteagroup.nl Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1800 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving.