CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. Nota van toelichtingen.pdf

Raad 27 januari 2026, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 13: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs2.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Reactie meerdere schoolbesturen middels brief 1. Integraal Huisvestingsplan (IHP) De voorgestelde omschrijving in artikel 1 wijkt af van het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting (TK 36 692). Het wetsvoorstel spreekt terecht van een plan zonder vaste termijn, terwijl de concept-verordening dit vierjaarlijks verplicht stelt. Een dergelijke cyclus is te star en sluit onvoldoende aan bij de dynamiek van leerling prognoses en de noodzakelijke flexibiliteit in beleid. Wij adviseren de omschrijving uit het wetsvoorstel te hanteren.

Het is niet gebruikelijk om een wettekst letterlijk in een verordening over te nemen, omdat een verordening de wet naar de lokale situatie vertaalt. Daarnaast biedt de wettekst op zichzelf onvoldoende concrete handvatten voor het college om uitvoering te geven aan haar taak. Daarom is gekozen voor een praktische en duidelijke invulling die aansluit bij de geest van het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting (TK 36692-3) staat: “In de sectorwetten wordt voorgesteld dat de gemeenteraad, nadat overleg met het betrokken schoolbestuur heeft plaatsgevonden, de investeringen in onderwijshuisvesting voor een periode van vier jaren vaststelt in een IHP, met een doorkijk voor de twaalf jaren daarna.” Op basis van deze passage is ervoor gekozen uit te gaan van een vierjaarlijkse cyclus waarin het IHP wordt herijkt. Daarnaast benoemt de memorie van toelichting (TK 36692-3) dat een belangrijk knelpunt in het huidige stelsel het ontbreken is van een integrale en planmatige aanpak tussen gemeenten en schoolbesturen. Door het IHP iedere vier jaar te actualiseren, wordt dit structureel georganiseerd en wordt geborgd dat gemeente en schoolbesturen elkaar periodiek spreken, gezamenlijk prioriteiten stellen en met elkaar richting geven aan onderwijshuisvesting.

Met deze werkwijze geven wij concreet invulling aan zowel de bedoeling als de inhoud van het wetsvoorstel. Vanuit dat perspectief zien wij geen aanleiding om artikel 1 aan te passen.

2. Verantwoording en financiële risico’s

Reactie op artikel 13, zesde lid

Artikel 13 introduceert in lid 6 de mogelijkheid van eenzijdige nadere regels omtrent de verantwoording. Een dergelijke eenzijdige regeling past volgens ons niet bij de tweezijdige afspraken van lid 1; hooguit kan dit de vorm hebben van een handreiking. Daarnaast bepaalt artikel 7 van de Nadere regels dat alle overschrijdingen voor rekening van het schoolbestuur komen. Dat is onacceptabel: overschrijdingen van het toegekende budget (de beschikking) als de gemeente bouwheer is of als het gaat om uitgaven die de gemeente sowieso altijd zou vergoeden voor rekening van de gemeente te komen. En in artikel 10 is opgenomen dat het college nog meer regels kan vaststellen. Het schoolbestuur weet bij de verantwoording dan niet waar het aan toe is. Dit artikel is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Artikel 13 van de verordening beschrijft de wijze van uitvoering. Daarbij gaat het onder meer om afspraken over het bouwheerschap, de indiening en toetsing van het bouwplan en de begroting, de aanbesteding, en de verantwoording van de besteding van de toegekende middelen. In lid 6 is opgenomen dat het college nadere regels kan stellen over de verantwoording. Deze mogelijkheid is niet bedoeld als eenzijdige inperking van de afspraken, maar heeft als doel het bieden van een beleidsmatig kader dat richting geeft aan de wijze van uitvoering. Gezien de omvang van de financiële middelen is het opstellen van dit kader niet alleen wenselijk, maar ook passend binnen het bredere gemeentelijk beleid. Deze werkwijze sluit aan bij de manier waarop in andere beleidsvelden binnen de gemeente Stichtse Vecht wordt omgegaan met publieke middelen, zoals bijvoorbeeld de subsidieverordening. Door het vastleggen van nadere regels ontstaat er duidelijkheid voor alle betrokken partijen en wordt bijgedragen aan een doelmatige en rechtmatige uitvoering. Wij nemen de opmerkingen voor kennisgeving aan, maar kiezen vanwege de genoemde redenen ervoor artikel 13, lid 6 te handhaven. Reactie op artikel 7 en artikel 10 van de Nadere regels Artikel 7 van de Nadere regels bepaalt dat eventuele overschrijdingen van het vastgestelde budget voor rekening van het bevoegd gezag komen.

Dit betreft situaties waarin uitgaven worden gedaan die het door het college/raad vastgestelde budget overschrijden, zonder voorafgaande toestemming van het college/raad. Dergelijke overschrijdingen zijn niet toegestaan. Indien zich omstandigheden voordoen die tot hogere kosten leiden, dient het bevoegd gezag vooraf een gemotiveerd verzoek tot aanvullende middelen bij het college in. Het college kan dit, indien gerechtvaardigd, ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorleggen, omdat de raad het

budgetrecht heeft en de financiële kaders vaststelt. Overschrijdingen dienen tevens binnen de gemeentelijke administratie en verantwoording inzichtelijk te zijn, zodat een rechtmatige en transparante besteding van middelen wordt gewaarborgd. Wij nemen de opmerkingen voor kennisgeving aan, maar kiezen vanwege de genoemde redenen ervoor artikel 7 te handhaven. Wat betreft artikel 10 willen wij aangeven dat dit een dubbeling betrof, die per abuis in de tekst was opgenomen. Dit zal worden verwijderd. 3. Renovatie De verordening koppelt renovatie aan een verplichte levensduurverlenging van minimaal 25 jaar. Het wetsvoorstel kiest bewust voor een bredere en praktischer omschrijving. Het hanteren van een starre termijn sluit niet aan bij de bouwtechnische realiteit en leidt tot onnodige complexiteit. Wij adviseren de definitie uit het wetsvoorstel over te nemen.

Het is niet gebruikelijk om een wettekst letterlijk in een verordening op te nemen, omdat de verordening de wet vertaalt naar de lokale situatie. Wij stellen daarom voor de huidige omschrijving te behouden, maar de vaste termijn van 25 jaar te verwijderen. Naar aanleiding van de opmerking van de bevoegde gezagsorganen hebben wij hierover navraag gedaan, onder meer bij andere gemeenten. Daaruit blijkt dat het praktischer is om de termijn voorlopig te laten vervallen, totdat hierover meer duidelijkheid is in de nieuwe VNG-modelverordening. De omschrijving blijft daarmee inhoudelijk gelijk aan de huidige tekst, met uitzondering van het vervallen van de vaste termijn. Hiermee wordt deels tegemoetgekomen aan de gemaakte opmerkingen

Artikel 3: formulering dat een vergoeding kan worden toegekend verdient de voorkeur boven het slechts kunnen indienen van een aanvraag.

Wij begrijpen de suggestie om de formulering ‘een vergoeding kan worden toegekend’ te gebruiken in plaats van alleen het recht tot het indienen van een aanvraag. De huidige formulering sluit echter aan bij de gebruikelijke juridische opbouw van een verordening. Eerst wordt het recht om een aanvraag in te dienen vastgelegd, waarna in

afzonderlijke artikelen de voorwaarden en toetsing worden beschreven die kunnen leiden tot het toekennen van een vergoeding. Een aanpassing van deze formulering is daarom niet wenselijk vanuit de volgordelijkheid en interne samenhang van de verordening. We nemen de opmerking daarom voor kennisgeving aan. Artikel 6a lid 4: verwijst naar het eerste lid, maar dat moet het derde lid zijn.

De verwijzing naar het eerste lid is onjuist en moet het derde lid zijn. Dit zal worden aangepast.

Artikel 6a lid 6: het opnemen van een link tussen IHP en besluitvorming is nuttig, maar wij verzoeken duidelijkheid op voorhand over de mogelijkheid om bezwaar/beroep tegen het IHP aan te tekenen.

De intentie van de vierjaarlijkse cyclus is om samen met de schoolbesturen het IHP periodiek te herzien en af te stemmen. Op deze manier streven wij naar een breed gedragen en transparant plan waarin alle betrokken partijen zich kunnen herkennen. Daarmee wordt beoogd om eventuele onvrede te voorkomen en de behoefte aan bezwaar te beperken. Wanneer een schoolbestuur toch bezwaar zou willen maken, is het goed te weten dat dit juridisch niet mogelijk is tegen het IHP zelf. Het IHP is een beleidsdocument en geen formeel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar en beroep kunnen uitsluitend worden ingesteld tegen concrete besluiten die uit het IHP voortvloeien, zoals een afwijzing van een aanvraag voor nieuwbouw of renovatie. Wij nodigen de schoolbesturen uit om actief deel te nemen aan het proces van herijking van het IHP en hun wensen en aandachtspunten tijdig in te brengen, zodat het plan gezamenlijk kan worden vormgegeven.

Artikel 11: graag aan toevoegen: rekening houdend met het IHP.

In de herziene verordening wordt het IHP in het gemeentelijke proces

losgekoppeld van het programma, ook wat betreft de interne financieringsstromen. Daarmee wordt vastgelegd dat voor voorzieningen die onderdeel zijn van het IHP geen afzonderlijke aanvragen via het programma meer nodig zijn. Het opnemen van een verwijzing naar het IHP in dit artikel zou deze scheiding juist onduidelijk maken, omdat beide instrumenten verschillende rollen vervullen binnen het proces. Om die reden is er bewust voor gekozen dit niet toe te voegen. Artikel 14 lid 3: aanbesteding uitsluitend op EMVI-criteria sluit niet vanzelfsprekend aan bij het aanbestedingsbeleid van de schoolbesturen.

Wij volgen de lijn van de VNG-modelverordening. Daarmee wordt aangesloten bij een landelijk gehanteerde werkwijze.

Artikel 17: het beperken van spoedaanvragen tot calamiteiten achten wij te restrictief en is volgens recente jurisprudentie in strijd met artikel 98 van de Wet primair onderwijs. De spoedprocedure moet gelden voor alle voorzieningen in de huisvesting die niet in het programma zijn opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kunnen lijden. Daarmee dient de termijn van twee weken waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend ook te vervallen en is de beslistermijn van zes weken uit artikel 19 te lang.

Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de verordening uit 2015. Wij herkennen dat schoolbesturen aangeven dat het beperken van spoedaanvragen tot calamiteiten te restrictief zou zijn en dat zij verwijzen naar jurisprudentie waarin een ruimere uitleg van artikel 98 van de Wet op het primair onderwijs wordt bepleit. Ons is echter niet duidelijk op welke specifieke uitspraken wordt gedoeld; de ons bekende jurisprudentie laat een wisselend beeld zien, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wij volgen in deze de lijn van de VNG-modelverordening. Daarmee wordt aangesloten bij een landelijk gehanteerde werkwijze. Hoewel wij begrip hebben voor de wens om de beslistermijn te verkorten, is dit in de praktijk bestuurlijk niet haalbaar. Een spoedaanvraag vereist een besluit van het college, waarbij zowel de inhoudelijke beoordeling als de bestuurlijke besluitvorming de nodige tijd vergen. Een kortere wettelijke beslistermijn zou daarom niet

realistisch zijn en het risico op formele termijnoverschrijdingen vergroten. Hoe graag wij ook sneller zouden willen handelen, wij willen geen verwachtingen wekken die in de praktijk niet kunnen worden waargemaakt. Wij nemen de opmerkingen voor kennisgeving aan, maar kiezen vanwege de genoemde redenen ervoor artikel 17 te handhaven. Artikel 21: De regeling voor scholen onder de opheffingsnorm is verkeerd opgezet. Het is aan de schoolbesturen om te bepalen of zij met bij voorbeeld de gemiddelde schoolgrootte systematiek een school onder de opheffingsnorm toch openhouden. Als dat het geval is volgt de gemeente met huisvestingsvoorzieningen als daarop volgens de criteria een aanspraak bestaat. En dat geldt voor de hele gemeente Stichtse Vecht. Hoofdstuk 4 kan dus vervallen.

Dit hoofdstuk is opgenomen om, in uitzonderlijke situaties waarin een bevoegd gezag besluit een school onder de opheffingsnorm te handhaven, toch een voorziening te kunnen opnemen in het programma, ook wanneer niet volledig aan de reguliere criteria wordt voldaan. De beslissing om een school onder de opheffingsnorm in stand te houden ligt vanzelfsprekend bij de schoolbesturen zelf. De bepaling is bedoeld om het college de mogelijkheid te geven maatwerk te leveren in situaties waarin een dergelijke school is gelegen in een door het college aangewezen kern. In die gevallen kan het maatschappelijk belang van het behoud van de school, bijvoorbeeld voor de leefbaarheid en de voorzieningenstructuur binnen de kern, zwaarder wegen dan een strikte toepassing van de reguliere criteria. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een aanvraag voor (gedeeltelijke) nieuwbouw die volgens de gebruikelijke criteria niet voor honorering in aanmerking zou komen, maar aanleiding geven om daarvan af te wijken. De bepaling is daarmee opgenomen om ruimte te bieden voor maatwerk in bijzondere omstandigheden, zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van schoolbesturen voor het besluit om een school al dan niet open te houden. De tekst zal op dit punt worden verduidelijkt, zodat expliciet blijkt dat dit hoofdstuk niet ziet op de

instandhouding van scholen zelf, maar uitsluitend op de mogelijkheid om binnen de gemeentelijke huisvestingsvoorzieningen passende oplossingen te treffen wanneer dat wenselijk wordt geacht. Artikel 24 lid 1: verwijst naar artikel 3, dat moet artikel 23 zijn.

De verwijzing in dit lid naar artikel 3 is onjuist en moet artikel 23 zijn. Dit zal worden aangepast.

Artikel 29: de bevoegdheid voor B&W om zelfstandig de vergoeding te bepalen is principieel onjuist. Het is aan de schoolbesturen om een afspraak te maken en zonodig een regeling voor eventueel geschil tussen hen beide. .

Deze bepaling is vanuit goede intenties en praktijkervaring opgenomen. In enkele situaties bleek dat schoolbesturen er ondanks herhaald overleg niet in slaagden om onderling afspraken te maken. De bepaling was bedoeld om in uitzonderlijke gevallen een oplossing te kunnen bieden en langdurige stilstand te voorkomen, niet om het college standaard of als eerste stap de bevoegdheid te geven om de vergoeding vast te stellen. Schoolbesturen geven de voorkeur aan het zelf maken van afspraken en het onderling oplossen van eventuele geschillen. Wij nemen deze opmerking over en zullen de laatste zin van artikel 29 verwijderen.

Daarnaast merken wij op dat de grens van 2 km voor medegebruik in de bijlage I bij A1 en verder is vervallen maar bij A8 staat als onderdeel van het beoordelen of een gebouw beschikbaar is voor medegebruik. Welke verandering is hiermee beoogd? Geldt uiteindelijk nog steeds dat medegebruik slechts binnen een straal van 2 kilometer kan worden aangewezen?

Op verschillende plaatsen in de verordening stonden afstandscriteria die niet voorkwamen in de VNG-modelverordening. Deze zijn in lijn daarmee aangepast. Voor medegebruik geldt nog steeds een maximale afstand van 2 kilometer, conform de VNG-richtlijn.

Reactie PCOU Willibrord Artikel 1 en 2 Vragen: Is het gekoppeld aan IHP? Kunnen we na 25 jaar opnieuw een aanvraag indienen voor renovatie?

Dit zijn geen opmerkingen maar inhoudelijke vragen. We nemen contact op met de indiener voor toelichting. Dezelfde vragen komen op meerdere plaatsen in het stuk terug; voor die artikelen zal dezelfde werkwijze worden gevolgd.

Artikel 4, lid 1 Vragen: 1e inrichting olp: waarom een aparte voorziening? 1e inrichting meubilair: waarom aparte voorziening?

Opmerking: 1. Bijlage 1, A7 inrichting olp en meubilair (noodzaak- niet apart)! 2. Voorziening renovatie ontbreekt

Dit zijn geen opmerkingen maar inhoudelijke vragen. We nemen contact op met de indiener voor toelichting.

Inrichting en meubilair zijn afzonderlijke voorzieningen die apart kunnen worden aangevraagd. In de bijlage waar de indiener naar verwijst, staan ze niet apart vermeld omdat ze volgens de richtlijnen dezelfde noodzaak hebben. Mogelijk is dat de reden dat ze als één geheel zijn opgenomen. Dit is conform de VNG-verordening; we zien daarom geen aanleiding dit te wijzigen. De voorziening renovatie is hier niet opgenomen omdat de vergoeding hiervoor niet op normbedragen wordt vastgesteld, maar op basis van de feitelijke kosten. Renovatie komt daarom als voorziening terug bij de feitelijke kosten.

Artikel 6a, lid 3: Opmerking:

In de verordening is vastgelegd dat het gehele programma in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen wordt vastgesteld. We nemen dit daarom voor kennisgeving aan en zien

In overleg met schoolbesturen.

geen aanleiding om het aanvullend op te nemen, omdat dit al in de verordening is geregeld.

Artikel 7, lid 1

Dit zijn geen opmerkingen maar inhoudelijke vragen. We nemen contact op met de indiener voor toelichting.

Vragen Op basis van welke prognose: van gemeente of schoolbestuur? Waarom prognose t.b.v. aanvraag 1e inrichting olp en meubilair? Artikel 13, lid 6 Opmerking: Niet akkoord Artikel 21, lid 1 Opmerking: Is toch een bevoegdheid van schoolbesturen om aanvragen in te dienen als bedoeld in artikel 2.

Dit gaat over de nadere regels voor verantwoording. Onze reactie hierop is opgenomen in het bovenste deel van dit document, bij de reactie op de brief van de schoolbesturen.

Dit betreft het hoofdstuk over aanvragen van voorzieningen in aangewezen kernen. De aanpassing is reeds toegelicht in het bovenste gedeelte van dit document, bij onze reactie op de brief van de schoolbesturen.

Vragen: Mag je het beperken tot ‘mits…kerngebied’? Is dat niet in strijd met de Wet? Artikel 22 Opmerking: In overleg met schoolbesturen

Dit artikel betreft het hoofdstuk over aanvragen van voorzieningen in aangewezen kernen. De voorgenomen aanpassing is reeds toegelicht in het bovenste gedeelte van dit document, bij onze reactie op de brief van de schoolbesturen. Omdat de tekst naar verwachting enigszins anders zal komen te luiden, achten wij het niet noodzakelijk

dit punt nog afzonderlijk op te nemen en nemen het daarom voor kennisgeving aan. Artikel 23

Dit zijn geen opmerkingen maar inhoudelijke vragen. We nemen contact op met de indiener voor toelichting.

Vragen: Wat als de aanvraag niet bijdraagt aan het behoud en de versterking van het onderwijsaanbod, maar wel alle criteria Verordening + Wet? Bijlage 1, B.1

Dit betreft een fout en zal worden gecorrigeerd.

Opmerking: Elders in tekst 25 jaar Reactie Stichting voor christelijk en katholiek onderwijs Is Tienhoven bewust niet aangewezen als kerngebied?

Tienhoven zal worden aangewezen als kern. Dit wordt teruggekoppeld aan de indiener.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/3207/documents/63973