CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Mer-beoordeling.pdf

Commissie Fysiek Domein 16 september 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 5: Adviesrecht raad Project Staatsliedenbuurt2.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen mer - beoordelingsnotitie – gemeente Stichtse Vecht

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Datum:

16 december 2024

Projectnummer Buro SRO:

23.30.04

Opdrachtgever:

Trebbe MiddenWest B.V.

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:

Dhr. L. Arends

Bezoekadres vestiging Arnhem:

Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem

Telefoon:

026 - 35 23 125

E-mail:

arnhem@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

2

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging projectgebied

5

1.3

Leeswijzer

6

Hoofdstuk 2

Wettelijk kader

7

2.1

Algemeen

7

2.2

Toetsing mer-beoordelingsplicht

8

2.3

Algemeen beoordelingskader

8

Hoofdstuk 3

Beschrijving potentiële effecten

10

3.1

Algemeen

10

3.2

Bodemkwaliteit

10

3.3

Luchtkwaliteit

10

3.4

Geluidhinder

10

3.5

Omgevingsveiligheid

10

3.6

Milieuzonering

10

3.7

Water

11

3.8

Ecologische waarden

11

3.9

Cultuurhistorische en archeologische waarden

11

Hoofdstuk 4

mer - beoordeling

12

4.1

Beoordeling

12

4.2

Conclusie

12

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

3

4

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om 3 bestaande appartementengebouwen in de Staatsliedenbuurt in Maarssen te slopen en ter plaatse van deze locaties nieuwe appartementengebouwen toe te voegen. In de huidige situatie hebben de gebouwen 24 woningen per stuk. In de toekomstige situatie zullen dit maximaal 42 woningen per gebouw zijn.

Voor deze ontwikkeling wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd. Dit project betreft de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt daarmee onder nummer J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een project dat voorziet in aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt een mer-beoordelingsplicht. In het kader van de Omgevingswet dient te worden beoordeeld of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Voorliggende mer-beoordelingsnotitie beschrijft de effecten van de ontwikkeling op het milieu en geeft aan of er aanzienlijke milieueffecten op (kunnen) treden.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen in de Staatsliedenbuurt te Maarssen. De gebouwen bevinden zich, van west naar oost, aan de Troelstrastraat, de Scheepmanstraat en Kuyperstraat Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

5

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het wettelijk kader gegeven en wordt het project getoetst aan het Omgevingsbesluit. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de mogelijke effecten van de ontwikkeling op het milieu beschreven. In hoofdstuk 4 is vervolgens de mer-beoordeling opgenomen.

6

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Hoofdstuk 2 2.1

Wettelijk kader

Algemeen

Voor activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (mer) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken op basis van de Omgevingswet. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De mer onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een project en (milieuvriendelijker) alternatieven. De mer is wettelijk verankerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. Naast de Omgevingswet is het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een project de mer-procedure moet worden doorlopen. Voor een plan of project kan een mer-plicht bestaan waardoor een MER opgesteld moet worden. In bepaalde gevallen kan een mer-beoordeling worden uitgevoerd, waarmee wordt getoetst of er bij het plan of project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Als hieruit blijkt dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten is er geen mer nodig en hoeft er geen MER te worden gemaakt. Zijn aanzienlijke milieueffecten niet uitgesloten, volgt een mer en moet een MER worden gemaakt.

Directe merplicht In de volgende situaties is sprake van een directe mer-plicht: 1. Het besluit betreft een plan of programma dat kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMBrichtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal voor andere instrumenten per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Een plan of programma is kaderstellend als het criteria of modaliteiten bevat voor de goedkeuring of uitvoering van projecten door het bevoegd gezag, dat uiteindelijk toestemming moet geven voor een project. Bijvoorbeeld criteria voor de locatie, de omvang of de wijze van uitvoering. De inhoud van een plan of programma bepaalt dus deels of er een mer-plicht is. Een omgevingsplan is bijvoorbeeld kaderstellend als het omgevingsplan voor een bijlage V-project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (opa) voorschrijft. 2. Voor het plan of programma is een passende beoordeling voor natuur nodig.

Er zijn een aantal gevallen waarvoor de mer-plicht niet geldt en in plaats van een plan-mer een planmer-beoordeling mag worden opgesteld: 1. Als het plan kaderstellend is voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar die projecten niet in kolom 1 van bijlage V Omgevingsbesluit staan.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

7

2. Als het plan kaderstellend is voor projecten die wel in bijlage V Omgevingsbesluit staan, maar niet uitkomen boven de drempel van kolom 2. Een plan-mer-beoordeling is dan mogelijk als: a) het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft of b) als het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau, waarbij een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Een klein gebied op lokaal niveau is een gebied dat vergeleken met het grondgebied van de gemeente klein is.

Een mer-plicht kan dus ontstaan alleen op grond van het feit dat er een passende beoordeling moet worden gemaakt, ongeacht de uitkomst daarvan. Dit kan ertoe leiden dat een milieueffectrapportage gemaakt moet worden voor een plan waarvan uit een voorafgaande passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een mer-beoordeling, ook als een passende beoordeling nodig is. Het plan of programma moet dan wel aan de andere voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de passende beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook anderszins geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een MER niet verplicht.

2.2

Toetsing mer-beoordelingsplicht

Is geen sprake van een directe mer-plicht, dan dient gekeken te worden of conform Bijlage V van het Omgevingsbesluit sprake is van een mer-(beoordelings)plicht. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 het betreffende besluit staat dat wordt genomen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. -

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'merplicht'.

-

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'merbeoordelingsplicht'.

2.3

Algemeen beoordelingskader

In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' dient bij de beoordeling van de milieueffecten ingegaan te worden op: 

Kenmerken van het project. Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.

Plaats van het project. De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve

8

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. 

Kenmerken van de potentiële effecten. De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

9

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving potentiële effecten

Algemeen

Om het project te beoordelen zoals de de omgevingsvergunning dat mogelijk maakt, wordt in lijn met het kader als beschreven in par. 2.3 in deze paragraaf ingegaan op de verschillende milieuaspecten die van belang zijn voor de mer-beoordeling.

3.2

Bodemkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die een potentieel risico voor de bodemkwaliteit ter plaatse en/of de omgeving kan vormen. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden zal conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit gewerkt worden waarmee alleen grond met de juiste milieuhygiënische kwaliteit wordt gebruikt. Negatieve effecten op de bodemkwaliteit als gevolg van het plan zijn dan ook uit te sluiten.

3.3

Luchtkwaliteit

Het plan maakt de realisatie van maximaal 126 woningen mogelijk. Het belangrijkste mogelijk effect op de luchtkwaliteit is de toename van verkeersbewegingen en de daarbij behorende uitstoot. Het plan heeft een dusdanige geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen) uit het Bkl. Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen die het plan mogelijk maakt is te concluderen dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante effecten op de luchtkwaliteit ter plaatse zijn dan ook uit te sluiten.

3.4

Geluidhinder

Met onderhavig initiatief worden enkel woningen mogelijk gemaakt in een bestaande woonbuurt. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die tot mogelijke geluidhinder kunnen leiden. Wel zal het aantal verkeersbewegingen door de ontwikkeling toenemen. Dit betreft voornamelijk licht verkeer van personenvervoer en deze bewegingen gaan op in het dagelijkse verkeer dat reeds over de bestaande ontsluitingswegen plaatsvindt.

3.5

Omgevingsveiligheid

Het plan maakt geen risicobronnen mogelijk die extra risico op rampen/ongevallen voor de omgeving met zich mee kunnen brengen.

3.6

Milieuzonering

Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die in het kader van milieuzonering tot hinder voor de omgeving kunnen leiden.

10

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

3.7

Water

In de huidige situatie is het projectgebied nagenoeg geheel verhard. Als een gevolg hiervan kan de ontwikkeling niet leiden tot een noemenswaardige vergroting van de hoeveelheid verhard oppervlak. Er treedt geen verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie op. Tevens zijn er geen (beschermingszones) van beschermde waterkeringen/watergangen in de omgeving gelegen waar het initiatief een effect op kan hebben.

3.8

Ecologische waarden

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Dit gebied bevindt zich op circa 900 m van het projectgebied. Gelet op de afstand tot dit gebied en de aard van de ontwikkeling kunnen effecten zoals trilling, geluid of visuele verstoring op voorhand uitgesloten worden. Omdat effecten met betrekking tot stikstof niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is een voortoets stikstofdepositie (zie bijlage 8 bij de motivering) uitgevoerd. Uit de voortoets komt naar voren dat – als gevolg van de ontwikkeling – zowel in de gebruiks- als aanlegfase geen sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j. Significant negatieve effecten in het kader van gebiedsbescherming zijn daarmee niet aan de orde.

Soortenbescherming Uit de uitgevoerde Quickscan (bijlage 6 bij de motivering) blijkt dat effecten ten aanzien van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen effecten niet op voorhand kunnen uitgesloten worden. Significant negatieve effecten ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen met het werken buiten het broedseizoen. Voor de genoemde soorten is vervolgonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit dit onderzoek komt naar voren dat mogelijke effecten ten aanzien van de onderzochte soorten niet uitgesloten kunnen worden en dat vervolgstappen getroffen dienen te worden voordat werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Voorafgaand aan de vergunnungaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld. Op basis van de verrichte onderzoeken is er geen reden om aan te nemen dat de benodigde vergunning, onder voorwaarden, niet verleend kan worden. Er zijn voldoende mogelijke maatregelen voorhanden om te voldoen aan de eisen met betrekking tot soortenbescherming.

3.9

Cultuurhistorische en archeologische waarden

In en rond het projectgebied zijn geen objecten van cultuurhistorische waarde (rijks- of gemeentelijke monumenten) gelegen. Van aantasting is daarmee op voorhand geen sprake. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bebouwde kom en heeft daarmee geen significante invloed op het landschap.

Het projectgebied is verder niet gelegen in archeologisch waardevol gebied, zoals een AMK-terrein. Hiermee heeft het initiatief geen noemenswaardige effecten met betrekking tot archeologie ten aanzien van deze m.e.r.-beoordeling.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

11

Hoofdstuk 4 4.1

mer - beoordeling

Beoordeling

Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten in relatie tot dit project zoals opgenomen in de voorgaande paragraaf, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.

Kenmerken van het project Het betreft een plan met een beperkte omvang. Dit gezien de schaal en oppervlakte van het plan in relatie tot de omvang van de kern Maarssen en de gemeente Stichtse Vecht. Andere projecten in de omgeving hebben geen dusdanige omvang dat cumulatie met deze projecten een significante rol speelt. In het plangebied zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig die door het plan beperkt of aangetast worden

Het plan leidt enkel tot huishoudelijk afval. Het produceren van bijzondere afvalstoffen die kunnen leiden tot een milieueffect is niet aan de orde, dit geldt ook voor verontreinigingen en hinder zoals deze in hoofdstuk 3 zijn behandeld. Ook is er gezien de aard van het plan geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid omdat het plan het gebruik van risicovolle stoffen en/of technologieën niet mogelijk maakt.

Plaats van het project Op dit moment wordt het projectgebied reeds gebruikt ten behoeve van wonen. Er is geen sprake van bestaande natuurlijke hulpbronnen in het plangebied die worden aangetast. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 ligt het projectgebied buiten gebieden met gevoelige ecologische, landschappelijke, archeologische waarden.

Kenmerken van de potentiële effecten De woningen worden voor permanent gebruik gerealiseerd en zijn niet van tijdelijke aard. Het betreft hier een functie met een zeer beperkte uitstraling naar de omgeving. Zoals uit hoofdstuk 3 blijkt heeft deze functie geen negatief effect op het milieu en de aanwezige waarden in het gebied en de omgeving. Uit de uitgevoerde ecologische voortoets blijkt dat een significant negatief effect met betrekking tot stikstof uitgesloten kan worden. Aanzienlijke milieueffecten kunnen daarmee worden uitgesloten.

4.2

Conclusie

Uit het voorgaande beoordeling blijkt dat het project een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit is niet nodig: er wordt afgezien van het doorlopen van een m.e.r. procedure.

12

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Aanzienlijke milieueffecten kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit is niet nodig: het project is niet m.e.r.-plichtig.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

13

14

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2877/documents/61412