CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing Rijksstraatweg 39-41 Nieuwersluis.pdf

Raad 1 oktober 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 18: Vaststellen Bestemmingsplan Nieuwersluis19.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

per etmaal. Dit betekent voor de bedrijfsgebouwen in de oude situatie maximaal 77 verkeersbewegingen. Met de herontwikkeling van het terrein is sprake van een minimale toename in verkeersbewegingen. Het verkeer ontsluit zich via de Stationsweg op de Rijksstraatweg. Volgens de NSL-monitoringstool van de rijksoverheid vinden er op de Rijksstraatweg circa 5.221 verkeersbewegingen (licht verkeer) per etmaal plaats op het weggedeelte waar de Stationsweg aansluit op de Rijksstraatweg. De 18 aanvullende verkeersbewegingen per dag leveren geen significante bijdrage aan de verkeersbelasting van de Rijksstraatweg en de aansluitende Stationsweg. Een toename van 18 motorvoertuigen per etmaal zal geen significante invloed hebben op de verkeersafwikkeling. 4.3.3

Conclusie

Met het plan worden voldoende parkeerplekken op eigen terrein gerealiseerd. Ten aanzien van parkeren vindt geen verdere belasting van de openbare ruimte plaats. In de huidige situatie wordt het verkeer van de planlocatie zonder problemen ontsloten. Gezien de relatief kleine omvang van het project is de verwachting dat onderhavig plan geen beperkingen oplevert voor de verkeersafwikkeling en ontsluiting. Daarmee is er geen sprake van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de planlocatie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de planlocatie.

4.4

Geluid

4.4.1

Wettelijk kader

Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming (zoals een woning) altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor binnenstedelijk wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A).

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

31

4.4.2

Beoordeling

4.2.2.1 Verkeerslawaai Het plangebied wordt belast met geluid van de Rijksstraatweg (N402) die aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied is gelegen. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de geluidzone van de weg, zie onderstaand figuur 4.1. Met name de voorgevel van het kleinschalig hotel / B&B is gelegen in de meest belaste zone. Het kleinschalig hotel / B&B heeft te maken met een maximale geluidsbelasting tussen de 66-70 dB. Overige delen van het plangebied hebben te maken met een geluidsbelasting tussen de 45-65 dB. In de Wet geluidhinder is een limitatieve lijst opgenomen die bescherming tegen geluidhinder krijgen: de zogenaamde geluidgevoelige objecten. Het betreft hier onder andere woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Als nieuwe geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone worden gesitueerd dan is de initiatiefnemer verplicht om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Als de voorkeurswaarde toch wordt overschreden dient er volgens de Wet geluidhinder geluidreducerende maatregelen getroffen te worden.

Figuur 4.1 Geluidzones Rijksstraatweg (N402); locatie ontwikkeling globaal in blauw aangegeven (bron: Kaart geluid wegverkeer (Lden), Atlas Leefomgeving, kaart RWS (waarden zonder wettelijke aftrek Wgh)) Een kleinschalig hotel / B&B wordt niet aangemerkt als geluidgevoelig. Mensen verblijven slechts kortdurend in het kleinschalig hotel / B&B. Hetzelfde geldt voor de werkplaatsen voor artistieke activiteiten met ondersteunende horeca. Met de voorgestane ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek (op het gebied van verkeerslawaai) is daarom niet noodzakelijk.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

32

Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van overige geluidbronnen. 4.2.2.2 Industrielawaai Van industrielawaai kan hinder worden ondervonden. Het optreden van hinder door industrielawaai kan worden voorkomen en beperkt door afstand te bewaren tussen geluidbron en ontvanger. Mede omdat niet altijd kan worden voorkomen dat het geluid van bedrijven invloed heeft op de omgeving waar bijvoorbeeld omwonenden zich bevinden, is het noodzakelijk de geluidsituatie formeel vast te leggen. Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor omwonenden. In het kader van de voorgenomen realisatie van het plangebied met bijbehorende activiteiten moet bekeken worden wat de geluidbelasting van het project op de omgeving is. Bepalend in het kader van het aspect industrielawaai zijn de geluidniveaus als gevolg van verkeer (onder andere parkeren bezoekers). De voorgenomen activiteiten (behorende tot milieucategorie 1) binnen het plangebied vallen onder het Activiteitenbesluit. In de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering zijn richtafstanden opgenomen tussen bedrijven en woningen. Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 10 meter. Voor een gemengd gebied geldt een richtafstand van 0 meter. Dit laatste is in onderhavig project van toepassing.

De afstand tot de woningen is circa 10 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden en kan gesteld worden dat niet gevreesd hoeft te worden voor geluidhinder en kan worden voldaan aan het Activiteitenbesluit. Het parkeren vindt plaats binnen de beoogde parkeervakken. De beoogde activiteiten hebben een verkeersaantrekkende werking op het plangebied. In de huidige situatie is er een verkeersgeneratie van 77 bewegingen. In de nieuwe situatie zal dit hoger zijn en maximaal 97 verkeersbewegingen. Een toename van 20 bewegingen. Het verkeer binnen het plangebied zal bij de woningen geen hogere geluidbelastingen geven dan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit, mede gezien het feit dat ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstanden. Ten gevolge van het verkeer op de toegangsweg (indirecte hinder) tussen de woningen in zal ten opzichte van de huidige situatie een marginale toename van maximaal 1 dB worden berekend op de zijgevels van deze woningen. Hierbij is geen rekening gehouden met het verkeer richting de garageboxen welke buiten de scope van dit plan valt. Hierdoor zal de toename in geluidbelasting nog beperkter zijn. De beoogde activiteiten zullen, gezien de kleinschaligheid ervan en daarmee de beperkte verkeersgeneratie, kunnen voldoen aan de algemene regels zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De herontwikkeling is voor wat betreft het aspect ‘geluid’ ruimtelijk goed inpasbaar.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

33

4.2.2.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Beleidskader

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan doorgang kan vinden. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit NIBM is in artikel 5 een zgn. anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruikmaken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere NIBM-deelplannen. 4.5.2

beoordeling

In paragraaf 4.3 is beargumenteerd dat de herontwikkeling van het plangebied zal resulteren in ca. 100 verkeersbewegingen per etmaal. Met behulp van de NIBM-tool is op basis van de bovenstaande verkeersgeneratie de maximale planbijdrage aan de luchtkwaliteit bepaald. Uit de resultaten van deze berekening (zie onderstaand figuur) blijkt dat het beoogde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

34

Figuur 4.2 Resultaten NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt aanvullend inzicht gegeven in de heersende luchtkwaliteit op de beoogde planlocatie. Uit de monitorkaarten van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)1 blijkt dat, voor de maatgevende stoffen (fijn stof, zeer fijn stof en stikstofdioxide), bij rekenpunten op en nabij de planlocatie (zie onderstaand figuur) de heersende luchtkwaliteit ruim voldoet aan de geldende grenswaarden van stikstofdioxide (NO2 met grenswaarde 40 µg/m3), fijn stof (PM10 met grenswaarde 40 µg/m3 en maximaal 35 overschrijdingen per jaar) en zeer fijn stof (PM2.5 met grenswaarde 25 µg/m3). In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen is er dientengevolge geen sprake van een dreigende overschrijding van de relevante grenswaarden uit de Wet Milieubeheer.

1

https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/#

, toetsjaar 2020, monitoringsronde NSL, 2021. toegepast als meest recente beschikbare

gegevens.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

35

Figuur 4.3 Locatie en resultaten NSL rekenpunten nabij de planlocatie 4.5.3

conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie.

4.6

Stikstof

4.6.1

Wettelijk kader

In de Wet natuurbescherming (Wnb) van 1 januari 2017 zijn regels opgenomen voor de bescherming van natuur en landschap. In artikel 2.7, van de Wnb is vastgelegd wanneer voor het realiseren van een plan of project een vergunning benodigd is in het kader van de Wnb. In een voortoets wordt bekeken of het plan of project leidt tot een toename in de stikstofdepositie. Wanneer dit het geval is, kan de resulterende depositie mogelijk voor significante gevolgen zorgen op Natura 2000-gebieden. Voor het vaststellen van de mogelijke effecten van stikstofdepositie is gebruikgemaakt van AERIUS Calculator. Dit is een rekeninstrument waarmee stikstofdepositie kan worden berekend. Zodoende kan worden vastgesteld of door deze depositie, een project of bestemmingsplan een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

36

4.6.2

Beoordeling

Aan de hand van de emissiekwantificering zijn voor de bouwfase en de gebruiksfase AERIUSmodellen opgesteld en doorgerekend. De totale emissie in de gehanteerde modellen bedragen circa 10,2 kilogram NOx en 0,3 kilogram NH3 per jaar voor de bouwfase en circa 13,6 kilogram NOx en 0,1 kilogram NH3 per jaar voor de gebruiksfase. De modellen zoals omschreven, zijn doorgerekend met als uitkomst dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Uitgaande van de rekenresultaten is er geen relevant nadelig effect voor Natura 2000-gebieden te verwachten vanwege stikstofdepositie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat voor het aspect stikstofdepositie geen belemmering. Uit het voorliggende onderzoek blijkt dat de bouwfase en gebruiksfase per saldo niet tot een toename van de stikstofdepositie leiden. 4.6.3

Conclusie

Significant negatieve effecten van de planontwikkeling voor de natuur zijn uit te sluiten. Het plan is ten aanzien van gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming niet vergunningplichtig.

4.7

Flora en fauna

4.7.1

Wettelijk kader

Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.

Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

37

Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.7.2

Beoordeling

In het kader van de herontwikkeling van het plangebied is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd (de rapportage is bijgevoegd). Hierbij is gekeken naar gebiedsbescherming en soortenbescherming. Er moet opgemerkt worden dat er geen bomen worden gekapt in het plangebied waardoor het onderdeel Houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing is. Gebiedsbescherming Gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en uit te voeren activiteiten, bouw en sloop, zijn geen directe effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten. Het plangebied ligt op circa 30 meter van Natuur Netwerk Nederland, in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht van de provincie Utrecht genoemd. Het plangebied ligt niet in NNN als genoemd in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht van de provincie Utrecht (Rijksoverheid, 2022). De geplande werkzaamheden doen geen afbraak aan NNN. Soortenbescherming Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk naar soorten. Alle vogelnesten in functie zijn beschermd. Alle werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (circa 15 maart – 15 juli) plaats te vinden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, dient vooraf een broedvogelcheck te worden gedaan door een deskundige. Wanneer nesten worden aangetroffen die in gebruik zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest verlaten is.

Er dient altijd rekening gehouden te worden met de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt in het plangebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Wet natuurbescherming is daarom niet van toepassing.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

38

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect flora en fauna geen beperkingen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de planlocatie.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijke kader

Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving ten aanzien van: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen); het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen; het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten. De risico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10-6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat groepen personen gelijktijdig het slachtoffer zijn. Deze kans wordt mede bepaald door het aantal personen dat zich bevindt in het invloedsgebied van een risicobron (het gebied waar dodelijke effecten van ongeval scenario’s optreden).

Voor het groepsrisico geldt een oriënterende waarde: het bevoegd gezag dient het geaccepteerde niveau van het groepsrisico te verantwoorden door bij de besluitvorming in te gaan op de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Bij transport van LPG, aardgasleidingen en bedrijven die grote hoeveelheden brandstof bewaren gaat het om explosies (drukgolf en warmtestraling) en brand (warmtestraling). Voor inrichtingen zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende waarden of richtwaarden opgenomen voor het zogenoemde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi beoogt een basisveiligheidniveau te bieden als

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

39

het gaat om bedrijven en installaties met gevaarlijke stoffen. De kans dat een persoon of een groep personen in de omgeving van een bedrijf overlijdt ten gevolge van een ongewoon voorval binnen een risicovol bedrijf, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is, moet worden beoordeeld. Voor dergelijke risicovolle bedrijven, ook wel inrichtingen genoemd, moet een vaste afstand tot kwetsbare objecten, bijvoorbeeld woningen, in acht worden genomen, dan wel moet er een risicoanalyse worden gemaakt waarin deze afstanden zijn berekend. Voor ondergrondse buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte); mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Dit is niet benodigd wanneer het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerst genoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Basisnet De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de transportroute. 4.8.2

Beoordeling

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De ontwikkeling vindt derhalve niet plaats binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Er zijn en worden in de nieuwe situatie ook geen nieuwe risicovolle inrichtingen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Het plan draagt niet bij aan het groepsrisico. Externe veiligheid ten aanzien van risicovolle inrichtingen vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

40

Transport gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het water en het spoor heeft het Rijk normen vastgesteld in het Bevt en de Regeling Basisnet. In de Regeling Basisnet is een tabel opgenomen met afstanden voor plaatsgebonden risico transportroutes van het Basisnet. Deze afstanden gelden per trajectdeel. Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van spoorroute 30 en de rijksweg A2. Over de nabij gelegen Vecht vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de spoorroute is door het vervoer van B2 en D4 respectievelijk 995 meter (gifwolkscenario) en meer dan 4.000 meter (gifwolkscenario). Het plangebied ligt op 685 meter van de spoorroute. Het invloedsgebied van de rijksweg is door het vervoer van LT3 meer dan 4.000 meter (gifwolkscenario). Het plangebied ligt op ca. 1.300 meter van de rijksweg. Dit houdt in dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd is. Onderstaand wordt ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied in het kader van de verantwoording van het groepsrisico.

Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het te ontwikkelen plangebied is hierbij van essentieel belang. De maat van de weg dient voor hulpdiensten (brandweer) > 3,5 m te zijn. De gebouwen zijn bereikbaar via de uitrit aan de noordzijde waarbij de doorgang tussen de gebouwen op het terrein een breedte heeft van 3,8 m en via de doorgaande weg aan de voorzijde van het terrein. Aangezien het plangebied reeds via meerdere zijden te bereiken is, wordt de bereikbaarheid voldoende geacht. Bluswatervoorzieningen De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Vastgesteld wordt dat er in de huidige situatie binnen 40 m van het pand reeds voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Aangezien het niet om ontwikkelingen gaat waarbij per definitie verminderd zelfredzamen aanwezig zijn, wordt de zelfredzaamheid van de toekomstige bezoekers voldoende geacht om zichzelf, eventueel met hulp van omstanders, in geval van een ramp in veiligheid te kunnen brengen. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven en ramen en deuren te sluiten.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

41

Advies Geadviseerd wordt om toekomstige uitbaters te informeren over hoe er gehandeld moet worden in geval van een calamiteit waarbij sprake is van een toxische wolk. Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de rijksweg A2 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. De route loopt niet langs of door het plangebied. De N402 is in het Basisnet niet aangewezen als route binnen de gemeente Stichtse Vecht voor transport van gevaarlijke stoffen, maar maakt wel deel uit van de gemeentelijke routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren. Er kan langs het plangebied dus wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden van de nietrouteplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen (zoals propaan), maar de frequentie daarvan is (door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico’s ontstaan die ruimtelijk relevant zijn. Daarbij geldt dat op de planlocatie reeds een woning (zijnde een kwetsbaar object) aanwezig is.

Met de ingebruikname van het pand als kleinschalig hotel / B&B en de herontwikkeling van het terrein neemt het aantal aanwezige personen slechts in zeer beperkte mate toe. Dit heeft echter geen significante gevolgen voor het groepsrisico. Daarbij zijn er gezien de locatie en het type ontwikkeling geen beperkingen ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Externe veiligheid ten aanzien van transportroutes gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. Hogedrukaardgasleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gesitueerd. Het plangebied ligt niet binnen risicocontouren van leidingen met vluchtig brandbare stoffen. Externe veiligheid ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. 4.8.3

Conclusie

In de directe nabijheid van de planlocatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Binnen het plangebied worden ook geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. De planlocatie is gelegen buiten risicocontouren van buisleidingen. De planlocatie is wel gelegen binnen risicocontouren van transport over wegen. Gezien de beperkte toename in populatie, de afstand tussen plangebied en invloedsgebieden en het feit dat er enkel een gifwolkscenario denkbaar is, zullen er weinig beperkingen zijn. Met de herontwikkeling van het terrein bestaan er verder geen beperkingen voor de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

42

Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid zich niet verzet tegen de beoogde transformatie van het terrein.

4.9

Bodemkwaliteit

4.9.1

Algemeen

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.9.2

Beoordeling

In kader van de beoogde herontwikkeling van de planlocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Inventerra (19 maart 2020). In het verkennend bodemonderzoek zijn er op verscheidene plaatsen op de planlocatie sterke verontreinigingen aangetoond met zware metalen, PAK en minerale olie. Er wordt geadviseerd een nader onderzoek uit te voeren naar de sterke verontreinigingen om de situatie in beeld te krijgen. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er inderdaad sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient een sanering plaats te vinden. Het verkennend bodemonderzoek is bijgevoegd. Door het project wordt het plangebied in gebruik genomen voor hoofdzakelijk bedrijfsfuncties en daarnaast horeca en detailhandel. Deze functies hebben in beginsel geen negatieve effecten op de bodemkwaliteit. Is er in de nieuwe situatie sprake van bodembedreigende activiteiten, dan worden bodembeschermende maatregelen genomen. Als er tijdens het slopen verontreinigingen in de bodem worden aangetroffen of als zich andere omstandigheden voordoen inzake de bodemgesteldheid, dan worden direct de noodzakelijke acties ondernomen. Ten behoeve van de voorgestane transformatie van het terrein is een nader bodemonderzoek uitgevoerd door Inventerra (12 juni 2023).

De resultaten en aanbevelingen uit het onderzoek zijn als volgt: ‘’Doel van het aanvullend bodemonderzoek is het verder in kaart brengen van de in 2020 aangetoonde verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie in de grond en minerale olie in het grondwater op het terrein. Op basis van het uitgevoerde aanvullend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de grond op de ontwikkellocatie overwegend matig tot sterk verontreinigd is met diverse zware metalen en PAK. Plaatselijk is de grond ook matig tot sterk verontreinigd met minerale olie. Het grondwater nabij de voormalige olieopslag is niet tot ten hoogste zeer licht verontreinigd met minerale olie. In de matig tot sterk verontreinigde bovengrond tot 0,5 m-mv zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

43

Voor de aangetoonde verontreiniging met zware metalen en PAK wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een historisch geval van verontreiniging dat verband houdt met de aangetroffen bijmenging met bodemvreemd materiaal (koolas en baksteenpuin) in de grond. Omdat meer dan 25 m³ grond sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK is ter plaatse sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging conform de Wet bodembescherming en geldt er een saneringsplicht. Omdat de verontreiniging met zware metalen en PAK immobiel is (dus niet aangetoond is in het grondwater in concentraties >tussenwaarde) en omdat er momenteel geen contactmogelijkheden zijn, is er onzes inziens geen sprake van een saneringsurgentie; deze verontreiniging hoeft daarom niet met spoed gesaneerd te worden en kan worden gesaneerd op een ‘natuurlijk moment’. Voor de aangetoonde verontreiniging met minerale olie in de grond en in het grondwater bij de voormalige olieopslag is na het verkennend bodemonderzoek in 2020 geconcludeerd dat niet uitgesloten kan worden dat mogelijk sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging, omdat de mate van verontreiniging sinds het onderzoek in 2000 toegenomen leek. Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten van de voorgaande bodemonderzoeken in 2000 en 2020 en onderhavig aanvullend bodemonderzoek kan die conclusie niet ‘zomaar’ worden onderschreven.

Het valt niet uit te sluiten dat de verontreiniging met minerale olie bij de voormalige olieopslag een historisch geval van bodemverontreiniging betreft net als de verontreiniging met zware metalen en PAK. Dit om de volgende redenen: De licht verontreinigde boring 2 van het bodemonderzoek uit 2000 (waar het grondwater niet verontreinigd bleek met minerale olie) en de sterk verontreinigde boring 101 van het verkennend onderzoek uit 2020 (waar het grondwater matig verontreinigd bleek met minerale olie) zijn niet op dezelfde plek verricht. Hierdoor is het mogelijk dat boring 2 in 2000 niet in de kern van de olieverontreiniging is geplaatst, maar aan de rand ervan de olieverontreiniging, wat ondersteund wordt door de boringen 201, 205 en 209 van onderhavig onderzoek, die op heel korte afstand van boring 101 zijn geplaatst en waar de bovengrond niet tot ten hoogste licht verontreinigd is. De aangetoonde matig tot sterk verhoogde gehalten aan minerale olie bij de boringen 101 (onderzoek 2020) en 204 (onderhavig onderzoek) lijken beïnvloed te zijn door de hier ook aangetoonde sterke verontreiniging met PAK in de grond.

Hoewel beide chromatogrammen een ‘bult’ laten zien bij de zwaarste oliefracties, wat duidt op een verontreiniging met bijvoorbeeld smeer- of motorolie, zijn in beide chromatogrammen ook de voor PAK kenmerkende scherpe pieken zichtbaar die in alle chromatogrammen van de met minerale olie verontreinigde grondmonsters uit 2000, 2020 en onderhavig onderzoek zichtbaar zijn. Dit betreft dan alle licht tot matig met minerale olie verontreinigde grond(meng)monsters op de gehele ontwikkellocatie, dus ook op plekken waar er door de afstand tot de voormalige olieopslag en het terreingebruik ter plaatse geen oorzakelijk verband kan zijn tussen de aangetoonde oliegehalten en het voormalige gebruik van de olieopslag. Ervan uitgaande dat de matige tot sterke verontreiniging met minerale olie bij de boringen 101 en 204 het gevolg is van een zware oliesoort, zoals smeer- of motorolie, is het niet aannemelijk dat die verontreiniging ontstaan is na 2000. In 2000 is immers al geconcludeerd

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

44

dat de toenmalige opslag van onder andere brandstoffen ter plaatse niet meer in gebruik was, waardoor het ontstaan van een nieuwe verontreiniging met minerale olie uitgesloten kan worden. De aangetoonde verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie op de locatie zouden naar onze mening gesaneerd kunnen worden in combinatie met de voorgenomen herontwikkeling op het terrein. Een groot deel van de matige tot sterke verontreinigingen kan worden afgedekt met de te handhaven en nieuw te realiseren bebouwing cq. aanbouw achter de bestaande bedrijfsloods en door het aanbrengen van een duurzame aaneengesloten verharding. Waar nodig voor de aanleg van de funderingen en begane grondvloeren zal de verontreinigde grond ontgraven moeten worden; de vrijkomende grond zou, afhankelijk van het opleverniveau van het nieuwe maaiveld, (deels) herschikt kunnen worden onder de afdeklagen of anders afgevoerd moeten worden naar een erkend verwerker. Geadviseerd wordt om bij het uitgraven van de bouwkuip van de nieuwe werkplaats ook de zintuiglijk met olie verontreinigde grond direct ten noorden ervan (boringen 101 en 204) te ontgraven.

Ter plaatse van de beoogde (moes)tuin zal de bovenste meter (de ‘leeflaag’) geschikt gemaakt moeten worden door het ontgraven van de daar aanwezige verontreinigde grond (zware metalen, PAK en minerale olie) en het aanbrengen van grond die voldoet aan klasse Wonen (of beter). Het voornemen voor het saneren van het historische geval van bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie zou middels een melding Besluit Uniforme Saneringen (BUS-melding) gemeld kunnen worden bij het bevoegd gezag Wbb, in deze de RUD Utrecht. Zodra het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsvoornemen, kan met de sanering worden aangevangen. Na afloop van de sanering dient door de milieukundig begeleider een evaluatierapport opgesteld te worden, dat ook weer ter beoordeling en goedkeuring voorgelegd wordt aan het bevoegd gezag. 4.9.3

Conclusie

Niet te verwachten is dat het aspect ‘bodem’ leidt tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Voor de benodigde omgevingsvergunningen voor het bouwen wordt nader onderzoek verricht en vindt, indien nodig, sanering van de bodem plaats.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Wettelijk kader Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

45

Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. 4.10.2 Beoordeling In het kader van de beoogde herontwikkeling van de planlocatie is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect (20 februari 2020). Op basis van het onderzoek geldt een hoge archeologische verwachting in het gehele plangebied vanaf het maaiveld.

Er wordt geadviseerd om een archeologische verwachting op te nemen in het bestemmingsplan. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in de ondergrond. Bij graafwerkzaamheden wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterende en waarderende fase ter plaatse van de verstoring. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd middels een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor gravend onderzoek is een Programma van Eisen noodzakelijk, dat door het bevoegd gezag (gemeente Stichtse Vecht) beoordeeld en goedgekeurd dient te worden. Ten aanzien van cultuurhistorie is relevant dat de planlocatie onderdeel is van het beschermde dorpsgezicht van Nieuwersluis. Daarbij betreft de historische affuitloods op het terrein een Rijksmonument. Conform het beeldkwaliteitsplan voor Nieuwersluis is met dit project beoogd de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te versterken. Dit wordt gerealiseerd door op de plek waar eerst een landbouwmechanisatiebedrijf was gevestigd diverse kleinschalige ambachtelijke bedrijven met ondersteunende detailhandel en kleinschalige horeca- en recreatievoorzieningen mogelijk te maken.

Met de focus op duurzame goederen zoals antiek, curiositeiten, kunst en dergelijke voegen deze activiteiten zich goed in het cultuurhistorisch waardevolle gezicht van Nieuwersluis. De affuitloods als onderdeel van een verzameling historische gebouwen behorende bij Fort Nieuwersluis blijft in zijn huidige vorm intact en het aangezicht van het historische pand blijft

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

46

behouden. De nieuwe invulling van het gebouw is passend bij en doet verder niets af aan het historische uiterlijk en verhaal van de affuitloods. Met de functiewijziging van het terrein vindt geen beperking van het beschermde dorpsgezicht plaats. Het dorpsgezicht van Nieuwersluis blijft met de herontwikkeling zijn historische waarde en uitstraling houden. 4.10.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect archeologie is relevant de hoge archeologische verwachting in het plangebied. Middels het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is het mogelijk dit aspect planologisch te borgen. Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie en cultuurhistorie zich niet verzet tegen de beoogde transformatie van het terrein.

4.11

Water

4.11.1 Beleidskader Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om deze integrale benadering vorm te geven en om het watersysteem gezamenlijk op orde te krijgen. Deze toets heeft in het kader van de beoogde ontwikkeling plaatsgevonden. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water worden de gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd voor een integraal waterbeleid in de 21e eeuw.

De verantwoordelijkheid voor de te treffen waterhuishoudkundige maatregelen gericht op vasthouden, bergen en afvoeren van water ligt bij het waterschap (hoogheemraadschap). Waterwet

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

47

In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet heeft diverse wetten voor het waterbeheer in Nederland vervangen: a.

Wet op de waterhuishouding.

b. Wet op de waterkering. c.

Grondwaterwet.

d. Wet verontreiniging oppervlaktewateren. e.

Wet verontreiniging zeewater.

f.

Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904).

g. Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'). h.

Waterstaatswet 1900.

Ook is de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming naar de Waterwet verhuisd. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld: zes vergunningen uit de oude 'waterbeheerwetten' gaan op in één watervergunning. Keur Amstel, Gooi en Vecht Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen geldt een aantal regels, zodat het hoogheemraadschap zijn taken goed kan uitoefenen. Deze regels zijn vastgelegd in een verordening, genaamd de Keur. In deze Keur staan gedoogplichten, geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. In de Keur is geregeld dat kern- en beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht dienen te worden genomen.

Het komt erop neer dat binnen deze zones niets zonder meer gebouwd en opgeslagen mag worden, waarbij voor de kernzone een strenger regime (bouwen binnen de kernzone is niet toegestaan) geldt dan voor de aangrenzende beschermingszone. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De breedte en maatvoeringen van deze zones is vastgelegd in de ‘legger’. Voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem, zoals bouwen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering of dempen van een watergang, dient bij het

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

48

hoogheemraadschap ontheffing te worden aangevraagd op grond van de Keur (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Voor eventuele lozingen op het oppervlaktewater dient toestemming verkregen te worden in het kader van de Waterwet. 4.11.2 Beoordeling Waterkeringen Waterkeringen zijn vastgelegd in de legger secundaire waterkeringen van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Er worden drie zones onderscheiden: de kernzone (de waterkering zelf), de binnenbeschermingszone en de buitenbeschermingszone. Deze zones worden beschermd door het 'regime' van de Keur. Het hoogheemraadschap is daarbij het bevoegd gezag. Werkzaamheden in de beschermingszones dienen getoetst te worden aan de keur AGV. De planlocatie bevindt zich gedeeltelijk in een beschermingszone van een waterkering, zie onderstaand figuur. Indien er werkzaamheden plaatsvinden binnen deze zone welke niet voldoen aan de algemene regels van de keur dient een watervergunning te worden aangevraagd.

Figuur 4.4 Uitsnede legger waterschap Amstel, Gooi en Vecht Waterkwantiteit Ruimtelijke ontwikkelingen dienen waterneutraal of waterpositief te worden uitgevoerd. Hiermee wordt een zodanige inrichting beoogd dat de afwenteling van problemen van (grond)waterkwaliteit of -kwantiteit op de omgeving wordt voorkomen of verminderd. Eventuele problemen moeten, waar mogelijk, opgelost worden in het gebied waar ze ontstaan. In de Keur staat expliciet dat een

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

49

initiatiefnemer het dempen van water één op één moet compenseren met oppervlaktewater. Voor een toename van het verharde oppervlakte in stedelijk gebied met meer dan 1.000 m2 geldt dat een initiatiefnemer 10% van het extra te verharden oppervlak in waterberging moet omzetten. Met de herontwikkeling van het plangebied worden geen watergangen gedempt. Eveneens zal er geen sprake zijn van een significante toename (>1.000 m2) in verhard oppervlakte. Daarbij is relevant dat de locatie reeds is verhard. Met de aanleg van een moestuin/boomgaard neemt de hoeveelheid verhard oppervlakte op het terrein zelfs af. Riolering en hemelwaterafvoer Het vrijkomende afvalwater, inclusief regenwater, wordt aangesloten op het in het gebied aanwezige rioleringsstelsel en wordt vervolgens getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Grondwater Een belangrijk onderwerp bij nieuw in te richten gebieden is het voorkomen van problemen met het grondwater. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de grondwaterstand en -stroming veroorzaken. Grondwateroverlast en/of grondwateronderlast in nieuwe gebieden, maar ook in de omliggende wijken moeten worden voorkomen. De grondwaterstand mag ten opzichte van de huidige situatie niet verslechteren.

Ondergrondse werken (kelders, parkeergarages, bergbezinkbassins) moeten waterdicht zijn en mogen de vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. Grondwateroverlast kan worden voorkomen door ophoging van het terrein, verbetering van de doorlatendheid van de bodem en door kruipruimteloos te bouwen. Bij de ontwikkeling van het plangebied zullen geen significante activiteiten in de grond plaatsvinden waarbij het grondwater wordt beïnvloed. Het plangebied is verder niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. 4.11.3 Conclusie Bij de ontwikkeling van het plangebied moet rekening worden gehouden met werkzaamheden in de beschermingszone van de nabijgelegen waterkering. De werkzaamheden moeten worden getoetst aan de Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Indien niet voldaan kan worden aan de algemene regels dient een watervergunning te worden aangevraagd. Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

50

4.12

Duurzaamheid

In het kader van duurzaamheid zijn als wettelijk kader met name het Bouwbesluit en de Wet VET van belang. Daarnaast zijn in het bijzonder nog de duurzame ambities vanuit de ‘Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom (actualisatie, 2021)’ relevant. Bouwbesluit De wettelijke eisen ten aanzien van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit en worden daarom beoordeeld in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt afgewezen als geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Beleidsplan Stichtse Vecht Gemeente Stichtse Vecht heeft op 29 september 2020 het Beleidsplan ‘Stichtse Vecht op weg naar nieuwe energie’ vastgesteld. In dit beleidsplan zet de gemeente de route uit om haar ambitie te bereiken. ‘Nieuwe energie’ betekent dat de energievraag van inwoners, bedrijven en organisaties verminderd wordt en dat energie zoveel mogelijk duurzaam wordt opgewekt. Het aandeel duurzame elektriciteit dat in de gemeente wordt opgewekt in 2030 bedraagt ten minste 0,1 Terawattuur (TWh) en in 2040 0,2 TWh. 4.12.1 Beoordeling De ontwikkeling ziet op een transformatie van een bestaand bedrijfsterrein met sloop/nieuwbouw en aanpassingen aan gebouwen.

Met de herontwikkeling bestaan voldoende mogelijkheden om het energieverbruik te minimaliseren en om duurzame energiebronnen toe te passen. Te denken valt aan het toepassen van duurzame (recyclebare) materialen, het plaatsen van zonnepanelen en het realiseren van oplaadplekken (e-laadstations) voor fietsen. Ten aanzien van het aspect duurzaamheid is een separate notitie opgesteld, welke is bijgevoegd. 4.12.2 Conclusie Voor de duurzaamheidsmaatregelen op het terrein wordt aangesloten bij in het Bouwbesluit opgenomen duurzaamheidseisen. Bij de specifieke omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen wordt hieraan getoetst. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen transformatie te Nieuwersluis.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

51

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de toelichting van de planologische ontheffing omgevingsvergunning minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, plankosten te moeten kunnen worden verhalen op de initiatiefnemers c.q. ontwikkelaars. 5.1.1

Grondexploitatie

Afdeling 6.4 van de Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door de gemeenten eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard: het primaat ligt bij vrijwillige, privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemers. Deze privaatrechtelijke afspraken worden vastgelegd in ofwel een anterieure overeenkomst (indien er nog geen exploitatieplan vastgesteld is) of in een posterieure overeenkomst (indien er wel al een exploitatieplan vastgesteld is). Het realiseren van de uitbreidingen komt geheel voor rekening en risico van ontwikkelaar. Voor de gemeente zijn er aan de planontwikkeling geen kosten verbonden. Er is geen verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan. 5.1.2

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Plan(vormings)proces

Om te komen tot de voorgestane ontwikkeling van het terrein heeft participatie met de omwonenden plaatsgevonden. In tegenstelling tot eerdere plannen van derden voor deze locatie staat de omgeving positief tegenover de beoogde invulling. Verwezen wordt verder naar hetgeen opgenomen in paragraaf 2.2 onder het kopje ‘Draagvlak omgeving’. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt door de gemeente verwerkt in het bestemmingsplan Nieuwersluis. Na vaststelling van het bestemmingsplan kan een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen' worden aangevraagd. Zowel het bestemmingsplan als de bouwvergunning worden ter inzage gelegd. Gedurende de terinzagetermijnen wordt eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijke en/of mondelinge reacties te geven.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

52

5.2.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van het bestemmingsplan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. 5.2.3

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht. De rechtsbescherming is daarmee voldoende gewaarborgd.

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

53

6

Conclusie

Gebleken is dat de herontwikkeling van het plangebied geen onevenredige negatieve ruimtelijke gevolgen heeft en er vanuit milieuoogpunt geen bezwaren bestaan tegen deze voorgestane ontwikkeling. De plannen zijn inpasbaar, rekening houdend met het bestaande ruimtelijke beleid en regelgeving op de verschillende overheidsniveaus. De realisatie is verder financieel en maatschappelijk uitvoerbaar. Geconcludeerd wordt dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de herontwikkeling van het plangebied aan de Rijksstraatweg 39-41, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan ‘Nieuwersluis’ dan wel het verwerken van voorliggend plan in het door de gemeente nieuw op te stellen bestemmingsplan voor het gebied.

LBP|SIGHT BV

M. (Marc) Wijbenga MSc

J.C (Jos) Wiegman MSc

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

54

Bijlage I Kadastrale kaart

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

55

Kadastrale kaart

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001

56

Kadastrale kaart

Uw referentie: 1872146_1

Deze kaart is noordgericht

12345 25

Schaal 1: 500

Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens

Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Loenen B 1511

Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 30 augustus 2021 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Bijlage II Tekeningen

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

Tekeningen

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

Bijlage III Beoordeling stikstofdepositie

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

Beoordeling stikstofdepositie

R074508aa.22CDMDO.dve | versie 02_001Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

Herontwikkeling Rijksstraatweg 39-41 Nieuwersluis Onderzoek stikstofdepositie

Opdrachtgever Monumentenmaatschappij Utrecht BV Contactpersoon De heer Degenaar Kenmerk R001_01_074508aa Projectnummer 074508aa Datum 29 mei 2024 Auteur M. (Marc) Wijbenga MSc J.C (Jos) Wiegman MSc

Kelvinbaan 40, 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01

Inhoudsopgave

1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 3 1.1

Locatie .................................................................................................................................................................. 3

1.2

Locatie ten opzichte van Natura 2000-gebied .................................................................................... 4

1.3

Relevante emissiebronnen ........................................................................................................................... 4

1.4

Rekenmethode ................................................................................................................................................. 5

1.5

Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 5

Emissiekwantificering bouwfase en toekomstige gebruiksfase ............................................ 6 2.1

2.2 3

Methode van kwantificeren ......................................................................................................................... 6 2.1.1

Emissiekwantificering bouwfase ................................................................................................ 6

2.1.2

Emissiekwantificering gebruiksfase .......................................................................................... 7

Rekenmethode ................................................................................................................................................. 9

Resultaten en conclusies .........................................................................................................10

Bijlage Bijlage I

AERIUS-uitvoerbestand bouwfase

Bijlage II

AERIUS-uitvoerbestand gebruiksfase

Bijlage III Toelichting regressiemodel

R001_01_074508aa | 29 mei 20229 mei 202

2

1

Inleiding

Ter plaatse van de Rijksstraatweg 39-41 in Nieuwesluis wordt een ruimtelijk plan opgesteld ten behoeve van de herontwikkeling van het gebied. Het plangebied ligt aan de Rijksstraatweg. In de huidige situatie wordt de locatie gebruikt voor de activiteit ‘landbouwmechanisatiebedrijf’. In de toekomstige situatie wordt de locatie herontwikkeld voor recreatie en kleinschalige werkplaatsen voor activiteiten tot en met milieucategorie 1 met ondersteunende horeca in de vorm van een lunchroom. De bedrijfswoning op het terrein zal worden gebruikt als kleinschalig hotel / B&B. Een deel van de bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Het overige deel van de bebouwing wordt gerenoveerd. LBP|SIGHT heeft in opdracht van de initiatiefnemer onderzoek gedaan naar de gevolgen van dit plan voor het aspect stikstofdepositie tijdens de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase.

1.1

Locatie

Het plangebied ligt aan de Rijksstraatweg 39-41 in het dorp Nieuwersluis, tussen Loenen en Breukelen. De ontsluiting van autoverkeer in het gebied vindt onder meer plaats via de N402 in noordelijke en zuidelijke richting. In onderstaand figuur is de situering van de planlocatie in de omgeving weergegeven.

Figuur 1.1 Locatie van het plangebied aangegeven met de rode contour

R001_01_074508aa | 29 mei 20229 mei 202

3

1.2

Locatie ten opzichte van Natura 2000-gebied

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is ‘Oostelijke Vechtplassen’ op een afstand van circa 2,0 kilometer. In onderstaand figuur is een kaart weergegeven van de Natura 2000-gebieden nabij het plangebied.

Figuur 1.2 Locatie van het plangebied, aangegeven met de rode cirkel, ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden

1.3

Relevante emissiebronnen

Door gasverbruik en verkeersbewegingen ontstaan NOx-emissies. NOx-emissie kan, afhankelijk van de mate van de emissie en de locatie ten opzichte van een Natura 2000-gebied, een verzurende werking hebben. De activiteiten binnen het plangebied waarbij sprake is van NOx-emissies zijn: -

Verkeersbewegingen van en naar het plangebied

-

Gasverbruik vanwege ruimteverwarming

De NOx-emissie als gevolg van de sloop- en bouwactiviteiten worden eveneens behandeld in dit onderzoek.

R001_01_074508aa | 29 mei 20229 mei 202

4

1.4

Rekenmethode

Voor de uitvoer van de berekeningen is de AERIUS-Calculator gebruikt (versie 2023). De berekeningen zijn bijgevoegd als bijlagen I en II.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zijn de emissies van de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase gekwantificeerd. In hoofdstuk 3 volgt een conclusie van de AERIUS-berekeningen.

R001_01_074508aa | 29 mei 20229 mei 202

5

2

Emissiekwantificering bouwfase en toekomstige gebruiksfase

De sloop- en bouwfase bestaat uit de volgende onderdelen: -

Het ombouwen van de bedrijfslood waarbij er werkruimtes worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2495/documents/56017