CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Overzicht aanpassingen Verordeningen Wmo en Jeugd 2022.pdf

Commissie Sociaal Domein 8 december 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3.: 19:30 Verordening Jeugdhulp en WMO7.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nieuwe tekst per 1 januari 2022

Toelichting veranderingen

Artikel 1. Begrippen

1. Deze verordening is van toepassing op het proces rond de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene Wet Bestuursrecht, de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015. In deze verordening wordt bedoeld met: a. Algemene voorziening: diensten en activiteiten die gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning en die toegankelijk zijn zonder dat hiervoor eerst een uitgebreid onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers wordt gedaan. Deze voorziening wordt in deze verordening ook wel de ‘vrij toegankelijke voorziening’ en in de Jeugdwet ‘overige voorziening’ genoemd. b. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die gericht is op zelfredzaamheid of participatie, die algemeen verkrijgbaar is en niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking. De voorziening is niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen. Iemand met een inkomen op minimumniveau moet de voorziening kunnen betalen.

De begrippenlijst is aangepast naar de huidige verordening waarin de Jeugdwet en de Wmo 2015 samenkomen. Er is zoveel als mogelijk geschreven in duidelijke taal. Lid 2 onder g: Een nieuwe toevoeging is het integraal plan. Indien er aanspraak kan worden gemaakt op hulpvormen vanuit de Wmo én hulp vanuit de Jeugdwet worden deze in één plan opgenomen. Lid 2 onder p: De nieuwe uitvoeringspartij, TIM Stichtse Vecht wordt hier genoemd samen met het Wmo loket. Samen vormen zij het Jeugd en Wmo team. We werken vanuit één gezin-één plan, dat geldt dus ook voor het Jeugd en Wmo team. De beide onderdelen van het Jeugd en Wmo team werken samen om de noodzakelijke ondersteuning aan de inwoners en cliënten te kunnen bieden. Zij zijn van elkaars werkwijze en ondersteuningsvormen op de hoogte en schakelen elkaar tijdig in .

Beschikking: een schriftelijk besluit op een aanvraag van een inwoner. d. Cliënt: Persoon die gebruik maakt van een voorziening zoals genoemd in deze verordening of een persoon die een hulpvraag heeft gedaan of namens wie een hulpvraag is gedaan. In de Jeugdwet wordt de cliënt aangeduid als een jeugdige en zijn ouders. e. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning, hulp en advies bij het krijgen van integrale dienstverlening op het gebied van zorg en ondersteuning, jeugdhulp, participatie, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen f. Familiegroepsplan: plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met familie en anderen die bij de sociale omgeving van de jeugdige horen. g. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van het eigen sociale netwerk waaronder de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. h. Het verslag : het verslag van het gesprek en onderzoek naar aanleiding van de melding van een hulpvraag. De inwoner of haar of zijn vertegenwoordiger krijgt dit verslag. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. Het gespreksverslag kan ook dienen als ondersteuningsplan. i.

Ondersteuningsplan: na afronding van het onderzoek zal het college de inwoner of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekken. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. j. Inwoner: persoon die in de gemeente Stichtse Vecht woont. Een inwoner wordt ook wel cliënt genoemd als hij/zij gebruik maakt van hulp en/of ondersteuning van de Jeugdwet en/of Wmo. c.

Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat niet om onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid door huiselijk geweld. l. Maatwerkvoorziening: een voorziening waarvoor het college een indicatie moet afgeven/besluit moet nemen. Het is de voorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en die in de Jeugdwet bedoeld wordt met een ‘individuele voorziening’. m. Mantelzorg: Mantelzorg is onbetaalde en vaak langdurige zorg voor zieke familieleden of vrienden. Dit kan verzorging zijn of hulp bij dagelijkse activiteiten. n. Persoonsgebonden budget (pgb): een bedrag waarmee inwoners zelf hun jeugdhulp, ondersteuning of hulpmiddel kunnen inkopen o. Sociaal netwerk: het netwerk van personen waarbij een inwoner om hulp kan vragen. Het netwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld familie, vrienden en buren. p. Jeugd en Wmo team: het Jeugd en Wmo team bestaat uit TIM Stichtse Vecht en het Wmo loket. TIM Stichtse Vecht bestaat uit wijkteams en vormt de toegang tot Jeugdhulp en Wmo-begeleiding, zowel algemene voorzieningen als specialistische voorzieningen.

TIM Stichtse Vecht draagt ook zorg voor de toeleiding naar hele bijzondere vormen van hulp waaronder het Landelijk Transitiearrangement (LTA), Samen Veilig Midden Nederland (SVMN), YEPH en Maatschappelijke opvang en Beschermd Wonen (MOBW). Daarnaast biedt TIM Stichtse k.

Vecht begeleiding voor Jeugdhulp en Wmo aan als algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Het Wmo loket zet o.a. hulp in het huishouden, hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen in.

Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan telefonisch, per email, mondeling of met een hulpvraag formulier worden gemeld bij het Jeugd en Wmo team. 2. In aanvulling op artikel 15 van deze verordening kan een hulpvraag van een inwoner ook, met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, door professionals zoals de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, docent/schoolbegeleider of maatschappelijk ondersteuner aan het Jeugd en Wmo team worden voorgelegd. 3. Het Jeugd en Wmo team informeert, voorafgaande aan het gesprek, de inwoner en/of diens mantelzorger(s) of vertegenwoordiger, over de mogelijkheid om gratis gebruik te maken van cliëntondersteuning of de vertrouwenspersoon. 4. Het Jeugd en Wmo team verzamelt in overleg met de inwoner(s), en eventueel samen met mantelzorger(s) en/of vertegenwoordiger, de noodzakelijke gegevens over de inwoner(s) en zijn/hun situatie. 5. De inwoner identificeert zich bij het Jeugd en Wmo team met een geldig identificatiebewijs. 6. Het Jeugd en Wmo team informeert de inwoner(s) over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7. Het Jeugd en Wmo team vraagt toestemming aan de inwoner om haar of zijn persoonsgegevens te verwerken en, als dat nodig is voor het beoordelen van de aanvraag, te delen met andere betrokkenen. 8.

Het Jeugd en Wmo team bekijkt samen met de inwoner wat de beste manier is om de hulpvraag te behandelen.

Lid 1: De inwoner kan bij het Wmo loket of bij Tim Stichtse Vecht, telefonisch of per mail melding doen van de hulpvraag/ondersteuningsvraag.

Lid 1 onder g:

Artikel 3. Het gesprek en ondersteuningsplan

1. In het gesprek over de hulpvraag kan onder andere gesproken worden over: a. de mogelijkheid van de inwoner om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met ondersteuning uit het sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; b. de mogelijkheden om gebruik te maken van zorg, onderwijs of maatschappelijke ondersteuning, die niet onder de Jeugdwet, of Wmo vallen; c. de mogelijkheid om gratis gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning of de vertrouwenspersoon door de inwoner of diens vertegenwoordiger en als het mogelijk is de mantelzorger(s); d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene voorziening; e. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening in te zetten; f. de mogelijkheid om een familiegroepsplan of persoonlijk plan op te stellen en aan te leveren ; g. de mogelijkheid om een verslag van het gesprek te ontvangen ook als er geen hulp en/of ondersteuning vanuit het Jeugd en Wmo team volgt. 2. Het Jeugd en Wmo team stelt samen met de inwoner een ondersteuningsplan op, of gebruikt het gespreksverslag als ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt gedeeld met de inwoner of diens vertegenwoordiger. 3. In het ondersteuningsplan staan de vervolgstappen en de gewenste doelen en resultaten. 4.

In het ondersteuningsplan staat van welke voorzieningen gebruik wordt gemaakt en/of voor welke maatwerkvoorzieningen de inwoner een aanvraag bij het college indient. 5. Als er een eigen bijdrage (Wmo) of een bijdrage i.v.m. meerkosten (Wmo en Jeugdwet) moet worden betaald

Indien er geen ondersteuning vanuit het Jeugd en Wmo team nodig is kan de inwoner een gespreksverslag ontvangen. Het gespreksverslag is een weergave van het gesprek en daarmee anders dan het ondersteuningsplan waarin het gesprek, de hulpvraag, bijbehorende acties/stappen en hulpvormen worden beschreven. Lid 2: Indien er aanspraak bestaat op hulp vanuit de Jeugdwet én Wmo ontvangt de inwoner met een hulpvraag/ondersteuningsvraag één integraal plan. Indien van toepassing, wordt er zoveel mogelijk samengewerkt met o.a. het Wmo loket, team Werk en Inkomen en team Schuldhulpverlening om tot één integraal plan te komen. Deze werkwijze moet intern én met TIM Stichtse Vecht worden vormgegeven. Lid 6: De inwoner wordt in het ondersteuningsplan geïnformeerd over eventuele kosten die komen kijken bij de ondersteuning. In het geval van de Jeugdwet komt dit voor bij een Pgb als er door de aanvrager wordt gekozen voor een duurdere aanbieder ten opzichte van Zorg in Natura. Dit geldt ook voor de Wmo. De Wmo eigen bijdrage (abonnementstarief van €19,-) wordt niet meer gevraagd/geïnd voor Wmo-begeleiding. Het betreft de begeleidingsvormen (begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf). Er wordt wél een eigen bijdrage gevraagd/geïnd voor de overige Wmovoorzieningen bijv. woningaanpassingen.

Dit heeft als doel om de drempel voor inwoners om de juiste zorg te ontvangen weg te nemen en zorgmijding door de meest kwetsbaren te voorkomen. Tenslotte zijn er ook administratieve redenen om geen eigen bijdrage te vragen; de kosten wegen niet op tegen de baten.

wordt de inwoner daarover geïnformeerd en wordt dit vermeld in het ondersteuningsplan.

Artikel 4. Aanvraag van een maatwerkvoorziening

1. Inwoners kunnen een schriftelijke aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen bij het college via het Jeugd en Wmo team. 2. Het verslag of het ondersteuningsplan genoemd in artikel 3 kan gelden als aanvraag, als dat in het verslag of ondersteuningsplan is aangegeven en het plan of verslag ondertekend is. 3. Een besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen genomen.

Artikel 5. Toekennen van een maatwerkvoorziening 1. Het college besluit een maatwerkvoorziening toe te kennen als uit onderzoek blijkt dat de inwoner: a. op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en b. de beperkingen niet kan wegnemen met gebruikmaking van algemene voorzieningen, en c. geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk is, en d. problemen ervaart op het gebied de zelfredzaam of maatschappelijke participatie of e. sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 2. Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/ of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van een inwoner.

Artikel 4 is gebaseerd op de huidige verordeningen en op de wetgeving. De formulering is ingekort en eenvoudiger. Lid 2: Het ondersteuningsplan dient als aanvraagformulier voor het aanvragen van hulp. De handtekening is een vereiste. Lid 3: De genoemde wettelijke termijnen betreffen voor jeugdhulp de Awb en voor Wmo-hulp de Wmo 2015.

Artikel 5 beschrijft de voorwaarden voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen. Let op! Het artikel betreft dus niet de algemene voorzieningen die TIM Stichtse Vecht zelf biedt. Lid 3 betreft het onderzoek naar de hulp geboden door betrokkenen. Indien dit van toepassing is wordt medewerking van de betrokkene verwacht. Lid 4 betreft het onafhankelijke onderzoek. Dit kan gaan om o.a. een medisch onderzoek of een bouwkundig onderzoek.

3. Het college mag, als dit van belang is voor de beoordeling van de aanvraag, de inwoner of degene die de aanvraag heeft gedaan (en als dat nodig is huisgenoten): a. oproepen voor een gesprek op een tijdstip en plaats die het college bepaalt; b. oproepen voor een gesprek of onderzoek door deskundige(n) op een plaats en tijdstip die het college bepaalt. 4. Het Jeugd en Wmo team kan een adviesinstantie om onafhankelijk advies vragen als: a. het een melding of aanvraag is van een inwoner die niet eerder een voorziening heeft gehad of met wie niet eerder een gesprek is gevoerd zoals omschreven in artikel 3; b. het college dat om een andere reden nodig vindt. 5. Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen voor het geven van een maatwerkvoorziening. 6. Het college kan nadere regels stellen over het beoordelen van gebruikelijke hulp. 7. Voor bepaalde voorzieningen kunnen nog aparte voorwaarden van kracht zijn. Deze staan genoemd in deze verordening, nadere regels of in de betreffende wetten.

Artikel 6. Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet 1. In de beschikking voor een Wmo of Jeugdwet maatwerkvoorziening staat of de voorziening in natura of als pgb wordt toegekend. 2. Een beschikking wordt in ieder geval afgegeven: a. als er een pgb wordt toegekend; b. bij heffing van een eigen bijdrage; c. als de aanvraag wordt afgewezen; d. als de inwoner bezwaar wil maken tegen het besluit; e. als de inwoner en/of belanghebbenden zoals (pleeg)ouders hierom vragen. 3. In de beschikking van een maatwerkvoorziening in natura staat in ieder geval : a. wat de voorziening inhoudt, welke omvang die heeft en de doelen die moeten worden behaald; b. Wanneer de voorziening ingaat en hoe lang die duurt; c. welke aanbieder de voorziening uitvoert of levert. 4. In de beschikking van een voorziening in de vorm van een pgb staat in ieder geval: a. voor welk resultaat het pgb moet worden gebruikt; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; d. wat de ingangsdatum en duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en 5. hoe de besteding van het pgb moet worden verantwoord. Als de inwoner een eigen bijdrage moet betalen staat dat in de beschikking.

Artikel 6 beschrijft de verstrekking en inhoud van een beschikking voor een maatwerkvoorziening. Lid 5 indien er een bijdrage wordt verwacht van de inwoner wordt deze hierover geïnformeerd in de beschikking, net zoals in het eerder genoemde ondersteuningsplan.

1.

Artikel 7. Maatwerkvoorziening via een pgb

Artikel 7 gaat in op de voorwaarden en regels omtrent het verstrekken

1. Het college kent een pgb toe in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet of artikel 2.3.6 van de Wmo. 2. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van het ondersteuningsplan; b. wordt bepaald door de keuze van professionele hulp (formeel) of nietprofessionele hulp (informeel); I. de hoogte van het pgb voor professionele ( formele)hulp is maximaal 80% van de goedkoopste adequate voorziening die hiervoor ingezet zou worden als de dienst in natura zou worden toegekend. Dit wordt getoetst aan de tarieven van Utrecht-West. Als op basis van het familiegroepsplan van de inwoner passende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht dan wordt dat tarief gehanteerd. II. de hoogte van het pgb voor nietprofessionele ( informele)hulp is maximaal €20 per uur. III. de hoogte van het pgb voor professionele huishoudelijke hulp is maximaal 80% van de goedkoopste adequate hulp in natura. IV. de hoogte van niet professionele huishoudelijke hulp bedraagt maximaal 60% van de goedkoopste adequate hulp in natura. c. voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen bedraagt het pgb maximaal de kosten van een vergelijkbare voorziening in natura. Het pgb wordt berekend met een reële termijn voor de technische afschrijving en de kosten voor onderhoud en verzekering. d.

bedraagt nooit meer dan de kostprijs van de goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura

van een pgb.

Lid 2 onder b: hulp geleverd door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad wordt ten alle tijden gezien als niet-professionele hulp. Lid 3 : Het pgb mag nooit meer bedragen dan de goedkoopste adequate ZIN voorziening. In enkele gevallen is de voorziening niet verkrijgbaar als ZIN. Met name bij hele specifieke Wmo voorzieningen kan dit het geval zijn. In dat geval kan het college akkoord gaan met een pgb als de goedkoopste door het college geaccepteerde offerte geaccordeerd is.

Lid 6: De vergoeding voor het vervoer naar een jeugdhulplocatie wordt concreet benoemd. In de eerdere verordening werd aangehaakt bij de Reisregeling Binnenland. Met de intrekking van die regeling is aansluiting gezocht bij het gebruikelijke tarief zoals bekend bij de Rijksoverheid, €0,19 per km. Een tweede reden is het gesprek met ouders wat regelmatig wordt gevoerd. Ouders vinden dat zij zowel voor de heenreis als de terugreis gecompenseerd moeten worden. Met het tarief van de Reisregeling Binnenland €0,37 werd alleen de rit met de jeugdige gecompenseerd en was voor ouders niet inzichtelijk dat zij ook voor hun terugreis werden gecompenseerd. Met het nieuwe tarief wordt het zichtbaar voor ouders dat ook hun terugreis gecompenseerd wordt als de jeugdige niet in de auto zit. Lid 7: Voor het vervoer naar een dagbestedingslocatie wordt concreet de vergoeding besproken. In de eerdere verordening werd aangehaakt op het tarief van de WLZ. Er is aansluiting gezocht bij het gebruikelijke tarief zoals bekend bij de Rijksoverheid, €0,19 per km.

3.

4.

5.

6.

7.

8. 9.

en is toereikend om veilige, doeltreffende, cliëntgerichte en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. Als de hoogte van het pgb niet toereikend is of de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers, dan wordt de hoogte van het pgb bepaald op het bedrag van de goedkoopste door het college geaccepteerde offerte. Het pgb is bedoeld om ondersteuning in te kopen. Het pgb mag niet worden besteed aan bijv. reiskosten voor hulpverleners, administratiekosten, bemiddelingskosten of kosten voor belangenbehartiging. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag van toepassing. Voor hulp uit het sociaal netwerk, zoals bedoeld in de Regeling Jeugdwet of in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, is de vergoeding maximaal €141 per kalendermaand. De tegemoetkoming kan ook worden vastgesteld op de kosten per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten berekend aan de hand van de richtbedragen van het Nibud. De vergoeding voor vervoer van en naar de locatie voor jeugdhulp bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer. Bij eigen vervoer bedraagt de vergoeding €0,19 per kilometer. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route (per auto) overeenkomstig de ANWB routeplanner.

De vergoeding voor vervoer van en naar de Wmodagbesteding bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer. Bij eigen vervoer bedraagt de vergoeding €0,19 per kilometer. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route (per auto) overeenkomstig de ANWB routeplanner. Het pgb kan gedurende het jaar naar behoefte flexibel ingezet worden. Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen

over de toekenning van een pgb.

Artikel 8 Onderscheid formele en informele hulp PGB 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp (professionele hulp) is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, behalve als deze personen bloed- of aanverwanten zijn van de inwoner in de 1e of 2e graad. a. personen die werken bij een instelling die voor de met het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister en beschikken over de diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van deze taken, of; b. personen die Zelfstandige zonder personeel zijn en die voor de met het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister en beschikken over de diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van deze taken of; c. personen die ingeschreven staan in het BIG register ( artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet) voor het uitoefenen van een beroep voor jeugdhulp. 3. Informele hulp (niet-professionele hulp) is: a. hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. hulp die wordt geboden door personen die

Artikel 8 gaat verder in op het onderscheid tussen de formele en informele hulp. Dit verschilt niet of nauwelijks van de eerdere verordeningen. Het is goed om dit op te nemen in de verordening zodat er bij onze inwoners geen verwarring ontstaat over het geldende tarief.

voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten zijn van de inwoer in de 1e of 2e graad.

Artikel 9. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering voor Jeugdwet en Wmo 1. De inwoner informeert het college gevraagd en ongevraagd over alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze kunnen leiden tot heroverweging van een beslissing over het gebruik maken van een voorziening. 2. Het college kan een beslissing over een maatwerkvoorziening (jeugd) of een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft gegeven en de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben geleid; b. de inwoner de maatwerkvoorziening of het pgb niet langer nodig heeft; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is; d. de inwoner verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of f. de inwoner de maatwerkvoorziening (jeugd) of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is. 3. Als een beslissing op grond van lid 2.a is ingetrokken en het geven van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk is geweest,

Artikel 9 gaat in op de plicht die de inwoner heeft om direct melding te doen van alle feiten en omstandigheden die invloed hebben op de maatwerkvoorziening of het pgb. Dit is gelijk aan de huidige werkwijze.

kan het college de hele of gedeeltelijke geldswaarde van de maatwerkvoorziening of pgb terugvorderen bij de inwoner. 4. Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt niet is gebruikt voor het inkopen van de voorziening. 5. Als het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. .

Artikel 10. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s en opschorting betaling uit het pgb 1.

2.

3.

Het college kan periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar het gebruik van maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s om de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen ten hoogste dertien weken de betalingen uit het pgb helemaal of gedeeltelijk op te schorten als er een ernstig vermoeden bestaat dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.4 van de Jeugdwet. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen de betalingen uit het pgb voor de duur van de opname helemaal of gedeeltelijk op te schorten als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 9 lid 2 onder d van deze verordening.

Artikel 10 gaat in op de kwaliteit en rechtmatigheid. Lid 2: Wanneer er een ernstig vermoeden is van een onterecht verstrekte pgb kan deze voor maximaal 13 weken gedeeltelijk of geheel worden opgeschort tot er meer duidelijkheid is. Lid 3: Wanneer iemand is opgenomen in het kader van de WLZ of de Zvw is zorg vanuit de Wmo of Jeugdwet niet aan de orde. Zij verblijven immers op een locatie waar 24-uurs zorg wordt geleverd. Het pgb kan niet worden uitbetaald voor zorg die niet wordt geleverd. Lid 4: De pgb houder wordt altijd schriftelijk op de hoogte gesteld van een opschorting.

4. 5. 6.

Het college informeert de pgb-houder schriftelijk over het verzoek tot opschorting. Het college kan nadere regels stellen voor de controle op het gebruik of de besteding van een pgb. Het college wijst een toezichthouder ‘rechtmatigheid’ aan die belast is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015.

Artikel 11. Algemene voorzieningen op grond van de Jeugdwet 1. Onder de algemene voorzieningen voor jeugd vallen: a. basisvoorzieningen, zoals activiteiten van de Jeugdgezondheidszorg; b. begeleiding of ondersteuning geleverd door het wijkteam TIM Stichtse Vecht. 2. Het college heeft de bevoegdheid de in het eerste lid genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen nader te benoemen. 3. Het college kan nadere regels stellen voor de maatwerkvoorzieningen jeugd en/of een deel daarvan als vrij toegankelijk benoemen.

Artikel 11beschrijft de algemene voorzieningen op grond van de Jeugdwet. Het gaat om voorzieningen die vrij toegankelijk zijn en waar geen diepgaand onderzoek voor nodig is. TIM Stichtse Vecht zal deze voornamelijk zelf aanbieden. Begeleidingsvormen die TIM Stichtse Vecht kan bieden vallen hier ook onder. De voorzieningen zijn niet expliciet benoemd zoals in de huidige jeugdverordening. Reden hiervoor is dat de voorzieningen onderhevig zijn aan veranderingen.

Artikel 12. Maatwerkvoorzieningen jeugd 1. Onder de maatwerkvoorzieningen voor jeugd vallen: a. de specialistische jeugdhulpvoorzieningen, die aangeboden worden door een gecontracteerde aanbieder; b. gesloten jeugdhulp; 2. Het college kan nadere regels stellen voor de maatwerkvoorzieningen jeugd en/of een deel daarvan als vrij toegankelijk benoemen.

Artikel 12 beschrijft de maatwerkvoorzieningen op grond van de Jeugdwet. Ook hier geldt dat de voorzieningen niet expliciet zijn benoemd.

.

Artikel 13. Algemene voorzieningen op grond van de Wmo 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen als dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3. Een algemene voorziening wordt uitgevoerd door een door de gemeente gecontracteerde derde en is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: a. de inwoner heeft onderdak; b. de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; c. de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; d. de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; e. de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag; f. de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; g. de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast. 4. Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van dit artikel.

Artikel 14. Aanvullende voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen Wmo

Artikel 13 gaat in op de algemene Wmo voorzieningen. Hieronder worden alle voorzieningen verstaan waar geen diepgaand onderzoek voor nodig is.

Artikel 14 is gelijk aan de tekst uit de huidige Wmo verordening.

1. Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van de inwoner zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als: a. de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij het zich handhaven in de samenleving; b. de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang; c. de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de inwoner, zo mogelijk, in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving; 2. Een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan toegekend worden om één van de volgende resultaten te bereiken: - de inwoner woont in een schoon en leefbaar huis; - de inwoner beschikt over goederen voor primaire levensbehoeften; - de inwoner beschikt over schone, draagbare en doelmatige kleding en beddengoed; - de inwoner zorgt thuis voor kinderen die tot het gezin behoren; - de inwoner voert een gestructureerd huishouden. 3.

Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Utrecht, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop

gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente. 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt, als: a. de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, of; b. de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of; c. de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan ondersteuning. 5. Als meerdere voorzieningen passend zijn, kent het college de goedkoopst adequate voorziening toe. 6. Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als die gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 7. Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden niet toegekend als die niet langdurig noodzakelijk zijn. 8. Een maatwerkvoorziening wordt niet toegekend als er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of een regeling bestaat die leidt tot voldoende compensatie om het gewenste resultaat te bereiken; 9.

Er wordt geen woonvoorziening verstrekt, als: a) de noodzaak van de voorziening het gevolg is van de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of

doordat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b) de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c) woonruimten niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d) het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e) de noodzaak van de voorziening het gevolg is van een verhuizing die niet nodig was vanwege de beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie of om een andere belangrijke reden; f) de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, behalve als het college daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven; g) er sprake is van nieuwbouw of renovatie en de voorziening zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; 10. Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van dit artikel.

Artikel 15. Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Artikel 15 gaat over het verwijsrecht van andere professionals naar jeugdhulp. De genoemde professionals kunnen vanaf 1 januari 2022 alleen verwijzen naar TIM Stichtse Vecht en de door hen

Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp voor de jeugdige en/of de (pleeg)ouders als de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. naar een jeugdhulpaanbieder verwijst. Dit als en voor zover deze jeugdhulpaanbieder vindt dat inzet van jeugdhulp nodig is.

gecontracteerde partijen. Het aantal jeugdhulpaanbieders waarnaar verwezen kan worden slinkt hiermee flink in. Echter betekent het niet dat er minder zorg beschikbaar is. Voordeel van minder gecontracteerde partijen is dat er een betere samenwerking tot stand kan komen, de partijen vinden elkaar vaker en beter. Goede samenwerkingsafspraken worden voor het einde van het jaar gemaakt.

Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Artikel 16 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige verordening.

Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: a. de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of b. de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de Gecertificeerde Instelling nodig vindt bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 17. Jeugdhulp in spoedeisend geval

Artikel 17 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige verordening.

In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. .

Artikel 18. Vertrouwenspersoon jeugd

1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

.

Artikel 18 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige verordening.

Artikel 19. Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo voorzieningen 1. 2.

3.

4.

5.

6.

Voor een algemene voorziening vraagt het college geen bijdrage in de kosten. De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de inwoner een vergoeding vragen als dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat om een hele of gedeeltelijke vergoeding voor kosten zoals: gebruik van consumpties, maaltijden en materialen bij dagbesteding. De vergoeding bedraagt nooit meer dan de werkelijke kosten. Voor een maatwerkvoorziening (in natura of pgb) wordt aan de inwoner een bijdrage in de kosten gevraagd zolang hij/zij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een pgb wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de gecontracteerde aanbieder. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt gevraagd zolang de voorziening gebruikt wordt of tot de kostprijs als bedoeld in lid 4, bereikt is. Het college vraagt geen eigen bijdrage voor: a. voorzieningen voor inwoners onder de 18 jaar (behalve voor autoaanpassingen en woningaanpassingen); b. algemene voorzieningen waaronder hulp en ondersteuning van het wijkteam; c. specialistische hulp en ondersteuning: begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf; d.

een rolstoel, alle medische noodzakelijke aanpassingen aan de rolstoel en het onderhoud hiervan. Ook voor de aangekoppelde

Artikel 19 gaat in op de Wmo eigen bijdrage. Wijziging ten opzichte van de huidige situatie is dat de Wmo eigen bijdrage (abonnementstarief van €19,-) niet meer wordt gevraagd/geïnd voor begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. Hiermee nemen we de drempel voor inwoners om de juiste zorg te ontvangen weg en voorkomen we zorgmijding door de meest kwetsbaren. Er wordt wél een eigen bijdrage gevraagd/geïnd voor de andere Wmo voorzieningen waarop dat wettelijk gezien mogelijk is bijvoorbeeld voor woningaanpassingen en hulp bij het huishouden.

voorzieningen die van de rolstoel een vervoersvoorziening maken wordt geen eigen bijdrage gevraagd.; e. het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV), hiervoor wordt een gereduceerd tarief (ritbijdrage) aan de inwoner gevraagd; f. vergoeding voor verhuiskosten, woningsanering, autokosten en sportvoorzieningen; g. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten. ;

Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Artikel 20 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige verordening.

Het college stelt in nadere regels vast waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners bestaat.

Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college kan een maatwerkvoorziening inkomensondersteuning verstrekken ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie aan: a. inwoners die aantoonbaar meerkosten hebben door een langdurige hoge zorgvraag en die die kosten niet of niet volledig uit eigen inkomen en/of vermogen kunnen betalen, en b. inwoners die onder het sociaal minimum leven en die aantoonbaar meerkosten hebben door een langdurige hoge zorgvraag. Dit gebeurt op basis van het Beleidsplan ‘Samen in actie tegen armoede en schulden – Minima- en schuldhulpverleningsbeleid 2021-2024

Artikel 21 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige verordening.

Artikel 22. Klachtenregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Artikel 22 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige Wmo verordening.

1. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning stellen

een klachtenregeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners. Zij stellen ook een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de cliënten van belang zijn. 2. Het college ziet toe op de naleving van de klachtenregelingen en medezeggenschapsregelingen van de aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek. .

Artikel 23. Kwaliteitseisen voorzieningen zowel in natura als PGB

1. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen volgens de professionele standaard en d. erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om het keurmerk te krijgen wat op de sector van toepassing is. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders. Het college kan ook een cliëntervaringsonderzoek doen en kan, in overleg met de inwoner, de voorzieningen controleren;

Artikel 23 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige Wmo verordening.

Het college kan met nadere regels bepalen welke eisen nog meer worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Dit geldt ook voor eisen aan de deskundigheid van beroepskrachten en nietberoepskrachten.

Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Artikel 24 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige Jeugdverordening.

Het college zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp, uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden op grond van de Artikel 25 volgt uit de wet en is (vrijwel) gelijk aan de huidige verordening. Wmo 1. Om er voor te zorgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de levering van een dienst en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. Een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

Lid 6 onder b 1: De kosten voor het aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening worden in de huidige Wmo verordening niet genoemd maar wel in de prijs meegenomen. Voor de volledigheid worden deze kosten nu wel genoemd.

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6.

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren hulpmiddelen en woonvoorzieningen voor de Wmo, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de diensten van de leverancier worden gevraagd, zoals:

1°. Aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°. Instructie over het gebruik van de voorziening; 3°. Onderhoud van de voorziening.

Artikel 26. Toepassen verordening en stellen nadere regels

1. Als bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Jeugdwet en Wmo opgenomen begrippen en bepalingen leidend. 2. Het college maakt nadere afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen van inwoner(s) over de verwijzing naar jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 15 van deze verordening. 3. Het college kan in aanvulling op deze verordening nadere regels stellen.

Artikel 26 gaat over het toepassen van de verordening, de nadere regels en de afspraken met de samenwerkende partners.

Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college maakt een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten die plaatsvinden bij de uitvoering van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning. Het college wijst hiervoor een toezichthoudend ambtenaar aan, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo. 2. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident direct aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

.

Artikel 27 volgt uit de wet en is gelijk aan de huidige Wmo verordening.

Artikel 28. Inspraak Het college betrekt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid over deze verordening. De regels van de Inspraakverordening Stichtse Vecht zijn daarbij van toepassing.

Artikel 29. Cliënten- en inwonersparticipatie 1. Het college stelt een onafhankelijke Adviesraad Sociaal Domein in die cliënten en inwoners vertegenwoordigt. De Adviesraad geeft advies op het brede terrein van het sociale domein en de verschillende doelgroepen daarbinnen. 2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 30. Klachtenregeling Het college behandelt klachten van inwoners over de afhandeling van meldingen en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening, volgens de bepalingen in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 31. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening op het gebied van de Jeugdwet en Wmo, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 32. Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend onder de “Verordening maatschappelijke ondersteuning

Artikelen 28, 29, 30 en 31 volgen uit de wetten en zijn gelijk aan de huidige verordeningen. Deze behoeven geen verdere toelichting.

Artikelen 32 en 33 behoeven geen verdere toelichting.

Gemeente Stichtse Vecht 2020” of de “Verordening Jeugdhulp Stichtse Vecht 2019” waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de “Verordening Wmo en Jeugd Stichtse Vecht”. 2. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de “Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Stichtse Vecht 2020” of de “Verordening Jeugdhulp Stichtse Vecht 2019” wordt beslist met inachtneming van de desbetreffende verordening.

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Wmo en Jeugd Stichtse Vecht”. 3. De Verordening Jeugdhulp Stichtse Vecht 2019 en Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stichtse Vecht 2020 worden ingetrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1831/documents/37354