CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Quickscan Wnb Scheendijk 2 en 3.pdf

Raad 19 november 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 8: Vaststellen Bestemmingsplan Scheendijk 2&38.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Scheendijk 2 en 3 te Breukelen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2023-0651

Datum:

12 juli 2023

Revisie:

15 augustus 2023, 2e revisie 14 maart 2024

Samensteller:

ing. A.H.M. Ruit

Collegiale toets:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Opdrachtgever:

Plannen-makers

Contactpersoon:

C. Vaartjes

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

10

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

20

3.3

Houtopstanden

23

4 Samenvatting

24

4.1

Soortenbescherming

24

4.2

Gebiedsbescherming

24

4.3

Houtopstanden

24

5 Conclusie

25

5.1

Conclusie

25

5.2

Uitvoerbaarheid

25

5.3

Vervolgstappen

25

5.4

Te treffen maatregelen

26

1 Inleiding Aan de Scheendijk 2 en 3 is een woonperceel/boerenerf met woning en bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om de recreatiewoning en garage te Scheendijk 2 te slopen ten behoeve van een nieuwbouwwoning. Tevens worden te Scheendijk 3 de agrarische opstallen gesloopt voor sloopmeters. Het bestemmingsplan van Scheendijk 3 voorziet niet meer en dient te worden gewijzigd. Daarnaast dient het bouwvlak te worden gewijzigd ten behoeve van de nieuwbouwwoning te Scheendijk 2. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De recreatiewoning met tuin te Scheendijk 2.

4

1.1

Planlocatie De planlocaties zijn gelegen aan de Scheendijk 2 en 3 te Breukelen (figuur 1.2). Te Scheendijk 2 bevindt zich woonperceel met twee woningen en enkele recreatiewoningen. De opdrachtgever is voornemens de recreatiewoning (met garage en tuin) ten noordwesten van de planlocatie te slopen ten behoeve van een nieuwbouwhuis. Mogelijk wordt de Es, welke in de tuin van de recreatiewoning staat gekapt. Ten noorden van de te slopen recreatiewoning bevindt zich een watergang. Er worden geen werkzaamheden verricht aan de watergangen. Scheendijk 3 betreft een boerenperceel met boerderij, bijgebouw, twee hooibergen met een zeshoekig dak, een kapschuur en een veestal. Een van de hooischuren met zeshoekig dak (1), de kapschuur (2) en de veestal (3) worden gesloopt. De twee percelen zijn op ongeveer 300 meter van elkaar gesitueerd. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocaties en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocaties (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Scheendijk 2 en 3 Breukelen. Scheendijk 3 geeft nummer 1 de hooischuur met zeshoekig dak weer, nummer 2 de kapschuur en nummer 3 de veestal. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen en de Oostelijke Vechtplassen. De percelen bevinden zich op circa 1,3 km van het centrum van Breukelen en de watergang de Vecht. De snelweg A2 is gevestigd op ongeveer 2,5 km van de locaties. Ten noordoosten op ongeveer 1,5 km bevinden zich de Loosdrechtse Plassen.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de recreatiewoning en garage te slopen ten behoeve van een nieuwbouw huis.

Figuur 1.4 Scheendijk 3 waarbij men voornemens is om agrarisch opstallen te slopen.

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van agrarische opstallen, recreatiewoning en garage ten behoeve van een nieuwbouw huis. De functie van Scheendijk 3 dient te wijzingen. Op Scheendijk 2 dient een bouwvlakwijzing plaats te vinden. • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • mogelijk kappen van een enkele boom: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie aan de scheendijk 2 (bron: Plannen-makers).

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 juni 2023 en is uitgevoerd door ing. A.H.M. Ruit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 24 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

8

Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

9

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Huisspitsmuis

Veldmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.

Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. 10

Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van Kluwenklokje (NDFF 20132023). Het kluwenklokje komt in Nederland voor langs de rivieren en in Zuid-Limburg. De natuurlijke groeiplaats is op matig voedselrijke, zonnige en matig vochtige bodem van kalk- of humushoudend zand, klei of leem (Verspreidingsatlas, 2023). De planlocaties zijn een woonperceel en een agrarisch perceel. Aan de voorzijde van de recreatiewoning is een kleine tuin aanwezig in vorm van verharding, boom, een haag en klimop. Daarnaast is er een kleine strook aangeplante planten aanwezig. Op het agrarisch perceel is verharding en een gedeelte gras aanwezig. De aanwezigheid van tuinplanten en gras geven geen mogelijk aan het kluwenklokje om zich te ontwikkelen.

Ter plaatse van de planlocaties is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, grote brandnetel, kleefkruid, madeliefje, paardenbloem en robertskruid. De aanwezigheid van gras, grote brandnetel en gewone braam wijzen op voedselrijke grond. Het voorkomen van het kluwenklokje op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, das, dwergmuis, rode eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, spitsmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, woelrat (NDFF 2013-2023).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, damhert, das, rode eekhoorn en waterspitsmuis. Bever leeft in het overgangsgebied van zoet water en land zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. Aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. De planlocaties betreffen verharde locaties met minimale aantallen van bomen. Het voorkomen van de bever op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Verder komt de soort ook wel voor in stadsparken. Boomholtes worden gebruikt om jongen in te krijgen. Waarnemingen van de soort zijn gedaan is bomrijke omgevingen (NDFF 2013-2023). Het damhert is eveneens een soort van bosgebied. Belangrijk is dat er voldoende gras aanwezig is. De waarneming van het damhert is gedaan in een boomrijk gebied ten westen van de planlocatie en van de rivier ‘De Vecht’ (NDFF 2013-2023). De rode eekhoorn komt voor in bossen, tuinen en parken mits er genoeg voedsel beschikbaar is. Warnemingen van de soort zijn vooral gedaan in het boomrijk gebied op 1,5 km ten noordwesten van de planlocaties(NDFF 2013-2023). Beide planlocaties betreffen geen bos- of parkachtig gebied. 12

Het aantal bomen op of langs de planlocaties is beperkt. Het gebied is verhard en er is sprake van een hoge menselijke activiteit. Het voorkomen van de boommarter, damhert en rode eekhoorn op de planlocaties is derhalve uitgesloten. De steenmarter is niet waargenomen in een straal van 2 km maar de soort wordt regelmatig waargenomen in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook in grote steden. Derhalve wordt de steenmarter meegenomen in de beoordeling. De soort dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt voor in gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en bermen zijn van belang voor voedsel. Scheendijk 2 bestaat uit recreatiewoning, garage en tuin. De bebouwing is niet toegankelijk voor de soort. Daarnaast is er een hoge mate aan verstoring aanwezig door de bewoners van dit adres . Scheendijk 3 is een boerenperceel met verschillende agrarische opstallen. De hooischuur is ten noordoosten open en wordt momenteel gebruikt als opslagplek waardoor enige rommel aanwezig is. Er zijn echter geen sporen (latrines, prooiresten en uitwerpselen) aangetroffen welke essentieel zijn voor de aanwezigheid van de steenmarter De kapschuur is ten noorden geheel open en wordt gebruikt als opslag. Ook hier zijn geen sporen waargenomen.

De veestal heeft verschillende openingen en staat momenteel leeg. Eveneens zijn er geen sporen waargenomen in de veestal. Hierbij is ook de ruimte boven het (voormalige) melklokaal geïnspecteerd. Door het ontbreken van sporen worden negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van verschillende biotopen. Dit betreffen zowel hooggelegen als laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar. Meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Het is van belang dat er voldoende voedsel aanbod, voldoende dekking en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 Kennisdocument Das, 2017). Op de planlocaties zijn beperkte groenstroken aanwezig en is een hoge mate van verstoring door aanwezigheid van mensen. Daarnaast is er geen mogelijkheid voor de soort om te foerageren. Het voorkomen van de das op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Waterspitsmuizen komen voor langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort wordt veelvuldig waargenomen langs de binnenduinrand en natuurlijk duinmeren (Zoogdiervereniging, 2023). De watergang ten noorden van de Scheendijk 2 is beschoeid en derhalve niet geschikt voor de soort.

Bovendien er sprake van een hoge mate van verstoring op dit adres. Rondom Scheendijk 3 zijn watergangen aanwezig. Dit betreft een agrarisch omgeving. Hierdoor is het aannemelijk dat er sprake is van voedselrijk water. Enige begroeiing langs de watergangen is aanwezig er worden geen werkzaamheden verricht aan de watergangen. Negatieve gevolgen ten aanzien van de waterspitsmuis zijn derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, Brandts vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).

13

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie is de es geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de mogelijk te kappen boom zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Om verstoring te voorkomen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie is het van belang de bomenrijen langs de planlocatie niet worden verlicht en in de periode april-oktober. Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen, zie H5.4. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De recreatiewoning aan de Scheendijk 2 is opgetrokken uit een houtconstructie met houten planken als muren. De muren van de recreatie woning bevatten geen spouwruimte. Het dak is plat en bedekt met bitumen waardoor er geen mogelijkheden zijn voor vleermuizen om te verblijven. In houten planken zijn ook geen openingen waargenomen welke door vleermuizen kunnen worden gebruikt om een verblijfplaats te bereiken. De garage bestaat uit een houtenconstructie met dak beschot en een pannendak. Er is geen spouw aanwezig, welke gebruikt kan worden als verblijfplaats. In de garage is een vliering aanwezig. Echter wordt de garage gebruikt als opslagplek waardoor het geen ruimte vormt voor vleermuizen om te verblijven (figuur 3.1). Bovendien zorgt de houtconstructie en tocht ervoor dat er geen sprake is van een stabiel microklimaat.

De garage wordt gebruikt voor opslag waardoor er sprake is van constante menselijke verstoring, bovendien is er lichtvoorziening in de vorm van lampen aanwezig, welke vleermuizen en zeker de meervleermuis vermijden. De dakpannen van het dak kieren niet en geven derhalve geen mogelijkheid voor vleermuizen om de dakruimte te gebruiken. Vanuit de dakgoot is het voor vleermuizen niet mogelijk om de dakruimte te bereiken. De hooiberg op Scheendijk 3 bestaat uit een houten skelet met een golfplaten dak. De zijgevels zijn opgebouwd uit potdeksel planken. Het dak bestaat uit dakpannen en er is geen dakbeschot aanwezig. De kapschuur bestaat uit een houtenskelet met een stormpannendak, welke rust op pannenlatten die aan de binnenzijde met folie zijn bekleed. Hierdoor is er geen mogelijkheid voor vleermuizen om eronder of in te kruipen. Tevens is de noordzijde volledige open waardoor er sprake is van lichtverstoring en invloeden van weersfactoren. De veestal is opgebouwd uit een gedeelte gemetselde muur tot ongeveer 2 meter en een gedeelte hout (figuur 3.1). In de gemetselde muur zijn geen openingen aanwezig. In de stal is teveel lichtverstoring waardoor dit niet wordt gebruikt als verblijfplaats. De ruimte van het dakbeschot is circa 15-20 cm breed waardoor het geen nauwe ruimte geeft en niet kan dienen als verblijfplaats voor vleermuizen (figuur 3.1).

Daarnaast zorgen de openingen voor tochtwerking en ontbreekt het aan een stabiel microklimaat door de aanwezigheid van golfplaten. Wegens het ontbreken van muren met spouw of een dergelijke krappe ruimte is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. De te slopen opstallen op Scheendijk 3 zijn ook niet geschikt doordat de bebouwing teveel licht- en tochtverstoring heeft door de vele openingen en ramen. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis.

14

Figuur 3.1 Linksboven: garage met aansluitende pannendak zonder kieren. Rechtsboven: binnenzijde garage, welke niet geschikt is voor vleermuizen. Linksonder: De veestal waarbij in de muren geen openingen aanwezig zijn. Rechtsonder: dakbeschot in de veestal welke geen verblijfplaats voor vleermuizen vormt. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Mogelijk worden de planlocatie gebruikt als vliegroute of foerageergebied er is echter voldoende uitwijkmogelijkheid waardoor er geen sprake is van essentieel leefgebied. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De rugstreeppad is een soort welke voorkomt op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek.

Vergraafbare grond of bouwmateriaal dient als schuilplaats. Als voortplantingswater gebruikt de soort ondiep (tijdelijk) water zoals regenplassen of rijsporen. In brede en grotere watergangen komt de rugstreeppad niet voor met uitzondering van ondiepe oeverzones. Waarnemingen van de soort zijn gedaan op circa 2 km van de locaties (NDFF 2013-2023). De planlocaties betreffen verharde terreinen en worden grotendeels intensief gebruikt. Hierdoor is er sprake van verstoring. Op beide percelen is geen vergraafbare grond aanwezig, ook is er geen sprake van ondiep (tijdelijk) water. De watergang langs de recreatiewoning is te diep en te breed voor de soort. Daarnaast is langs de zijde van perceel Scheendijk 2 de watergang geheel beschoeid. Om de planlocatie te bereiken zijn er verscheidende barrières zoals wegen en watergangen aanwezig. Het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocaties is derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Veelal bevinden zich deze op zandgronden en overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Eiafzet vindt plaats op warme, vochtige plekken zoals rottende boomresten, composterende bladhopen, muizenholen, onder en tussen stenen en in rottende boomstronken. Overwintering vindt plaats op droge vorstvrije plekken. Dit betreffen plekken als houthopen, basaltdijken, spoordijken, puinhellingen, kelders en ruïnes. Wanneer teveel verstoring optreed kan een ringslang het gebied verlaten. De planlocaties betreffen verharde terreinen met een hoge mate van menselijke verstoring. Op geen van beide locaties bevinden zich geschikte plekken om eieren af te zetten of te overwinteren. Mogelijk passeert de soort het plangebied sporadisch het betreft echter geen essentieel leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023).

Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van grote vos en platte schijfhoren (NDFF 20132023). De grote vos is een zwervende vlinder welke voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplant van de soort betreft de iep, zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Op de planlocatie bevindt zich een Es welke mogelijk gekapt wordt. De betreft echter geen waardplant voor de soort. Verder worden er geen bomen gekapt op de locaties. Negatieve gevolgen zijn derhalve uitgesloten. Platte schijfhoren is een kleine waterslak welke leeft in voedselrijk stilstaand water met een begroeiing van waterplanten, zoals gele plomp en waterlelie. Er worden geen werkzaamheden verricht aan de watergangen. Negatieve gevolgen ten aanzien van platte schijfhoren is derhalve uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif en huismus. Gedurende het veldbezoek zijn nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023).

16

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). Op de Scheendijk 2 heeft de recreatiewoning een plat bitumen dak een gedeelte golfplaten overstek zonder dakbeschot waardoor er geen mogelijkheid is voor de huismus om onder te broeden. De garage heeft een pannenzadeldak met dakbeschot. Mogelijk wordt de ruimte tussen de pannen en het dakbeschot gebruikt als nestlocatie (figuur 3.2). Op de Scheendijk 3 heeft de hooiberg geen dakbeschot en daarnaast ook geen balken waar de soort op kan broeden. De kapschuur heeft een stormpannendak waardoor er geen ruimte is voor huismus om onder te broeden. De veestal heeft een golfplatendak en een gedeelte dakbeschot (figuur 3.2). Het is mogelijk dat huismussen deze ruimte gebruiken om te broeden.

Doordat het mogelijk is dat er huismusnesten verloren gaan in de beoogde ontwikkeling dient een technische inspectie naar de huismus te worden uitgevoerd, zie H5.3.

17

Figuur 3.2 Boven: pannendak van de garage. Beneden: dakbeschot in de veestal. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Te Scheendijk 2 heeft de recreatiewoning geen pannen of openingen waar de soort in kan verblijven. De garage heeft een pannendak. Ten westen is deze echter niet te bereiken door de aanwezigheid van een overstek. Ten oosten is er geen geschikte aanvliegroute door de positionering van de recreatiewoning. De bebouwing op Scheendijk 3 hebben geen kantpannen of openingen van voldoende hoogte en grootte waar gierzwaluwen kunnen broeden. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.

18

De bebouwing op Scheendijk 2 is niet toegankelijk voor uilen. In de bebouwing van Scheendijk 3 zijn geen sporen (veren, uitwerpselen en braakballen) van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

19

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De planlocatie is gelegen naast het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 3.2).

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 0 m tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van opstallen, recreatiewoning en garage ten behoeve van een nieuwbouwwoning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Doordat de planlocatie aangrenzend is met het Natura 2000gebied ‘Oostelijk vechtplassen’, is het mogelijk dat effecten als trillingen, geluid, optische verstoring, etc. zich voordoen. Het gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ heeft verschillende habitattypen. Deze habitattypen zijn echter niet gevoelig voor verstoring veroorzaakt door geluid, licht en trilling (figuur 3.3). Van optische verstoring is eveneens geen sprake doordat in de huidige situatie ook al bebouwing aanwezig is. Bovendien zal de huidige optische verstoring op de Scheendijk 3 worden verminderd door de sloop van de opstallen. Derhalve zal de bouw van een nieuwbouwwoning niet leiden tot verstoring op het gebied van geluid, licht, trilling en optische verstoring. De beoogde ruimtelijke ingreep zal niet leiden tot de verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Om te bepalen of er significante effecten zijn op het aangrenzende Natura2000-gebied dient een Voortoets te worden gedaan, zie H5.3.

20

Figuur 3.3 Effectenindicator voor het gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ en activiteit ‘woningbouw’. Bron:www.synbiosys.alterra.nl Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Doordat de planlocatie naast het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ is gelegen, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren. Plannen-makers voert bij ieder project preventief een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling mogelijk leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar de separaat opgestelde rapportage.

21

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. De planlocaties zijn gevestigd naast het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.4). Op een afstand van circa 70 m ligt de Groene contour (figuur 3.5). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.4 De planlocatie ligt naast het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.provincieutrecht.nl).

Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van 70 m en 500 m van de Groene Contour (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).

22

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

23

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismussen. Verder is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

art. 3.1

Ja

Nestlocatie/foerageergebied

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden in een stikstofonderzoek. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Daarnaast dient een Voortoets te worden gedaan om effecten op het aangelegen N2000 te bepalen. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Natura 2000

0 km

Stikstof

Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

0 km 70 m 2,8 km

Geen Geen Geen

Nader onderzoek Stikstofonderzoek Voortoets N.v.t. N.v.t. N.v.t.

en

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

24

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde sloop van opstallen en recreatiewoning en bouw van nieuwbouwwoning aan de Scheendijk 2 en 3 te Breukelen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Daarnaast dient een Voortoets te worden uitgevoerd.

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Dit kan worden gedaan door het uitvoeren van een inspectie, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). Hierbij worden nesten waargenomen door middel van de dakpannen te lichten en/of ruimte te inspecteren met een endoscoop. Dit kan worden toegepast in de periode 15 september tot 1 maart. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. • Voor de beoogde ingreep dient inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van negatieve effecten op het aangelegen Natura 2000-gebied. Dit kan worden bepaald door middel van een Voortoets.

25

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocaties, en specifiek de bomenrijen, tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

26

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming

27

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De veestal welke zich bevindt op Scheendijk 3. In de beoogde ingreep wordt de stal gesloopt.

Figuur 2

De zeshoekige opslag op Scheendijk 3. In de beoogde ingreep wordt deze opslag gesloopt.

28

Figuur 3

De watergang ten noorden van de recreatiewoning te Scheendijk 2.

Figuur 4

Omgeving ten noorden van Scheendijk 2.

29

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

30

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

31

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

32

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2522/documents/56705