Bijlage 3 Ontwerp GR BghU 2027 wijzigingen zichtbaar.pdf
Tekst van het document
Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 20207 Intitulé Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 20202027 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Overwegende dat de samenwerking voor alle deelnemers bijdraagt aan de kwaliteit van het innen van belastingen en deze kwaliteit ook voor inwoners en bedrijven herkenbaar gaat zijn; door de veranderende omgeving van belastingen een grotere bestuurlijke nabijheid en duidelijker rol- en taakverdeling tussen bestuurlijk opdrachtgever en opdrachtnemer gewenst is dan mogelijk is in een bedrijfsvoeringsorganisatie; heldere rol- en taakverdeling bijdraagt aan borging van de verbeterpunten uit evaluaties en onderzoeken; met de gewenste toetreding van Stichtse Vecht tot de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht met de gewenste omvorming van de bedrijfsvoeringsorganisatie tot openbaar lichaam het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke regeling 2016 2020 aan te passen; het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en
invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun het algemeen bestuur van HDSR daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen; Gelet op: hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen; artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet; artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet; artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht Besluiten Tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020, zodat deze als volgt komt te luiden:
De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. b.
c.
d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
o.
p. q. r. s. t. u. v. w. x.
Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van de BghU; ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; belastingdeurwaarder: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen; belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet; BghU: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van de BghU; deelnemende gemeenten: de gemeenten Bunnik,
De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist; deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; directeur: de door het Dagelijks Bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is; gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht; gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 30 of 31 is overgedragen aan het samenwerkingsverband; heffingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; invorderingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen; kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de
Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet; nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening; regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 20207; reglement: het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008; samenwerkingsverband: de bedrijfsvoeringsorganisatie het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; vertegenwoordigende organen: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en het Algemeen Bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Voorzitter: de Voorzitter van het bestuur van het samenwerkingsverband openbaar lichaam, tevens Voorzitter van het Algemeen en Dagelijks Bestuur; waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet. Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2: Belang In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van: a.
de heffing en invordering van belastingen;
b. c.
de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden, en basisadministraties en basisregistraties.
Artikel 3: Taken 1.
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven.
2.
De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het Algemeen Bestuur van samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: a. de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; b. de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; c. de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; d. de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; e. de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; f. de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; g. reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; h. de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; i. de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, of bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones; j. de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en k. de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Artikel 4: Additionele overdracht 1. 2. 3.
Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 30 overdragen aan het samenwerkingsverband. Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan het samenwerkingsverband. Het Dagelijks Bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 5 3: De bedrijfsvoeringsorganisatie Het openbaar lichaam 1.
Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. Hierna te noemen BghU.
2. 3.
Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.
Artikel 6: Bestuur Het bestuur van de BghU bestaat uit: a. het Algemeen Bestuur; b. het Dagelijks Bestuur; c. de Voorzitter.
Hoofdstuk 2: Inrichting en samenstelling van het bestuur Afdeling 1: Het bestuur Het Algemeen Bestuur
Artikel 4: Samenstelling 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Elk van de colleges wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het bestuur vertegenwoordigt. De leden van het bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges. Indien tussentijds binnen het bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het bestuur. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien. Voor ieder lid van het bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid alsmede artikel 18 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7 6: Samenstelling 1. Aan het hoofd van de BghU staat het Algemeen Bestuur, bestaande uit tien leden. 2. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap wijst uit zijn midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. 3. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijzen ieder uit hun midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. 4. De colleges wijzen ieder uit hun midden een plaatsvervanger aan die een lid bij verhindering vervangt. 5. De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges van de deelnemers. 6. Indien tussentijds binnen het Algemeen Bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. 7. Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het Algemeen Bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 8. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het Algemeen Bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien. 9.
Voor ieder lid van het algemeen bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het derde tot en met zesde lid alsmede artikel […] van overeenkomstige toepassing. 10. Een lid van het Algemeen Bestuur dat de hoedanigheid als lid van het college verliest, houdt ook op lid te zijn van het Algemeen Bestuur. 11. Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, aangesteld bij de BghU. 12. Met ambtenaar als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van de BghU werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, dan wel een overeenkomst van opdracht bij de BghU hebben. Artikel 8: Stemverhouding en besluiten Algemeen Bestuur 1. Het Algemeen Bestuur vergadert en besluit slechts indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is. Indien ingevolge de vorige zin de vergadering niet kan worden geopend, belegt de Voorzitter opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 2. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 3.
Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen, wordt bepaald door de bijdrage van de deelnemer. De bijdrage van een deelnemer wordt bepaald aan de hand van de in de begroting voor het betreffende jaar opgenomen bijdragen. 4. Hierbij geldt de volgende stemverdeling: a. Een deelnemer met een bijdrage tot en met € 200.000 heeft 1 stem; b. Een deelnemer met een bijdrage van € 200.001 tot en met € 500.000 heeft 2 stemmen; c. Een deelnemer met een bijdrage van € 500.001 tot en met € 1.000.000 heeft 3 stemmen;
d. Een deelnemer met een bijdrage van € 1.000.001 tot en met € 2.000.000 heeft 4 stemmen; e. Een deelnemer met een bijdrage van € 2.000.001 tot en met € 5.000.000 heeft 6 stemmen; f. Een deelnemer met een bijdrage van meer dan € 5.000.001 heeft 10 stemmen; Artikel 9: Vergaderingen van het Algemeen Bestuur 1. Het Algemeen Bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als de Voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht of tenminste twee leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de Voorzitter verzoeken. 2. Het Algemeen Bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het eerste lid ingediend verzoek. 3. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn in beginsel openbaar. De deuren worden gesloten wanneer twee van de aanwezige leden daarom verzoeken of de Voorzitter het nodig acht. Het Algemeen Bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd. 4. In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur worden geen besluiten genomen over: a. de begroting, begrotingswijzigingen; b. de jaarstukken; c. invoeren, wijzigen of afschaffen retributies of andere heffingen; d. vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen; e. benoeming en ontslag van leden van het Dagelijks Bestuur en bestuursorganen binnen de regeling; f. het wijzigen, opheffen van deze regeling en de vaststelling van het liquidatieplan; g.
oprichten, wijzigingen, verlengen of opheffen van en de deelneming in gemeenschappelijke regelingen, stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties; h. toetreden tot en uittreden uit de regeling. 5. Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 jo. artikel 62 van de Wgr van overeenkomstige toepassing. 6. Ingezetenen van de gemeenten respectievelijk het waterschap en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de vertegenwoordigende organen betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
Artikel 5 10: Reglement van orde Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers. Artikel 6: VERVALLEN Artikel 7: VERVALLEN Artikel 8: VERVALLEN Artikel 9: VERVALLEN Artikel 10: VERVALLEN Artikel 11: VERVALLEN Artikel 11: Bevoegdheden Algemeen Bestuur 1. Aan het Algemeen Bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen of overgedragen. Het Algemeen Bestuur kan bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur mandateren, tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. 2. Het Algemeen Bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Een besluit tot oprichting of deelname wordt niet genomen dan nadat de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het Algemeen Bestuur. 3. Het Algemeen Bestuur kan commissies van advies (als bedoeld in artikel 24 Wgr) en commissies ter behartiging van bepaalde belangen (als bedoeld in artikel 25 Wgr) instellen.
Het Algemeen Bestuur bepaalt daarbij welke bevoegdheden aan de commissies worden toegekend en op welke wijze deze worden samengesteld.
4. De volgende bevoegdheden van het Algemeen Bestuur zijn niet op- of overdraagbaar: a. het aanwijzen van de Voorzitter, plaatsvervangend Voorzitter en leden van het Dagelijks Bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van verdeelsleutels en Bijdrageregeling, de Financiële verordening en de Controle verordening; e. het vaststellen van de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; f. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr. 5. Er zijn geen besluiten van het Algemeen Bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 12: Besluitvorming 1.
2.
Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, tenzij deze regeling anders bepaalt en met dien verstande dat: a. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is aangewezen 93 stemmen heeft; b. het lid van het bestuur dat door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is aangewezen 34 stemmen heeft; c. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist is aangewezen 16 stemmen heeft; d. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht is aangewezen 13 stemmen heeft; e. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein is aangewezen 12 stemmen heeft; f. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt is aangewezen 10 stemmen heeft; g. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is aangewezen 9 stemmen heeft; h. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten is aangewezen 8 stemmen heeft; i.
het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik is aangewezen 3 stemmen heeft, en j. het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik is aangewezen 2 stemmen heeft. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
Artikel 13: VERVALLEN Artikel 14: VERVALLEN Artikel 15: Openbaarheid vergaderingen Algemeen Bestuur 1. 2. 3. 4. 5.
De vergaderingen van het bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het bestuur niet anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het bestuur kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur. Het bestuur maakt zijn vergaderstukken en verslagen uit eigen beweging openbaar, tenzij de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid daaraan in de weg staan. Besluiten van het bestuur worden niet aan zienswijzen van de vertegenwoordigende organen onderworpen, tenzij de Wet gemeenschappelijke regelingen of deze regeling dat expliciet voorschrijft. Ingezetenen van de gemeenten respectievelijk het waterschap en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de vertegenwoordigende organen betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
Artikel 16: VERVALLEN Artikel 17: VERVALLEN
Artikel 18 12: Ontslag Het college van de deelnemer kan het door hem in het Algemeen Bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Afdeling 2: Voorzitter Dagelijks Bestuur Artikel 13: Samenstelling 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit maximaal vier leden, waarbij het Dagelijks Bestuur niet meer dan de helft van de stemmen in het Algemeen Bestuur mag vertegenwoordigen. 2. De Voorzitter en de overige leden van het Dagelijks Bestuur worden door en uit het midden van het Algemeen Bestuur gekozen. Als leden van het Dagelijks Bestuur worden in ieder geval aangewezen de leden van het Algemeen Bestuur namens HDSR en de gemeente Utrecht. 3. Het lidmaatschap van een lid van het Dagelijks Bestuur eindigt, zodra men ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur. 4. Een lid van het Dagelijks Bestuur, waaronder de Voorzitter, kan door het Algemeen Bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit. 5. Een lid van het Dagelijks Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan mededeling aan het Algemeen Bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien. 6.
Indien tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur beschikbaar komt, kiest het Algemeen Bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur. 7. Gaat het openvallen van een plaats in het Dagelijks Bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het Algemeen Bestuur, dan wordt het kiezen van een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het Algemeen Bestuur is bezet. Artikel 14: Vergaderingen van het Dagelijks Bestuur 1. Het Dagelijks Bestuur vergadert tenminste viermaal per jaar en voorts zo dikwijls als de Voorzitter dit nodig acht of een lid van het Dagelijks Bestuur daarom verzoekt. 2. In de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien tenminste twee leden aanwezig zijn. 3. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de Voorzitter een nieuwe vergadering. 4. De leden van het Dagelijks Bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. 5. Indien de stemmen staken wordt het besluitpunt in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Staken ook dan de stemmen, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 6. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, voor zover het Dagelijks Bestuur niet anders heeft bepaald. 7.
Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergadering vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het Algemeen Bestuur. Artikel 15: Algemene taken van het Dagelijks Bestuur 1. Het Dagelijks Bestuur is belast met het dagelijkse bestuur van de BghU, tenzij de Voorzitter bij of krachtens de Wgr of krachtens deze gemeenschappelijke regeling daarmee is belast. 2. Het Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het Algemeen Bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht. 3. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het Algemeen Bestuur, tenzij de Voorzitter daarmee krachtens deze gemeenschappelijke regeling is belast. Artikel 16: Specifieke taken van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval belast met: a. de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van de BghU en de personele aangelegenheden; b. het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de BghU; c. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en boekhouding; d. het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BghU en de belastingdeurwaarder;
e. de behartiging van de belangen van de BghU bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de BghU van belang is; f. het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die de BghU voor de deelnemers uitvoert. Artikel 17: Bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval bevoegd tot: a. het nemen van conservatoire maatregelen; b. het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep; c. benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van de BghU; d. het regelen van de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel van de BghU; e. uitoefening van de bevoegdheden en de verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de Minister van Financiën het bestuur van ’sRijksbelastingdienst en de directeur respectievelijk het Dagelijks Bestuur of het college van burgemeester en wethouders van de deelnemers; f. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar; g.
de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder; h. het aanwijzen van een of meer ambtenaren van BghU als ambtenaar als bedoeld in artikel 1, sub b, van deze regeling; i. het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden; j. het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen; k. het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingen; l. het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten; m. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van BghU, waaronder mede begrepen het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten; n. het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen. Afdeling 3: Voorzitter Artikel 19 18: Aanwijzing Voorzitter 1.
Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de Voorzitter aan.
2.
Het bestuur wijst uit het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, niet zijnde het door dit college aangewezen lid in het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, een voorzitter aan. De voorzitter heeft in de vergaderingen van het bestuur een raadgevende stem en kan zodoende aan de beraadslagingen deelnemen. Uit de leden van het Dagelijks Bestuur wordt een plaatsvervangend Voorzitter aangewezen door het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur kan de Voorzitter of de plaatsvervangend Voorzitter ontslaan.
3. 4. 5.
Artikel 19: Taken en bevoegdheden Voorzitter 1. De Voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur van BghU. 2. De Voorzitter tekent de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan. 3. De Voorzitter vertegenwoordigt BghU in en buiten rechte. De Voorzitter kan deze vertegenwoordiging met instemming van het Dagelijks Bestuur aan een door deze aan te wijzen gemachtigde opdragen. 4. Indien de Voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij BghU is betrokken, oefent de plaatsvervangend Voorzitter met betrekking tot dat geding de in het derde lid van dit artikel genoemde bevoegdheid uit.
5. Indien ook de deelnemer van welks bestuur de plaatsvervangend Voorzitter deel uitmaakt bij het in het vierde lid van dit artikel bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het Dagelijks Bestuur gemandateerd om BghU met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen. Afdeling 4: Verantwoording en Inlichtingen Artikel 20: Informatieplicht en verantwoordingsplicht 1. De leden van het Dagelijks Bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven ongevraagd aan het Algemeen Bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de Voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 21: Informatieverstrekking door het Algemeen en Dagelijks Bestuur en de Voorzitter 1. Het Algemeen Bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2.
Het Algemeen Bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen worden verlangd. 3. Ontwikkelingen die van invloed zijn op de bijdragen zendt het Algemeen Bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de vertegenwoordigende organen ter informatie. Artikel 22: Informatieverstrekking door individuele leden van het Algemeen Bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid. Afdeling 5 3: Secretaris Artikel 23 20: Benoeming, schorsing en ontslag 1. 2.
De secretaris wordt door het Dagelijks Bestuur aangewezen benoemd. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het Dagelijks Bestuur.
Artikel 24 1: Taak 1.
De secretaris staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de Voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. De secretaris is aanwezig in de vergadering van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. De secretaris ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan, mede.
2.
De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband.
Artikel 22: Vervanging 1. Het bestuur regelt de vervanging van de secretaris. 2. Artikel 20, tweede lid, en artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.
Afdeling 4: Overige bestuursorganen Hoofdstuk 3: De heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder
Artikel 25 3: Algemene bepaling Het samenwerkingsverband De BghU heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband BghU en belastingdeurwaarders. Artikel 26 4: Bevoegdheden heffingsambtenaar 1. 2.
3.
De heffingsambtenaar is bevoegd tot heffing van de belastingen waarvoor door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van BghU een belastingverordening is vastgesteld en waarvan de heffing en de invordering door de colleges van de deelnemers is overgedragen aan BghU. De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 27 5: Bevoegdheden invorderingsambtenaar 1.
De invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van alle belastingen die door de heffingsambtenaar worden geheven.
2.
De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. De invorderingsambtenaar is bevoegd het Dagelijks Bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het voornemen van een besluit als bedoeld in artikel 17, onder k. van deze regeling.
3. 4.
5.
Artikel 28 6: Bevoegdheden ambtenaar van de BghU 1.
De ambtenaar van het samenwerkingsverband de BghU heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.
2.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de BghU de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 29 7: Bevoegdheden belastingdeurwaarder 1.
De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.
2.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Afdeling 6 5: Ombudsfunctie
Artikel 30: Ombudsfunctie Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen.
Hoofdstuk 3: Bevoegdheden van het samenwerkingsverband Afdeling 1: Bevoegdheden van het bestuur Artikel 29: Bevoegdheden Het bestuur van het samenwerkingsverband is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen. Artikel 30: Overdracht bevoegdheden 4.
5.
6.
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het Algemeen bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het Algemeen bestuur van samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: a. de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; b. de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; c. de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; d. de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; e. de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; f. de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; g. reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; h. de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; i.
de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, of bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bedrijveninvesteringzones; j. de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en k. de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 31: Additionele overdracht 4. 5. 6.
Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 30 overdragen aan het samenwerkingsverband. Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan het samenwerkingsverband. Het bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 32: VERVALLEN Artikel 33: Bevoegdheid
1. 2. 3.
4. 5. 6.
7. 8. 9.
10. 11. 12
Het bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. Het bestuur is bevoegd tot het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Het bestuur is bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur respectievelijk het waterschap of aan het waterschapsbestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, om spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, om schorsing van het aangevochten besluit of om een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken. Het bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband. Het bestuur houdt een register bij van de belastingverordeningen waarvan de bestuursorganen van het samenwerkingsverband belast zijn met de heffing en invordering. In het register worden tevens de bij de die belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregelingen opgenomen.
Het bestuur oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, Hoofdstuk XV van de Gemeentewet, Hoofdstuk XVI van de Waterschapswet, Hoofdstuk 7 van de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk de colleges, met inachtneming van het bepaalde in artikel 30 en 31. Het bestuur is belast met het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband en de belastingdeurwaarder. Het bestuur is bevoegd tot aanwijzing van een of meer ambtenaren als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 27. Het bestuur is bevoegd tot het vaststellen van beleidsregels en het per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband onderscheidenlijk de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden. Het bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van belastingen.
Het bestuur is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting. Het bestuur is bevoegd tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelname daaraan.
Artikel 34: Mandaat 1. 2.
Het bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden van het bestuur. Het bestuur kan tevens mandaat verlenen aan de secretaris, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet. Het bestuur kan de secretaris toestaan ondermandaat te verlenen.
Artikel 35: Inlichtingen en verantwoording 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Een lid van het bestuur geeft het college van de deelnemer die hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door één of meer leden van dat college worden gevraagd. Een lid van het bestuur kan door het college van de deelnemer dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden. Het bestuur geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen. Het bestuur geeft de vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die deze organen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Afdeling 2: De taken en bevoegdheden van de voorzitter Artikel 36: Taken
1. 2. 3.
De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van het samenwerkingsverband. De voorzitter heeft de leiding van de vergaderingen van het bestuur. De voorzitter ondertekent alle stukken welke van het bestuur uitgaan.
Artikel 37: VERVALLEN Artikel 38: VERVALLEN
Hoofdstuk 4: Ambtelijk apparaat BghU Artikel 39 31: Ambtelijke organisatie apparaat 1. 2.
Het samenwerkingsverband De BghU heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur. Het Dagelijks Bestuur stelt een organisatieverordening vast.
Hoofdstuk 5: Financiën van het samenwerkingsverband Begroting, rekening, administratie en controle Afdeling 1: Inleidende bepalingen Artikel 32: Kostentoerekening 1. 2. 3.
Het Algemeen Bestuur stelt jaarlijks, als onderdeel van de begroting, binnen de kaders van de bijdrageverordening als bedoeld in het derde tweede lid, de toerekening van de kosten vast voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4. Het Algemeen Bestuur stelt een bijdrageverordening vast met daarin de methode en richtlijnen voor de kostenverdeelsleutel. In afwijking van artikel 8, tweede lid wordt de bijdrageverordening als bedoeld in het tweede lid van dit artikel vastgesteld bij unanimiteit.
Artikel 33: Inrichting 1. 2.
De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 198 van de Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Op de administratie en controle is Hoofdstuk XIV van de Gemeentewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2: De begroting Artikel 34: Kadernota Het Dagelijks Bestuur zendt uiterlijk voor 30 januari 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de vertegenwoordigende organen. Artikel 43: Begroting 1. 2. 3. 4. 5.
Voor alle aan het samenwerkingsverband opgedragen taken brengt het bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die daarvoor beschikbaar door de deelnemers beschikbaar worden gesteld. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven. De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht. Ten laste van het samenwerkingsverband kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
Artikel 35: Ontwerpbegroting 1. Het Dagelijks Bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de vertegenwoordigende organen. 2. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het Dagelijks Bestuur hun zienswijze naar voren brengen. 3. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. Het Dagelijks Bestuur stelt de vertegenwoordigende organen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting door het Algemeen Bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze. 4. Het Dagelijks Bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 5. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. 6.
In gevallen, dit ter beoordeling van het Algemeen Bestuur, kan een wijziging van de begroting die geen verhoging tot gevolg heeft van begrote deelnemersbijdragen voor het betreffende begrotingsjaar worden vastgesteld door het Algemeen Bestuur zonder dat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers hun zienswijze hebben kunnen geven. Van de vaststelling door het Algemeen Bestuur van een dergelijke begrotingswijziging wordt mededeling gedaan aan de vertegenwoordigende organen. 1. 2. 3. 4. 5.
Het bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij door het bestuur wordt behandeld toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het bestuur stelt de vertegenwoordigende organen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de deelnemers.
Artikel 45: Vaststelling begroting 1. 2. 3. 4. 5.
Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de begroting bij drie vierde meerderheid vastgesteld. Het bestuur streeft naar consensus bij de vaststelling van de begroting. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. Het bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. Op besluiten tot wijziging van de begroting zijn van overeenkomstige toepassing: a. het eerste lid, met uitzondering van de eerste volzin; b. het tweede lid, met dien verstande dat de wijziging niet voor 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft aan gedeputeerde staten hoeft te worden gezonden, en c. Het derde lid, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de deelnemers.
Artikel 36: Bijdrage deelnemers 1. In de begroting wordt aangegeven de door elke deelnemer, voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage. 2. De deelnemers betalen bij wijze van bevoorschotting volgens een nader vast te stellen ritme.
3. De deelnemers dragen zorg voor dat de BghU te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 4. De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door de BghU af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd.
Afdeling 3: Jaarrekening Artikel 37: Jaarrekening en jaarverslag 1. 2.
3. 4. 5.
Het bestuur legt over elk begrotingsjaar verantwoording af aan de colleges over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. Het bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van het samenwerkingsverband. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na afloop van dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening aan de vertegenwoordigende organen. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 1. Van in de inkomsten en uitgaven van de BghU over het afgelopen jaar wordt door het Dagelijks Bestuur verantwoording afgelegd aan het Algemeen Bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. 2.
Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de voorlopige jaarstukken, bestaande uit de concept jaarrekening en het concept jaarverslag, aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van de BghU. 3. Het Algemeen Bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de jaarstukken vast. 4. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben, toe aan gedeputeerde staten van Utrecht. 5. Na vaststelling van de jaarstukken zendt het Dagelijks Bestuur deze aan de vertegenwoordigende organen.
Artikel 47: Garantstelling De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
Artikel 38: Definitieve bijdrage 1. In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen. 2. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 36 van deze regeling bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 37, vijfde lid van deze regeling bedoelde mededeling.
Hoofdstuk 6: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing Artikel 39 48: Toetreding 1.
Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het Dagelijks Bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het Dagelijks Bestuur. van het
2. 3.
4. 5. 6. 7.
samenwerkingsverband. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, tweede vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het Dagelijks Bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het Algemeen Bestuur. Vervolgens zendt het Dagelijks Bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het Algemeen Bestuur toe aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de verzochte toetreding. Van hun besluit stellen de deelnemers het Algemeen Bestuur schriftelijk in kennis. Toetreding kan geschieden nadat de colleges en het toetredende bestuursorgaan hiertoe eensluidend hebben besloten. Het Algemeen Bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten. De toetreding gaat in op de datum waarop de aangepaste gemeenschappelijke regeling in werking treedt. Het college van burgemeester en wethouders of het college van een waterschap dat toetreedt, doet zo spoedig mogelijk de nodige aanwijzing overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze regeling.
Artikel 40 49: Uittreding 1. 2. 3. 4. 5.
6.
7.
8.
Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één kalenderjaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. Het voornemen tot uittreding wordt, na verkregen toestemming door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het Algemeen bestuur van het samenwerkingsverband de BghU en aan de andere deelnemers meegedeeld. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Op grond van het in het derde vierde lid opgestelde uittredingsplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede derde lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het college zendt zijn besluit tot uittreding, alsmede het toestemmingsbesluit van het vertegenwoordigend orgaan, aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur de besluiten heeft ontvangen.
Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen bestuur, inventariseert het Algemeen Bestuur met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een concept uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. De vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer in het Algemeen Bestuur houdt gedurende de periode van het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het Algemeen Bestuur rekening met de belangen van het samenwerkingsverband zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig neemt deze vertegenwoordiger geen deel aan de beraadslaging en stemmingen van het Algemeen Bestuur. Indien de uittreding een wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk maakt, stelt het bestuur, ter voorbereiding op zijn besluitvorming, een voorstel op voor wijziging van deze regeling. Artikel 50 45 is onverkort van toepassing.
Artikel 41 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. 2. 3. 4.
Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 40 9, vierde vijfde lid, stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend. Het uittredingsplan bepaalt met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen: de voorlopige uittreedsom. Ten minste acht maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het voorlopige uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken boekjaar.
5.
6. 7. 8. 9.
Uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het definitieve uittredingsplan en de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen. De kosten van het opstellen van het uittredingsplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden. De leden van het Algemeen Bestuur kunnen het uittredingsplan op de voor hen gebruikelijke wijze voor consultatie toezenden aan hun vertegenwoordigend orgaan. De ondernemingsraad van het samenwerkingsverband wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het uittredingsplan, overeenkomstig de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 42 Onafhankelijke externe deskundige 1. 2. 3.
4. 5.
Na ontvangst van de in artikel 40 9, tweede derde lid, vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke externe deskundige opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, stelt het Algemeen Bestuur een projectgroep samen die onder leiding van de onafhankelijke externe deskundige het conceptuittredingsplan voorbereid. Het Algemeen Bestuur geeft een onafhankelijke financieel deskundige, niet zijnde de onafhankelijk externe deskundige bedoeld in het eerste lid, opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept uittredingsplan te toetsen, nadat voor de opdracht instemming is verkregen van de uittredende deelnemer. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe financieel deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer. Het tarief van de onafhankelijke externe financieel deskundige dient in overeenstemming te zijn met hetgeen voor dit soort werkzaamheden in de desbetreffende adviesbranche gebruikelijk is.