CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ontwerp GR BghU 2027 wijzigingen zichtbaar.pdf

Commissie Sociaal Domein en Bestuur en Financiën 10 februari 2026, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 6.: Zienswijze ontwerp GR BghU11.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 43 Uittreedsom 1.

2.

3. 4. 5. 6.

De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van de directe kosten van uittreding (frictiekosten en desintegratiekosten), verminderd met het aandeel van de uittredende deelnemer in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van het samenwerkingsverband op de datum van uittreding. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting, met dien verstande dat: a. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het samenwerkingsverband die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer, zoals inhuur externe deskundigen, een accountant en een advocaat. b. Onder desintegratiekosten worden verstaan kosten te maken door en de schade voor het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. c.

Het bepaalde in het tweede lid onder b is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding. Voor de periode van vijf jaar is aansluiting gezocht bij de termijn van de begrotingssystematiek. Het samenwerkingsverband brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. De waarde van de personeelsformatie die de uittredende deelnemer als gevolg van de uittreding eventueel overneemt van het samenwerkingsverband wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het samenwerkingsverband is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden.

Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding.

7.

Het samenwerkingsverband en de uittredende deelnemer zijn gehouden om in het kader van de bepaling van de inhoud van het uittredingsplan alle relevante informatie over en weer te verstrekken.

Artikel 44 Overige bepalingen rond uittreding 1. 2. 3.

4.

De raming en berekening van de kosten voor uittreding wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich zullen voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen Bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. De wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. De wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

Bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen betaling van een uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in één keer. In het definitieve uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in één keer dient te betalen.

Artikel 45 50: Wijziging van de regeling 1. 2. 3. 4. 1. 2. 3. 4.

De colleges of het bestuur kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het bestuur. Het bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges. Wijziging kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten. De wijziging bepaalt zelf wanneer deze in werking treedt, met in acht neming van het hieromtrent in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalde. Zowel het Algemeen Bestuur, als de colleges van de deelnemers aan deze regeling kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Het Algemeen Bestuur zendt het ontwerp tot wijziging van de regeling toe aan de colleges van de deelnemers. De colleges zenden het ontwerp tot wijziging aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen acht weken een zienswijze indienen. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers na verkregen toestemming van de vertegenwoordigende organen conform artikel 1 Wgr. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde artikel 1, respectievelijk artikel 61 Wgr tot stand is gekomen, treedt in werking op de in het wijzigingsbesluit genoemde datum, tenzij de datum van bekendmaking is gelegen na de in het wijzigingsbesluit opgenomen datum.

Artikel 46 51: Opheffing en liquidatie 1. 2. 3. 4. 1. 2. 3.

4.

De colleges kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur zendt het voorstel aan de colleges. Opheffing kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten. Bij opheffing van de regeling wordt een plan opgesteld als bedoeld in artikel 490, derde vierde lid. Het bepaalde in artikel 49, derde, vijfde, zesde en zevende 40, vierde, zesde, zevende en achtste lid is van overeenkomstige toepassing. Tot opheffing van deze regeling kan slechts worden overgegaan bij daartoe gelijkluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers. Een besluit tot opheffing vermeldt de datum waarop de opheffing ingaat. De opheffing gaat eerst in nadat deze is bekend gemaakt. Het dagelijks bestuur zal, nadat tot opheffing besloten is, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van BghU en stelt daartoe zo spoedig mogelijk een ontwerp liquidatieplan op. Het liquidatieplan wordt ‐ nadat de vertegenwoordigende organen zijn gehoord ‐ vastgesteld door het Algemeen Bestuur. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het Dagelijks Bestuur is belast met de liquidatie conform het liquidatieplan.

5. 6.

Van het besluit tot liquidatie wordt Gedeputeerde Staten in kennis gesteld. Het openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig. Zo nodig blijven de bestuursorganen en commissies van BghU ook na het tijdstip van opheffen in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 7: Overige bepalingen Artikel 52: Archief 1. 2. 3.

Het bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het samenwerkingsverband BghU overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften. Het bestuur stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop. In geval van toetreding, uittreding of opheffing van de regeling draagt het bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.

Artikel 47: Archief Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 48: Archiefbeheer 1. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het Dagelijks Bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Artikel 49: Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Utrechts Archief. Artikel 50: Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Utrechts Archief. Artikel 51: Verantwoording 1. De archivaris van het Utrechts Archief brengt tweejaarlijks aan het Dagelijks Bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2.

Het Dagelijks Bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het Algemeen Bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 52: Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. 3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling. Artikel 53: Uitvoeringsprotocol 1.Het Algemeen Bestuur stelt een uitvoeringsprotocol vast waarin ten minste aan bod komen: a. de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de dienstverlening van het samenwerkingsverband; b. de door het samenwerkingsverband te leveren producten en diensten; c. de definitie van resultaatgebieden;

d. e. f. g. h. i.

de wijze van aanslagoplegging; de invulling van klantcontacten; het regime voor afdrachten; de wederzijdse uitwisseling van eigendom en gegevens; de werkrelatie tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers, en de invulling van overlegstructuren tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers.

Artikel 54: Maatwerkparagraaf Binnen de kaders van het uitvoeringsprotocol, bedoeld in artikel 53, kan het samenwerkingsverband jaarlijks met iedere afzonderlijke deelnemer een maatwerkparagraaf in het uitvoeringsprotocol afspreken waarbij nadere afspraken kunnen worden gemaakt over additionele taken als bedoeld in artikel 31 4. Artikel 55: Secretarissenoverleg Het Dagelijks Bestuur stelt een verordening vast waarbij een adviesgroep, onder de naam secretarissenoverleg, wordt ingesteld. De secretaris onderscheidenlijk de secretaris-directeur kan zich laten vertegenwoordigen. Artikel 56: Geschillen 1. 2. 3.

4. 5.

6.

Onverminderd het bepaalde in artikel 28 en artikel 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het Algemeen Bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemten het Algemeen Bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als Voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het Algemeen Bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het Algemeen Bestuur en aan het betreffende college.

Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten. De kosten van de adviescommissie worden door het Algemeen Bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.

Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 57: Inwerkingtreding Deze gewijzigde regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de regeling overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend is gemaakt, doch niet eerder dan met ingang van 1 januari 20207 en vervangt de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 201627.

Artikel 58: Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 59: Evaluatie 1.

Het Algemeen Bestuur evalueert in het jaar voorafgaande aan reguliere gemeenteraadsverkiezingen de samenwerking en gaat daarbij in elk geval in op het functioneren van het samenwerkingsverband.

2.

De resultaten van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk in januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezing aangeboden aan de colleges en de vertegenwoordigende organen.

Artikel 60: Citeerwijze Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 20207”. Artikel 61: Overgangsbepaling 1.

2.

3. 4.

Het reglement van orde, bedoeld in artikel 7 van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur blijft van kracht ten aanzien van het bestuur van het samenwerkingsverband, totdat het bestuur het reglement intrekt of wijzigt. Het reglement wordt geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 5 van deze regeling. De delegatiebesluiten genomen krachtens artikel 37 3 en 4 van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht blijven van kracht, in die zin dat bevoegdheden die aan het algemeen bestuur onderscheidenlijk het alge zijn toegekend thans aan het bestuur van het samenwerkingsverband worden toegekend. De delegatiebesluiten worden geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 31 3 en 4 van deze regeling. Door het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht vastgestelde mandaatbesluiten en overige regelingen blijven van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld door het bestuur van het samenwerkingsverband.

Het vorige lid geldt niet ten aanzien van bepalingen in door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht vastgestelde bepalingen waarbij taken of bevoegdheden worden overgedragen aan het dagelijks bestuur van datzelfde openbaar lichaam. Deze regelingen komen te vervallen.

Ondertekening Aldus besloten en akkoord door: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, d.d.

De secretaris, De burgemeester, Het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

De secretaris, De dijkgraaf,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/3221/documents/64183