Bijlage 2. Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 (1).pdf
Tekst van het document
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 Artikel 1. Definities Bestaande tekst c. advies Onderwijsraad : advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
Nieuwe tekst - advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 6.5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. bevoegd gezag : bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; - Integraal huisvestingsplan (IHP): het door de raad vierjaarlijks vast te stellen plan waarin de strategische en budgettaire kaders van het gemeentelijke onderwijshuisvestingsbeleid worden beschreven en waarin een overzicht wordt gegeven van de voorgenomen huisvestingsprojecten. Het plan wordt ondersteund door een jaarlijks op te stellen uitvoeringsplan waarin de geplande investeringen en een doorkijk naar de daaropvolgende jaren worden opgenomen; - medegebruik: gebruik van een onderwijsgebouw ten behoeve van onderwijs van een andere school of van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;
j. nevenvestiging : deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
- nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 4.14, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
k. overzicht : overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra of artikel 6.6 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
programma : programma als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 6.5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; - renovatie: vernieuwing, integrale verbetering, en/of ingrijpende verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs te verlengen; - school: 1
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 1°. school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; 2°. school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; 3°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
n. school : 1°. school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; 2°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
p. tijdelijke nevenvestiging : een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II tenminste 4 jaar en maximaal 15 jaar noodzakelijk is;
s. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is; Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
Bestaande tekst
Nieuwe tekst 2°. renovatie bestaande uit vernieuwing, integrale verbetering, en/of ingrijpende verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs te verlengen; 6°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 5°;
5° terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;
Artikel 3. Haalbaarheidsonderzoek en voorbereidingskrediet Bestaande tekst Nieuwe tekst 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en 2, kan een aanvraag voor onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4° kan een aanvraag het bekostigen van het opstellen van een voor een vergoeding van de kosten voor het aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. opstellen van een haalbaarheidsonderzoek worden ingediend. 2. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, die zijn opgenomen in het IHP, kan een aanvraag voor een 2
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 vergoeding van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen Bestaande tekst 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 6°,7° en 8° en artikel 2 onderdeel d, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.
Nieuwe tekst 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 3°, 7° en 8°, en artikel 2 onderdeel d, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.
3. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8% van het genormeerde investeringsbedrag bij projecten tot een bruto vloeroppervlakte van 2500m² of 5% bij projecten met een groter omvang dan m².
3. Het beschikbaar te stellen bedrag voor een haalbaarheidsonderzoek als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op basis van feitelijke kosten.
4. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2 onder b en c worden de kosten van technische ondersteuning vergoed op basis van de feitelijke door het college goedgekeurde kosten tot een maximum van 8% van de uitvoeringskosten.
4. Voor voorzieningen die zijn opgenomen in het IHP wordt de vergoeding van de feitelijke kosten vastgesteld op basis van een gezamenlijk door het college en het betrokken bevoegd gezag uitgevoerd haalbaarheidsonderzoek. 5. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde investeringsbedrag. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet, maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt hierop in mindering gebracht.
Artikel 6. IHP Bestaande tekst
Nieuwe tekst 1. Op voorstel van het college, tot stand gekomen na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen, stelt de raad het IHP vast. 2. Het IHP is het door de raad vierjaarlijks vast te stellen plan waarin de strategische en budgettaire kaders van het gemeentelijke onderwijshuisvestingsbeleid zijn beschreven en waarin een overzicht is opgenomen van de voorgenomen huisvestingsprojecten. Het plan wordt ondersteund door een jaarlijks op te stellen uitvoeringsplan waarin de geplande investeringen en een doorkijk naar de daaropvolgende jaren zijn opgenomen. 3. Uiterlijk drie jaar na vaststelling van het IHP evalueert het college samen met de bevoegde gezagsorganen het IHP en legt het college, na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen, een geactualiseerd (herijkt) IHP ter vaststelling voor aan de raad.
Artikel 6a. Indienen aanvraag Bestaande tekst
Nieuwe tekst 3
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 3. Indien het college van oordeel is dat een andere voorziening dan de aangevraagde een doelmatiger inzet van publieke middelen en lagere kosten oplevert, kan het college besluiten deze alternatieve voorziening in het programma op te nemen in plaats van de aangevraagde voorziening. 4. Een besluit als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend genomen indien de alternatieve voorziening functioneel gelijkwaardig is aan de aangevraagde voorziening. 5. In afwijking van het derde lid, wordt een aanvraag voor een voorziening geacht te zijn ingediend, indien deze is opgenomen in het IHP voor het eerstvolgende jaar. Voor de aanvragen als bedoeld in dit lid, blijven de artikelen 7 tot en met 10 buiten toepassing. 6. Het college houdt bij de beoordeling en programmering van deze voorzieningen rekening met de prioritering en fasering zoals opgenomen in het IHP, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of zwaarwegende argumenten. Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag Bestaande tekst Nieuwe tekst 1° een prognose van het te verwachten aantal 1°.
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs de leerlingen van de school voor basisonderwijs, de speciale school voor basisonderwijs, of de school speciale school voor basisonderwijs, de school voor voor voortgezet onderwijs, als het betreft een speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel of de school voor voortgezet onderwijs, als het 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 6°, 7° of 8°, onder de betreft een aanvraag voor een voorziening als voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4°, II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in 7°, 8° en 9° onder de voorwaarde dat de prognose samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door een school voor basisonderwijs, een actuele het college, al dan niet in samenwerking met de prognose is opgesteld, welke door het bevoegd bevoegde gezagsorganen van een school voor gezag wordt onderschreven; basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven; 2° als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2,
onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;
2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage als bedoeld in bijlage I, deel A, onder A.2;
3° als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening;
3°. als de aanvraag betrekking heeft op herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage van een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld; 4°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de 4
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting. g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.
g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 6°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.
2. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
2. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Bestaande tekst Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.
Nieuwe tekst Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.
Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad Bestaande tekst Nieuwe tekst 2. Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 november van 2. Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de gezagsorganen worden ten minste twee weken voor door het college vastgestelde datum schriftelijk in de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. voorgenomen inhoud van het voorstel. 4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.
4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.
Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering Bestaande tekst 1. Binnen acht weken na vaststelling van het programma doet het college een schriftelijk voorstel over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening en, voor zover van toepassing, over het daarover te voeren nader overleg. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en
Nieuwe tekst 1. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de
5
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:
voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:
a. het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;
a. het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.13 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt waarbij op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het Inkoop en Aanbestedingsbeleid Stichtse Vecht van toepassing zijn;
f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;
g. de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 5% of 8% van het genormeerde investeringsbedrag.
g. de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 procent van het geraamde investeringsbedrag. 5. Voor voorzieningen, die zijn opgenomen in het IHP, blijft het bepaalde in de vorige leden van dit artikel buiten toepassing, indien de afspraken over bouwheerschap, goedkeuring bouwplan en begroting en overige voorwaarden reeds zijn vastgelegd in een afsprakenbrief. Voor de voorzieningen als bedoeld in dit lid blijven de artikelen 14, 15 en 16 buiten toepassing. 6. Het college kan nadere regels stellen over de verantwoording, administratie en controle van de besteding van de verstrekte middelen.
Artikel 21. Opname van voorzieningen in aangewezen kernen Bestaande tekst Nieuwe tekst 1. Indien het bevoegd gezag een aanvraag indient voor een voorziening als bedoeld in artikel 2 en het aantal leerlingen op het moment van aanvraag lager is dan de opheffingsnorm als bedoeld in artikel 140 van de Wet op het primair onderwijs, kan het college, ook indien niet aan alle reguliere criteria voor opname wordt voldaan, besluiten de voorziening op te nemen in het programma, mits de school is gelegen in een door het college aangewezen kern als bedoeld in artikel 22. 2. Een kern is een door het college aangewezen kern of wijk waarbinnen behoud van onderwijshuisvesting noodzakelijk wordt geacht voor: a. de leefbaarheid van de kern; b. de maatschappelijke functie van het onderwijs; c. de spreiding van onderwijsvoorzieningen binnen de gemeente. Artikel 22. Aanwijzing kernen Bestaande tekst
Nieuwe tekst 6
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 Het college wijst kernen aan op basis van een integrale afweging van factoren die de noodzaak tot behoud van onderwijshuisvesting in een kern aantonen. Daarbij worden in elk geval betrokken: a. afstand en bereikbaarheid ten opzichte van andere onderwijsvoorzieningen; b. huidig en toekomstig leerlingenaantal; c. verwachte woningbouwontwikkelingen; d. het belang van de school voor de leefbaarheid van de kern; e. maatschappelijke effecten bij het verdwijnen van de voorziening. De aangewezen kernen zijn Kockengen, Tienhoven, Loenersloot, Nieuwer Ter Aa, Vreeland en Nigtevecht. Deze lijst wordt ten minste eens per vier jaar geactualiseerd. Artikel 23. Beoordelingscriteria bij aanvragen Bestaande tekst
Nieuwe tekst Bij de beoordeling van aanvragen voor voorzieningen binnen aangewezen kernen toetst het college in hoeverre de aangevraagde voorziening bijdraagt aan het behoud en de versterking van het onderwijsaanbod in de kern. Daarbij worden in ieder geval betrokken: a. de mate waarin de voorziening bijdraagt aan het behoud en de versterking van het onderwijsaanbod in de kern; b. de samenhang van de voorziening met andere maatschappelijke functies en initiatieven in de kern; c. de gevolgen van het al dan niet realiseren van de voorziening voor de kern en haar inwoners; d. de spreiding, bereikbaarheid en kwaliteit van het totale onderwijsaanbod binnen en rond de kern; e. de haalbaarheid en het draagvlak voor de voorziening; f. de visie van het bevoegd gezag op de toekomstige onderwijshuisvesting in de kern, inclusief eventuele samenwerking met andere partijen.
Artikel 24. Procedure Bestaande tekst
Nieuwe tekst 1. Het bevoegd gezag dient bij de aanvraag een aanvullende motivering in waarin de in artikel 23 genoemde criteria worden onderbouwd. 2. Het college maakt de afweging expliciet onderdeel van het besluit tot opname in het programma.
Artikel 26. Omschrijving leegstand Bestaande tekst In huidige verordening artikel 22.
Nieuwe tekst In herziene verordening artikel 26.
2a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 26 klokuren;
2a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal 7
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren; 2c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.
2c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.
Artikel 29. Vergoeding Bestaande tekst In huidige verordening artikel 25.
Nieuwe tekst In herzien verordening artikel 29.
De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag voor elke groep bij meer dan zes groepen dat door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW.
De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn.
Artikel 31. Verzoek toestemming college Bestaande tekst In huidige verordening artikel 27.
Nieuwe tekst In herziene verordening artikel 31.
1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.
1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 6.18, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.
4. Het college verleent geen toestemming indien: a. de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met de bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs. b. de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.
4. [verwijderd]
Artikel 32. Staat van onderhoud Bestaande tekst In huidige verordening artikel 28.
Nieuwe tekst In herziene verordening artikel 32.
1. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. De wijze waarop dit plaatsvindt is vastgelegd in een gezamenlijk met de schoolbesturen opgesteld
1. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.
8
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 protocol overdracht schoolgebouw van schoolbestuur naar de gemeente Stichtse Vecht.
Hoofdstuk 7. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs Artikel 33. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik Bestaande tekst Nieuwe tekst 1. Een bevoegd gezag van een school voor 1. Het college stelt jaarlijks voor 15 december basisonderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 april voorlopig vast het aantal klokuren voorafgaande aan het volgende schooljaar een bewegingsonderwijs waarop een school voor opgave van de voor dat schooljaar voor de school basisonderwijs, een speciale school voor gewenste onderwijsgebruik van een basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende een school voor speciaal en voortgezet speciaal gegevens: onderwijs of een school voor voortgezet speciaal a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik onderwijs in het daaropvolgende schooljaar uitgedrukt in een aantal klokuren; aanspraak maakt. b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of ruimten waarin het gebruik wordt gewenst; 2. Grondslag voor het berekenen van het aantal c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober een schoolweek wordt gewenst. van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven. 2. De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte als 3.
Op basis van het aantal klokuren stelt het college bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een voor 31 december een rooster op voor het gebruik aanvraag in de zin van artikel 17, met dien verstande van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag college rekening houdt met de volgende het bepaalde in dit artikel van toepassing is. uitgangspunten: a. de afstanden in relatie tot de omvang van het 3. Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande onderwijsgebruik van een lokaal aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B; ingediende opgaven een voorstel tot inroostering b. een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is vast van het onderwijsgebruik door scholen voor van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de basisonderwijs van de op het grondgebied van de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe bewegingsonderwijs, en wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen c. het bewegingsonderwijs van een school wordt de beschikbare capaciteit van de gymnastiek zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal ruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit bewegingsonderwijs. van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. 4. Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het 4.
Het college neemt bij de vaststelling van het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari in voorstel tot inroostering het volgende in acht: kennis van het rooster. Hierbij worden per school de a. de afstanden in relatie tot de omvang van het volgende gegevens vermeld: onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt opgenomen in bijlage I, deel B; ingeroosterd; b. het bevoegd gezag van een niet door de b. het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is bewegingsonderwijs is toegewezen, en van een gymnastiekruimte wordt voor de c. de lestijden gedurende welke het betreffende school het eerste ingeroosterd voor die onderwijsgebruik plaatsvindt. gymnastiekruimte; c. het gymnastiekonderwijs van een school wordt 5. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart zoveel mogelijk ingeroosterd in één reageren op het voorstel. gymnastiekruimte. 6. Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan 5. Het voorstel tot inroostering vermeldt per school het college een overleg over het voorstel plannen. voor basisonderwijs de volgende gegevens: Dit overleg vindt plaats voor 15 februari. In het 9
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte; b. de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; c. een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt; d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school.
overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel. 7. Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. 8. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. 9. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.
Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. 6. Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering. 7. Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd. 8.
Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 19, derde lid en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 26, derde lid. Artikel 34. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet 10
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 Bestaande tekst 2. Het college is bevoegd om – indien zich bijzonder omstandigheden voordoen, zulks ter beoordeling van het college – te besluiten bij overschrijding van de termijn genoemd in artikel 6, lid 2, artikel 16 lid 1 en 3, met maximaal één week de aanvraag in behandeling te nemen, respectievelijk de bekostiging niet te laten vervallen.
Nieuwe tekst 2. [verwijderd]
3. Het college is bevoegd om te besluiten een aanvraag in behandeling te nemen die na de indieningtermijn genoemd in artikel 6 wordt gedaan en niet spoedeisend is in de zin van artikel 17, maar waarvoor uitvoering in het eerstvolgende kalenderjaar noodzakelijk is.
3. [verwijderd]
Bijlage 1 – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen A.1 Nieuwbouw Bestaande tekst 1c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
Nieuwe tekst 1c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
A.2 Vervangende bouw Bestaande tekst d. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
Nieuwe tekst d. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
A.3 Renovatie Bestaande tekst
A.4.1 Uitbreiding schoolgebouw Bestaande tekst
Nieuwe tekst De noodzaak tot renovatie van een gebouw is aanwezig als: a. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 of een andere gelijkwaardige gebouwbeoordelingssystematiek opgestelde rapportage blijkt dat de levensduur van het gebouw of een gedeelte daarvan uitsluitend door vernieuwing, integrale verbetering of ingrijpende verandering kan worden verlengd. b. het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft, en c. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en d. geen gebouw beschikbaar komt dat geschikt is of beter geschikt is te maken als passende huisvesting voor de school, en e. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
Nieuwe tekst 11
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en
a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en
c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school,
c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
A.4.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs met een speellokaal Bestaande tekst Nieuwe tekst 2a. tot een school voor speciaal basisonderwijs 2a. tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar worden minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot toegelaten; een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; 2d. medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen meter hemelsbreed onmogelijk is,
2d. medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en
A.5 In gebruik nemen van een bestaand gebouw Bestaande tekst 4c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;
Nieuwe tekst 4c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en
A.6 Verplaatsen tijdelijk gebouw Bestaande tekst 5a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw op een afstand van meer dan meter hemelsbreed kan voorzien;
Nieuwe tekst 5a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;
5b. er binnen meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;
5b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;
A.7 Terrein Bestaande tekst De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein
Nieuwe tekst De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, en de oppervlakte van het bestaande terrein 12
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.
niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.
A.8 Eerste inrichting Bestaande tekst 1. De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd.
Nieuwe tekst 1. De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer deze niet eerder voor 1 januari 2015 is bekostigd.
A.9 Medegebruik Bestaande tekst 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:
Nieuwe tekst 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: b. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is.
2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste meter hemelsbreed.
2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
B.1 Nieuwbouw, renovatie, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming Bestaande tekst Nieuwe tekst c. renovatie is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 of een andere gelijkwaardige gebouwbeoordelingssystematiek opgestelde rapportage waaruit blijkt dat de levensduur van het gebouw of een gedeelte daarvan uitsluitend door vernieuwing, integrale verbetering of ingrijpende verandering kan worden verlengd. 1°. een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: a. ten minste 20 klokuren binnen 1 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; b. ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of c. ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of
1° een school voorbasisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: a. ten minste 20 klokuren binnen meter hemelsbreed, of; b. ten minste 15 klokuren binnen meter hemelsbreed, of c. ten minste 5 klokuren binnen meter, hemelsbreed, of
13
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 2°. een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: a. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; b. ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of d. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of 3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare weg en veilige weg, en
2°. een school voor voortgezet onderwijs binnen meter hemelsbreed, en
B.3 Eerste inrichting Bestaande tekst b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.
Nieuwe tekst b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.
Bijlage II – Prognosecriteria A. Algemeen Bestaande tekst 1. Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).
B. Voedingsgebied Bestaande tekst 2. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van
Nieuwe tekst 1. Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).
Nieuwe tekst 2. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied 14
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.
zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.
D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs Bestaande tekst Nieuwe tekst De prognose van een speciale school voor De prognose van een speciale school voor basisonderwijs moet inzicht geven in: basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in: d. als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is. E. Prognose school voor voortgezet onderwijs Bestaande tekst d. de basisgeneratie 13 t/m 16-jarigen + 70 procent van de 12-jarigen (voor het LWOO, BLW, GLW, praktijkonderwijs en MAVO) of de basisgeneratie 13 t/m 18-jarigen + 70 procent van de 12-jarigen (HAVO en VWO), en
Nieuwe tekst d. de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en
Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte A.1. Uitgangspunten Bestaande tekst
Nieuwe tekst De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden of de verhuur voor het huisvesten van een peuteropvang, buitenschoolse opvang of kinderopvang, waarvoor vooraf toestemming is verleend door het college. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs of voortgezet Bestaande tekst Nieuwe tekst 1. De capaciteit van een gebouw voor een school 1. De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of voortgezet onderwijs wordt basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel onderwijs wordt vastgelegd in de bruto E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald vastgesteld. overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld. 15
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 2. Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte vierkante meter in mindering gebracht.
2. Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht.
3. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met vierkante meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.
3. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met de verhuurde meters als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.
A.1.5 Inventaris Bestaande tekst Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.
Nieuwe tekst Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leeren hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.
B.1.1 School voor basisonderwijs Bestaande tekst 1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.
Nieuwe tekst 2. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld.
2. De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:
2. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:
B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
3. De toeslag wordt berekend met de formule:
3. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandscore als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule:
T = 1,40 * G, waarbij: T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. 16
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:
T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);
G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal.
2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal; 3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen. B.1.3. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs Bestaande tekst
Nieuwe tekst 1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 370 + [8,8 * Leerling SO] + [12,2 * Leerling VSO] , waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. 370 = De vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor de hoofdvestiging van een school. Leerling SO = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor speciaal onderwijs zijn ingeschreven. Leerling VSO = Aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn ingeschreven. 2. Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen vindt een toeslag in de ruimtebehoefte plaats. Voor Leerling SO bedraagt de toeslag 5 vierkante meter per leerling en voor Leerling SO 3,3 vierkante meter per leerling. De aantallen van de lichamelijk gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen worden door de Dienst 17
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 Uitvoering Onderwijs niet geregistreerd in de leerling gegevens. Overleg tussen schoolbestuur en gemeente zal hierover uitsluitsel moeten geven. 3. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter. B.1.4. School voor voortgezet onderwijs Bestaande tekst 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt.
Nieuwe tekst 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 1 opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs en het profiel die de leerling volgt. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs kunnen de aantallen worden vastgesteld. Voor leerjaar 1 en 2 wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de onderwijssoorten. Als aan de school meerdere afdelingen (VWO/HAVO en VMBO) zijn verbonden, wordt de verhouding tussen de leerlingen in het vierde leerjaar als uitgangspunt genomen.
3. De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de hoofdvestiging van de instelling is vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden.
3. De vaste voet, opgenomen in tabel 1, voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging, waarvan de omvang afhankelijk is van het VMBO-profiel, dat wordt aangeboden.
4. De ruimtebehoefte is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling; c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in bruto vierkante meter en d. als dit van toepassing is een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs.
4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling; c. als dit van toepassing is, een vaste voet per VMBO-profiel, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs.
5. De ruimte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet.
5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en b. de vaste voet voor praktijkonderwijs. 18
Was-wordt-lijst Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2025 6.
6.
Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs
Tabel 1 Ruimtebehoeftemodel Voortgezet Onderwijs [Vanwege de omvang is de tabel niet in dit document opgenomen. Voor de integrale weergave wordt verwezen naar bijlage 1 van de aangeleverde stukken, waarin de volledige herziene Verordening is opgenomen.]
[Vanwege de omvang is de tabel niet in dit document opgenomen. Voor de volledige weergave wordt verwezen naar de huidige Verordening, raadpleegbaar via Verordening voorziening huisvesting onderwijs Stichtse Vecht 2015 | Lokale wet- en regelgeving]
Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs [Vanwege de omvang is de tabel niet in dit document opgenomen. Voor de volledige weergave wordt verwezen naar de huidige Verordening, raadpleegbaar via Verordening voorziening huisvesting onderwijs Stichtse Vecht 2015 | Lokale wet- en regelgeving]
B.2 Lokalen bewegingsonderwijs Bestaande tekst 2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.
Nieuwe tekst 2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 1 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 455. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.
Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Bestaande tekst Nieuwe tekst a. school voor basisonderwijs, speciaal a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs vastgesteld als het verschil tussen de basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 1°. vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 2 °.vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs;