CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Ontwerp GR BghU 2027.pdf

Raad 24 februari 2026, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 12: Zienswijze ontwerp GR BghU8.451 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027 Intitulé Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Overwegende dat: de samenwerking voor alle deelnemers bijdraagt aan de kwaliteit van het innen van belastingen en deze kwaliteit ook voor inwoners en bedrijven herkenbaar gaat zijn; door de veranderende omgeving van belastingen een grotere bestuurlijke nabijheid en duidelijker rolen taakverdeling tussen bestuurlijk opdrachtgever en opdrachtnemer gewenst is dan mogelijk is in een bedrijfsvoeringsorganisatie; heldere rol- en taakverdeling bijdraagt aan borging van de verbeterpunten uit evaluaties en onderzoeken; met de gewenste omvorming van de bedrijfsvoeringsorganisatie tot openbaar lichaam het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke regeling 2020 aan te passen; het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende

zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun algemeen bestuur van HDSR daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen; Gelet op hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen; artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet; artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet; artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht Besluiten Tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020, zodat deze als volgt komt te luiden:

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. b.

c.

d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.

o.

p. q. r. s. t. u. v. w.

Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van de BghU; ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen; belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet; BghU: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van de BghU; deelnemende gemeenten: de gemeenten Bunnik,

De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist; deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; directeur: de door het Dagelijks Bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is; gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht; gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 30 of 31 is overgedragen aan het samenwerkingsverband; heffingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; invorderingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen; kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de

Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet; nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening; regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027; samenwerkingsverband: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; vertegenwoordigende organen: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Voorzitter: de Voorzitter van het bestuur van het openbaar lichaam, tevens Voorzitter van het Algemeen en Dagelijks Bestuur; waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet; Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2: Belang In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van: a. b. c.

de heffing en invordering van belastingen; de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden, en basisadministraties en basisregistraties.

Artikel 3: Taken 1.

2.

3.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het Algemeen Bestuur van samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: a. de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; b. de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; c. de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; d. de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; e. de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; f. de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; g. reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; h. de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; i.

de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, of bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones; j. de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en k. de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4: Additionele overdracht 1. 2. 3.

Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 3 overdragen aan het samenwerkingsverband. Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan het samenwerkingsverband. Het Dagelijks Bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 5: Het openbaar lichaam 1. 2. 3.

Er is een openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. Hierna te noemen BghU. Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.

Artikel 6: Bestuur Het bestuur van de BghU bestaat uit: a. het Algemeen Bestuur; b. het Dagelijks Bestuur; c. de Voorzitter.

Hoofdstuk 2: Inrichting en samenstelling van het bestuur Afdeling 1: Het Algemeen Bestuur Artikel 7: Samenstelling 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Aan het hoofd van de BghU staat het Algemeen Bestuur, bestaande uit tien leden. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap wijst uit zijn midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijzen ieder uit hun midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. De colleges wijzen ieder uit hun midden een plaatsvervanger aan die een lid bij verhindering vervangt. De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges van de deelnemers. Indien tussentijds binnen het Algemeen Bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het Algemeen Bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het Algemeen Bestuur. Een lid van het Algemeen Bestuur dat de hoedanigheid als lid van het college verliest, houdt ook op lid te zijn van het Algemeen Bestuur.

Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar aangesteld bij de BghU. Met ambtenaar als bedoeld in het negende lid worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van de BghU werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, dan wel een overeenkomst van opdracht bij de BghU hebben.

Artikel 8: Stemverhouding en besluiten Algemeen Bestuur 1.

2. 3. 4.

Het Algemeen Bestuur vergadert en besluit slechts indien meer dan de helft van het aantal leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is. Indien ingevolge de vorige zin de vergadering niet kan worden geopend, belegt de Voorzitter opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van een oproeping is gelegen. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen, wordt bepaald door de bijdrage van de deelnemer. De bijdrage van een deelnemer wordt bepaald aan de hand van de in de begroting voor het betreffende jaar opgenomen bijdragen. Hierbij geldt de volgende stemverdeling: a. Een deelnemer met een bijdrage tot en met € 200.000 heeft 1 stem; b. Een deelnemer met een bijdrage van € 200.001 tot en met € 500.000 heeft 2 stemmen; c. Een deelnemer met een bijdrage van € 500.001 tot en met € 1.000.000 heeft 3 stemmen; d. Een deelnemer met een bijdrage van € 1.000.001 tot en met € 2.000.000 heeft 4 stemmen; e. Een deelnemer met een bijdrage van € 2.000.001 tot en met € 5.000.000 heeft 6 stemmen; f. Een deelnemer met een bijdrage van meer dan € 5.000.001 heeft 10 stemmen;

Artikel 9: Vergaderingen van het Algemeen Bestuur 1. 2. 3.

Het Algemeen Bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als de Voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht of tenminste twee leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de Voorzitter verzoeken. Het Algemeen Bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het eerste lid ingediend verzoek. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn in beginsel openbaar. De deuren worden gesloten wanneer twee van de aanwezige leden daarom verzoeken of de Voorzitter het nodig acht. Het Algemeen Bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

4.

5. 6.

In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur worden geen besluiten genomen over: a. de begroting, begrotingswijzigingen; b. de jaarstukken; c. invoeren, wijzigen of afschaffen retributies of andere heffingen; d. vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen; e. benoeming en ontslag van leden van het Dagelijks Bestuur en bestuursorganen binnen de regeling; f. het wijzigen, opheffen van deze regeling en de vaststelling van het liquidatieplan; g. oprichten, wijzigingen, verlengen of opheffen van en de deelneming in gemeenschappelijke regelingen, stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties; h. toetreden tot en uittreden uit de regeling. Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 jo. artikel 62 van de Wgr van overeenkomstige toepassing. Ingezetenen van de gemeenten respectievelijk het waterschap en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de vertegenwoordigende organen betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

Artikel 10: Reglement van orde Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers. Artikel 11: Bevoegdheden Algemeen Bestuur 1. Aan het Algemeen Bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen of overgedragen. Het Algemeen Bestuur kan bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur mandateren, tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. 2. Het Algemeen Bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Een besluit tot oprichting of deelname wordt niet genomen dan nadat de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het Algemeen Bestuur. 3. Het Algemeen Bestuur kan commissies van advies (als bedoeld in artikel 24 Wgr) en commissies ter behartiging van bepaalde belangen (als bedoeld in artikel 25 Wgr) instellen. Het Algemeen Bestuur bepaalt daarbij welke bevoegdheden aan de commissies worden toegekend en op welke wijze deze worden samengesteld. 4.

De volgende bevoegdheden van het Algemeen Bestuur zijn niet op- of overdraagbaar: a. het aanwijzen van de Voorzitter, plaatsvervangend Voorzitter en leden van het Dagelijks Bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van verdeelsleutels en Bijdrageregeling, de Financiële verordening en de Controle verordening; e. het vaststellen van de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; f. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr. 5. Er zijn geen besluiten van het Algemeen Bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 12: Ontslag Het college van de deelnemer kan het door hem in het Algemeen Bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit.

Afdeling 2: Dagelijks Bestuur Artikel 13: Samenstelling 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Het Dagelijks Bestuur bestaat uit maximaal vier leden, waarbij het Dagelijks Bestuur niet meer dan de helft van de stemmen in het Algemeen Bestuur mag vertegenwoordigen. De Voorzitter en de overige leden van het Dagelijks Bestuur worden door en uit het midden van het Algemeen Bestuur gekozen. Als leden van het Dagelijks Bestuur worden in ieder geval aangewezen de leden van het Algemeen Bestuur namens HDSR en de gemeente Utrecht. Het lidmaatschap van een lid van het Dagelijks Bestuur eindigt, zodra men ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur. Een lid van het Dagelijks Bestuur, waaronder de Voorzitter, kan door het Algemeen Bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit. Een lid van het Dagelijks Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan mededeling aan het Algemeen Bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien. Indien tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur beschikbaar komt, kiest het Algemeen Bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur. Gaat het openvallen van een plaats in het Dagelijks Bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het Algemeen Bestuur, dan wordt het kiezen van een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het Algemeen Bestuur is bezet.

Artikel 14: Vergaderingen van het Dagelijks Bestuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Het Dagelijks Bestuur vergadert tenminste viermaal per jaar en voorts zo dikwijls als de Voorzitter dit nodig acht of een lid van het Dagelijks Bestuur daarom verzoekt. In de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien tenminste twee leden aanwezig zijn. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de Voorzitter een nieuwe vergadering. De leden van het Dagelijks Bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Indien de stemmen staken wordt het besluitpunt in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Staken ook dan de stemmen, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, voor zover het Dagelijks Bestuur niet anders heeft bepaald. Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergadering vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het Algemeen Bestuur.

Artikel 15: Algemene taken van het Dagelijks Bestuur 1. 2. 3.

Het Dagelijks Bestuur is belast met het dagelijkse bestuur van de BghU, tenzij de Voorzitter bij of krachtens de Wgr of krachtens deze gemeenschappelijke regeling daarmee is belast. Het Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het Algemeen Bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het Algemeen Bestuur, tenzij de Voorzitter daarmee krachtens deze gemeenschappelijke regeling is belast.

Artikel 16: Specifieke taken van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval belast met: a. de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van de BghU en de personele aangelegenheden; b. het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de BghU; c. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en boekhouding; d. het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BghU en de belastingdeurwaarder; e. de behartiging van de belangen van de BghU bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de BghU van belang is; f. het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die de BghU voor de deelnemers uitvoert.

Artikel 17: Bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval bevoegd tot: a. het nemen van conservatoire maatregelen; b. het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep; c. benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van de BghU; d. het regelen van de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel van de BghU; e. uitoefening van de bevoegdheden en de verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de Minister van Financiën het bestuur van ’s-Rijksbelastingdienst en de directeur respectievelijk het Dagelijks Bestuur of het college van burgemeester en wethouders van de deelnemers; f. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar; g. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder; h. het aanwijzen van een of meer ambtenaren van BghU als ambtenaar als bedoeld in artikel 1, sub b, van deze regeling; i.

het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden; j. het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen; k. het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingen; l. het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten; m. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van BghU, waaronder mede begrepen het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten; n. het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.

Afdeling 3: Voorzitter Artikel 18: Aanwijzing Voorzitter 1. 2. 3.

Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de Voorzitter aan. Uit de leden van het Dagelijks Bestuur wordt een plaatsvervangend Voorzitter aangewezen door het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur kan de Voorzitter of de plaatsvervangend Voorzitter ontslaan.

Artikel 19: Taken en bevoegdheden Voorzitter 1. 2. 3. 4. 5.

De Voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur van BghU. De Voorzitter tekent de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan. De Voorzitter vertegenwoordigt BghU in en buiten rechte. De Voorzitter kan deze vertegenwoordiging met instemming van het Dagelijks Bestuur aan een door deze aan te wijzen gemachtigde opdragen. Indien de Voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij BghU is betrokken, oefent de plaatsvervangend Voorzitter met betrekking tot dat geding de in het derde lid van dit artikel genoemde bevoegdheid uit. Indien ook de deelnemer van welks bestuur de plaatsvervangend Voorzitter deel uitmaakt bij het in het vierde lid van dit artikel bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het Dagelijks Bestuur gemandateerd om BghU met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.

Afdeling 4: Verantwoording en Inlichtingen Artikel 20: Informatieplicht en verantwoordingsplicht 1. 2. 3. 4.

De leden van het Dagelijks Bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven ongevraagd aan het Algemeen Bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de Voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 21: Informatieverstrekking door het Algemeen en Dagelijks Bestuur en de Voorzitter 1. 2. 3.

Het Algemeen Bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. Het Algemeen Bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen worden verlangd. Ontwikkelingen die van invloed zijn op de bijdragen zendt het Algemeen middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de vertegenwoordigende organen ter informatie.

Artikel 22: Informatieverstrekking door individuele leden van het Algemeen Bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

Afdeling 5: Secretaris Artikel 23: Benoeming, schorsing en ontslag 1. 2.

De secretaris wordt door het Dagelijks Bestuur benoemd. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het Dagelijks Bestuur.

Artikel 24: Taak 1.

De secretaris staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de Voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. De secretaris is aanwezig in de vergadering van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. De secretaris ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan, mede.

2.

De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 3: De heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder Artikel 25: Algemene bepaling De BghU heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van BghU en belastingdeurwaarders. Artikel 26: Bevoegdheden heffingsambtenaar 1.

2.

De heffingsambtenaar is bevoegd tot heffing van de belastingen waarvoor door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van BghU een belastingverordening is vastgesteld en waarvan de heffing en de invordering door de colleges van de deelnemers is overgedragen aan BghU. De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn

3.

toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 27: Bevoegdheden invorderingsambtenaar 1.

De invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van alle belastingen die door de heffingsambtenaar worden geheven.

2.

De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. De invorderingsambtenaar is bevoegd het Dagelijks Bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het voornemen van een besluit als bedoeld in artikel 17, onder k. van deze regeling.

3. 4.

5.

Artikel 28: Bevoegdheden ambtenaar van de BghU 1.

De ambtenaar van de BghU heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.

2.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van de BghU de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 29: Bevoegdheden belastingdeurwaarder 1.

De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

2.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Afdeling 6: Ombudsfunctie Artikel 30: Ombudsfunctie Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen.

Hoofdstuk 4: Ambtelijk apparaat BghU Artikel 31: Ambtelijk apparaat 1. 2.

De BghU heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur. Het Dagelijks Bestuur stelt een organisatieverordening vast.

Hoofdstuk 5: Begroting, rekening, administratie en controle Afdeling 1: Inleidende bepalingen Artikel 32: Kostentoerekening 1. 2. 3.

Het Algemeen Bestuur stelt jaarlijks, als onderdeel van de begroting, binnen de kaders van de bijdrageverordening als bedoeld in het tweede lid, de toerekening van de kosten vast voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4. Het Algemeen Bestuur stelt een bijdrageverordening vast met daarin de methode en richtlijnen voor de kostenverdeelsleutel. In afwijking van artikel 8, tweede lid wordt de bijdrageverordening als bedoeld in het tweede lid van dit artikel vastgesteld bij unanimiteit.

Artikel 33: Inrichting 1. 2.

De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 198 van de Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Op de administratie en controle is Hoofdstuk XIV van de Gemeentewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2: De begroting Artikel 34: Kadernota Het Dagelijks Bestuur zendt uiterlijk voor 30 januari van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de vertegenwoordigende organen. Artikel 35: Ontwerpbegroting 1. 2. 3.

4. 5. 6.

Het Dagelijks Bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het Dagelijks Bestuur hun zienswijze naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. Het Dagelijks Bestuur stelt de vertegenwoordigende organen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting door het Algemeen Bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze. Het Dagelijks Bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. In gevallen, dit ter beoordeling van het Algemeen Bestuur, kan een wijziging van de begroting die geen verhoging tot gevolg heeft van begrote deelnemersbijdragen voor het betreffende begrotingsjaar worden vastgesteld door het Algemeen Bestuur zonder dat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers hun zienswijze hebben kunnen geven.

Van de vaststelling door het Algemeen Bestuur van een dergelijke begrotingswijziging wordt mededeling gedaan aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 36: Bijdrage deelnemers 1. 2. 3. 4.

In de begroting wordt aangegeven de door elke deelnemer, voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage. De deelnemers betalen bij wijze van bevoorschotting volgens een nader vast te stellen ritme. De deelnemers dragen zorg voor dat de BghU te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door de BghU af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd.

Afdeling 3: Jaarrekening Artikel 37: Jaarrekening en jaarverslag 1. 2. 3. 4. 5.

Van in de inkomsten en uitgaven van de BghU over het afgelopen jaar wordt door het Dagelijks Bestuur verantwoording afgelegd aan het Algemeen Bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de voorlopige jaarstukken, bestaande uit de concept jaarrekening en het concept jaarverslag, aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van de BghU. Het Algemeen Bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de jaarstukken vast. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben, toe aan gedeputeerde staten van Utrecht. Na vaststelling van de jaarstukken zendt het Dagelijks Bestuur deze aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 38: Definitieve bijdrage 1. 2.

In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 36 van deze regeling bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 37, vijfde lid van deze regeling bedoelde mededeling.

Hoofdstuk 6: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing Artikel 39: Toetreding 1.

2. 3.

4. 5. 6. 7.

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het Dagelijks Bestuur. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het Dagelijks Bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het Algemeen Bestuur. Vervolgens zendt het Dagelijks Bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het Algemeen Bestuur toe aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de verzochte toetreding. Van hun besluit stellen de deelnemers het Algemeen Bestuur schriftelijk in kennis. Toetreding kan geschieden nadat de colleges en het toetredende bestuursorgaan hiertoe eensluidend hebben besloten. Het Algemeen Bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten. De toetreding gaat in op de datum waarop de aangepaste gemeenschappelijke regeling in werking treedt.

Het college van burgemeester en wethouders of het college van het waterschap dat toetreedt doet zo spoedig mogelijk de nodige aanwijzing overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze regeling.

Artikel 40: Uittreding 1. 2. 3. 4. 5.

6.

7.

8.

Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één kalenderjaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. Het voornemen tot uittreding wordt, na verkregen toestemming door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het Algemeen Bestuur van de BghU en aan de andere deelnemers meegedeeld. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Op grond van het in het vierde lid opgestelde uittredingsplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het derde lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het college zendt zijn besluit tot uittreding, alsmede het toestemmingsbesluit van het vertegenwoordigend orgaan, aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het Algemeen Bestuur de besluiten heeft ontvangen.

Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, inventariseert het Algemeen Bestuur met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een concept uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. De vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer in het Algemeen Bestuur houdt gedurende de periode van het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het Algemeen Bestuur rekening met de belangen van het samenwerkingsverband zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig neemt deze vertegenwoordiger geen deel aan de beraadslaging en stemmingen van het Algemeen Bestuur. Indien de uittreding een wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk maakt, stelt het bestuur, ter voorbereiding op zijn besluitvorming, een voorstel op voor wijziging van deze regeling. Artikel 45 is onverkort van toepassing.

Artikel 41 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. 2. 3. 4.

5.

6. 7. 8.

Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 40, vijfde lid, stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend. Het uittredingsplan bepaalt met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen: de voorlopige uittreedsom. Ten minste acht maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het voorlopige uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken boekjaar. Uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het definitieve uittredingsplan en de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

Nadat het uittredingsplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen. De kosten van het opstellen van het uittredingsplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden. De leden van het Algemeen Bestuur kunnen het uittredingsplan op de voor hen gebruikelijke wijze voor consultatie toezenden aan hun vertegenwoordigend orgaan.

9.

De ondernemingsraad van het samenwerkingsverband wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het uittredingsplan, overeenkomstig de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden.

Artikel 42 Onafhankelijke externe deskundige 1. 2. 3.

4. 5.

Na ontvangst van de in artikel 40, derde lid, vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke externe deskundige opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, stelt het Algemeen Bestuur een projectgroep samen die onder leiding van de onafhankelijke externe deskundige het conceptuittredingsplan voorbereid. Het Algemeen Bestuur geeft een onafhankelijke financieel deskundige, niet zijnde de onafhankelijk externe deskundige bedoeld in het eerste lid, opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept uittredingsplan te toetsen, nadat voor de opdracht instemming is verkregen van de uittredende deelnemer. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe financieel deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer. Het tarief van de onafhankelijke externe financieel deskundige dient in overeenstemming te zijn met hetgeen voor dit soort werkzaamheden in de desbetreffende adviesbranche gebruikelijk is.

Artikel 43 Uittreedsom 1.

2.

3. 4. 5. 6.

7.

De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van de directe kosten van uittreding (frictiekosten en desintegratiekosten), verminderd met het aandeel van de uittredende deelnemer in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van het samenwerkingsverband op de datum van uittreding. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting, met dien verstande dat: a. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het samenwerkingsverband die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer, zoals inhuur externe deskundigen, een accountant en een advocaat. b. Onder desintegratiekosten worden verstaan kosten te maken door en de schade voor het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. c.

Het bepaalde in het tweede lid onder b is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding. Voor de periode van vijf jaar is aansluiting gezocht bij de termijn van de begrotingssystematiek. Het samenwerkingsverband brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. De waarde van de personeelsformatie die de uittredende deelnemer als gevolg van de uittreding eventueel overneemt van het samenwerkingsverband wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het samenwerkingsverband is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden.

Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding. Het samenwerkingsverband en de uittredende deelnemer zijn gehouden om in het kader van de bepaling van de inhoud van het uittredingsplan alle relevante informatie over en weer te verstrekken.

Artikel 44 Overige bepalingen rond uittreding 1. 2. 3.

4.

De raming en berekening van de kosten voor uittreding wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich zullen voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen Bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. De wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. De wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

Bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen betaling van een uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in één keer. In het definitieve uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in één keer dient te betalen.

Artikel 45: Wijziging van de regeling 1. 2. 3. 4.

Zowel het Algemeen Bestuur, als de colleges van de deelnemers aan deze regeling kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Het Algemeen Bestuur zendt het ontwerp tot wijziging van de regeling toe aan de colleges van de deelnemers. De colleges zenden het ontwerp tot wijziging aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen acht weken een zienswijze indienen. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers na verkregen toestemming van de vertegenwoordigende organen conform artikel 1 Wgr. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde in artikel 1, respectievelijk artikel 61 Wgr tot stand is gekomen, treedt in werking op de in het wijzigingsbesluit genoemde datum tenzij de datum van bekendmaking is gelegen na de in het wijzigingsbesluit opgenomen datum.

Artikel 46: Opheffing en liquidatie 1. 2. 3.

4. 5. 6.

Tot opheffing van deze regeling kan slechts worden overgegaan bij daartoe gelijkluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers. Een besluit tot opheffing vermeldt de datum waarop de opheffing ingaat. De opheffing gaat eerst in nadat deze is bekend gemaakt. Het Dagelijks Bestuur zal, nadat tot opheffing besloten is, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van BghU en stelt daartoe zo spoedig mogelijk een ontwerp liquidatieplan op. Het liquidatieplan wordt ‐ nadat de vertegenwoordigende organen zijn gehoord ‐ vastgesteld door het Algemeen Bestuur. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het Dagelijks Bestuur is belast met de liquidatie conform het liquidatieplan. Van het besluit tot liquidatie wordt Gedeputeerde Staten in kennis gesteld. Het openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig. Zo nodig blijven de bestuursorganen en commissies van BghU ook na het tijdstip van opheffen in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 7: Overige bepalingen Artikel 47: Archief Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 48: Archiefbeheer 1. 2.

De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het Dagelijks Bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

Artikel 49: Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Utrechts Archief. Artikel 50: Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Utrechts Archief. Artikel 51: Verantwoording 1. 2.

De archivaris van het Utrechts Archief brengt tweejaarlijks aan het Dagelijks Bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het Dagelijks Bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het Algemeen Bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.

Artikel 52: Terbeschikkingstelling 1. 2. 3.

De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

Artikel 53: Uitvoeringsprotocol Het Algemeen Bestuur stelt een uitvoeringsprotocol vast waarin ten minste aan bod komen: a. de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de dienstverlening van het samenwerkingsverband; b. de door het samenwerkingsverband te leveren producten en diensten; c. de definitie van resultaatgebieden; d. de wijze van aanslagoplegging; e. de invulling van klantcontacten; f. het regime voor afdrachten; g. de wederzijdse uitwisseling van eigendom en gegevens; h. de werkrelatie tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers, en i. de invulling van overlegstructuren tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers. Artikel 54: Maatwerkparagraaf Binnen de kaders van het uitvoeringsprotocol, bedoeld in artikel 53, kan het samenwerkingsverband jaarlijks met iedere afzonderlijke deelnemer een maatwerkparagraaf in het uitvoeringsprotocol afspreken waarbij nadere afspraken kunnen worden gemaakt over additionele taken als bedoeld in artikel 4.

Artikel 55: Secretarissenoverleg Het Dagelijks Bestuur stelt een verordening vast waarbij een adviesgroep, onder de naam secretarissenoverleg, wordt ingesteld. De secretaris onderscheidenlijk de secretaris-directeur kan zich laten vertegenwoordigen. Artikel 56: Geschillen 1. 2. 3.

4. 5.

6.

Onverminderd het bepaalde in artikel 28 en artikel 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het Algemeen Bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemt het Algemeen Bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als Voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het Algemeen Bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het Algemeen Bestuur en aan het betreffende college.

Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten. De kosten van de adviescommissie worden door het Algemeen Bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.

Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 57: Inwerkingtreding Deze gewijzigde regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de regeling overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend is gemaakt, doch niet eerder dan met ingang van 1 januari 2027 en vervangt de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020. Artikel 58: Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 59: Evaluatie 1.

Het Algemeen Bestuur evalueert in het jaar voorafgaande aan reguliere gemeenteraadsverkiezingen de samenwerking en gaat daarbij in elk geval in op het functioneren van het samenwerkingsverband.

2.

De resultaten van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk in januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezing aangeboden aan de colleges en de vertegenwoordigende organen.

Artikel 60: Citeerwijze Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027”.

Artikel 61: Overgangsbepaling De delegatiebesluiten genomen krachtens artikel 3 en 4 van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht blijven van kracht, in die zin dat bevoegdheden die aan het bestuur zijn toegekend thans aan het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsverband worden toegekend. De delegatiebesluiten worden geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 3 en 4 van deze regeling.

Ondertekening Aldus besloten en akkoord door: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, d.d.

De secretaris, De dijkgraaf,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/3220/documents/64440