CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Geconsolideerde versie Afstemmingsverordening Participatiewet.pdf

Commissie Sociaal Domein en Bestuur en Financiën 24 januari 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 4. 19:30: Wijzigingsbesluit Afstemmingsverordening Participatiewet IOAW, IOAZ Stichtse Vecht 201812.795 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 11. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode, te weten één maand. In het tweede lid wordt bepaald dat in individuele gevallen besloten kan worden om de verlaging vast te stellen op 100 procent gedurende maximaal drie maanden. Hierbij dient een toetsing plaats te vinden op de uitgangspunten zoals omschreven zijn in artikel 2 tweede lid van deze verordening. Artikel 12. Verrekenen verlaging Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de verlaging en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Pw).

Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan:  vergroting schuldenproblematiek;  (dreigende) huisuitzetting;  afsluiting van gas en elektriciteit. Is er geen sprake van bijzondere omstandigheden, dan wordt in principe niet verrekend over meerdere maanden. De maand van oplegging Er wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Pw. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt.

Pagina 18 van 24

Afstemmingsverordening

Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeid In het tweede lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Pw, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid. Het

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Toedeling over drie maanden Ingeval van overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, kan worden verrekend over drie maanden. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende 1 maand. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging toebedeeld

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging. Geen verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de verlaging niet mogelijk. Artikel 12 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is geregeld artikel 17 van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Pw. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Geen verrekening bij verlaging wegens schending andere gedragingen Verrekening bij verlagingen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 12 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Pw. Verrekening bij een verlaging die hoger is vastgesteld op grond van artikel 11 derde lid van deze verordening. In het derde lid wordt bepaald dat indien in het individuele geval besloten is om de verlaging vast te stellen op 100 procent gedurende maximaal drie maanden, verrekening plaatsvindt in de maand van oplegging en de twee daaropvolgende maanden.

Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen (zie toelichting onder “Verrekenen bij bijzondere omstandigheden”). De maximale termijn waarover verrekening kan plaatsvinden is gesteld op 6 maanden. Artikel 13. Inkeerregeling Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Pw).

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

5 CRvB 06-10-2010, LJN: BN9720 en LJN: 8720)

Pagina 19 van 24

Afstemmingsverordening

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag dan kan dit volgens de CRvB 5 niet als schending van de arbeidsverplichtingen worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen onder het begrip tekortschietend besef van

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de Pw ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand):  het te snel interen van vermogen;  het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;  het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

verantwoordelijkheid en zijn opgenomen in artikel 14 tweede lid van deze verordening. In het vierde lid wordt wat betreft de duur van de op te leggen verlaging aangesloten bij de bepalingen van het derde lid sub a. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid gedurende de bijstandsverlening moet wel worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel a, van de Pw). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Pw en artikel 11 en 17 van deze verordening. Op grond van artikel 14 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de duur van de verlaging. Dat is in dit geval de periode waarover eerder of langer een beroep wordt gedaan op uitkering. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van de verlaging als sprake is van bijzondere bijstand. In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage (100%) en wordt de ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging.

Bij de vaststelling van de duur van de verlaging moet beoordeeld worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het derde lid worden hiervoor richtlijnen gegeven. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende. Sub c van het derde lid heeft betrekking op de invoering van de Fraudewet per 1 januari 2013. Het betreft hier de situatie dat de voorliggende voorziening (UWV, SVB en ISD [ook voor IOAW en IOAZ) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van maximaal 5 jaren in beginsel moet verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat de belanghebbende – zodra de verrekening wordt geëffectueerd – in beginsel geen beschikking heeft over zijn uitkering en indien andere middelen ontbreken, zal belanghebbende dan een beroep moeten doen op bijstand (Pw). In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende voorliggende voorziening teloor is gegaan aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom een verlagingswaardige gedraging op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd.

De hoogte van de verlaging komt overeen met de positie van de uitkeringsgerechtigde die voor de tweede keer een boete krijgt opgelegd op grond van herhaaldelijk frauderen (de zogenaamde robuuste incasso).

Pagina 20 van 24

Afstemmingsverordening

Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Pw. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Bijzondere bijstand Zoals in de toelichting op artikel 7 al is aangegeven kent de Pw geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden toegepast. Als het gaat om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b, kan de verlaging worden toegepast op die bijzondere bijstand wanneer er een verband bestaat tussen de gedraging (handelen/nalaten) van belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het volledige bedrag van de kosten die een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van belanghebbende (verwezen wordt naar de toelichting op artikel 7).

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

bijstandsgerechtigde.6 Voor toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting, Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen in het kader van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.7Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.8 Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden 9. Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten.

Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.10 Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Pw. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.11 De IOAW en IOAZ bevatten geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen.

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive Artikel 16. Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Pw of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Pw of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de 6

CRvB 20-03-2007, nrs 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24 8 CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 9 Kamerstukken II 2013/14, 33801, nr. 3, blz. 55 10 Kamerstukken II 2013/14, 33801, nr. 3, blz. 25-26 11 CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660

Afstemmingsverordening

Pagina 21 van 24

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

7

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.

Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid). Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Pw benoemde (geüniformeerde arbeids)verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.

Pagina 22 van 24

Afstemmingsverordening

Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 17, eerste lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Artikel 17. Recidive en herhaalde recidive Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%. Daarom kan bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, alleen gekozen worden voor een verdubbeling van de duur van de verlaging (en niet voor verdubbeling van de hoogte). Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 5, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Pw – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

eerste keer recidive – dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100% gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Pw gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 100% gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Pw).

Hoofdstuk 6. Weigering uitkering IOAW en IOAZ Artikel 18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 18 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. Artikel 19. Blijvend en tijdelijk weigeren uitkering IOAW en IOAZ Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b.

de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt. In artikel 19 derde lid van deze verordening is bepaald dat alleen van de bevoegdheid tot blijvende weigering van de uitkering gebruik wordt gemaakt indien er sprake is van recidive van een gedraging zoals genoemd in het eerste lid.

Pagina 23 van 24

Afstemmingsverordening

Artikel 20.Onvoorziene omstandigheden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen Postbus 1212, 3600 BE Maarssen T 0346 25 40 00 F 0346 25 40 10 www.stichtsevecht.nl

Artikel 21. Hardheidsclausule Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 22. Intrekken verordening Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Stichtse Vecht, 2 juli 2018

Afstemmingsverordening

Pagina 24 van 24

Voorzitter

Bijlage 2. Geconsolideerde versie

Griffier

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2168/documents/45483