CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1x_Nota zienswijzen ontwerp bestemmingsplan Garsten Noord_gemeente Stichtse Vecht_oktober 2021.pdf

Raad 1 februari 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 12. 20:45: Bestemmingsplan Garsten Noord.34.766 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Conclusie: voornoemde wordt meegenomen in het vast te stellen bestemmingsplan. a. Op 15 februari 2016 hebben wij appellant per brief meegedeeld dat wij bij de inventarisatie gebruik hebben gemaakt van de volgende documenten: - de Ruimtelijke Onderbouwing bij de vergunning van de loods d.d. 25 mei 2012 (projectnummer R200667/1203RO); - de Melding Activiteitenbesluit d.d. 27 maart 2012 met bijbehorend akoestisch onderzoek van 28 februari 2012 (rapportnummer R065341aa00001.md) door LBP Sight; - constatering illegaal geplaatste ventilator; - sloopmelding loods d.d. 29-8-2015 (aanvraagnummer 1948649).

17

b. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden tussen mijn (bedrijfs)belangen en de belangen van nieuwe ontwikkelingen. c. Appellant is van mening dat zij als bedrijf de oudste rechten heb die gerespecteerd dienen te worden. d. De gemeente heeft geen enkel onderzoek gedaan naar de juiste milieucategorie. e. De gemeente heeft geen onderzoek gedaan naar de verhouding tussen de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen milieucategorieën en de huidige VNG brochure. f. De gemeente heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of met de beoogde nieuwe (woningbouw)ontwikkelingen een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. g. Appellant is een groot deel van het bouwblok kwijtgeraakt als gevolg van nieuwe woonbestemmingen.

3.3.6.3

Het ontwerp is niet uitvoerbaar omdat niet is voldaan aan goede ruimtelijke ordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

De “geluidruimte” is gebaseerd op deze gegevens. Het is juist dat in het kader van de ro-procedure rekening moet worden gehouden met uitbreidingsmogelijkheden. Derhalve hebben wij appellant verzocht aan te geven welke activiteiten momenteel plaatsvinden en wat de toekomstplannen zijn, zodat wij deze kunnen toetsen en in bepaalde gevallen kunnen legaliseren, indien niet eerder gemeld (zie verder onder punt 1). b. Er heeft wel degelijk een belangenafweging plaatsgevonden. Bij de verschillende ontwikkelingen en de toelaatbaarheid hiervan, is het uitgangspunt geweest de functies c.q. belangen (wonen en bedrijven) naast elkaar mogelijk te laten zijn, mits deze elkaar niet bijten. c. De door appellant opgebouwde rechten, in de zin van via vrijstelling verleende vergunningen en bedrijfsactiviteiten voorkomend in het akoestisch onderzoek behorend bij de melding Activiteitenbesluit (2012) en de aangevraagde vergunning gewijzigd gebruik van de gronden zijn in het bestemmingsplan opgenomen. d/e . De VNG deelt een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen inmiddels in op basis van het bedrijfsoppervlak. In de handreiking bedrijven en milieuzonering wordt een bedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 1.000m2 ingedeeld in categorie 3.2 (SBI-code 2009: 5157.2/3).

Voor een oud-metaalhandel is met name het geluid op het terrein bepalend, veroorzaakt door de werkzaamheden en de overslag (piekgeluiden en vallend metaal e.d.). De VNG gaat om die reden uit van 100 meter tot gevoelige bebouwing, waarbij geluid de maatgevende afstand is. In die context is een categorie 3.2 bedrijf volgens de VNG vergelijkbaar met een categorie 4 bedrijf in de zin van het bestemmingsplan Garsten Noord (1980). Immers voor categorie 4 bedrijven in de zin van het bestemmingsplan wordt eveneens 100 meter als maatgevende afstand gehanteerd. Daarbij wordt deze categorie eveneens aangehaald in de ruimtelijke onderbouwing (2012) van appellant t.a.v. de nieuwe loods. f. Naar aanleiding van de zienswijzen is nader onderzoek gedaan naar de gewenste bedrijfsactivteiten en de gevolgen hiervan op het woon- en leefklimaat. Uit de door appellant aangeleverde onderzoeken is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. g. Het bestemmingsplan is conserverend. Het bestaande bouwvlak en het bouwvlak t.b.v. de loods uit 2012 en de activiteiten volgend uit de Melding Activiteitenbesluit d.d. 16 september 2016, de aanvraag afwijken bestemmingsplan d.d. 21-02-2017, Akoestisch onderzoek versie 5c, d.d. 17 juli 2017, projectnummer R200667 en Toelichting Nagel d.d. 148-2017 zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Het geldende bestemmingsplan kende ook uitsluitend binnen de bebouwingsstroken gebouwen toe. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling

18

3.3.6.8

3.3.6.9

3.3.6.10

Strijd met visie raad Stichtse Vecht d.d. 30/9/14 Het plan is in strijd met de Ruimtelijke Visie Garsten Noord d.d. 30 september 2014. Strijd met de Visie levert een formeel zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek op. a. De bestemmingen agrarisch, groen en water horen niet thuis in de visie. b. Volgens de visie kunnen de eindbestemmingen niet worden opgenomen als volledige belangenafweging en de haalbaarheidstoets nog niet gereed zijn. Het voorontwerp en het ontwerp zijn om die reden prematuur ter inzage gelegd. c. Scenario 3 bestaat uit de beoordeling in hoeverre bedrijfswensen nog kunnen worden gefaciliteerd. Dit aspect ontbreekt in het plan. Er wordt geen rekening gehouden met opgebouwde rechten. d. In de visie wordt uitgegaan van geleidelijke transformatie van de bestaande bedrijfsbestemming naar wonen. In het ontwerp worden eindbestemmingen opgenomen, zodat geen sprake is van geleidelijkheid. Het ontbreken wijzigingsbevoegdheden is een teken aan de wand. In het raadsbesluit tot vaststelling van de Visie wordt expliciet vermeld dat de Visie primair is opgesteld t.b.v. woningbouw aan de Vreelandseweg 6/6a. Dit strookt niet met de doelstelling in de Visie. Appellant is het niet eens met de inhoud van deze Visie. Grote delen van de Visie komen voor in de toelichting van het bestemmingsplan. Daar waar dit het geval is, wordt deze betwist. Paragraaf 1.2 is gebaseerd op de Visie.

De Visie is onzorgvuldig voorbereid, onvoldoende gemotiveerd en de belangen van appellant. zijn onvoldoende meegewogen. Dat geldt dus ook voor paragraaf 1.2. De Visie kan niet worden gebruikt als onderlegger van het onderhavige ontwerp. De Visie is op een groot aantal onderdelen inhoudelijk in strijd met het ontwerp. De

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

a. Door het opnemen van volledige geluidzone, welke samenhangt met de bedrijfsactiviteiten op Garsten Noord, is de bestemming Agrarisch, vooral gelegen achter het perceel Vreelandseweg 14, onderdeel geworden van het bestemmingsplan. De bestemmingen Groen en Water zijn reeds aanwezig in het vigerende plan. b. Het is een gangbare praktijk dat bepaalde haalbaarheidstoetsen, zoals bodem en ecologie nog niet definitief zijn afgerond. Zaak is dat deze bij de vaststelling wel voldoende is onderzocht dat zij geen belemmering oplevert voor de ter plaatse geldende bestemmingen. c. De door appellant opgebouwde rechten, in de zin van via vrijstelling verleende vergunningen zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Verder zie onder punt 3.3.6.1. en 3.3.6.2. d. Voor de zittende bedrijven is inderdaad nog geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Indien voldoende concreet en onderzocht is of een nieuwe bestemming ruimtelijk aanvaardbaar is, kan worden overwogen deze direct mee te nemen in het bestemmingsplan. Dit geldt voor het plan van de Vechtoevers. De overige bedrijven hebben juist aangeven niet mee te willen in de geleidelijk omschakelijking. Daarom zijn hun bestaande bedrijfsactiviteiten vastgelegd. Naar aanleiding van de afsluitende ronde is voor het perceel Vreelandseweg 12 wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Een eigenaar kan gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid wanneer na bedrijfsbeëindiging een voldoende concreet en onderzocht plan wordt ingediend.

Het raadsbesluit stelt dat de Visie is opgesteld om de vooren nadelen van 3 scenario’s te analyseren voor actuele ontwikkelwensen.

Een visie vormt zich een beeld van toekomstige ontwikkelingen en ziet mogelijkheden om daarop in te spelen. Deze visie heeft geen juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het is voor de raad wel een voor zichzelf richtinggevend document. De Visie is reeds vastgesteld.

20

3.3.6.11

3.3.6.12

3.3.6.13

3.3.6.14

Visie is gebaseerd op aannamen en niet op feiten. Ten aanzien van specifieke onderdelen Vreelandseweg 6/6a, Vechtoevers en uitbreiding betonfabriek voldoet de Visie niet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, waaronder een goed woonen leefklimaat aangezien er zeer beperkt onderzoek heeft plaatsgevonden, te weten alleen naar geluid. Verder is de ruimtelijke aanvaardbaarheid/ haalbaarheid in de Visie volstrekt onvoldoende onderzocht. De financiële haalbaarheid ten aanzien van voornoemde onderdelen is niet/onvoldoende onderzocht in de Visie. Dit zou geen overbodige luxe zijn geweest, omdat de hoogte van de te verwachten planschade aanzienlijk is. Het beeldkwaliteitsplan 2012 is gedateerd, omdat in het plan wordt uitgegaan van 2 ontwikkelvarianten die niet zichtbaar zijn in het ontwerp. In beide varianten dienen alle bedrijven het bedrijventerrein te verlaten. Daarbij wijkt het onderdeel Vechtoevers op de verbeelding af van hetgeen in het beeldkwaliteitsplan is opgenomen. Bovendien is het in strijd met de Visie, die voorziet in een geleidelijke transitie. Het ontwerp is onzorgvuldig voorbereid en in strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat de inhoud van het beeldkwaliteitsplan niet overeenkomt met de inhoud van het onderhavige ontwerp. Paragraaf 1.1 t/m 1.4 toelichting i.s.m.

goede ro De doelstelling van het ontwerp komt niet overeen met de regels en verbeelding, want daarin zijn alleen eindbestemmingen opgenomen waarbij de geleidelijkheid van de Visie niet is terug te zien. In paragraaf 1.2 is onvoldoende onderbouwd dat de gemeente reeds langere tijd pogingen heeft gedaan om tot een integrale ontwikkeling te komen.

Het is onjuist dat niet wordt geïnvesteerd in bedrijfspanden. Appellant heeft in 2013 een loods gebouwd, terwijl de gemeente dit jarenlang ge-

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Het beeldkwaliteitsplan is in 2012 vastgesteld. De gemeente vindt dit daarmee geen gedateerd stuk. Daarbij is beeldkwaliteit ook geen waarde welke snel aan verandering onderhevig is. Het beeldkwaliteitsplan is evenals de ruimtelijke visie op Garsten-Noord bedoeld als richtinggevend document waarin mogelijkheden voor herontwikkeling van Garsten-Noord geschetst worden. De nu beoogde herontwikkeling van de Vechtoever past in hoofdlijnen in de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en voorziet volgens ons in een kwalitatieve verbetering van de huidige ruimtelijke invulling (jachthaven, bedrijf en horeca).

Zie beantwoording onder punt 3.3.6.8d. Daarbij voorzien wij op korte termijn geen andere ontwikkelingen dan degene die in het vast te stellen plan zijn opgenomen. De zienswijze en het standpunt van appellant met betrekking tot de eigen bedrijfsvoering onderstrepen het in de Visie geschetste beeld van een gemengd gebied. Na de aanpassing van de rode contour in de Structuurvisie 2005-2015 zijn verschillende pogingen ondernomen om het bedrijventerrein al dan niet gecombineerd met bedrijven te transformeren tot woningbouw. Tot op heden zijn de verschillende grondeigenaren echter niet tot consensus gekomen en zijn de diverse initiatieven niet doorgezet. De gemeente heeft destijds besloten minder prioriteit te geven aan de volledige herontwikkeling en als toetsingskader voor een eventuele (gedeeltelijke) herontwikkeling een beeldkwaliteitsplan op te stellen. De stelling van appellant dient te worden genuanceerd. De RvS (201003527/1/H1 r.o. 2.7.4) heeft overwogen dat ter zitting is gebleken dat de dichtstbijzijnde omwonenden op een afstand van 60 tot 70 m van het bedrijf wonen en dat 21

tracht heeft tegen te houden door middel van voorbereidingsbesluiten. Uiteindelijk is de gemeente door de RvS gedwongen om toe te staan dat appellant haar loods kon bouwen.

3.3.6.15

Ten onrechte wordt gesteld dat het plangebied ten zuiden wordt begrensd door landelijk gebied. Het bedrijven terrein in het vigerende bestemmingsplan is veel groter.

3.3.6.16

De stelling in paragraaf 1.4 dat sprake zou zijn van een bestemming die in een aantal gevallen niet meer zou aansluiten bij de huidige situatie is niet onderbouwd. Algemene opmerkingen § 2.1 t/m 2.3 toelichting De beschrijving op pagina 14 van de toelichting t.a.v. de voormalige boerderij welgelegen is onjuist.

3.3.6.17

3.3.6.18

3.3.6.19

3.3.6.20

3.3.6.21

Het kaartje op pagina 15 van de toelichting klopt niet. De toegangsweg naar mijn bedrijf dient te worden aangeduid als bedrijf, niet als wonen. De afbeelding kan niet als onderbouwing worden gebruikt voor de door de gemeente toe te stane nieuwe ontwikkelingen. Als deze kaart als inventarisatiekader zou moeten fungeren, dan betekent dit feitelijk dat illegaal gebruik wordt gelegaliseerd door het feitelijk in gebruik te nemen. Het vermeende braakliggend terrein beslaat volgens deze tekening minder dan 1/3 van het totale plangebied. De vermeende verrommeling, verpaupering en braak liggen wordt echter wel als belangrijkste reden voor het bestaan van de onderhavige bestemmingswijziging genoemd. Het plangebied wordt niet tot het dorp gerekend, hoe het wel moet worden gekwalificeerd wordt niet beschreven. Het is niet duidelijk wat het doel is van onderdelen kansen en bedreigingen.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

zich tussen het bedrijf en deze huizen een weg en een bomenrij bevindt. Van overlast, in welke vorm ook, is niets gebleken. Voorts is het bouwplan juist in het bijzonder gericht op verbetering van de bedrijfsvoering door het inpandig maken van bedrijfsactiviteiten die thans in de open lucht plaatsvinden. Omdat door de bouw van de loods het geluid zich beter beperkt tot de daadwerkelijke inrichting, die hierdoor met gebouwen wordt afgeschermd, is de vergunning verleend. Het vast te stellen bestemmingsplan voorziet, mede door de inbreng van appellant in een toetsingskader dat bedrijven in staat stelt te kunnen blijven functioneren en investeren op hun huidige locatie. Het bedrijventerrein eindigt ten zuiden bij het perceel Vreelandseweg 12 en gaat daar over in een andere bestemming. Het geldende bestemmingsplan behelst een groter plangebied. Delen hiervan zijn reeds herzien en opgenomen in andere bestemmingsplannen (te weten Nigtevecht, Landelijk Gebied). De onderbouwing dat sprake is van verouderde regelingen in het bestemmingsplan en van een bestemming die in een aantal gevallen (percelen) niet meer aansluit bij de huidige situatie volgt in de overige paragrafen van de toelichting.

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, moeten de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan in kaart worden gebracht en meegewogen worden. Hetgeen opgenomen in de toelichting is overgenomen uit het Spou-boekje Loenen en bevat derhalve geen onjuistheden. Het kaartje geeft het huidige feitelijke gebruik globaal weer. De verbeelding geeft de concrete bestemming weer. De toegangsweg heeft op de verbeelding de bestemming Bedrijf gekregen, zonder de specifieke bedrijfsaanduiding. De toegangsweg is namelijk eveneens een toegangsweg naar bedrijventerreinen van andere grondeigenaren.

Zoals uit de tekening volgt bevindt het braakliggende terrein zich aan de Vecht, welke onderdeel uitmaakt van de EHS. Verrommeling is hier gelet op dit karakter minder gewenst, dan voor andere gebieden zou gelden.

Het is niet nodig het plangebied te ‘kwalificeren’; hier volstaat het gebied ruimtelijk te beschrijven. Het bedrijventerrein maakt onderdeel uit van Nigtevecht en is gelegen binnen de rode contour van het provinciaal ruimtelijk beleid. Hiermee wordt het gebied geanalyseerd, hetgeen deels de basis vormt voor de in het bestemmingsplan gemaakte keuzes. Uit deze analyse volgen de belangen die betrokken partijen hebben bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat zowel ruimte biedt aan bedrijfsactiviteiten als garanties biedt 22

3.3.6.22

Hoe komt de gemeente erbij dat de bedrijfspercelen erg dicht op elkaar zijn gebouwd en waarom dat een probleem is. Er is geen sprake van een relatie tussen een vermeende te dichte bebouwing en vermeende problemen met bevoorrading en laden en lossen. Dit aspect is niet onderzocht.

3.3.6.23

Er is niet nagedacht over de effecten van het toestaan van woningen op of dichtbij een bedrijventerrein met daarop meerdere grote bedrijven met opgebouwde rechten. Er is geen sprake van een meerwaarde. Het ontwerp staat bol van de tegenstrijdigheden. Het gestelde onder bedreigingen staat haaks op het conserverende gedeelte van het plangebied. De bestaande bedrijven moeten blijven zoals het is, en tegelijkertijd minder worden.

3.3.6.24

3.3.6.25

3.3.6.26

3.3.6.27

3.3.6.28

Hetgeen genoemd onder het kopje bedreigingen t.a.v. de tegengestelde belangen tussen woningen en bedrijven, is een argument waarom juist niet moet worden gekozen voor het toestaan van woningen in combinatie met bestaande bedrijven. De gemeente stelt onder het kopje kansen dat de omgeving grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden zou hebben, maar dat is niet onderzocht en staat ook niet vast. Uit niets blijkt dat de provincie de vermeende ambitie zou hebben uitgesproken om het gebied te transformeren tot woningbouw. Er kan niet worden gesproken van een conserverend bestemmingsplan.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

voor een goed woon- en leefklimaat. De bebouwingsdichtheid ligt hoog met hier en daar grote bouwvolumes, dit blijkt onder meer uit de luchtfoto. Dit is kenmerkend voor een uitloopgebied van kernen waar de bebouwingsdichtheid hoger is maar de ruimtelijke kwaliteit vaak te wensen over laat. Ook het aantal verschillende activiteiten en functies is kenmerkend voor dit gebied. Verder zijn enkele kavels zodanig klein dat keren/laden/lossen niet goed mogelijk is. In een enkel geval vindt dit zelfs plaats via een recht van overpad. De krappe ruimte levert geen gunstig vestigingsklimaat, zeker wanneer dit wordt vergeleken met specifiek daartoe ontworpen bedrijventerreinen, die gemiddeld grotere bedrijfskavels hebben en een op de functie als bedrijventerrein toegesneden ontsluiting. Garsten Noord is een bedrijventerrein, welke volgens de visie (gedeeltelijk) ontwikkelt kan worden naar een gemengd gebied. Met behoudt van bedrijfsactiviteiten met garanties op een goed woon- en leefklimaat. De effecten zijn onderzocht.

Het plan is conserverend en wil de zittende bedrijven niet in hun belangen schaden, maar is tegelijkertijd gericht op een geleidelijke transformatie naar wonen. Voornamelijk aan de over van de Vecht. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan ook in het behoud van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Bedrijven moeten niet minder worden maar zich wel bewust zijn van feit dat de huidige inrichting van Gartsen-Noord en de directe omgeving de locatie steeds minder geschikt maken voor de vestiging en exploitatie van bedrijven. Daarbij nemen we ook de steeds strenger wordende milieuregels mee in onze overweging. Het mag duidelijk zijn dat hoewel het terrein van oudsher ruimte biedt aan bedrijven, hedendaagse bedrijven andere eisen stellen aan hun vestigingslocatie. Zichtbaarheid, bereikbaarheid, voldoende fysieke ruimte op het perceel en gunstige uitbreidingsmogelijkheden zijn daarbij belangrijk. Het toestaan van woningen op leegstaande/braakliggende bedrijfspercelen biedt juist de kans het gebied te verbeteren. Onderzocht is dat zittende bedrijven hier geen nadeel van ondervinden. Er is dus geen tegenstrijdigheid. In de zienswijze gaat appellant voorbij aan het feit dat ook zij altijd al rekening moet houden met bestaande woningen op bijvoorbeeld de percelen Vreelandseweg 2, 4 en 6a.

In het kopje kansen wordt aangegeven dat het noordelijk deel van het dorp Nigtevecht beschermd dorpsgezicht betreft en dat de omgeving onderdeel is van de van het ‘Vecht en Plassengebied’ in het kader van het Belvedère beleid. Na de aanpassing van de rode contour in de Structuurvisie 2005-2015 zijn verschillende pogingen ondernomen om het bedrijventerrein al dan niet gecombineerd met bedrijven te transformeren tot woningbouw. Onder andere met behulp van een provinciaal aanjaagteam. Wij delen dit standpunt niet. De Afdeling heeft verschillende keren overwogen dat het feit dat het een conserverend bestemmingsplan betreft, niet betekent dat de raad geen nieuwe bestemming kan toekennen die afwijkt van het voorheen geldende plan. Daarbij geven wij appellant in overweging dat het vast te stellen bestemmingsplan nu (grotendeels) voorziet in de bedrijfsactiviteiten van appellant. 23

3.3.6.29

Opmerkingen bij maatsch. en econ. uitvoerbaarheid Het voorbereidende besluit is niet bij het onderhavige besluit gevoegd.

3.3.6.30

Bewijs van verzekering van kosten en planschade is niet in de toelichting en/of de bijlagen opgenomen.

3.3.6.31

Ten aanzien van de initiatiefnemers van Vreelandseweg 6/6a wordt over verzekering van verhaal van kosten en planschade in het geheel niet gesproken in de toelichting en de bijlagen. In de inspraakbeantwoording staat dat de gemeente deze kosten zal dragen. Dit is een ongelijke situatie t.o.v. andere initiatiefnemers. Appellant acht zich niet gebonden aan de planschadeovereenkomst die zij met de gemeente heb gesloten, nu de gemeente de kosten van de ontwikkeling Vreelandseweg 6/6a ook niet op de initiatiefnemers verhaalt. Opmerkingen bij hst 3, rijk, prov. gemeentelijk beleid Er is niet voldaan aan stap 1 van de ladder van duurzame verstedelijking. Er is geen sprake van een actuele regionale behoefte.

3.3.6.32

3.3.6.33

3.3.6.34

De beoogde ontwikkelingen (Vreelandseweg 6/6a en Vechtoevers) vallen niet onder de reikwijdte van de genoemde moderniseringsplannen van de monumentenzorg omdat deze panden aantoonbaar niet karakteristiek zijn, geen gemeentelijk monument en geen beschermd dorpsgezicht.

3.3.6.35

Er is niet voldaan aan de provinciale omgevingsvisie omdat er geen sprake is van een aantoonbare woningbehoefte binnen de noemer vitale dorpen en steden. Er is niet voldaan aan de provinciale ruimtelijke verordening 2013. De in de toelichting opgenomen rode contour heeft specifiek betrekking op bedrijven-

3.3.6.36

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Het is niet gebruikelijk, noch verplicht, dat anterieure overeenkomsten bij een ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Verwezen wordt naar uitspraak van de Raad van State ( 14 september 2011, zaaknummer 201011471/1/R1): “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1)verplicht artikel 3:11 van de Awb niet tot terinzagelegging hiervan, nu de anterieure overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk als bedoeld in dit artikel.” De anterieure overeenkomst fase 1 Vechtoevers is na ondertekening ter inzage gelegd op 20 mei 2016. Het volstaat om te constateren dat er een planschade risico overeenkomst is gesloten en dat de kosten voor rekening van initiatiefnemer komen. Dit wordt genoemd in de toelichting – economische uitvoerbaarheid. Plankosten verhaalt de gemeente op de initiatiefnemer van een ontwikkeling. In dit geval is het de gemeente zelf voor wat betreft Vreelandseweg 6. Daarnaast heeft de gemeente de plicht om de meest doelmatige bestemming voor een perceel of object op te nemen. Uiteraard in samenhang met de omgeving.

Met de initiatiefnemer van Vreelandseweg 6a is een planschadeovereenkomst gesloten. Inzake Vreelandseweg 6 is de gemeente zelf de initiatiefnemer.

Deze toets is uitgevoerd in de toelichting van het bestemmingsplan er is wel sprake van een actuele regionale behoefte. Ook uit de geactualiseerde Woonvisie van de gemeente Stichtse Vecht en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken blijkt dat er sprake is van een actuale regionale behoefte. In het kader van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo) en de uitwerking hiervan in de Bro dienen cultuurhistorische waarden meegewogen te worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zoals weergegeven is het behoud en versterken van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden een uitgangspunten, naast behoud en versterken van de bedrijvigheid ter plaatse. In het plan is een beschrijving opgenomen hoe rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden, waaronder die van het pand Vreelandseweg 6/6a en de Vechtoevers. Het bestemmingsplan voldoet wel aan de Omgevingsvisie waarin gemeente geachte worden om hun woningbouwopgave in eerste instantie binnen de “rode contour” in te vullen. Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijft voldoende dat hier sprake is van een actuele behoefte. Inmiddels heeft de provincie Utrecht de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Uit de toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan blijk dat voldaan kan worden aan het geldend provinciaal ruimtelijk beleid. 24

3.3.6.37

3.3.6.38

terreinen stedelijk gebied en kantoren. Woningbouw past hier niet. Het ontwerp bevat geen enkel onderzoek naar de vraag of aan de provinciale eisen, die onder a t/m c zijn beschreven, is voldaan. De toelichting bevat in ieder geval geen enkele ruimtelijke onderbouwing met daarin een motivering. De Vechtoevers blijken binnen de EHS (nu NNN) te liggen en er is niet voldaan aan de eisen a t/m c. Nieuwe bestemmingen en regels zijn namelijk niet toegestaan, tenzij aan de regels a t/m c zoals beschreven op pagina 64 is voldaan. Dit geldt ook t.a.v. de eisen die aan de zogenaamde cultuurhistorische hoofdstructuur waarbinnen het perceel valt.

Er is niet voldaan aan het gemeentelijk beleid: a. Het beeldkwaliteitsplan kan niet worden gebruikt, omdat het betrekking had op een heel ander soort plan. b. Er is geen sprake van een volwaardige woonvisie waaraan kan worden getoetst omdat gesproken wordt over een concept. Uit de visie blijkt geen onderzoek naar actuele en concrete woningbehoefte in het plangebied. c. Waarom is het afwijkingenbeleid opgenomen. Het is in concept en volgens de toelichting niet relevant. d. De ontwikkelingen komen niet voor in de kadernota wonen en binnenstedelijke kwaliteit die bovendien niet is opgenomen in de toelichting. e. De ontwikkelingen komen niet voor op de ruimtelijke agenda van de gemeente en provincie. f. Ik ben van mening dat niet voldaan is aan de eisen in de toekomstvisie focus op

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Uit navolgende uitsnede van de Provinciale Verordening blijkt dat de Vechtoevers niet binnen EHS (nu NNN) vallen: verdere beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze kan daarom achterwege blijven.

a. Het beeldkwaliteitsplan is bedoeld als richtinggevend document waarin mogelijkheden voor herontwikkeling van Garsten-Noord geschetst worden. b. De Woonvisie 2013-2016 betreft geen concept, maar is inmiddels wel achterhaald. Onlangs is de Woonvisie 20192023 vastgesteld. De onderliggende onderzoeken van de gemeente maar ook van bijvoorbeeld de provincie tonen een duidelijke actuele behoefte. De behoefte is sinds de ter inzage legging in 2015 alleen maar groter geworden. c. Het afwijkingenbeleid is inmiddels vastgesteld en wel degelijk relevant. d. Kadernota is een uitwerking van de provinciale structuurvisie en brengt focus aan in de in de structuurvisie genoemde ambities en opgaven. De Kadernota voegt geen nieuw beleid toe. Zodoende is duidelijk dat het bestemmingsplan voldoet aan de Kadernota en kan een nadere toets achterwege blijven. Inmiddels heeft de provincie Utrecht de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. e. De ruimtelijke agenda benoemt slechts de opgaven die de provincie en de gemeente de komende tijd gezamenlijk wil oppakken. Het zegt niets over andere of alle gemeentelijke opgaven. f. Doordat aan de Vechtoever een ruimtelijke kwaliteitsverbetering kan worden doorgevoerd door sloop van de verouderde bebouwing waarna nieuwe woningen worden teruggebouwd, verbetert het straat- en bebouwingsbeeld.

Een verzorgd straat- en bebouwingsbeeld versterkt het recreatieve karakter van de Vreelandseweg, als fietsroute bijvoorbeeld.

25

3.3.6/7.39

3.3.6.40

3.3.6.41

morgen 2013, omdat de beoogde kernpunten (recreatie en toerisme) juist in strijd zijn met het in stand houden van het huidige bedrijventerrein en woningen daaraan ook geen bijdrage kunnen leveren. In dat kader is onduidelijk wat wordt verstaan onder economische vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit. Parkeren en verkeersafwikkeling De gemeente onderschat wat de gevolgen zijn van met name de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van parkeren en verkeersafwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing van het project Vechtoevers blijkt namelijk dat het maar de vraag is of de beoogde ondergrondse parkeergarage gerealiseerd kan worden, omdat waternet geen toestemming geeft voor het aanbrengen van permanente damwanden. De bestaande uitwegen zijn niet geschikt om dergelijke parkeerstromen aan te kunnen. Betwis § 2.4 Ontwikkelingen vd toelichting Burgerwoningen zijn niet passend op een industrieterrein en horen daar niet thuis. Woningen niet op bedrijventerrein vanwege geur, geluid, stof. Nieuwe bewoners zullen gaan klagen.

De huidige bedrijfswoning en het daarachter liggende kantoor kunnen zowel gezamenlijk als afzonderlijk door een bedrijf worden gebruikt. De stelling dat een volwaardig bedrijf een ruime kavel met ruimte voor productie,

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Het bestemmingsplan leidt maar in beperkte mate tot een toename in verkeer, zo daar al sprake van is (de verkeersaantrekkende werking van de bedrijven die er zaten, verdwijnt immers). Bij een worstcase scenario komen er als gevolg van het plan circa 95 verkeersbewegingen bij, uitgaande van de publicatie Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie van het CROW. Voor erftoegangswegen mag uitgegaan worden van een gemiddelde capaciteit van erftoegangswegen met een breedte van 5 m van 1.400 mvt/etmaal. De intensiteit van de Vreelandseweg ligt beneden de 1.000 mvt/etmaal. Er is derhalve genoeg restcapaciteit de (theoretische) toename in verkeer te verwerken. Het bouwplan zal moeten voldoen aan de geldende parkeernorm.

Dat het niet mogelijk is om een woning te vestigen op een bedrijventerrein is niet onderbouwd. Op grond van het Activiteitenbesluit gelden er voor woningen die gelegen zijn op een bedrijventerrein minder strenge geluidnormen. De regelgever heeft gemeend dat woningen op een bedrijventerrein verminderde bescherming kan toekomen. Gelet op het feit dat het Activiteitenbesluit deze mogelijkheid biedt, mag er vanuit worden gegaan dat een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling als zodanig ook bestemd mag en kan worden. Het zou onlogisch zijn dat er algemene regels worden vastgesteld voor zaken die in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Kortom, er kan gemotiveerd worden dat het bestemmen van een woning op een bedrijventerrein in overeenstemming is met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de gemeente lijkt in deze beleidsvrijheid toe te komen. Uit de zienswijzen blijkt dat de zorg van appellant vooral gericht is tegen de woning op het perceel aan de Vreelandseweg 6. Opmerkelijk is dat uit het eigen verzoek en onderzoek van appellant blijkt dat haar eigen woning (Vreelendseweg 4) dezelfde status moet krijgen, en daarmee dezelfde belemmering vormt als de woning op het perceel Vreelandseweg 6. Appellant geeft immers aan dat dit een burgerwoning is. Daarmee belemmerd haar woning de eigen bedrijfsvoering.

Gelet op de ontstane eigendomssituatie van de percelen Vreelandseweg 6 en 6a, zal dit worden aangepast.

26

Betonfabriek – Vreelandseweg 10 Op het terrein van de betonfabriek is sprake van een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming heeft in 2009 besloten dat nader onderzoek nodig is maar daar geen termijn aan verbonden (brief met kenmerk 2009INT237455 provincie Utrecht). 3.3.6.47

3.3.6.48

3.3.6.49

Geluid De gemeente heeft de bedrijfsactiviteiten (bijlage 2) onvoldoende geïnventariseerd en is uitgegaan van een veel te beperkte geluidruimte. De gemeente is uitsluitend uitgegaan van het onderzoek van LBP en dat is niet voldoende. Daarbij komt dat een melding een momentopname is, waaraan in het kader van ruimtelijke planvorming niet van gemeentewege het recht ontleend kan worden om de gemelde, feitelijke bedrijfsvoering als maximale invulling te beschouwen. Door de juridisch planologische mogelijkheden van het gebruik van het terrein kan daaraan immers elk ogenblik een andere invulling worden gegeven, en voorts kunnen afhankelijk van het aanbod de te verwerken hoeveelheden en/of het aantal te lossen containers fluctueren.

De stelling op pagina 23 van het ontwerpbestemmingsplan dat de toegangsweg van het bedrijf Nagel Demontage niet tot de inrichting zou behoren is pertinent onjuist. De toegangsweg heeft de bedrijfsbestemming behouden, waardoor de bewering dat de gemeente dat het geluid zich zou beperken tot de daadwerkelijke inrichting onjuist is. Ik ben derhalve van mening dat de gemeente de toegangsweg mee had moeten nemen in de geluidparagraaf van paragraaf 2.4 en hoofdstuk 4. Appellant betwist ook de stelling in de laatste alinea van pagina 23 ontwerpbestemmingsplan in de toelichting. Appellant valt met haar bedrijf onder een ander artikel in het vigerende bestemmingsplan dan het artikel waarin de eis van inpandige opslag niet is opgenomen.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Bij de aanvang van de inventarisatie in 2013, is uitgegaan van de melding 2012. Volgens jurisprudentie dient het bevoegd gezag rekening houden met representatieve uitbreidingsmogelijkheden. Dit is gebeurd, gelet op het advies dat is ingewonnen bij de Omgevingsdienst Utrecht (7 mei 2013), waarin ook met de uitbreidingsmogelijkheden expliciet worden onderzocht. Het is overigens onjuist dat op elk gewenst moment veranderingen kunnen worden doorgevoerd. De inrichting betreft immers een schroothandel welke valt onder categorie D 18.8 van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r.. Dit betekent concreet dat voor het veranderen van de inrichting niet enkel volstaan kan worden met een melding in het kader van het Activiteitenbesluit, maar dat appellant tevens dient te beschikken over een OBM-vergunning. Deze vergunning kan enkel worden verleend, wanneer de activiteit ook is toegestaan in het kader van het bestemmingsplan. Indien dit niet het geval is, zal appellant ook een vergunning dienen aan te vragen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Appellant is na de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan in de gelegenheid gesteld om haar bedrijfsactiviteiten kenbaar te maken. De gegevens en onderzoeken zijn, indien mogelijk binnen het wettelijk kader, opgenomen in het vast te stellen bestemmingsplan. Daarvoor zijn de planregels en de verbeelding aangepast.

Voor het overige wordt verwezen naar punt 3.3.6.1 en 3.3.6.2 en daaropvolgend. De toegangsweg heeft in het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’ met de nadere aanduiding voor het stallen van stallen containers gekregen.

De grond waarop appellant haar bedrijfsactiviteiten uitoefent, heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming ´bedrijfsdoeleinden A´ als bedoeld in artikel 7 van de planvoorschriften. Ingevolge artikel 7 lid 1 van de planvoorschriften zijn op de gronden bedrijven toegestaan die voorkomen in de categorieën 1 t/m 4 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten welke als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen en daar als zodanig deel van uitmaakt. Ingevolge het bestemmingsplan is het appellant derhalve toegestaan om 2500 kg lompen òf 5000 kg metalen te bewaren in geheel gesloten ruimten. Activiteiten op het perceel Vreelandseweg 4a zoals 28

3.3.6.50

Appellant is het niet eens met het gestelde onder het kopje bronmaatregelen op pagina 26 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan. Het is belachelijk om de eis te stellen de ventilator op wat voor manier aan te passen.

3.3.6.51

Appellant verzet zich tegen het opleggen van maatwerkvoorschriften. Hieruit blijkt dat de beoogde woningen Vreelandseweg 6/6a vanwege mijn bedrijf niet mogelijk zijn.

3.3.6/7.52

De gemeente heeft de sloopmelding voor de loods geaccepteerd. Juist uit het feit dat volgens de gemeente een maatwerkvoorschrift en een verplichte muur van 2,5 meter nodig zijn om met name Vreelandseweg 6a mogelijk te maken, blijkt dat mijn bedrijf en de beoogde woning niet verenigbaar met elkaar zijn. Anders dan de gemeente is appellant wel degelijk van mening dat er sprake zal zijn van geurhinder. Dit aspect is in zijn geheel niet onderzocht.

3.3.6.53

3.3.6.54

Met betrekking tot de erfdienstbaarheid op pagina 30 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan merkt

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

het verwerken van oude metalen en opslag in open containers, zijn ingevolge het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. De activiteiten die worden uitgeoefend op het perceel Vreelandseweg 12 zijn derhalve niet toegestaan op het perceel Vreelandseweg 4 omdat de aanduiding daartoe ontbreekt. Bij het opstellen van het nieuwe plan is rekening gehouden met dit onderscheid, waarbij n.a.v. het genoemde in de zienswijze 3.3.6.1 en 3.3.6.2 de regels, toelichting en verbeelding zijn aangepast. Deze eis wordt niet gesteld, maar genoemd als optie. Opgemerkt wordt dat de bestuursrechter aan de normstelling van het Activiteitenbesluit in de praktijk wel degelijk een omgekeerde werking toekent, en wel in die zin dat wanneer het bedrijf door het ontstaan van een nieuwe woning niet meer kan voldoen aan de normen van het Activiteitenbesluit, het bestemmingsplan geacht wordt niet te voldoen aan het uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening. Maar, als het bedrijf met maatregelen aan de bron nog wel kan voldoen aan het Activiteitenbesluit, mogen deze maatregelen van het bedrijf worden geëist, mits ze niet al te ingrijpend zijn. In het geval van appellant is met een simpele demper het geluidsniveau fors omlaag te brengen. Wat hier ook van zij, is voornoemde optie geen eis om te kunnen voldoen aan een goed woon- en leefklimaat voor omliggende woningen.

Op dit moment gelden ook al maatwerkvoorschriften i.v.m. het wegrijden van 2 vrachtwagens tussen 6 en 7 uur. Gebleken is dat voor het wegrijden van de vrachtwagens niet alle woningen als te beschermen object waren vermeld in het bestaande maatwerkvoorschrift. Deze omissie is met het vastleggen met de nieuwe maatwerkvoorschriften weggenomen. Verder is ervoor zorggedragen dat de activiteit ook bij realisering van nieuwe bestemmingen (woningen) kan worden voorgezet zodat deze geen beperking vormt voor de uit te voeren activiteiten waarvoor reeds maatwerk was vastgesteld. Inmiddels zijn de omstandigheden gewijzigd. Zie verder onder 3.3.6/7.1. Overigens geldt op dit moment ook al een maatwerkvoorschrift i.v.m. het wegrijden van 2 vrachtwagens tussen 6 en 7 uur.

In het kader van bedrijven en milieuzonering dient rekening te worden gehouden met richtafstanden welke gelden voor bepaalde milieuthema’s (zoals geur). Voor appellant geldt voor geur een richtafstand van 10 meter. Aangezien hier sprake is van een gemengd gebied kan deze afstand zelfs verlaagd worden naar 0 meter. Verder kan een bedrijf mogelijk meer geur veroorzaken dan volgens de VNGrichtlijnen wordt gehanteerd. Dit kan het geval zijn wanneer uit een melding Activiteitenbesluit is gebleken dat de inrichting meer geur veroorzaakt. Appellant heeft geen activiteiten gemeld die afwijken van deze richtafstand rechtvaardigen. Verder zijn in de omgeving geen geurklachten bekend ten gevolge van appellant. Het klopt dat de erfdienstbaarheid geen betrekking heeft op parkeren. De erfdienstbaarheid houdt in het recht van de eigenaar van het heersend erf om over het dienende erf met 29

3.3.6.55

appellant op, dat deze onjuist is omschreven. Er mag (zo luidt de tekst in de toelichting) op grond van erfdienstbaarheid niet worden geparkeerd op de toegangsweg die hoort bij Nagel Demontage. Op pagina 80 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeente dat vanwege de aanwezigheid van de betonfabriek het gehele industrieterrein in 1993 van rechtswege is gezoneerd. Dit wordt bevestigd in het onderzoek van de ODRU d.d. 1 oktober 2015. De ODRU verwijst vervolgens naar het rapport van Peutz d.d. 13 april 2015. Dit rapport is echter in strijd met pagina 80 van de toelichting en het voornoemde rapport van de ODRU, omdat Peutz geen rekening heeft gehouden met de zone van rechtswege. Het feit dat sinds 1993 sprake is van een geluidzone van rechtswege, heeft rechtsgevolgen voor de inhoud van het onderhavige ontwerp, met name het onderdeel geluid. Binnen een zone van rechtswege waren woningen (inclusief bedrijfswoningen) niet beschermd tegen geluid van bedrijven op het terrein. Er was echter wel een plicht door de gemeente/provincie deze woningen te saneren (bijvoorbeeld door geluidsisolatie). Dat is destijds niet gebeurd. De gemeente zal derhalve moeten aantonen wat de geluidsbelasting in 1993 was; dat is niet aangetoond in het onderhavige ontwerp. De afgelopen jaren vielen diverse woningen in de geluidzone van rechtswege.

Die hadden een te grote geluidsbelasting en het bevoegd gezag heeft daar niks tegen gedaan. Het kan natuurlijk niet zo zijn, dat ik nog een keer en ook ten aanzien van dit onderdeel de prijs mag gaan betalen als gevolg van illegale bewoning door de eigenaren van de percelen 6/6a. Ik word namelijk als gevolg van deze percelen beperkt in mijn bedrijfsvoering (maximaal 2 containerwisselingen per dag).

auto's, motorfietsen, fietsen en te voet te komen van- en te gaan naar de openbare weg genaamd Vreelandseweg van en naar het voor- en achtergedeelte van voormelde boerderij (alsmede de nog te stichten garages) op het heersend erf.

Het terrein van de betonfabriek is van rechtswege gezoneerd, omdat het oude bestemmingsplan op dat perceel specifiek bovenop de milieucategorieën 1 t/m 4 een zoneringsplichtige inrichting toestond (namelijk een betonfabriek van categorie 6-oud). Op het perceel van appellant is alleen categorie 1 t/m 4 toegestaan. Op basis van bestemmingsplan Garsten Noord van 1980 kan op het perceel van appellant geen bedrijf worden gevestigd dat was aan te merken als grote lawaaimaker in de zin van artikel 41 Wgh juncto artikel 2.3 van het Inrichtingenen vergunningenbesluit milieubeheer. Er kon immers geen inrichting worden gevestigd als bedoeld in categorie 12.2 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het perceel van appellant is derhalve niet zoneringsplichtig. Zoals op de verbeelding is aangegeven, is de terreingrens van de betonfabriek tevens de grens van het gezoneerde industrieterrein. Zo staat dit ook vermeld op pagina 80 van de toelichting in het ontwerpbestemmignsplan. In die zin vormt de zone geen beperking in de uitbreidingsmogelijkheden van de inrichting van appellant. De zienswijzen dat de waarden naar de uitbreiding kunnen gaan en dat daardoor veel hogere waarden kunnen ontstaan achten wij ongegrond. Er wordt immers een geluidzone vastgesteld, welke zone bepalend is voor de maximale uitbreidingsruimte voor de Betonfabriek.

De Betonfabriek dient te voldoen aan de zonegrenswaarden. Dit wordt getoetst indien de Betonfabriek een omgevingsvergunning beperkte milieutoets aanvraagt. Er kan geen vergunning worden verleend als de Betonfabriek meer geluidbelasting produceert dan de zone toestaat. De betonfabriek is derhalve vrij om wijzigingen binnen haar bedrijfsvoering door te voeren, zolang er voldaan wordt aan de geluidgrenswaarden conform de geluidzone.

Het bepalen van de geluidzone van rechtswege moet gebeuren op grond van de in 1993 actuele en vergunde situatie. Als de feitelijke/actuele geluidsemissie hoger is dan vergund, moet worden uitgegaan van die feitelijke hogere belasting. In het onderhavi-

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

30

ge ontwerp is de zone niet conform deze methode bepaald. Maar is deels gebaseerd op de huidige geluidruimte van de betonfabriek, alsmede de bedrijven Nagel Demontage en Recycling en P. Nagel IJzer en metaalhandel, anno 2015 uitgaande van de nieuwe indeling kan de uitbreiding van productie plaatsvinden met een vermindering van de geluidsemissie, aldus de overzichten van de gecumuleerde waarden in de geluidsrapporten.

3.3.6.56

3.3.6.57

3.3.6.58

Saillant detail is daarbij dat als de waarden wel naar de uitbreiding maar niet naar de nieuwe indeling gaan, er veel hogere waarden kunnen ontstaan dan waarmee is gerekend, en die zijn vastgelegd in de zone, omdat de fabriek naar 100 ton/dag of meer gaat. Dit betekent dat voor verder uitbreidingen/wijzigingen inderdaad dat het niet alleen om eventuele uitbreiding gaat, maar ook om de keuze om het terrein of de logistieke bewegingen op het terrein anders in te richten. Door het plan vast te stellen zoals in dit ontwerp is opgenomen krijgt appellant geen enkele speelruimte/keuzevrijheid meer in mijn bedrijfsvoering. Appellant word beperkt in haar bedrijfsbelangen omdat zij wordt beperkt tot 2 containerwisselingen per dag omdat dit destijds middels de beschrijving van mijn activiteiten gemeld is, terwijl dat er feitelijk veel meer zijn. Appellant wordt beperkt omdat geluiden als gevolg van laden en lossen in de dagperiode in het kader van het Activiteitenbesluit niet getoetst worden. Appellant is van mening dat bedrijfs belangen (sinds 1994) dienen te prevaleren boven de belangen van de eigenaren van de percelen Vreelandseweg 6/6a, waarvan de Raad van State heeft geoordeeld dat bewoning voor rekening en risico van de eigenaar dient te komen. Appellant heeft een door de gemeente geaccepteerde sloopmelding.

De geluidbelasting zal hierdoor toenemen vanwege het aantal containerwissels. De containers komen op het buitenterrein. De gemeente stelt de voorwaardelijke verplichting van een 2,5 meter hoge muur. Dit is een voorbeeld dat bedrijven door de positieve bestemming van Vreelandseweg 6/6a in hun belangen worden geschaad.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Dit is niet iets dat normaliter in het bestemmingsplan wordt geregeld, wij passen dit aan.

Bij het opstellen van het plan zijn de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen. Op grond van diverse onderzoeken volgt dat de bedrijfs- en woonfuncties elkaars belang niet in de weg zitten. Er is dus geen sprake van het ene belang boven het andere stellen. Zie verder 3.3.6.2b.

Tijdens de inventarisatie hebben bedrijven de gelegenheid gekregen om de representatieve bedrijfssituatie kenbaar te maken via onder ander het aanleveren van onderzoeken en onderbouwing. Aan de hand van deze gegevens hebben wij de bestemmingen, planregels (waaronder voorwaardelijke verplichtingen) aangepast. Naast het vast te stellen bestemmingsplan zijn ook enkele maatwerkvoorschriften vastgesteld.

31

3.3.6.59

3.3.6.60

3.3.6.61

3.3.6.62

Appellant maakt bezwaar tegen de analyse van de firma Peutz inzake de sloop van mijn loods d.d. 13 oktober 2015. Er wordt uitgegaan van aannamen, niet van feiten. Appellant zegt niet gecontacteerd te zijn door Peutz. Uit niets blijkt dat de door Peutz genoemde activiteiten alleen in de dagperiode zullen plaatsvinden; wij werken ook in de avondperiode en in de vroege ochtend. Volgens Peutz zijn met name de containerwissels maatgevend. Volgens Peutz kunnen eventuele problemen worden opgelost met het in bedrijfsduur terugbrengen van de ventilator. Appellant verzet zich met klem tegen deze beperking van mijn bedrijfsactiviteiten In de ruimtelijke onderbouwing van de Omgevingsmanager wordt ten onrechte uitgegaan van de situatie dat ter plaatse een maximale categorie 4 met maximaal 5000 kg opslag zou zijn toegestaan. Volgens het vigerende bestemmingsplan is op het perceel Vreelandseweg 12 en 4a tot en met categorie 5 toegestaan. In de melding Activiteitenbesluit wordt gesproken van een maximale opslag van 50.000 ton.

In het akoestisch onderzoek en de ruimtelijke onderbouwing is geen rekening gehouden met de sloop van de loods en de akoestische gevolgen daarvan. De beide akoestische onderzoeken van Peutz d.d. 21 augustus 2015 en van de ODRU d.d. mei 2013 zijn onjuist en ondeugdelijk. In het rapport Peutz baseert zich (pagina 10) op het rapport van LBP uit 2012 aangevuld met geluidmetingen vanwege de nieuwe gevelventilator. Daarbij geldt ook dat niet alle geluidsventilatoren zijn meegenomen. Het rapport komt dan ook uit op een veel hogere belasting ter plaatse van de achtergevel van Vreelandseweg 6a. In het rapport van de ODRU wordt

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Zie 3.3.6.58. Deze analyse is als bijlage verwijderd.

Deze bijlage is komen te vervallen, gelet op de ontwikkelingen na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Laat onverlet, dat op de verbeelding van het vigerende plan voor ‘Bedrijfsdoeleinden A’ aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven voor zover voorkomend in de categorieën 1 tot en met 4 van de Staat van Inrichtingen. Op grond van het bestemmingsplan Garsten Noord is voor de locatie van de firma P. Nagel aan de Vreelandseweg 12 door middel van een nadere aanduiding tevens een oudmetaalhandel uit categorie 5 toegelaten. Door het opnemen van zo’n nadere aanduiding kan het perceel mede worden bestemd voor een hogere categorie van bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het ten tijde van de vaststelling van het bestaande (feitelijke) gebruik. Voor de locatie van appellant aan de Vreelandseweg 4a geldt een dergelijke maatwerkbestemming niet, zodat hier op grond van het bestemmingsplan tot maximaal 5.000 kg inpandig mag worden opgeslagen. De beperking van de maximaal toegestane opslaghoeveelheid oud metaal van 5.000 kg geldt echter niet (meer) voor de inpandige opslag van oud metaal binnen de loods, nu daarvoor op 29 oktober 2012 een vergunning is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan in verband met het opslaan van meer dan 5.000 kg metalen binnen de loods. Zie 3.3.6.58

Het onderzoek van Peutz is gelet op de ontwikkelingen sinds de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan opnieuw verricht. Het nieuwe onderzoek vervangt dit oude rapport en het rapport van de ODRU d.d. mei 2013.

32

3.3.6.63

3.3.6.64

gewezen naar de wet Plattelandswoningen, maar die is niet van toepassing. Appellant moet dus uitgaan van mogelijkheid 2 waarover het rapport van de ODRU spreekt (de woningen worden onttrokken aan het bedrijventerrein). Het rapport van de ODRU houdt geen rekening met de sloop van de loods en het rapport Peutz d.d. 13 oktober 2015 t.a.v. de loods lost dit probleem niet op. Het onderhavige bestemmingsplan borgt niet dat de productie voor een deel wordt verplaatst. Hoe garandeert het bestemmingsplan dat de betonfabriek toch niet meer geluid gaat maken en daardoor de geluidruimte die appellant nodig heeft opsoupeert? Ook door de ontwikkelingen van de betonfabriek word ik dus in mijn belangen geschaad. Concreet verzoek t.a.v. onderdeel geluid: a. Schrappen voorwaardelijke verplichting van een muur van 2,5 meter (artikel 4.4.4. onder c ontwerpbestemmingsplan.) b. Schrappen maximaal aantal containerwissels van 2 met een maximum van 15 minuten. c. Het aanbieden van een werkbare gezamenlijke geluidruimte van de bedrijven binnen de geluidzone en niet de geluidruimte bevriezen op de bestaande bedrijfsvoering. d. Geen woningen toekennen aan de Vechtoevers en geen legalisering van de planden Vreelandseweg 6/6a. e. Het hanteren van een maximale waarde van 60 dB(a) in de huidige hoedanigheid van bedrijfswoning. f. Geen woonfunctie op Vreelandseweg 6a en ook geen hogere waarde. g.

Voorwaardelijke verplichting betonfabriek opnemen t.a.v. de betonfabriek voor een nieuwe bedrijfsindeling, omdat dat de maximale geluidsemissie op verschillende meetpunten bepaalt.

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Het bestemmingsplan borgt niet dat de productie wordt verplaatst, maar borgt wel dat het geluid buiten de zone niet boven de 50 dB uit mag komen. Hierdoor zal de betonfabriek de productie wel naar achteren moeten verplaatsen. Alleen de betonfabriek is gezoneerd, zodat geen sprake is van het opsouperen van geluid door de andere bedrijven. Deze vallen gewoon onder het Activiteitenbesluit.

a. Wordt geschrapt. Artikel 4.4.4. is aangepast op basis van de aangeleverde gegevens en onderzoeken. b. Artikel 4.1 onder d is aangepast in het vast te stellen bestemmingsplan. c. Niet aan de orde, zie 3.3.6.55. d. Deze ontwikkelingen worden niet geschrapt. Wel wijzigt de ontwikkeling van het perceel Vreelandseweg 6a. Deze behoudt een bedrijfsfunctie, waar de aanduiding logies aan wordt toegevoegd. e. De maximale geluidwaarde voor Vreelandseweg 6 blijft 55 dB. De woning krijgt de bestemming “Wonen4”. f. Vreelandseweg 6a behoudt de bedrijvenbestemming en daarmee geen gevoelig object. Er is geen hogere waarde nodig. g. Niet aan de orde, gelet op 3.3.6..63.

33

3.3.6.65

3.3.6.66

3.3..67

Bedrijven en milieuzonering en SvB Paragraaf 4.2.6 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan inzake bedrijven en milieuzonering is in strijd met de wet (goede ruimtelijke ordening), de beginselen van behoorlijk bestuur en een goed woon- en leefklimaat is niet gewaarborgd t.a.v. nieuwe ontwikkelingen. Het bedrijf heeft in het vigerende plan categorie 5 en hier wordt milieucategorie 3.2 van gemaakt. Dit is niet onderbouwd. In de toelichting en de VNG brochure wordt uitgegaan van een nieuwe functie. Mijn bedrijf is geen nieuwe functie. De gemeente heeft dit niet onderbouwd. De gemeente heeft in de brochure het bedrijf als een apart type toegevoegd. Waarom is onduidelijk en niet gemotiveerd. De gemeente had moeten onderzoeken en motiveren waarom cat. 3.2 voor mijn bedrijf passend zou zijn. Bedrijven die het dichtst in de buurt komen van een demontage en recyclingbedrijf zijn: Metaal aan autoschredders: cat 5.1 Afvalscheidinginstallaties: cat. 4.2 Omdat het type niet voorkomt in de VNG brochure zijn de afstanden inzake stof, geluid e.d. niet duidelijk. Nu onderzoek achterwege is gebleven is het ontwerp niet deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

3.3.6.68

De gemeente stelt ten onrechte dat het vigerende bestemmingsplan bedrijven toelaat tot 7 maximaal cat. 4. Dit betreft categorie 6 van de betonfabriek.

3.3.6.69

Appellant wordt in haar belangen geschaad omdat geen rekening wordt gehouden met de door mij opgebouwde rechten. Appellant wordt beperkt in mijn uitbreidings- en wijzigingsmogelijkheden.

3.3.6.70

Appellant is het niet eens met de SvB, omdat het de activiteiten in vergelijking met het vigerende plan in ernstige mate zal beperken. Behoudens de

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Op de bedrijfsgronden van appellant is categorie 1 t/m 4 (oud) toegestaan. Het bedrijf valt op basis van de Staat van Inrichtingen (oud) bij het plan te kwalificeren als cat. 3a, met de kanttekening dat middels een vrijstelling een grotere inpandige opslag is toegestaan.

Omdat het bedrijf gelet op de activiteiten valt binnen 2 SBIcodes is een nieuwe functie ‘demontage en recycling’ opgenomen. Het bedrijf valt namelijk binnen zowel ‘Overige groothandel in afval en schroot (SBI-code 5157.2/3)’als ‘Overige metaalbewerkende industrie (SBI-code 2852)’. De VNG deelt een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen inmiddels in op basis van het bedrijfsoppervlak. In de handreiking bedrijven en milieuzonering wordt een bedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 1.000m2 ingedeeld in categorie 3.2 (SBI-code 2009: 5157.2/3). Voor een oud-metaalhandel is met name het geluid op het terrein bepalend, veroorzaakt door de werkzaamheden en de overslag (piekgeluiden en vallend metaal e.d.). De VNG gaat om die reden uit van 100 meter tot gevoelige bebouwing, waarbij geluid de maatgevende afstand is. In die context is een categorie 3.2 bedrijf volgens de VNG vergelijkbaar met een categorie 4 bedrijf in de zin van het bestemmingsplan Garsten Noord (1980). Immers voor categorie 4 bedrijven in de zin van het bestemmingsplan wordt eveneens 100 meter als maatgevende afstand gehanteerd. Daarbij wordt deze categorie eveneens aangehaald in de ruimtelijke onderbouwing (2012) van appellant t.a.v. de nieuwe loods.

De op de kaart voor ‘Bedrijfsdoeleinden A’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven voor zover voorkomend in de categorieën 1 tot en met 4 (oud) van de Staat van Inrichtingen. Voor de betonfabriek is expliciet categorie 6 (oud) toegestaan i.v.m. bestaande bedrijfsvoering. Gelet op de zienswijze van appellant en daaruit volgende illegale activiteiten, is aan appellant de mogelijkheid geboden deze te legaliseren. Aangezien appellant heeft aangetoond, dat de bedrijfsactiviteiten onder voorwaarden, milieutechnisch mogelijk zijn naast de gewenste woningbouwontwikkelingen, is een verruiming in het vast te stellen plan opgenomen voor appellant. Qua planologische mogelijkheden wordt appellant niet beperkt, maar is zelfs sprake van een uitbreiding, waarbij geldt dat appellant zich wel moet houden aan de vereisten vanuit de Wet milieubeheer. Dit kan tot gevolg hebben dat niet te volle gebruik gemaakt kan worden van de planologische mogelijkheden die geboden zijn, dit omdat dit op grond van de Wet milieubeheer niet mogelijk is. De huidige bedrijven zijn van een aparte aanduiding voorzien. Tevens zijn bedrijven in milieucategorie 2 toegestaan. Vestiging van een dergelijk bedrijf zou een vergelijkbare of lagere milieubelasting inhouden en kan daarom worden toe34

3.3.6.75

3.3.6.76

3.3.6.77

3.3.6.78

3.3.6.79

3.3.6.80

3.3.6.81

Appellant is tegen legalisatie, omdat hierdoor in bedrijfsbelangen worden geschaad en er bovendien geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat t.a.v. deze percelen. Er wordt uitgegaan van onjuiste gegevens qua geluid. De mogelijkheid bestaat wel degelijk dat in de avonduren wordt geladen en gelost. De ruimtelijke onderbouwing is ook gebruikt in de afwijkingsprocedure. In deze procedure voldeed deze niet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Op welke gronden is het college van mening veranderd? In de ruimtelijke onderbouwing staan feitelijke onjuistheden. (pagina 27 zienswijze) a. Bewoning is nooit gedoogd. b. Het staat niet vast dat het gebied een woonfunctie krijgt. c. Uitspraak RvS illegaal gebruik voor risico bewoners. d. Cultuurhistorie: panden zijn geen boerderij en al helemaal niet karakteristiek Appellant betwist hetgeen gesteld in paragraaf 2.2.2 van de ruimtelijke onderbouwing. De stelling in de laatste alinea van pagina 8 is onjuist. P. Nagel heeft schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een bedrijfswoning. In de ruimtelijke onderbouwing ontbreekt recent bodemonderzoek, Het is zeer aannemelijk dat ernstige bodemverontreiniging aanwezig is.

Appellant betwist het gestelde in paragraaf 2.3. De percelen Vreelandseweg 6/6a passen niet bij de andere woonbebouwing. De beeldvorming wordt niet door de woningen, maar door de industrie bepaald. Er is geen sprake van een gemengd gebied waarbij sprake is van verrommeling en verpaupering.

3.3.6.82

Het pand Vreelandseweg 6/6a heeft geen historische waarde.

3.3.6.83

De ruimtelijke onderbouwing bevat geen eigen onderzoek t.a.v. geluid, maar heeft dit gedeelte letterlijk overgenomen uit het (voor)ontwerp bestemmingsplan. Er is geen sprake van een volwaardig onderzoek naar het woon- en leefklimaat door de initiatiefnemers zelf en

3.3.6.84

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Garsten Noord

Appellant heeft in het akoestisch onderzoek d.d. aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat t.a.v. deze percelen. Appellant wordt niet geschaad in haar bedrijfsbelangen. Appellant krijgt met de bestemmingsplan uitbreidingsmogelijkheden.

Deze conclusie is onjuist en voor rekening van appellant.

a. In de ruimtelijke onderbouwing stond dat geen bezwaar bestaat tegen bewoning als bedrijfswoning van Vreelandsweg 6. b. De Visie, het beeldkwaliteitsplan en het bestemmingsplan streven dit (gedeeltelijk en geleidelijk) wel na. c. Dat is correct. d. De panden zijn wel degelijk cultuurhistorisch van belang en hebben jarenlang op de nominatie gestaan om gemeentelijk monument te worden. In de ruimtelijke onderbouwing stond inderdaad dat het geen bezwaar betreft tegen een bedrijfswoning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1781/documents/38870