Bijlage 1p_Eindrapport beschermde soorten Vreelandseweg 11-19 te Nigtevecht_Mertens adviesbureau_2016_06.pdf
Tekst van het document
Eindrapport
BESCHERMDE SOORTEN TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND VREELANDSEWEG 11, 13, 17 EN 19 TE NIGTEVECHT
Eindrapport
BESCHERMDE SOORTEN TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND VREELANDSEWEG 11, 13, 17 EN 19 TE NIGTEVECHT
rapportnr. 2015.1945 juni 2016 In opdracht van: Inpijn-Blokpoel Milieu BV Postbus 94 5690 AB Son
Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie Bezoekadres: Dr. Willem Dreeslaan 1 te Bennekom Postadres: Postbus 367, 6700 AJ te Wageningen
T: 0317-428694 M: 06-29458456 E: info@adviesbureau-mertens.nl I: www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2016. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING .............................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED ................................................................................................................................. 2 1.3 DE PLANEN ........................................................................................................................................... 2 1.4 OPBOUW RAPPORT ............................................................................................................................. 3
2. BESCHERMDE SOORTEN ................................................................................................................................ 4 2.1 FLORA- EN FAUNAWET........................................................................................................................ 4 2.2 RODE LIJST ........................................................................................................................................... 4
3. ECOLOGIE.......................................................................................................................................................... 6 3.1 VLEERMUIZEN ...................................................................................................................................... 6 3.2 VOGELS ................................................................................................................................................. 7
4 METHODE............................................................................................................................................................ 9 4.1 INLEIDING .............................................................................................................................................. 9 4.2 VLEERMUIZEN ...................................................................................................................................... 9 4.3 BROEDVOGELS .................................................................................................................................... 9
5 RESULTAAT ...................................................................................................................................................... 11 5.1 VLEERMUIZEN .................................................................................................................................... 11 5.2 BROEDVOGELS .................................................................................................................................. 13
6 CONCLUSIE ...................................................................................................................................................... 14
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 15
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 16 1. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 17 2. ONDERZOEKS OMSTANDIGHEDEN ................................................................................................... 19
Adviesbureau Mertens
1
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
1 INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de sloop en nieuwbouw aan de Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht (zie figuur 1 voor de ligging). Op basis van verkennend onderzoek is bepaald dat het plangebied mogelijk van waarde is voor beschermde vleermuizen, vogels met vaste rust- en nestplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn die door de plannen negatief kunnen worden beïnvloedt (Kruidbos, 2014). Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens BV te Wageningen gevraagd om het voorkomen, de verspreiding en het eventuele terreingebruik van vleermuizen, vogels met vaste rust- en nestplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn inzichtelijk te maken. In onderhavig rapport wordt verslag gedaan van een veldinventarisatie naar deze soortgroepen.
1.2 Het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Vreelandseweg te Nigtevecht. Voor een omschrijving van dit gebied wordt verwezen naar het verkennend onderzoek (Kruidbos, 2014).
N▲ Nigtevecht
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied te Nigtevecht. 1.3 De planen De plannen zijn sinds het verkennend onderzoek niet gewijzigd. Voor een omschrijving van de plannen wordt dan ook verwezen naar het verkennend onderzoek (Kruidbos, 2014).
Adviesbureau Mertens
2
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de ecologie van vleermuizen, vogels met vaste rust- en nestplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: De onderzoeksmethoden. Een beschrijving van de aanwezigheid van vleermuizen, vogels met vaste rust- en nestplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn. De conclusie over de betekenis van het plangebied voor vleermuizen, vogels met vaste rust- en nestplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de gehanteerde begrippen.
Adviesbureau Mertens
3
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
2. BESCHERMDE SOORTEN
2.1 Flora- en faunawet In de Flora- en faunawet zijn regels gegeven over de bescherming van de in het wild levende planten- en diersoorten, mede ter uitvoering van de soortbescherming in de Europese Richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Deze soortenbescherming van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn geïntegreerd in de Flora- en faunawet. Deze soortenbescherming houdt in dat handelingen zoals het doden, opzettelijk verontrusten, verstoren of vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen, holen, nesten, eieren van dieren en het uitgraven, plukken en vernietigen van groeiplaatsen van planten verboden zijn. Een ruimtelijke ingreep kan gepaard gaan met negatieve effecten op planten en dieren. Om een ruimtelijk plan tot uitvoering te kunnen brengen die negatieve effecten heeft op beschermde soorten, is in een aantal gevallen een ontheffing van het Ministerie van Economische Zaken noodzakelijk. Om een dergelijke ontheffing te kunnen verkrijgen, moet aangetoond worden dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Qua mate van bescherming kan onderscheid worden gemaakt in de volgende drie beschermingsregimes.
Algemeen voorkomende soorten (categorie 1: lichte bescherming) Voor algemeen voorkomende soorten zoals haas, egel, veldmuis, bruine kikker of gewone pad geldt sinds begin 2005 een algemene vrijstelling. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als zij worden geschaad op voorwaarde dat met deze soorten goed omgegaan wordt: zij mogen niet onnodig gedood of gewond worden en activiteiten dienen buiten de kritieke periode plaats te vinden. Minder algemeen voorkomende soorten (categorie 2: matige bescherming) Voor soorten die minder algemeen voorkomen als eekhoorn, steenmarter, levendbarende hagedis en diverse soorten orchideeën geldt dat een ontheffing vereist blijft bij ruimtelijke ingrepen die negatieve effecten voor deze soorten hebben. Een uitzondering hierop kan gemaakt worden als wordt gewerkt volgens een door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode. In zo’n gedragscode geeft een sector of initiatiefnemer zelf aan welke gedragslijnen men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Bij het hebben van een gedragscode voor de minder algemeen voorkomende soorten is alleen nog een ontheffing nodig voor werkzaamheden die niet conform de gedragscode worden uitgevoerd.
Strikt beschermde soorten (categorie 3: strikte bescherming) Voor soorten die in bijlage IV van de Habitatrichtlijn staan, vanwege de Vogelrichtlijn te beschermen vogelsoorten en soorten die zijn opgenomen bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (o.a. ringslang, hazelworm, boommarter, das en waterspitsmuis) geldt dat een ontheffing alleen wordt verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat en er sprake is van een in of bij de wet genoemd belang.
2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Adviesbureau Mertens
4
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
Alleen op basis van 'gunstige staat van instandhouding' kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die niet afnemen in aantal (geen Rode lijstsoort) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten die wél op de Rode lijst staan) is een uitbreide effectenstudie wenselijk, ondanks dat zij niet zijn beschermd. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht (artikel 2 van de Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats.
Adviesbureau Mertens
5
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
3. ECOLOGIE
3.1 Vleermuizen Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die zich voeden met insecten. Per nacht wordt een grote hoeveelheid voedsel gegeten. Vleermuizen zijn aangewezen op een grote diversiteit aan ecotypen, welke een groot en constant voedselaanbod opleveren. Daarnaast zijn vleermuizen afhankelijk van landschapselementen. Door de landschapselementen (bomenlanen, huizenrijen, houtwallen e.d.) kunnen vleermuizen zich oriënteren door middel van het uitzenden van geluiden. Open landbouwgebieden zijn daarom bijvoorbeeld onaantrekkelijk voor vleermuizen. Vleermuizen verblijven overdag, gedurende het zomerseizoen, in kleine ruimten als spouwmuren of gaten in bomen. Afhankelijk van de soort, bewonen vleermuizen bomen of gebouwen. Alleen de grootoorvleermuis maakt gebruik van zowel bomen als gebouwen. Vooral vrouwtjes zitten veel bij elkaar, in een kolonie. Hier worden de jongen in groot gebracht. Als de schemering valt vliegen de vleermuizen uit en gaan via vaste routen, de vliegrouten, naar de foerageerplaatsen. Soms liggen foerageerplaatsen en kolonies wel meer dan 10 km uit elkaar. Op de foerageerplaatsen wordt gedurende de gehele nacht gefoerageerd. Bij het aanbreken van de dag vliegen de vleermuizen via de vliegrouten weer terug naar de kolonie. Tegen de herfst breekt het paarseizoen aan. Vleermuizen leven dan solitair of in kleine groepjes.
De paring vindt in de herfst plaats, in tegenstelling tot de meeste andere zoogdieren. De jongen worden in het daarop volgende voorjaar geboren. De vleermuizen leven in de herfst nagenoeg niet meer in kolonies, maar solitair. Voor de paring worden paarplaatsen gebruikt die vaak afwijken van de kolonieplaatsen. Vaak worden in de herfst ook andere soorten en aantallen vleermuizen aangetroffen. Een voorbeeld hiervan is de ruige dwergvleermuis. Daarnaast worden in de herfst vaak andere foerageerplaatsen gebruikt. De vleermuizen zijn immers niet meer gebonden aan de kolonieplaats. Kort na het paarseizoen tot enkele maanden later, als de winter aanbreekt, trekken de vleermuizen naar ruimten met een stabiel klimaat als (ijs)kelders, grotten en bunkers om daar door middel van de winterslaap de winter door te brengen. Vleermuizen gebruiken dus verblijfplaatsen eveneens in de winter, wanneer zij hun winterslaap houden. De plaatsen zijn donkere, koele ruimten met een constant microklimaat. Afhankelijk van de soort zijn dit gebouwen (bunkers, grotten e.d.) of dikke bomen. Slechts zeer sporadisch komen de winterverblijfplaatsen overeen met de zomerverblijfplaatsen. Doordat vleermuizen voor hun oriëntatie gebruik maken van echolocatie zijn vleermuizen gevoelig voor ingrepen in het landschap.
Oriëntatie vindt plaats aan de hand van opgaande elementen als bijvoorbeeld bomenlanen en houtwallen. Verlies daarvan resulteert in verminderde oriëntatiemogelijkheden. Oriëntatie is noodzakelijk om van kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en om voedsel te vinden. Bij de afweging van de effecten van ruimtelijke ingrepen in natuur en landschap spelen derhalve opgaande elementen een belangrijke rol. Vleermuizen worden meer en meer betrokken bij de besluitvorming rond ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Dit is ook zeer noodzakelijk: de meeste soorten zijn bedreigd of ernstig bedreigd en alle soorten zijn nationaal en internationaal wettelijk beschermd via de Flora- en faunawet en de Habitatrichtlijn.
Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
3.2 Vogels Vogels komen doorgaans overal in Nederland voor waar enige beschutting is en waar mogelijkheden zijn om te nestelen. Er zijn vogels die ieder jaar een nest bouwen om daarin te broeden. Er zijn daarnaast vogels die jaarrond een zelfde nest gebruiken om in te slapen en te broeden (bijvoorbeeld ransuilen) en er zijn vogels die jaarlijks terugkeren naar hun nestplaats om het nest opnieuw te gebruiken om daarin te broeden (huismus en gierzwaluw). De Flora- en faunawet ziet toe op de bescherming van nesten die jaarrond of jaarlijks worden gebruikt; deze zijn ook buiten het broedseizoen beschermd. Sinds de zomer van 2009 heeft het bevoegd gezag inzake de Flora- en faunawet een lijst met jaarrond beschermde vogels gepubliceerd (LNV-DLG, 2009a). De verblijfplaatsen van deze vogels zijn ook buiten het broedseizoen beschermd via de Flora- en faunawet (LNV-DLG, 2009b).
3.3 Rugstreeppad De rugstreeppad is een amfibieënsoort die in Nederland leeft aan de rand van zijn verspreidingsgebied. De rugstreeppad komt vooral voor in midden- en West-Europa. Het is een typische pionierssoort van open gebieden. In deze gebieden heeft de rugstreeppad een voorkeur voor los en zanderig bodemsubstraat. Ondanks dat de rugstreeppad in Nederland aan de rand van zijn verspreidingsgebied leeft, komt hij relatief veel voor in Nederland. Gebieden waar de rugstreeppadden talrijk voor kunnen komen zijn zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heideveldjes en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen. De rugstreeppad is opgenomen in bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en daardoor streng beschermd is het kader van de Flora- en faunawet.
3.4 Bittervoorn De bittervoorn is een zeer kleine vissoort (5 tot 8 cm, max 10 cm) die behoort tot de karperachtigen. Hij bezit een hoge rugvin en heeft een (blauwe) anaalstreep. Van de meeste inheemse Nederlandse vissen is het voedsel overwegend dierlijk. De bittervoorn heeft echter een lange darm en is daardoor aangepast aan een dieet met veel plantaardig materiaal zoals kiezelalgen. Deze microscopisch kleine algen worden van stenen “gegraasd” –reden waarom de vis vaak onder stenen bruggetjes en duikers te vinden is en amper wordt aangetroffen-. Het voorkomen van de bittervoorn is sterk gerelateerd aan het voorkomen van schildersmosselen of zwanenmosselen (grote zoetwatermosselen), die nodig zijn bij de voortplanting. De eieren van bittervoorn worden in de mantelholte van de mosselen afgezet; ze komen daar uit en de larven blijven er tot ze gaan zwemmen. Gedurende het leggen van de eieren worden jonge mosselen uitgestoten en hechten zich gedurende enige tijd aan de kieuwen van de bittervoorn. Dit is tevens een manier voor mosselen om zich te verspreiden. Evenals de bittervoorn komen mosselen voor in vrij heldere, kleine wateren. Aldaar moet de sliblaag niet te dik zijn omdat de mosselen zich anders niet kunnen vastzetten. Enig slib (modder) is echter optimaal voor de voedselvoorziening van de mosselen.
Als door baggerwerkzaamheden of ander onderhoud de mosselen van de bodem verdwijnen, is het paaibiotoop van de bittervoorn verdwenen. De paaitijd loopt van april tot juni. De bittervoorn vereist daarnaast voldoende waterplanten omdat anders de verschillen in milieuomstandigheden zoals zuurstofhoeveelheid te groot zijn. De bittervoorn wordt dan ook aangetroffen in stilstaande wateren, zoals schone poldersloten en vijvers met een gevarieerde plantengroei en plantenrijke oevers en meren. In zeer langzaamstromend water (onder de 10 cm/s) komt de bittervoorn voor in begroeide oevers en rivieren en meanders van laaglandbeken. De minimale waterdiepte voor het voorkomen van bittervoorn bedraagt 50 cm. In diepe droogmakerijen zoals bijvoorbeeld rond Mijdrecht komt de soort niet voor; op veel plaatsen welt zout water op in diepe droogmakerijen waardoor het water ongeschikt leefgebied is voor zoetwatermosselen. Als
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016 gevolg van kanalisatie en watervervuiling is de bittervoorn op de Rode lijst van bedreigde diersoorten gekomen als kwetsbaar (tweede categorie) en is zwaar beschermd onder de Flora- en faunawet.
Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
4 METHODE 4.1 Inleiding Ten behoeve van de inventarisatie van vleermuizen (laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis), vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus en gierzwaluw), rugstreeppad en bittervoorn zijn zeven inventarisatieronden uitgevoerd. In tabel 1 wordt van deze inventarisatieronden een overzicht gegeven. In bijlage 1 worden de omstandigheden weergegeven. Tabel 1. Overzicht inventarisatieronden naar het voorkomen van vleermuizen, vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen, rugstreeppad en bittervoorn ter plaatse van en direct rond het plangebied aan de Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Datum
Vleermuizen
Vogels
Rugst.pad
Bittervrn
Voorjaar / voorzomer - 3 april 2016 - 24 april 2016 - 13 mei 2016 - 24 mei 2016 - 3 juni 2016
Kolonies, vliegroutes en foerageerpl. Kolonies, vliegroutes en foerageerpl.
Nestlocaties (hm) Nestlocaties (hm) Nestlocaties (hm en zw) Nestlocaties (zw) Nestlocaties (zw)
Zie § 4.5 Geluid, zicht Net Zie § 4.5 Geluid, zicht -
Voorherfst - 11 september 2015 - 21 september 2015
Balts-, paar- en foerageerplaatsen Balts-, paar- en foerageerplaatsen
-
-
-
4.2 Vleermuizen Vleermuizen zijn geïnventariseerd door middel van batdetector-onderzoek (Petterson D-240). Met de batdetector worden de, voor mensen onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen omgezet naar de voor het menselijk oor hoorbare geluiden. Soorten kunnen door de geluiden (frequentie, ritme en klank) en zichtbeelden worden onderscheiden. Door interpretatie hiervan kan tevens het gedrag afgeleid worden en kunnen onder andere foerageerplaatsen, vliegroutes en verblijfplaatsen worden opgespoord. De methode voor het inventariseren van vleermuizen voldoet aan bij het Inventarisatie Protocol van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2013) en de soortenstandaards van laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (Min. EZ, 2012). 4.3 Broedvogels Gedurende alle onderzoeksronden (in het voorjaar), zoals weergegeven in tabel 1, is het gebied geïnventariseerd op nesten, sporen en territoriaal gedrag van vogels met jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw en huismus). Het huismus- en gierzwaluwonderzoek is uitgevoerd conform de soortenstandaards van huismus en gierzwaluw (Min. EZ, 2012).
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
4.4 Rugstreeppad Gedurende de gerichte bezoeken (13, 24 mei, 3 juni) was het overdag warm (> 20oC) en was er geen neerslag, de minimale avondtemperatuur was 17 oC. Gedurende deze dagen was het windstil (2 Bft). Alle avonden waren mooie avonden voor een weersverslechtering dat doorgaans het roepen van de padden stimuleert. Dit zijn optimale omstandigheden voor onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad. De feitelijke inventarisatie van rugstreeppad vond plaats met behulp van een vijftal methoden die gedurende de drie onderzoeksronden werden toegepast: 1. Het zoeken naar paddensnoeren. 2. Het vissen m.b.v. een schepnet om larven en adulten te vangen. 3. Het ‘s nachts afzoeken van wateren met een sterke lamp. 4. Het luisteren naar de koorzang van padden. De roepactiviteit werd gestimuleerd d.m.v. het afspelen van koorgeluiden van een geluidsdrager. 5. Het omkeren van stenen en platen waaronder de padden kunnen schuilen. De methode voor het inventariseren van amfibieën sluit aan bij de beschreven methode door Lenders e.a. (1993) en Diepenbeek & Delft (2006).
4.5 Bittervoorn Vissen zijn geïnventariseerd door middel van schepnetonderzoek (3 april en 24 mei 2016). Met het net worden veelvuldig kleine vissen gevangen zoals de kleine modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad die voor kleinere wateren een representatief beeld geven van de aanwezige visfauna. Het gebruikte schepnet dat werd gebruikt is geleverd voor professionele inventarisaties. Met dit net worden relatief kleine vissen gevangen die een representatief beeld geven van de aanwezige vissen. De methode wordt landelijk gebruikt en wordt uitgedragen door Stichting RAVON te Nijmegen (Spikmans & Jong, 2006). Met het schepnet zijn alle wateren integraal bemonsterd vanaf de oever, eventueel met waadbroek vanuit het water.
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
5 RESULTAAT 5.1 Vleermuizen Voorherfst 2015 Er zijn in de voorherfst van 2015 gewone en ruige dwergvleermuizen foeragerend vastgesteld. Er zijn tevens baltsplaatsen vastgesteld van beide soorten. Bij een baltsplaats vliegt een vleermuis rond en zend ondertussen sociale geluiden uit. Er zijn geen paarplaatsen gelokaliseerd. In figuur 3 worden de waarnemingen weergegeven.
Figuur 1. Waarnemingen van vleermuizen in het voorherfst van 2015 ter plaatse van en direct rond het plangebied Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht.
Adviesbureau Mertens
11
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
Voorjaar 2016 In het voorjaar van 2016 zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis aangetroffen. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn foeragerend vastgesteld. Meervleermuis is boven het water langsvliegend aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen van het voorkomen van vliegroutes en verblijfplaatsen. In figuur 2 worden de waarnemingen weergegeven.
Legenda Foerageerplaats = Gewone dwergvleermuis = Laatvlieger = Meervleermuis Figuur 2. Waarnemingen van vleermuizen in het voorjaar van 2016 ter plaatse van en direct rond het plangebied Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht.
Adviesbureau Mertens
12
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
5.2 Broedvogels Er zijn geen territoria of nesten aangetroffen van huismus of gierzwaluw. Wel zijn er diverse broedvogels aangetroffen zoals kauw. Hoog overvliegend zijn wel gierzwaluwen vastgesteld maar deze zijn niet gerelateerd aan het plangebied.
5.4 Rugstreeppad Rugstreeppad is niet aangetroffen. Wel is middelste groene kikker en bruine kikker vastgesteld. Deze soorten zijn licht beschermd en niet bedreigd.
5.5 Bittervoorn Bittervoorn is niet aangetroffen. Tevens zijn geen mosselen aangetroffen waarmee de bittervoorn in symbiose leeft. Wel is driedoornige stekelbaars en brasem vastgesteld. Deze soorten zijn niet beschermd en niet bedreigd.
Adviesbureau Mertens
13
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
6 CONCLUSIE Er is het voornemen voor de sloop en nieuwbouw aan de Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Op grond hiervan is een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen, de rugstreeppad en de bittervoorn. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in het gebied de laatvlieger, gewone en ruige dwergvleermuizen foerageren en baltsen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren en baltsen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Huismus, gierzwaluw, rugstreeppad en bittervoorn zijn niet vastgesteld. Wel komen er vogels voor die algemeen voorkomen in Nederland. In verband met het voorkomen van deze algemene vogels is het van belang om op een manier te werken dat nesten en eieren van vogels niet worden beïnvloedt. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op matig en zwaar beschermde soorten uitgesloten; de realisatie en uitvoering van het plan is niet in strijd met het gestelde binnen de Flora- en faunawet.
Adviesbureau Mertens
14
Wageningen
Beschermde soorten ter plaatse van en direct rond Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Eindrapport juni 2016
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Diepenbeek, A., van, Delft, J. van, 2006. Het waarnemen van amfibieën en reptielen. Stichting RAVON, Nijmegen. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Kruidbos, 2014. Quick scan Flora- en fauna Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 te Nigtevecht. Helmond, 1-13. Lenders, H.J.R., Marijnissen, C.C.H., Felix, R.P.W.H., 1993. Waarnemen van amfibieën en reptielen in het veld. Stichting RAVON, Nijmegen, 4e druk, 1-77. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2009. Besluit Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 1998. Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten en diersoorten (Flora en Faunawet). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 402, 1-37. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet.
Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard huismus, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard Ransuil, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard Gierzwaluw, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard gewone dwergvleermuis, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard ruige dwergvleermuis, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard laatvlieger, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard Bittervoorn, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Informatie, Dienst Regelingen, 2012. Soortenstandaard Rugstreeppad, Den Haag. Netwerk Groene Bureaus, 2013. Vleermuisinventarisatie-protocol; Introductie, toelichting en tabel. Odijk. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.
Adviesbureau Mertens
15
Wageningen
BIJLAGEN
1. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en temperatuurwisselingen zijn nihil.
Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
2. ONDERZOEKS OMSTANDIGHEDEN
Duur (uur) Temperatuur (OC)
Neerslag (mm)
Wind (bft)
Datum
Tijd (uur)
- 3 april 2016
17.00-19.00
2
18
Geen*
2
- 24 april 2016
17.30-19.30
2
9
Geen*
3
- 13 mei 2016
20.00-23.00
3
19
Geen
3
- 24 mei 2016
02.00-07.00
5
13
Geen
2
- 3 juni 2016 - 11 september 2015
20.00-1.00 21.00-23.00
5 2
19 18
Geen Geen
2 2
- 21 september 2015 20.30-22.30 * Overdag korte tijd (mot)regen
2
17
Geen*
3