Bijlage 10. Quickscan Wet natuurbescherming 04-06-2021.pdf
Tekst van het document
broed
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. H. van Arendonk ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Datum
4 juni 2021
Kenmerk
BE/2021/534/r
Uw kenmerk
Email d.d. 10 mei 2021
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ir. ing. A.E. Vos
Revisie
9 juni 2021
Quickscan Wet natuurbescherming Zandpad 41 te Maarssen Aan het Zandpad 41 te Maarssen is een voormalig bedrijfsterrein met een bedrijfsgebouw, twee bijgebouwen en een woning gelegen. De initiatiefnemer is voornemens het terrein opnieuw in te richten en 10 vrijstaande woningen te realiseren. Ten behoeve van deze herinrichting zal het bedrijfsgebouw gesaneerd, een deel van de bosschage gekapt en hagen verwijderd worden. Mogelijk wordt er een watergang aan de westzijde van de planlocatie gegraven. Tevens dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan het Zandpad 41 te Maarssen (figuur 1). Op de planlocatie zijn een vrijstaande woning, bedrijfsgebouw en twee bijgebouwen aanwezig. Tevens zijn er een historische schoorsteen en watertoren op de planlocatie gesitueerd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal het bedrijfsgebouw gesaneerd worden. De overige bovenstaande benoemde elementen blijven behouden en zijn derhalve niet in de voorliggende rapportage beoordeeld. Het bedrijfsgebouw is opgebouwd uit een dak en muren bestaande uit metalen damwandplaten afgewisseld met plastic en glas. Het bedrijfsgebouw vervult momenteel een functie als caravanstalling. Aan de noord-, oost- en zuidzijde wordt de planlocatie omgeven door watergangen. Deze blijven binnen de beoogde ontwikkeling behouden en worden mogelijk uitgebreid met een watergang aan de westzijde van de planlocatie. De planlocatie is deels verhard ten behoeve van de voormalige functie als bedrijfsterrein. Echter zijn er grote delen onverhard. Onverharde delen worden gekenmerkt door een enkele bosschages met een ruige ondergroei van inheemse vaatplanten en een gazon met een hoog onderhoudsbeeld. In figuur 2, figuur 3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het buitengebied tussen Maarssen en Breukelen.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vrijstaande bebouwing, agrarische percelen en bosschages. Aan de zuidzijde van de planlocatie stroomt de Vecht. Op een afstand van circa 900 meter ten zuidwesten van de planlocatie is het Amsterdam-Rijnkanaal gesitueerd. Op een afstand van 1,8 km ten zuiden van de planlocatie is de A2 gelegen. Grote waterwegen en snelwegen kunnen voor diverse grondgebonden fauna een barrière vormen.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan het Zandpad 41 te Maarssen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van het te verwijderen bedrijfsgebouw. Links in dit figuur is de historische schoorsteen weergegeven. Deze blijft behouden.
Figuur 3
Een gedeelte van de gedeeltelijk te kappen bosschage.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van het bedrijfsgebouw, gedeeltelijk kappen van de bosschage, kappen van hagen en het mogelijk uitgraven van een watergang aan de westzijde van de planlocatie. Tevens zullen er 10 woningen gerealiseerd worden. Ten behoeve van deze ontwikkeling dient de functie van het perceel te wijzigen.
3
Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van het bedrijfsgebouw: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • gedeeltelijk verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • (mogelijk) graven van een watergang: graafwerkzaamheden; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie 10 vrijstaande woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 4
4
Visuele representatie van de beoogde situatie. In dit figuur is te zien dat diverse bomen van de huidige bosschage behouden blijven (bron: Buro SRO B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis
5
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is.
6
Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde plant bekend: kluwenklokje (NDFF 2011-2021). Kluwenklokje komt in het wild voor langs de rivieren. De natuurlijke groeiplaats bevindt zich op zonnige, matig vochtige bodem van kalk- of humus houdende zand, klei of leem. Het voorkeursbiotoop betreft kalkgraslanden. De soort prefereert zonnige tot licht beschaduwde plaatsen. Op de planlocatie is geen sprake van rivieroevers of kalkgraslanden. De planlocatie is gedeeltelijk verhard ten behoeve van het bedrijfsterrein. Onverharde delen worden gekenmerkt door een bosschage en gazon. De bosschage vormt een vrij dichte structuur met een ondergroei van hoge vaatplanten. Derhalve voldoet dit deel van de planlocatie niet aan voldoende licht voor het kluwenklokje. Het gazon heeft een hoog onderhoudsbeeld. Derhalve wordt weinig kans geboden aan bloeiende vegetatie om zich volledig te ontwikkelen. Wegens het hoge onderhoudsbeeld en ontbreken van het voorkeursbiotoop is het uitgesloten dat kluwenklokje voorkomt op de planlocatie. Tevens ontbreken waarnemingen van kluwenklokje binnen een straal van 500 meter. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op kluwenklokje zijn uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.
Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, eenstijlige meidoorn, Engels raaigras, gewone es, haagbeuk, kleefkruid, klimop, krulhazelaar, madelief, Spaanse aak, speenkruid en zevenblad. Op de muren van het bedrijfsgebouw is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten kunnen derhalve worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, das, rode eekhoorn, otter en waterspitsmuis. De otter en bever leven in waterrijke gebied.
De planlocatie wordt aan diverse zijden omgeven door sloten. Deze sloten zijn echter van relatief klein formaat en derhalve ongeschikt voor de otter en bever. Waarnemingen van deze soorten zijn voornamelijk afkomstig vanaf zeer waterrijk gebied, namelijk de Oostelijke Vechtplassen (otter) en rondom het Amsterdam-Rijnkanaal (bever) (NDFF 2011-2021). Tevens zijn op de planlocatie geen sporen aangetroffen (c.q. knaagsporen in bomen, uitwerpselen of loopsporen vanuit het water) welke duiden op aanwezigheid van een otter of bever. Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de otter en bever, en zijn negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op deze soorten eveneens uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in boomrijke gebieden. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit eikels, noten en kegels van naaldbomen. De rode eekhoorn maakt gebruik van bolvormige nesten welke een functie vervullen als slaapplaats en/of plaats om de jongen groot te brengen. Deze nesten hebben en doorsnede van 30 tot 50 cm. Op de planlocatie zijn enkel loofbomen aanwezig. Waargenomen soorten in de bosschage betreffen voornamelijk soorten als haagbeuk, eenstijlige meidoorn, es, Spaanse aak en zwarte els. De bosschage voorziet derhalve slechts in een beperkte mate in voedselaanbod voor de rode eekhoorn.
Naast afwezigheid van voldoende geschikte voedselbomen, zijn tevens geen eekhoornnesten of individuen van de rode eekhoorn tijdens het veldbezoek waargenomen. Waarnemingen van de rode eekhoorn zijn voornamelijk afkomstig van boomrijke gebieden, zoals Universiteit Nijenrode (1,2 km van planloctie), de polder Breukelen-Proosdij (1,8 km van planlocatie), en Vechtstreekmuseum (1,3 km van planlocatie). De planlocatie ligt tegen een ogenschijnlijk geschikt bosperceel aan maar is dermate geïsoleerd van de plaatsen waar de rode eekhoorn voorkomt dat regelmatige migratie van én naar de planlocatie uitgesloten is. Het is mogelijk dat de rode eekhoorn zich sporadisch op de planlocatie bevindt.
7
De planlocatie vervult echter geen essentiële functie voor de rode eekhoorn, waardoor de beoogde ontwikkeling niet tot een negatieve invloed op de rode eekhoorn leidt. De boommarter komt voor in bosgebieden. De soort maakt nesten in holen in bomen. Boommarters maken meestal niet zelf een hol, maar passen een bestaande holte aan. Bij voorkeur heeft de holte meerdere ingangen. Aan de holte zelf kun je vaak niet zien of deze in gebruik is. Om een gebruikte holte heen zijn vaak wel sporen van boommarters aanwezig, zoals latrines en krassen op boomstammen (Zoogdierenwerkgroep.be). De bosschage op de planlocatie is relatief lang, maar tevens smal en heeft derhalve een beperkte oppervlakte. Op de planlocatie zijn enkele bomen aanwezig met een (spechten)holte. Bij één van deze holten zijn haren bij de ingang van de holte waargenomen (deze boom blijft tevens behouden, zie bijlage 2). Op basis van de kleur (grijsachtig) is het uitgesloten dat deze van een boommarter zijn. Mogelijk zijn deze afkomstig van een grijze eekhoorn of vogel welke haren gebruikt ten behoeve van een nest. De boom bevat daarnaast maar één opening naar de holle ruimte, en aangezien boommarters bij voorkeur bomen kiezen met meerdere openingen naar de holle ruimte, is het onwaarschijnlijk dat deze boomholte bezocht is door de boommarter.
Er zijn op de planlocatie verder geen sporen van marters, zoals latrines, krassen op boomstammen, prooiresten en bijtsporen waargenomen. Daarnaast staat de planlocatie niet in directe verbinding middels bosschages met gebieden waar waarnemingen van de boommarter bekend zijn. Ook bevindt zich ten noorden van de planlocatie een grotere bosschage waar aannemelijk minder verstoring plaatsvindt, en derhalve geschikter is. Wegens de bovengenoemde redenen is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als vaste voortplantingsplaats of rustplaats van de boommarter. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de boommarter zijn derhalve uitgesloten. De das leeft in diverse leefgebieden waar voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en goed vergraafbare bodem aanwezig is. Dassen leven in burchten met meestal 3 tot 10 ingangen. De das is goed waarneembaar door de vele sporen die hij achterlaat (c.q. loopsporen, eetsporen, uitwerpselen en bewoningssporen). De bosschage is gedeeltelijk gelegen op een zandophoping. In deze zandophoping is slechts één holte van redelijk formaat waargenomen. Op basis van de grootte (circa 20-25 cm) betreft dit een konijnenhol. Deze holte was volledig bedekt met strooisel, waardoor deze aannemelijk niet in gebruik is. Tevens ontbraken loopsporen bij deze holte.
Op de planlocatie zijn geen sporen waargenomen, zoals loopsporen, eetsporen, uitwerpselen of bewoningssporen, welke duiden op aanwezigheid van een das. Tevens ontbreken waarnemingen van de das binnen een straal van circa 400 meter (NDFF 2011-2021). Wegens het ontbreken van sporen van dassen is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als functioneel leefgebied van de das. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de das zijn uitgesloten. De waterspitsmuis komt voor in en langs schone wateren met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De sloten welke de planlocatie omgeven zijn niet voorzien van watervegetatie, en voldoen derhalve niet het typerende beeld van habitat van de waterspitsmuis. Waarnemingen van de waterspitsmuis zijn afkomstig vanaf Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’, waar veel geschikt habitat aanwezig is. Wegens het ontbreken van het typerende habitat van de waterspitsmuis, en de aanwezigheid van beter geschikt leefgebied nabij de waargenomen individuen, is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als functioneel leefgebied van de waterspitsmuis. Tevens is er geen sprake van het dempen oppervlaktewater binnen de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de waterspitsmuis zijn derhalve uitgesloten.
De planlocatie heeft aannemelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name het konijn, en de veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
8
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Het te slopen bedrijfsgebouw is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.
Het bedrijfsgebouw is opgebouwd uit een dak en muren bestaande uit metalen damwandplaten afgewisseld met plastic en glas. Het dak is niet voorzien van dakbeschot, en de muren zijn slechts opgebouwd uit een enkellaagse constructie. Derhalve zijn er geen nauwe ruimten aanwezig die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door vleermuizen. Wegens een ongeschikte spantconstructie (c.q. voornamelijk metaal) is eveneens uitgesloten dat de schuur een functie vervult als hangplaats of verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis. Het saneren van het bedrijfsgebouw heeft derhalve geen negatieve effecten op vleermuizen. Op de planlocatie zijn alle te kappen bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. In de bosschage is één boom aangetroffen met een holte welke aannemelijk naar boven is ingerot. Holtes welke naar boven zijn ingerot kunnen gebruikt worden als verblijfplaats door vleermuizen. De initiatiefnemer heeft aangegeven de boom te willen behouden (zie bijlage 2). Tevens zullen er diverse andere bomen van de bosschage behouden blijven, zodat een aanvliegroute ook niet aangetast wordt. Daarnaast worden er nieuwe oriëntatiestructuren gerealiseerd in de vorm van bebouwing. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen uitgesloten.
Verlichting gericht op de boom dient echter wel ten alle tijden voorkomen te worden (zie Te treffen maatregelen). Hoewel negatieve effecten ten aanzien van vaste rust- en/of verblijfplaats uitgesloten zijn, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De bosschages en de lijnvormige hagen vormen verbindingen tussen de bosopstand ten noorden van de planlocatie, en het oppervlaktewater (c.q. de Vecht) met een bomenlaan aan de zuidzijde van de planlocatie. Echter blijven diverse bomen van de bosschage behouden en zijn er voldoende alternatieve structuren aanwezig om het bosgebied ten noorden van de planlocatie te bereiken. Tevens worden in de beoogde situatie nieuwe oriëntatiestructuren in de vorm van bebouwing teruggebracht. Hoewel de planlocatie gebruik kan worden voor foerageeractiviteiten, vervult de planlocatie geen essentiële functie als foerageergebied wegens aanwezigheid van voldoende foerageermogelijkheden in de directe omgeving. Een negatieve invloed op essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes is derhalve uitgesloten. In de luwte van de bosschage en hagen kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Verlichting gericht op de bomen op en rondom de planlocatie dient voorkomen te worden. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
9
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoort: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 20112021). Voor deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van de planlocatie is oppervlaktewater (c.q. sloot) aanwezig. De sloten hebben een natuurlijke uitstaling met begroeide oevers. Derhalve valt niet uit te sluiten dat de sloten door algemene amfibieën, zoals de bovengenoemde soorten, gebruikt worden als aquatisch habitat. Aangezien de sloten in de huidige staat behouden blijven, en mogelijk worden uitgebreid, is van negatieve effecten op aquatisch habitat van amfibieën geen sprake. Tevens is het mogelijk dat de algemene soorten gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van het volgende inheemse reptiel: ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats, waar deze voornamelijk jaagt in de grotere wateren met en rijke oever- en onderwatervegetatiestructuur. Hoewel de planlocatie omgeven wordt door sloten, voldoet deze niet aan het waterrijke beeld met grote wateren. Tevens is er geen onderwatervegetatie in de sloten waargenomen. Ook zijn op zonnige plekken binnen de planlocatie geen takkenhopen of andere soortgelijke structuren aanwezig welke een functie kunnen vervullen als broeihopen. Er is een takkenstapel (snoeiafval) in de bosschage aanwezig, maar deze is ongeschikt als broeihoop wegens het ontbreken van direct zonlicht in de bosschage. Tevens is de ringslang een schuw dier, en is het derhalve onwaarschijnlijk dat deze zich in de buurt van menselijke bewoning zal begeven. In de omgeving van de planlocatie zijn diverse forten, kastelen en andere waterrijke gebieden (zoals de Loosdrechts plassen) aanwezig waar aannemelijk geschikt habitat aanwezig is. Tevens zijn waarnemingen van ringslang voornamelijk afkomstig van gebied aan de zuidwestzijde van de Vecht.
De planlocatie ligt ten noordoosten van de Vecht. Waarnemingen ten noordoosten van de Vecht ontbreken binnen een straal van circa 900 meter (NDFF 2011-2021). Wegens het ontbreken van voldoende waterrijk gebied, ontbreken van geschikte broeihopen op de planlocatie, het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving en het hoge aanbod aan beter habitat in de directe omgeving, is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als vaste voortplantingsplaats en/of rustplaats van de ringslang. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op het functioneel leefgebied van de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Aan de noord-, oost- en zuidzijde van de planlocatie bevinden zich watergangen. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt geen oppervlaktewater gedempt of aangetast. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde vissen zijn derhalve uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde ongewervelde: platte schijfhoren (NDFF 2011-2021). Het habitat van de platte schijfhoren bestaat uit zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing.
Vaak bevindt de soort zich in draadalg-vegetaties, of in wateren met krabbenscheer of lisdodde. Hoewel de sloten aan de noord-, oost- en zuidzijde van de planlocatie aan diverse zijden vrij helder zijn, ontbreekt onderwatervegetatie. Ook is er tijdens het veldbezoek geen draadalg, krabbenscheer of lisdodde in de sloten aangetroffen. Derhalve voldoet de planlocatie niet aan het kenmerkende beeld van het platte schijfhoren habitat.
10
Tevens worden binnen de beoogde ontwikkeling geen oppervlaktewateren gedempt, waardoor negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op in de sloten levende organismen op voorhand uitgesloten zijn. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de platte schijfhoren zijn derhalve uitgesloten. Ook is er op de planlocatie geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, koolmees, merel, witte kwikstaart en zwartkop. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Het bedrijfsgebouw bevat dak en muren bestaande uit metalen damwandplaten afgewisseld met glas en plastic. Deze constructie voorziet derhalve niet in geschikte nestlocaties voor huismussen en gierzwaluwen. Rondom de overige bebouwing blijft de tuininrichting aannemelijk behouden, waardoor er geen sprake is van afname van functioneel leefgebied van huismussen welke mogelijk gebruik maken van de overige bebouwing. In het bedrijfsgebouw zijn geen sporen van uilen (c.q. braakballen en krijtsporen) aangetroffen. Tevens is de spantconstructie vrijwel ongeschikt voor uilen. Derhalve is uitgesloten dat het bedrijfsgebouw behoort tot het functioneel leefgebied van uilen zoals kerkuilen en steenuilen. De onverharde grond op de planlocatie kan sporadisch gebruikt worden als foerageergebied van uilen. Gezien de hoge aantallen agrarische percelen en weilanden in de directe omgeving, vervult de planlocatie geen essentiële functie als foerageergebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan derhalve uitgesloten worden. Wegens de hoge mate van geschiktheid van omliggende percelen vervult de planlocatie geen essentiële functie als foerageergebied van roofvogels.
Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in een groot voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
11
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 400 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 5). Op een afstand van circa 12 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Op een afstand van circa 520 m ligt de Groene contour (figuur 7).
12
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: natura2000.eea.europa.eu).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 12 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 520 m tot de Groene contour (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 10 vrijstaande woningen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevat stikstofgevoelige habitattypen. Gezien de geringe afstand tussen het plangebied en de Oostelijke Vechtplassen (400 m), in combinatie met de omvang van de ontwikkeling, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zal een oppervlakte van >1000 m2 gekapt worden. Echter vallen de houtopstanden onder type b (houtopstanden op erven of in tuinen). Het kappen van de houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke
13
Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Eén boom op de planlocatie vervult mogelijk een essentiële functie voor vleermuizen. Deze boom blijft behouden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
Nee Nee Nee
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)
Nee Nee Nee Nee
Tabel 3
Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
400 m
Stikstof
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
12 m
Geen
N.v.t.
Groene contour
520 m
Geen
N.v.t.
Tabel 4
15
Verblijfplaats in boom. Deze boom blijft behouden (bijlage 2)
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan het Zandpad 41 te Maarssen betreft het saneren van het bedrijfsgebouw, deels kappen van de bosschage, verwijderen van hagen en mogelijk uitgraven van een watergang. Tevens worden er 10 vrijstaande woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • De boom met een aannemelijk naar boven ingerotte holte dient behouden te blijven (zie bijlage 2). Tevens dient ten alle tijden verlichting gericht op deze boom voorkomen te worden. • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Verlichting gericht op de bomen op en rondom de planlocatie dient voorkomen te worden.
• Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
16
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.anemoon.org www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.zoogdierenwerkgroep.be
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Te behouden boom ten behoeve van vleermuizen Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
Figuur 1
De te kappen bosschage (rechts) en te verwijderen bedrijfsgebouw (links).
Figuur 2 De te kappen bosschage.
19
20
Figuur 3
Een gedeelte van de te verwijderen haag (links) en het te saneren bedrijfsgebouw (links)
Figuur 4
De binnenzijde van het te slopen bedrijfsgebouw.
21
Figuur 5
Het gazon met bomen. De bomen zullen gekapt worden.
Figuur 5
De noordzijde van de planlocatie.
Bijlage 2 Te behouden boom ten behoeve van vleermuizen
Figuur 1
22
Deze boom heeft een holte welke aannemelijk naar boven is ingerot, en derhalve een functie kan vervullen voor vleermuizen. Deze boom blijft binnen de beoogde ontwikkeling behouden.
23
Figuur 2
Close-up afbeelding van de holte in de te behouden boom.
Figuur 3
Geschatte locatie van de boom. De daadwerkelijke locatie van de boom kan enkele meters ten noorden of ten zuiden van dit aangegeven punt zijn.
Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
24
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
25
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
26