Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Een zonneveld wordt in die gebieden alleen overwogen op die locaties waar de kernwaarden al niet meer intact zijn en waar zeer zorgvuldige inpassing mogelijk is. Zonnevelden zijn voorlopig niet toegestaan op locaties waar in de komende periode woningbouw wordt overwogen. Planspecifiek In het gemeentebeleid (kansenkaart zonnevelden) is opgenomen dat de Polder Binnenweg en Polder Buitenweg voorlopig niet geschikt zijn voor het plaatsen van zonnevelden. Alleen wanneer een zonneveld
25
huidige bebouwing vervangt, zouden er mogelijkheden kunnen zijn. De ligging van Polder Binnenweg aan noordelijke zijde van het Fort De Gagel en de inundatievelden zijn daarbij van belang. Openheid is één van de belangrijke kernkwaliteiten van dit gebied. Het voorliggende plan voorziet, conform het gemeentebeleid en de Zonneladder, in het gebruik van reeds bebouwde gronden in transformatiegebieden. Het zonneveld wordt gerealiseerd op een perceel waar nu een groot kassencomplex en een waterbassin aanwezig zijn. Uit onderliggend onderzoek blijkt dat de sloop van het kassencomplex met waterbassin en de aanleg van een zonneveld een (gering) positief effect heeft op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied. De aanleg van het zonneveld maakt onderdeel uit van het inrichtingsplan. Ook in de planregels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen. Daardoor kan medewerking verleend worden aan dit initiatief. Het zonneveld wordt aangesloten op de bestaande transformator die op de noordwestelijke hoek van het perceel met een aansluitcapaciteit van 1750 kVA. Dit is een residu van een WKK die ooit aanwezig was. De opbrengst van het zonneveld is bedoeld ter vergroening van de bedrijven als De Fabrique en DUS in Utrecht en Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie in Enschede. Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor omwonenden om aan het project deel te nemen.
26
4 Onderzoeken 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat deze omgevingsvergunning onder mogelijkheid c valt. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk 8 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
27
b.
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is de Wet milieubeheer van toepassing. Daarbij kan aansluiting wordt gezocht bij artikel 7.19, lid 3 van de Wet milieubeheer, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.richtlijn. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken en de plaats van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de agrarische bedrijvigheid en de kassen worden 'wegbestemd' en hiervoor in de plaats 4 nieuwe woningen en een zonneveld worden gerealiseerd, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. De effecten hebben met name te maken met verkeer en geluidhinder die daardoor veroorzaakt worden. Deze effecten nemen niet of nauwelijks toe ten opzichte van de huidige planologische situatie. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r.(-beoordeling). Het opstellen van een m.e.r.(-beoordeling) zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r.(-beoordeling) nodig is en publiceert dit in een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met voorliggend plan wordt de bestemming van een deel van het plangebied gewijzigd van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Hiermee vindt er een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik plaats. Voor de planlocatie zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, één voor het noordelijke gedeelte en één voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied.
28
Noordelijke gedeelte plangebied Uit het verkennend bodemonderzoek voor het noordelijke gedeelte van het plangebied (1 oktober 2018, EnviroPlan Nederland BV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Bij de uitvoering van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die een aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de semiverharding van menggranulaat die op een deel van de locatie aanwezig is, zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat voor de bovengrond van de onderzoekslocatie inclusief de bodemlaag direct onder de semiverharding, licht verhoogde gehalten voor enkele metalen aanwezig zijn, waarbij in één mengmonster de tussenwaarde voor lood wordt overschreden. In de ondergrond zijn geen overschrijdingen van de normwaarden vastgesteld. In het grondwater worden de streefwaarden voor barium en naftaleen in geringe mate overschreden. De verhoogde gehalten aan metalen in de bovengrond van de locatie liggen gemiddeld genomen rond of ruim beneden het niveau van de achtergrondwaarden. Er is geen aanleiding tot het instellen van een vervolgonderzoek. Uit het laboratoriumonderzoek van het materiaal van de semiverharding volgt een gehalte asbest dat beneden de hergebruiksnorm ligt.
Toch is er aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de verhoogde gehaltes lood in de bodem (10 juni 2020, EnviroPlan Nederland BV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de resultaten van het aanvullende bodemonderzoek blijkt dat de interventiewaarde voor lood niet wordt overschreden. Er is geen vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood ter plaatse van de onderzoekslocatie. Zuidelijke gedeelte plangebied Ook voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (11 juni 2020, EnviroPlan Nederland BV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit het verkennend bodemonderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Bij de uitvoering van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Uit laboratoriumonderzoek blijken voor de bovengrond van de onderzoekslocatie licht verhoogde gehalten voor de metalen kwik, lood en/of zink. In de ondergrond en het grondwater zijn geen noemenswaardige verhogingen vastgesteld. De verhoogde gehalten aan metalen in de bovengrond van de locatie liggen rond het niveau van de achtergrondwaarden voor de desbetreffende zones en vormen als zodanig geen aanleiding tot het instellen van een vervolgonderzoek.
Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er vanuit het oogpunt van de bodemkwaliteit geen bezwaren tegen de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).
andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
29
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De Wgh ziet toe op de bescherming van geluidgevoelige objecten. De beoogde woningen zijn geluidgevoelige objecten. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Een onderzoek naar industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Spoorweglawaai Het plangebied ligt buiten de onderzoekszone van de dichtstbijzijnde spoorlijn Utrecht-Amsterdam. Onderzoek naar spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Westbroekse Binnenweg waar een snelheidsregime van 60 km/uur geldt is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (9 maart 2021, Peutz bv, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van nieuw te realiseren woningen ten hoogste 53 dB bedraagt ter plaatse van de voorgevel van de voorste twee woningen in het plangebied. Ook ter plaatse van een deel van de noordwestelijke zijgevels van deze woningen is sprake van een geluidbelasting hoger dan 48 dB (tot 50 dB).
Ter plaatse van de overige gevels en ter plaatse van de twee achterste woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Maatregelen teneinde de geluidbelasting terug te brengen zijn mogelijk aan de bron, in de overdracht en bij de ontvanger. Het lijkt in voorliggende situatie niet reëel om maatregelen aan de bron te treffen (bijvoorbeeld door het wegdek aan te passen), maatregelen in de overdracht (bijvoorbeeld het plaatsen van geluidschermen) zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst. Ook maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld het verder van de weg af positioneren van de woningen) heeft vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet de voorkeur. Voor de optredende geluidbelasting kan een hogere waarde worden verleend. Er wordt voldaan aan de voorwaarden die het gemeentelijk geluidbeleid hieraan stelt; zo beschikt iedere woning over een geluidluwe zijde, waaraan meerdere verblijfsruimten gesitueerd kunnen worden, en is sprake van een geluidluwe buitenruimte. Er bestaan inzake geluid dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de planvorming. Wel dient een hogere waarde verleend te worden voor de twee nabij de weg gelegen woningen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen met betrekking tot de planvorming. Wel dient een hogere waarde verleend te worden voor de twee nabij de weg gelegen woningen.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten
30
die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.
Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De realisatie van 4 woningen en het zonneveld kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2018 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18,9 μg/m³, 11,7 μg/m³ en 17,0 µg/m³.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. De WHO en GGD hanteren advieswaarden van 20 µg/m³ voor fijnstof PM10 en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5, die lager liggen dan de wettelijke grenswaarden. Als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- een leefklimaat. Op de planlocatie wordt de advieswaarden voor fijnstof PM10 gehaald. Door het schoner worden van de autotechniek zal in de toekomst ook worden voldaan aan de advieswaarde voor fijnstof PM 2,5. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt, gezien het voorgaande, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
31
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Aan de hand van de bestemmingsplannen 'Maarsseveense Plassen e.o.' en 'Landelijk Gebied Maarssen' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Het plangebied bevindt zich aan het bebouwingslint van de Westbroekse Binnenweg waar verschillende functies als wonen, (agrarische) bedrijvigheid, en recreatie te vinden zijn. Hiermee kan het plangebied aangemerkt worden als 'gemengd gebied' en kunnen de richtafstanden uit de VNG-brochure met één afstandstap worden verminderd. In de navolgende tabel staat een overzicht van de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven. Activiteit/bedrijf
Adres
SBI-2008
Milieucategorie
Richtafstand in gemengd gebied (m)
Hoveniersbedrijf
Westbroekse Binnenweg 86c Westbroekse Binnenweg 86a Achter de Westbroekseweg Binnenweg 82 Westbroekse Binnenweg 94
016
3.1
30
Afstand tot het plangebied (m) 43
451, 452, 454 5552, 553
2
10
96
3.1
30
130
0141, 0142
3.2
50
150
Camperdealer Recreatiewoning en Fokken en houden van rundvee
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er wordt voldaan aan de richtafstanden tussen het plangebied en de milieubelastende activiteiten in de omgeving. Voor het hoveniersbedrijf aan de Westbroekse Binnenweg 86c geldt dat de nieuwe woningen alsnog belemmerend kunnen zijn voor bijvoorbeeld toekomstige uitbreidingen. Echter ligt de woning aan de Westbroekse Binnenweg 86d in de huidige situatie al op een kortere afstand van 25 m. Deze woning is bepalend voor het hoveniersbedrijf, waardoor het voorliggende plan geen belemmeringen veroorzaakt. Voor zonnevelden geldt geen standaard richtafstand volgens de VNG-publicatie. De zonnepanelen zelf produceren geen geluid. Echter kunnen de omvormers en schakelstations laagfrequent geluid produceren.
32
Dit geluid kan door muren en ramen heen dringen. De Omgevingsdienst Regio Utrecht adviseert een richtafstand van 30 m. Daarnaast produceren transformatorstations geluid. Voor transformatorstations gelden verschillende richtafstanden die afhankelijk zijn van het vermogen. De navolgende tabel toont de richtafstanden voor transformatorstations.
Omdat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied (agrarische lintbebouwing) kunnen de afstanden met één afstandsstap worden verlaagd. De afstand tussen de dichtstbijzijnde burgerwoning en de zonnevelden bedraagt minimaal 65 meter. De twee beoogde zonnevelden hebben een oppervlakte van in totaal 1,6 ha. De zonnevelden worden aangesloten op de bestaande transformator met een aansluitcapaciteit van 1750 kVA op noordwestelijke hoek van het perceel. Daarmee bedraagt het transformatorvermogen minder dan 10 MVA en geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De omliggende woningen zullen dan ook geen (geluids)hinder ondervinden vanwege het zonneveld. Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect bedrijven en milieuzonering en het plan uitvoerbaar is.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
33
Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.
Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.
Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
34
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart externe veiligheid, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)
Transportroute voor gevaarlijke stoffen over weg Het plangebied is gelegen op een afstand van 1,9 km van de basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (N230). Deze basisnetroute is aangewezen als gevaarlijke stoffenroute van LF1 en LF2 (brandbare vloeistof categorie 1 en 2) en GF3 (giftig gas). De gemeente Stichtse Vecht heeft bepaald dat transport van bepaalde soorten gevaarlijke stoffen zoals propaan, LPG en grote hoeveelheden vuurwerk alleen binnen de gemeente Stichtse Vecht plaats mag vinden als de bestemming aan de vastgestelde route ligt. Transporten buiten deze route om zijn alleen toegestaan als daarvoor ontheffing is verleend en de bestemming in de gemeente Stichtse Vecht ligt. Doorgaand verkeer van en naar andere gemeenten wordt daarmee in principe niet toegestaan. Daardoor is (ook op de N230) uitsluitend bestemmingsverkeer toegestaan. Hierdoor nemen de risico’s sterk af. Deze route loopt onder meer via de afslag Sweserengseweg. Het plangebied is niet direct gelegen aan deze route. Verder is het, gezien de ruime afstand tot de N230 en het feit dat op een vele malen kleinere afstand tot de N230 woningen gesitueerd zijn, vrijwel uitgesloten dat het voorgenomen plan resulteert in een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie.
Transportroute voor gevaarlijke stoffen over water Het plangebied ligt op ongeveer 3 km afstand van het Amsterdam-Rijnkanaal. Over dit kanaal vindt structureel en grootschalig transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het Basisnet Water kent een maximale risicolijn van 2,5 m uit de oever. Het plan ligt ruim buiten deze afstand en is niet in strijd met de normstelling voor het plaatsgebonden risico. Voorts dient, met de inwerkingtreding van het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev), rekening worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied.
35
Hiervoor geldt een afstand van 25 m uit de oever van het kanaal, waar het plangebied ruim buiten ligt. Het groepsrisico moet worden beoordeeld tot op een afstand van 200 m van het (midden van het) kanaal. Ook hier valt het plangebied ruim buiten. Transportroute voor gevaarlijke stoffen over spoor De afstand tot de spoorlijn Utrecht-Amsterdam, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is circa 3,3 km. Het plaatsgebonden risicoplafond van deze transportroute bedraagt 0 m. Het groepsrisicoplafond 10-7 en 10-8 bedraagt respectievelijk 15,0 m en 145,0 m. Het plangebied bevindt zich op grotere afstand. Verantwoording van het groepsrisico De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Utrecht-Amsterdam (3,3 km afstand). Vanwege het transport van toxische vloeistoffen hebben deze transportroutes een invloedsgebied van meer dan 4.000 m. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig, omdat de afstand tot deze transportroutes meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art. 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art. 7). Bij een incident met toxische stoffen kan een giftige gaswolk ontstaan die de planlocatie kan bereiken.
Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende. Bij een incident met een LPG-tankwagen op de A2 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de realisatie van het plan. De hulpdiensten kunnen het gebied en/of locatie via lokale wegen bereiken om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid te brengen via de Westbroekse binnenweg, mits tijdig gewaarschuwd. Buisleidingen Ten oosten van het plangebied is een aardgastransportleiding van Gasunie (W-500-01) gelegen. De afstand tussen het plangebied en de aardgastransportleiding bedraagt ca. 420 m. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het groepsrisico. Een berekening en verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn wat betreft externe veiligheid.
4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In of nabij het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. Tevens is het plangebied geen onderdeel van een beschermd dorpsgezicht. Het plangebied bevindt zich in een veenweidegebied met een oostelijke cope-verkaveling. Met de sloop van de kassen en de herontwikkeling van het plangebied wordt de oorspronkelijke verkaveling teruggebracht. Vanwege de ligging in binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie is een Heritage Impact Assesment (HIA) uitgevoerd (26 februari 2020, Land-id Arnhem, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). De locatie heeft raakvlakken met een tweetal attributen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie:
36
•
De locatie ligt in zijn geheel in inundatiekom II benoorden de Lek. Kenmerkend aan de inundatiekom is het open en natte karakter, passend bij het landschap van de veenontginningen (zie paragraaf 2.2), en oorspronkelijk was het de intentie om de kom te inunderen bij dreigend gevaar.
•
De locatie ligt gedeeltelijk binnen de buitenste verboden kring van fort De Gagel. In de buitenste verboden kring mag volgens de oorspronkelijke regels alleen de eerste meter van steen worden gebouwd. Daarboven moet alles in hout uitgevoerd, zodat in het geval van dreigend gevaar de bebouwing snel weg kon worden gebrand.
Daarnaast is het landschap van cultuurhistorische waarde. Het landschap waarin de locatie zich bevindt is een veenlandschap, onderdeel van de Oostvechtse ontginningen. Karakteristieken van dit landschap zijn:
• •
Een open en weids landschap met een nat karakter;
• •
Lange, smalle strokenverkaveling met grasland en daartussen sloten; Plassen en petgaten met daaromheen meer beslotenheid door (broek)bossen.
Bewoning in lange rechte linten, van waaruit de opstrekkende ontginning van het veenlandschap is begonnen;
De Westbroekse Binnenweg is een lage kade, van waaruit de opstrekkende ontginning van het veen is doorgezet. Door de jaren heen is het bebouwingslint door ontginning ontstaan. Het lint is nu een mix van diverse typen bebouwing. In een gesprek, met de opdrachtgever en de ontwerper, is een ontwerp van de ontwikkeling besproken. Hieruit zijn oplossingsrichtingen om de negatieve effecten op de kernkwaliteiten te minimaliseren en zelfs te verbeteren naar voren gekomen. Aandachtspunten die naar voren kwamen waren:
•
Vanwege het negatieve effect van de woningen op de verboden kring en het inundatiegebied is het wenselijk om hier mitigerende maatregelen toe te passen om zo het effect te verminderen.
•
Bij de uitwerking van het zonneveld dient er gelet te worden op de opstelling en richting van de panelen en het effect hiervan op de polderstructuur.
Het ontwerp is naderhand aangepast. De inrichting van de kavel sluit aan bij de structuur van het landschap, door de strokenverkaveling en het slotenpatroon te volgen, met doorzicht vanaf het lint. De woningen zijn meer naar voren op de kavel gepositioneerd. De gebouwen vormen nu twee ensembles passend in de structuur van het lint, met elk een eigen aansluiting op de weg. Op het achterste deel van de woonkavel is nu ruimte voor boomgaarden. Binnen de kavel voor het zonneveld is meer ruimte gecreëerd voor natuurvriendelijke oevers met rietkragen. Conclusie Door het verplaatsen van de woningen richting de weg blijft de verboden kring rond fort de Gagel onbebouwd. Door twee clusters van woningen te maken, vindt er minder verstoring van de openheid van het landschap plaats en sluiten de woningen beter aan op de structuur van het lint. Door tussen de zonnepanelen een sloot aan te leggen wordt een voormalige sloot hersteld. Het sluit aan bij de structuur van het landschap, het lint en het natte karakter van het gebied. De woningen hebben een gering negatief effect op de openheid van de inundatiekom. De transformatie van kas naar zonneveld heeft een positief effect. Het zicht over de inundatiekom wordt versterkt, doordat het zonneveld onder ooghoogte blijft en er een voormalige sloot wordt teruggebracht. Hiermee versterkt ook de structuur van de inundatiekom.
De authenticiteit van de inundatiekom wordt gering aangetast door de bouw van woningen, doordat de openheid afneemt. Omdat de woningen in de structuur van het lint blijven, is de impact hiervan beperkt. Het vervangen van de kas door een laag zonneveld heeft vooral een positief effect op de linie. Hierdoor versterkt de openheid. Door het herstellen van een voormalige sloot en door de andere sloten te voorzien van een natuurlijke oever neemt het natte karakter van de inundatiekom iets toe.
37
Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet aangetast wordt. Ook andere cultuurhistorische elementen worden niet negatief beïnvloed met de beoogde ontwikkeling. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmeringen.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk beleid De gemeente Stichtse Vecht heeft haar archeologische beleid vastgelegd in de Archeologische (verwachtings-)waardenkaart en beleidskaart d.d. 21 augustus 2017. Planspecifiek In het plangebied geldt een variabele archeologische verwachting. Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (11 maart 2020, Bureau voor Archeologie, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Hollands-Utrechts veengebied’. In het Paleolithicum tot en met het Neolithicum bevindt zich dekzand aan het oppervlak en is het plangebied bewoonbaar. Vanaf de Bronstijd gaat zich veen vormen en is het plangebied niet aantrekkelijk voor bewoning. Het veengebied is vanaf de Late Middeleeuwen (1000 – 1500 n. Chr.) ontgonnen. De Westbroekse Binnenweg is waarschijnlijk geen ontginningsas. Er zijn geen aanwijzingen voor bewoning uit deze Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Uit milieukundige en bodemkundige boringen die eerder in het plangebied zijn gezet blijkt dat de zanddiepte in het plangebied sterk varieert. Deze ligt tussen 50 en 160 cm -mv in het noordoostelijk deel en tussen 70 en 110 cm -mv in het zuidwestelijk deel. In het noordwesten is in de top van het dekzand nog een (deels) intacte podzolbodem aanwezig. Ter plaatse van dekzandopduikingen kunnen archeologische waarden uit het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum voorkomen. Indien de bodemingrepen dieper reiken dan 50 cm -mv in met name het noordoostelijk deel kunnen archeologische waarden worden verstoord.
Geadviseerd wordt om in het plangebied ontgravingen dieper dan 50 cm -mv te vermijden en om de omvang van de funderingspalen te beperken tot maximaal 2% van het plangebied. Om aanleg van de lengtesloot te realiseren zonder archeologische waarden te verstoren, wordt aanbevolen de juiste ligging van de sloot beter te bepalen. Indien het niet mogelijk is om graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm te vermijden en de woningen archeologie vriendelijk te funderen, en de lengtesloot goed te reconstrueren, wordt geadviseerd om een archeologisch booronderzoek uit te voeren op die plaatsen waar de bodemingrepen zijn voorzien. De woningen zullen worden gefundeerd op palen en balken. Daarnaast worden er geen kelders aangelegd. Het bouwpeil komt op minimaal 30 cm boven de kruin van de weg (kruin van de weg is ca. 0 m NAP). De diepte van de balkenfundering is nog niet bekend, maar zal naar verwachting niet dieper dan 40 à 50 cm onder het huidige maaiveld komen. Tevens is de verstoringsdiepte ter plaatse van de zonneweide
38
nog niet bekend. Waarschijnlijk zal deze zich beperken tot het verwijderen van de teellaag. Ook is de verstoringsdiepte voor het aanleggen van de sloten nog niet bekend. Ter bescherming van de mogelijk aanwezig archeologische waarden is in het voorliggende bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt, mits voldaan wordt aan de hiervoor genoemde adviezen.
4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er is voor de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (10 april 2020, Eelerwoude, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Uit de quickscan zijn de volgende bevindingen, conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen. Beschermde soorten De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies aan leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Hoewel de watergangen matig geschikt zijn voor de heikikker, is er een veldbezoek geweest in het vroege voorjaar om een goed beeld te krijgen van de heikikker in de directe omgeving van het plangebied (10 april 2020, Elerwoude, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Hieruit is gebleken dat de heikikker in de omgeving voor komt. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen roepende dieren gehoord of exemplaren gezien. Ook zijn er geen eiklompen in de sloten binnen en rondom het plangebied aangetroffen. Gezien deze uitgangssituatie wordt uitgesloten dat het plangebied essentieel onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de heikikker.
Nader onderzoek naar heikikker of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Bij werkzaamheden dient conform de algemene zorgplicht rekening gehouden te worden met nesten van vogels. Om het plangebied aantrekkelijk en geschikt te houden voor nachtactieve soorten wordt aanbevolen rekening te houden met het plaatsen van verlichting. Bijvoorbeeld door uitstraling van verlichting te voorkomen en alleen verlichting aan te hebben wanneer nodig. Om het plangebied niet aantrekkelijk te maken voor rugstreeppad en om vestiging van de soort te voorkomen, wordt aanbevolen het plangebied vrij van bouwmateriaal en zandberging te houden, het rijden
39
van sporen te voorkomen en het schonen van de aanliggende watergangen via de aangrenzende buurpercelen uit te voeren. Beschermde gebieden Het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' ligt op een afstand van ca. 280 ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen zijn uit te sluiten. Negatieve effecten op de kwalificerende habitatsoorten zijn uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied ter plaatse van de werkzaamheden. Ook voorde kwalificerende broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten zijn negatieve effecten uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied ter plaatse van de werkzaamheden. Houtopstanden Een nadere toetsing van houtopstanden is niet noodzakelijk. Ondanks dat er één boom in het plangebied aanwezig is, is de boom solitair en geen onderdeel van een rijbeplanting of bosschage van minimaal 10 are. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.
De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van januari 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase gepaard met uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (1 juni 2021, Eelerwoude, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Uit de AERIUS-berekeningen komen de volgende conclusies naar voren:
•
De werkzaamheden, gepland in 2022, benodigd voor de sloop van de kassen en bouw van de vier woningen hebben een stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/jaar tot gevolg;
•
De werkzaamheden benodigd voor de realisatie en van het zonnepark, de landschappelijke inpassing en het bewonen van de woningen, gepland in 2023, hebben ook een stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jaar tot gevolg;
•
Voor een tijdelijke depositie van projecten korter dan 2 jaar is dit vergunningsvrij omdat dit niet als een significante depositie wordt gezien (bijlage 1); Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof is niet aan de orde voor de desbetreffende werkzaamheden, verspreid over twee kalenderjaren.
•
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
40
4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Beleid Waterschap Amstel Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied en 5.000 m² in het overige gebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van
41
oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. 4.10.3 Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft als beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk en meer dan 5.000 m² aan verharding in het overige gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden met het toevoegen van oppervlaktewater. Met voorliggend plan wordt ca. 17.500 m² aan kassen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 4 woningen teruggebouwd en een zonneveld van ca. 16.000 m² gerealiseerd. Het hemelwater kan langs de zonnepanelen de bodem bereiken, waardoor de panelen niet gezien worden als verharding. Met enkel de verharding van de 4 woningen vindt er geen toename van meer dan 5.000 m² plaats. Het plan voorziet wel in de aanleg van extra water.
In de planopzet is er in voorzien de oude sloten structuur te herstellen. Het plan voorziet daarmee in een extra bergend vermogen. Riolering en hemelwaterafvoer De afvoer van afval- en hemelwater wordt ontkoppeld. Het afvalwater wordt aangesloten en afgevoerd via het gemeentelijk riool. Hemelwater infiltreert in de bodem of wordt via de bestaande sloten afgevoerd. De wijze waarop de afvoer van hemelwater uitgevoerd wordt, zal in het vervolg verder uitgewerkt worden. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een waterkering waar met het plan rekening gehouden dient te worden. Overleg Op 24 juni 2020 heeft een overleg plaatsgevonden met de heer Van den Boer van Waternet / Amstel Gooi en Vechtstreek. In dit overleg is besproken wat mogelijk/gewenst is met betrekking tot de herontwikkeling van het gehele perceel. Besproken is:
•
de milieutechnische kwaliteit van de bodem onder de kas, indien de bestaande bodem/verharding gehandhaafd zou blijven om daar de PV-panelen op te plaatsen is het van belang dat deze ondergrond water doorlatend is en de onderliggende bodem niet vervuild is.
• • • •
waarmogelijk oevers natuurvriendelijk aan te leggen nieuw te graven water voldoende diepte te geven t.b.v. een goede waterkwaliteit bruggen zo uit te voeren dat vanaf een bootje of vlet water schoongehouden kan worden struiken en bomen op enige afstand van sloten en vijver aanplanten om bladval in het water te voorkomen
In de verdere planvorming wordt rekening gehouden met deze aandachtspunten. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
42
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van de verkeersgeneratie vanwege het beoogde plan te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. In de toekomstige situatie worden in totaal 4 vrijstaande woningen gerealiseerd.