CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Nota Zienswijzen Herbouw Schapenstal.pdf

Raad 1 juli 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 21: Weigering omgevingsvergunning en weigering vvgb herbouw schapenstal2.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota zienswijzen Herbouw Schapenstal, Otterspoorbroek 5-6, Breukelen d.d. 3 maart 2025 Op 8 mei 2023 is een aanvraag omgevingsvergunning (zie bijlage 2) binnengekomen bij de gemeente voor de herbouw van een schapenstal. Deze is ingediend na een handhavingscontrole door de handhaver van de gemeente. Tijdens de toetsing van deze aanvraag kwam naar voren dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Hierop is op 30 juni 2023 (zie bijlage 8) een brief naar de initiatiefnemer verstuurd met kennisgeving van de uitgebreide procedure. Het ontwerp weigeringsbeschikking is op 23 december 2024 gepubliceerd in het gemeenteblad en is verzonden naar de aanvrager. Het ontwerp heeft met de bijbehorende stukken overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vanaf 31 december 2024 tot en met 11 februari 2025 ter inzage gelegen. Gedurende de periode van ter inzage leggingen is er één zienswijze binnengekomen. Reclamant 1 Erven W.J.J. van der Horst Brief d.d. 5 februari 2025 ontvangen op 6 februari 2025 Maarssenbroeksedijk Oost 36a 3603 EB Maarssen

1. Ontvankelijkheid

De zienswijze is tijdig ingediend en is daarmee ontvankelijk.

2. Zienswijzen 2.1 Reclamant stelt dat de gemeente hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om de maatvoering van de stukken te corrigeren In uw zienswijze stelt u dat er wel berichtgeving naar u is verstuurd met de informatie dat de aangeleverde stukken strijdig zijn. In geval van strijdigheid had de aanvraag buiten behandeling gelaten moeten worden of de gemeente had u in de gelegenheid moeten stellen de aanvraag inhoudelijk te corrigeren (artikel 4.5 resp. 4.15 Awb). Volgens u heeft de gemeente dit verzuimd en neemt de gemeente nu een ontwerpbeschikking op feitelijk ontbrekende/tegenstrijdige grootheden genomen. Reactie gemeente: Op 7 juli 2023 is een brief (zie bijlage 9)naar de aanvrager gestuurd waarin staat dat de aanvraag op dat moment niet voldoet aan de landelijke vereisten. Hieronder is een lijst van de aan te leveren gegevens genoemd. Vervolgens is op 13 augustus 2024 (zie bijlage 13) een brief naar de aanvrager gestuurd met de mededeling dat de aanvraag niet volledig is en is er een lijst meegestuurd met de ontbrekende gegevens. Het overgrote deel van deze gegevens betreffen tekeningen met maatvoering. Tenslotte is op 23 september 2024 (zie bijlage 19) een mail gestuurd naar de aanvrager met verzoek om ontbrekende gegevens. De beoordeling van de aanvraag is gebaseerd op de tekeningen nieuwe situatie van 19 april 2019.

De maatvoering op de tekening komen niet overeen met de bestaande situatie. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit. Er zijn op drie momenten gevraagd om aanvullende gegevens. Hiermee is er voldoende gelegenheid gegeven aan de aanvrager om de juiste gegevens aan te leveren. 2.2 Reclamant stelt dat de gemeente onjuiste conclusie trekt uit het formulier bedrijfsgegevens

U geeft aan dat de gemeente onjuist concludeert als zij aangeeft dat er in de voorbije drie jaar ter plaatse geen lammeren zijn geboren en daarmee de aflamstal niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. U stelt dat de bedrijfsvoering sterk wisselend is en daarmee ook “te kort door de bocht” om te concluderen dat de stal geen onderdeel zou moeten zijn van de bedrijfsvoering. Reactie gemeente: In het advies van de ODRU van 17 november 2023 (zie bijlage 11) is voor het onderdeel m.e.r aangegeven dat in de ruimtelijke onderbouwing aangevuld moet worden waarom er al dan niet sprake is van een installatie voor het houden van dieren zoals bedoeld in Besluit m.e.r. (categorie D14). Deze gaat over het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Gezien de omvang van het aantal schapen (100-200) is hier zeer waarschijnlijk sprake van. Het aantal te houden schapen overschrijdt namelijk de drempelwaarde van 51 schapen zoals opgenomen in artikel 2.2a, eerste lid, onder d, van het Besluit omgevingsrecht. Deze drempelwaarde (met betrekking tot de omgevingsvergunningplicht zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo, ook bekend als ‘OBM’) kan tevens gehanteerd worden als drempelwaarde bij de vraag of er sprake is van ‘intensieve veehouderij’ zoals bedoeld in de Europese m.e.r.-richtlijn.

Als er sprake is van categorie D14, dan moet de aanvraag zijn vergezeld met een aanmeldingsnotitie waarop een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit zal moeten worden genomen voordat op de omgevingsvergunningaanvraag kan worden beslist. In dit geval gaat het om een stal waarvoor in 1982 een vergunning is verleend voor een ‘kraamstal ten behoeve van schapen’. (zie bijlage1 ) Uit de gegevens blijkt dat er in de afgelopen drie jaar geen lammeren zijn geboren (zie bijlage 20). U geeft aan dat er sprake is van een wisselende bedrijfsvoering. Wat wordt verstaan onder wisselende bedrijfsvoering? In de wetgeving is hier geen rekening mee gehouden, hiermee is het niet mogelijk een vergunning voor te verlenen. Er is ook in de ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage 4) geen sprake van een sterk wisselend bedrijfsvoering. In de onderbouwing staat: “Het perceel wordt gebruikt voor het weiden van schapen. Het gaat daarbij wisselend om tussen 10 en de 100 schapen, voor offerfeest soms 200 stuks.” De RVO lijst bedrijfsregister I en R voor schapen bevestigd deze aantallen (zie bijlage 22). Op basis van het advies van de ODRU (zie bijlage 7) gebaseerd op jurisprudentie wordt het houden van 50-60 schapen als bedrijfsmatige activiteit gezien.

Hieruit komt naar voren dat de stal niet hobbymatig gebruikt wordt en ook niet voor het aflammeren en daarom is de vergunning uit 1982 niet meer van toepassing. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het besluit. De percelen worden gebruikt voor het weiden van schapen afwisselend tussen de 10 en 100 schapen en voor het offerfeest soms 200 stuks. De bedrijfsvoering is niet gericht op het aflammeren waarvoor de vergunning is bedoeld. Er is geen sterk wisselende bedrijfsvoering. 2.3 Reclamant stelt dat het bekend is dat er geen bouwvlak aanwezig is. U geeft aan dat er geen bouwvlak aanwezig is en dat dit al bekend was bij een vorig bestemmingsplan. Uw mening is dat hiermee het overgangsrecht van toepassing is, temeer de bestaande stal voor ouderdom is bezweken. U geeft aan dat deze bezweken stal door u is gesloopt en herbouwd. U wil derhalve gebruik maken van de calamiteitenregeling. Reactie gemeente: Er is dit geval geen sprake een calamiteitenregeling. De calamiteitenregeling gaat uit van een situatie waarbij een gebouw door brand, storm, overstroming of dergelijke onbruikbaar is geworden.1

zie link: Herbouw na calamiteit: de uitleg en toepassing van het ongeschreven calamiteitenrecht door de Afdeling | Nysingh advocaten en notarissen 1

Als de eigenaar van het gebouw wil herbouwen op dezelfde locatie, dan moet het passen binnen het geldende bestemmingsplan. Het kan gebeuren dat het beoogde gebruik van het gebouw in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat het nieuwbouwplan wel voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. In die situatie is het overgangsrecht bij calamiteiten van toepassing, het zogenaamde calamiteitenrecht. Echter ook bij calamiteitenrecht dient de herbouw qua aan de oppervlak, aard en omvang gelijk te zijn aan de verloren gegane bebouwing. Er is ten eerste niet aangetoond dat de stal door een calamiteit is bezweken. Ten tweede is de nieuwe stal 2,7 keer groter dan de vergunde stal, namelijk 51m2 tegenover 23,7m2 ( zie bijlage 5 en bijlage 21). Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het besluit. In dit geval kan er geen gebruik worden gemaakt van de calamiteitenregeling aangezien de stal niet door een calamiteit is beschadigd. 2.4 Reclamant stelt dat de hij niet bekend is met het advies van de landschapsdeskundige U geeft aan dat de gemeente het advies van een landschapsdeskundige heeft meegewogen bij de beslissing. U kent dit advies niet want het was niet bij de stukken toegevoegd. Dit ziet u als een gebrek aan het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. U geeft aan dat u alsnog over dit advies wil beschikken en in gesprek wil.

Reactie gemeente: Het inwinnen van een landschapsdeskundige is verplicht voor deze locatie. In het bestemmingsplan ligt hier enkelbestemming Agrarische met waarde, dubbelbestemming waarde Cultuurhistorie, landschap en natuur (zie bijlage 6). Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. het behoud, herstel, beheer en de versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden, natuur- en landschapswaarden in de vorm van bebouwde en onbebouwde structuren, elementen, systemen, patronen en zichtlijnen. Dit vormt het uitgangspunt voor een uitvraag voor advies van een landschapsdeskundige. Dit advies treft u bijgesloten bij deze zienswijze in bijlage 16. Hiermee voldoet het besluit aan het motiveringsbeginsel artikel 3.46 Awb. Bovendien voldoet het besluit aan het zorgvuldigheidsbeginsel artikel 3:2 Awb. Er zijn bij de voorbereiding van het besluit immers van verschillende instanties adviezen ingewonnen waaronder de NVWA, de Omgevingsdienst Utrecht, bouwtechnische adviesbureau, de provincie. Conclusie: Er zijn voldoende adviezen van externe partijen om de voldoen aan het motviering- en zorgvuldigheidsbeginsel. 2.5 Reclamant stelt dat de gemeente ten onrechte de ruimtelijke procedure en het bouwproces onlosmakelijk met elkaar verbindt.

U stelt dat de gemeente de ruimtelijke procedure verbindt aan het bouwproces vanwege de onlosmakelijke samenhang. De gemeente is voornemens beide planfacetten te weigeren. U geeft aan dat het advies van de constructeur van 14 oktober 2024 ontbreekt, u alsnog dit advies wilt ontvangen en hierover in gesprek wilt. In bijlage 18 is het advies van het bouwtechnische bureau van 14 oktober 2024 opgenomen. Reactie gemeente:

In deze situatie waarbij er herbouw is gepleegd in afwijking van het bestemmingsplan, is bij toetsing deze onlosmakelijke samenhang tussen ruimtelijke procedure en bouwproces een logische beoordeling. Het is niet mogelijk de ruimtelijk inpassing te toetsen zonder daarbij het bouwproces te toetsen aangezien deze beide in het geding zijn. Conclusie: De schapenstal is al gerealiseerd zonder vergunning. Daardoor is de ruimtelijke procedure onlosmakelijk verbonden met het bouwproces. 2.6 Reclamant stelt dat de Provinciale omgevingsverordening niet van toepassing is. U schrijft dat in uw optiek de verordening pas in werking is getreden met de inwerkingtreding van de omgevingswet. Hiermee behoort de gemeente de aanvraag te toetsen aan het beleid dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Reactie gemeente: De Interim omgevingsverordening provincie Utrecht is van kracht van 10 maart 2021 tot 1 januari 2024. De datum van aanvraag was 8 mei 2023. Hiermee dient de aanvraag getoetst te worden aan de Interim omgevingsverordening. De inhoud van de twee beleidsdocumenten komen met elkaar overeen. De provincie (zie bijlage 15) schrijft “Het opnemen van een bouwvlak/bouwperceel is in strijd met de Omgevingsverordening die geen nieuwe bouwpercelen/nieuwvestiging toelaat.

Dat er een vergunning was verleend voor de bouw van een kleine stal, maakt dat niet anders.” Dit is terug te vinden op artikel 8.1 vierde lid toelichting van de Interim omgevingsverordening provincie Utrecht. Dit komt overeen met artikel 8.1 van de Omgevingsverordening. Conclusie: De Provinciale omgevingsverordening is niet van toepassing, maar de Interim omgevingsverordening is wel van toepassing. De inhoud van de twee verordeningen komen overeen voor wat betref het opnemen van een bouwvlak op een locatie waar geen bouwvlak wordt toegestaan. 2.7 Reclamant stelt dat het voorgenomen ontwerp besluit tot weigering in strijd is met de motivering vanwege het advies van een landschapsdeskundige. U merkt op dat het voorgenomen ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor wat betreft de verharding (artikel 2.11 Wabo) tegenstrijdig is met de motivering. Uit de motivering blijkt namelijk dat een ‘schriftelijke advies van een deskundige” zou hebben aangetoond dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad en er geen feiten of omstandigheden bekend zijn die maken dat de gemeente dit advies niet zou kunnen overnemen. Reactie gemeente: In het ontwerp weigeringsbesluit omgevingsvergunning is de motivering voor de activiteit werk of werkzaamheden uitvoeren opgenomen.

Hieruit blijkt dat een advies van de deskundige aantoont dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad door de verharding in de vorm van de brug en het pad. In het cultuurhistorisch advies van 25 september 2024 (zie bijlage 16) staat dat er geen natuurwaarden in het plangebied is. Vervolgens is het advies van de provincie (zie bijlage 15) meegenomen. Hierin staat dat het verbreden en verharden van de brug en pad dient om de agrarische vervoer veilig te kunnen laten verlopen. Zo staat het immers in de ruimtelijke onderbouwing. De agrarische vervoer is ter discussie aangezien de stal vergund is voor een hobbymatig activiteit en het huidige gebruik is voor bedrijfsmatig gebruik. Bovendien is het beleid van de provincie gericht op het beperken van verstedelijking in landelijk gebied. De nadruk is om de groenblauwe kwaliteiten te bewaren en de landschappen te sparen. Daarom dient voor de verbreding van de brug en het pad een vergunning bij de provincie te worden aangevraagd. Dat viel in het verleden

onder de Landschapsverordening en nu valt het onder de Provinciale Omgevingsverordening. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit. Er is geen natuurwaarden in het gebied die onevenredig wordt aangetast, maar de provincie is van mening dat de brug en pad gebruikt worden voor bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast is er in landelijke gebied de nadruk op groenblauwe kwaliteiten bewaren en het landschap te sparen. Het advies van de provincie is meegenomen in de beoordeling van de aanvraag. 2.8 Reclamant verklaart dat er geen bezwaren zijn van omwonenden/eigenaren van omliggende percelen. U geeft aan dat er geen bezwaren van omwonenden/eigenaren van omliggende percelen zijn tegen de geplaatste schapenstal Reactie gemeente: De aanvraag is behandeld en getoetst aan het geldend beleid onder de Wabo. Onder de Wabo zijn er geen participatievereisten. Bij het toetsen van deze aanvraag is geen participatietraject voor opgenomen in de procedureregels. De gemeente heeft de informatie over geen bezwaren van omwonenden ter kennisgeving meegenomen. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit. De omwonenden/eigenaren van de omliggende percelen hebben geen bezwaren geuit. Onder de Wabo is dit geen toetsingscriterium waardoor het als ter kennisgeving is meegenomen.

2.9 Reclamant neemt aan dat “last onder dwangsom” is gestaakt U vraagt zich af of de handhavingstraject waaruit de “last onder dwangsom” voort is gekomen, is gestaakt met deze aanvraag omgevingsvergunning. Reactie gemeente: Vanuit de juridische afdeling van de gemeente is er op 19 januari 2014 een brief naar u verstuurd met daarin de datum 23 mei 2023. Het handhavingstraject staat geheel los van de beoordeling of wel of geen medewerking kan worden verleend aan een aanvraag omgevingsvergunning. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit. Voor de “last onder dwangsom” krijgt u berichtgeving vanuit de juridische afdeling van de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2871/documents/59817