Bijlage 1 Nota waardering en afschrijving vaste activa 2026.pdf
Tekst van het document
Nota Waardering en Afschrijving Vaste Activa 2026
Door de raad vastgesteld op 16 december 2025
Inhoudsopgave Voorwoord................................................................................................................................................... 3 1
2
3
Inleiding ............................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................... 5
1.2
Doel van de nota ......................................................................................................................... 5
1.3
Wettelijk kader ............................................................................................................................ 5
Uitgangspunten .................................................................................................................................... 5 2.1
Investeringsbeleid ....................................................................................................................... 5
2.2
Activeringsbeleid ......................................................................................................................... 5
2.3
Waarderingsbeleid ...................................................................................................................... 6
2.4
Onderhoudsbeleid ....................................................................................................................... 6
2.5
Afschrijvings- en rentebeleid ....................................................................................................... 6
2.6
Procedures .................................................................................................................................. 6
Investeringsbeleid ................................................................................................................................ 7 3.1
4
5
Activering, waardering en onderhoud .................................................................................................. 7 4.1
Activering .................................................................................................................................... 7
4.2
Waardering................................................................................................................................ 10
4.3
BTW .......................................................................................................................................... 10
4.4
Duurzame waardevermindering van vaste activa ..................................................................... 10
4.5
Desinvestering activa ................................................................................................................ 10
4.6
Componentenbenadering .......................................................................................................... 10
4.7
Onderhoud materiële vaste activa ............................................................................................ 11
Afschrijving ........................................................................................................................................ 11 5.1
6
Investeringen............................................................................................................................... 7
Afschrijven................................................................................................................................. 11
Procedure investeringsbudget ........................................................................................................... 13 6.1
Aanvragen autorisatie van investeringen .................................................................................. 13
6.2
Onderbouwing aangevraagde investeringen ............................................................................ 15
6.3
Termijn beschikbaarheid investeringsbudgetten ....................................................................... 15
6.4
Voorbereidingsbudgetten .......................................................................................................... 15
6.5
Informatieverstrekking ............................................................................................................... 15
Bijlage 1 SV: afschrijvingstabel; afschrijvingstermijnen ............................................................................. 17 Bijlage 2 SV: overzicht kapitaalgoederen met componentenbenadering ................................................. 19 Bijlage 3 SV: begrippen............................................................................................................................. 20
2
Voorwoord Voor u ligt de herziene nota ‘waardering en afschrijving vaste activa’. Deze nota is een nadere uitwerking van het kader rondom investeringen zoals opgenomen in de financiële verordening ex. artikel 212 van de Gemeentewet. Deze nota vervangt de nota ‘waardering en afschrijving vaste activa gemeente Stichtse Vecht’, door de raad vastgesteld op 6 juli 2021. De doelstelling van deze nota is het formuleren van het beleid en vastlegging van de uniforme regels ten aanzien van investeringen. Ingevolge de financiële verordening dient de raad periodiek de regels vast te stellen met betrekking tot het waarderings- en afschrijvingsbeleid. Door recent genomen besluiten en de actualisatie van de financiële verordening in het kader van rechtmatigheid is het wenselijk om de beleidsnota over investeringen te actualiseren c.q. bevestigen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vastgestelde nota van 6 juli 2021 worden hieronder weergegeven. Vooral ten aanzien van de begrotingsregels en de procedures hebben wij de volgende uitgangspunten geactualiseerd: 1. Investeringskredieten worden vanaf 2026 investeringsbudgetten genoemd, om verwarring te voorkomen met wat in het dagelijks leven onder krediet doorgaans wordt verstaan. Hiermee sluiten we ook aan bij de terminologie van de BBV. 2.
Nieuwe of geactualiseerde investeringsbudgetten voor meerjarige projecten stelt de raad bij de begroting vast op totaalbudget per investering en niet op jaarschijf. De verwachte uitgaven per jaar worden wel verstrekt, maar zodoende niet meer afzonderlijk vastgesteld. De raad krijgt bij de begroting en andere P&C-producten wel inzicht in de meerjaren-investeringsplanning, in de voortgang en in de uitnutting van de investeringsbudgetten. 3. Budgetten voor vervangingsinvesteringen worden jaarlijks bij de begroting vastgesteld, waarbij de budgetten aansluiten op de onderliggende beheerplannen en hiermee een structureel karakter hebben. 4. Per 1-1-2025 worden de budgetten voor vervangingsinvesteringen voor wegen toegekend op het niveau van rompbudgetten. 5. Bij uitzonderlijk grote, meerjarige projecten (zoals IHP) wordt bij aanvang een voorbereidingsbudget aangevraagd en toegekend voor onderzoek. Een indicatie van het totaalbudget wordt in de investeringsplanning opgenomen als reservering (R). Per deelproject wordt separaat een investeringsbudget aangevraagd; de tot dan toe gerealiseerde voorbereidende kosten voor het betreffende deelproject worden toegerekend aan het beschikbaar gestelde investeringsbudget van dat deelproject. 6. Over de uitgaven van investeringsbudgetten en de inhoudelijke voortgang wordt gerapporteerd in de Bestuursrapportage en in de jaarrekening.
Bij afronding van een project wordt het resultaat van het totaalproject verantwoord. Bij meerjarige projecten is dat in het boekjaar waarin het project wordt opgeleverd; bij vervangingsinvesteringen wordt jaarlijks verantwoord over de gerealiseerde uitgaven en welke effecten dit mogelijk heeft op de planning voor de jaren erna. 7. Investeringsbudgetten worden jaarlijks bijgesteld door indexatie. 8. Investeringen moeten via de P&C documenten worden aangevraagd. Wanneer veiligheid in het algemeen en/of continuïteit van de bedrijfsvoering in het geding is, kan een separaat raadsvoorstel worden ingediend. Indien de situatie zich voordoet dat verplichtingen eerder moeten worden aangegaan dan het raadsbesluit genomen kan worden, dan kan het college bij bestaand beleid hiervan afwijken door: - De raad in de gelegenheid te stellen wensen en bedenkingen aan te geven met een verkorte procedure voorafgaand aan het collegebesluit, óf - Na het collegebesluit de raad actief te informeren via een raadsinformatiebrief óf - De raad, bij investeringen onder de € 200.000, achteraf te informeren via de Bestuursrapportage of jaarrekening. Verder ligt aan deze nota de notitie Materiële Vaste Activa van de commissie BBV van november 2019 ten grondslag. De nota is zodanig opgebouwd dat er per activum een toelichting wordt gegeven van de wettelijke regels.
De nota is als zodanig dan ook vooral informatief. De onderdelen van het activerings- en afschrijvingsbeleid waar de raad een keuze heeft in de kaderstelling zijn: 1. Afschrijvingstermijnen. Zie bijlage 1 voor de afschrijvingstermijnen. Wij hebben hieronder een nadere toelichting gegeven van de belangrijkste aanpassingen. 2. Afschrijvingsmethode. Wij continueren het beleid om investeringen in riolering af te schrijven 3
overeenkomstig de annuïteiten methode en de overige investeringen lineair af te schrijven. 3. Componentenmethode. Wij continueren het beleid dat de componentenbenadering wordt toegepast. De componentenbenadering wordt per 1-1-2025 ook toegepast voor wegen en per 1-1-2026 voor kunstwerken en riolering. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de kapitaalgoederen waarbij de componentenbenadering wordt toegepast. 4. Restwaarde. Wij continueren het beleid om geen restwaarde toe en schrijven af tot nihil. 5. Minimum bedrag van activeren. Wij contineren het beleid om investeringen onder de € 25.000 niet te activeren. Ad. 1 Actualisatie van afschrijvingstermijnen aan recente besluitvorming (bijlage 1) a. De afschrijvingstermijnen van telefooninstallaties, mobiele communicatiemiddelen en automatisering wordt verhoogd naar 5 jaar (waren 4, 3, respectievelijk 3 jaar). Hierdoor wordt er aangesloten op de economische levensduur. De resterende boekwaarde per 1 januari 2026 zal over de restantlevensduur van 5 jaar worden verdeeld. b. Investeringen in riolering wordt op grond van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van 8 maart 2022 afgeschreven in 60 jaar (was 40 jaar). Dit geldt ook voor nieuwe rioleringen bij slappe bodem. De resterende boekwaarde per 1 januari 2026 zal over de restantlevensduur van 60 jaar worden verdeeld in plaats van 40 jaar.
Bij aangelegde rioleringen bij slappe bodem waarbij geen extra maatregelen zijn getroffen, blijft de afschrijvingstermijn 40 jaar. De activasoorten voor riolering zijn uitgebreid. c. In het beheerplan wegen 2026-2030 wordt voor investeringen in wegen uitgegaan van een technische levensduur van 60 jaar voor de gehele weg, waarbij componenten eerder vervangen worden. d. De componentenmethode wordt ook toegepast voor de vervangingsinvesteringen wegen, civiele kunstwerken en riolering, waarbij er in principe aangesloten wordt bij het beheerplan. De activasoorten voor wegen, kunstwerken en riolering zijn hierdoor uitgebreid. e. Een aantal activasoorten zijn vervallen, omdat deze niet worden gebruikt of zijn samengevoegd. Dit betreft: i. Bekabeling – niet van toepassing ii. Programmatuur, zoals besturingssystemen, servers, netwerk, centrale opslagsystemen is ook niet van toepassing. Wij besteden dit uit of kiezen voor een cloudoplossing. iii. Archiefinstallaties – samengevoegd met installaties. iv. Stemmachines – niet van toepassing v. Wegen en rotondes: deze zijn opgenomen in de componenten wegen vi. Herinrichten wegen, voet- en fietspaden: deze zijn opgenomen in de componenten wegen f. Er is momenteel geen boekwaarde immateriële vaste activa. De noodzaak om investeringen als immateriële vaste activa te activeren zal situationeel worden bepaald binnen de kaders van het BBV. g.
Daarnaast zijn de criteria, waaronder verbouwingen kunnen worden geactiveerd nader toegelicht overeenkomstig eerdergenoemde notitie materiele vaste activa van de commissie BBV. h. De nieuwbouw van onderwijsgebouwen is een verantwoordelijkheid van de gemeente. Het onderhoud en de vervanging van de installaties is een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen (Besluitvorming kadernota 2024). De activasoort ‘gebouwen: scholen’ is toegevoegd, omdat de afschrijvingstermijn van 60 jaar anders is dan de afschrijvingstermijn van de activasoort ‘gebouwen’. i. De activasoort ‘vernieuwbouw scholen’ is toegevoegd, waarmee afhankelijk van het kwaliteitsniveau van de vernieuwbouw een afschrijvingstermijn wordt bepaald. j. De activasoort groen is uitgebreid met beplanting en bomen.
4
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
In het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) wordt in hoofdstuk 5, de artikelen 59 tot en met 65 ingegaan op de waardering, activering en afschrijving. Binnen de gemeente Stichtse Vecht is het noodzakelijk uitgangspunten vast te stellen voor de waardering en afschrijving van de vaste activa. Op grond van de financiële verordening gemeente Stichtse Vecht ex. artikel 212 van de Gemeentewet wordt door de raad bij verordening de uitgangspunten van het financieel beleid, het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie vastgesteld.
1.2
Doel van de nota
Het doel van deze nota is het formuleren van kaders, beleid en vastlegging van uniforme regels voor: -waardering van activa; -investeringen; -kapitaallasten en het onderhoud. De uitgangspunten van deze nota worden onder andere zichtbaar in de jaarrekening en de begroting, waarbij rekening wordt gehouden met de richtlijnen uit het BBV. Een totaaloverzicht van de uitgangspunten hebben we opgenomen in hoofdstuk 2 van deze nota. We hebben hier ook aangegeven waar specifieke bevoegdheid van de raad ligt tot besluitvorming en waar niet. Een groot deel van de kaderstelling ten aanzien van waarderen en afschrijven is immers wettelijk bepaald in het BBV en vigerende notities van de BBV commissie. In de daaropvolgende hoofdstukken worden de uitgangspunten uitgeschreven en toegelicht, waarin ook wettelijke criteria op grond van het BBV worden beschreven.
1.3
Wettelijk kader
De nota ‘waardering en afschrijving vaste activa’ is vooral bedoeld als instrument ten behoeve van de kaderstellende rol van de raad. Deze nota sluit aan bij de Gemeentewet (artikel 212), bij het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de door de commissie BBV opgestelde notities, zoals de notitie materiële vaste activa.
2 Uitgangspunten In de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 zijn de uitgangspunten nader uitgewerkt, aanvullend op de wettelijke voorschriften die we in acht moeten nemen. Deze uitgangspunten dienen als kaders voor het College waar binnen het activerings- en afschrijvingsbeleid moet worden uitgevoerd. In het onderstaande wordt een totaaloverzicht van de uitgangspunten weergegeven.
2.1
Investeringsbeleid • •
• •
•
2.2
Jaarlijks vindt bij de kadernota en vervolgens de begroting een integrale afweging plaats voor investeringsbudgetten voor projecten en vervangingsinvesteringen voor de komende vier jaar. Onder investeringsbudgetten projecten worden verstaan: nieuwe investeringen (nieuwe activiteit), uitbreidingsinvesteringen (uitbreiding bestaande activiteit), levensduur verlengende investeringen (renovatie) of routine-investeringen (bedrijfsvoering op huidige peil houden). Onder vervangingsinvesteringen worden verstaan: investeringen t.b.v. van vervanging van een bestaand actief als gevolg van economische veroudering of slijtage, rehabilitatie van wegen. Subsidies en bijdragen door derden, die specifiek voor een investering worden ontvangen moeten direct in mindering op het investeringsbedrag worden gebracht. Dit wordt ook wel de netto-methode genoemd, waarbij het bruto-budget het oorspronkelijke investeringsbudget is, en onder aftrek van subsidies en bijdragen door derden ontstaat het netto-bedrag. Jaarlijks worden de toegekende investeringsbudgetten (de restantbudgetten die nog in de toekomst te realiseren zijn), geïndexeerd met het algemene indexpercentage van de begroting van dat jaar.
Activeringsbeleid • •
Bij de aanschaf van kapitaalgoederen met een totale waarde kleiner dan € 25.000 komen de totale lasten in de exploitatie, deze kapitaalgoederen worden niet geactiveerd. Dit geldt voor de financiële balans. De activeringsgrens voor investeringen van de vennootschapsbelasting wordt gesteld op circa 5
€ 450, dit geldt voor de fiscale balans.
2.3
• • • • •
2.4
Waarderingsbeleid Eén waarderingsgrondslag hanteren, namelijk de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. Compensabele BTW wordt niet geactiveerd. Voor de vennootschapsbelasting gelden andere regels dan die in deze nota en BBV zijn opgenomen.
Onderhoudsbeleid • • •
2.5
Lasten van klein onderhoud in het jaar van uitvoering moeten ten laste van de exploitatie worden gebracht. Lasten van groot onderhoud in het jaar van uitvoering moeten ten laste van een voorziening worden gebracht, tenzij er sprake is van de componentenmethode, dan wordt het gezien als vervangingsinvesteringen. Bij achterstallig onderhoud, waardoor kapitaalvernietiging en onveilige situaties kunnen ontstaan, wordt op basis van het BBV een voorziening gevormd. In dat geval is er een zodanig slechte onderhoudstoestand dat de waarde, het gebruik en/of de levensduur van het kapitaalgoed wordt aangetast.
Afschrijvings- en rentebeleid • • • • • • • • •
2.6
Lineaire afschrijving gekoppeld aan de (bedrijf)economische levensduur van een investering is het uitgangspunt. Annuïtair afschrijven wordt gehanteerd bij rioleringsinvesteringen om schommelingen in het tarief te voorkomen in verband met de kostendekkendheid. Als eerste jaar van afschrijving wordt genomen het volgende jaar waarin de investering gereed is. Het afschrijvingsbedrag wordt berekend op basis van de boekwaarde van het activum per 1 januari. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven, omdat dergelijke activa geen beperkte gebruiksduur hebben. Wanneer sprake is van een investering in een gebouw met daarin apparatuur en inventaris (meubilair) etc. worden de afschrijvingstermijnen gekoppeld aan de afzonderlijke componenten van de investering. Bij wegen en kunstwerken worden de afschrijvingstermijnen gekoppeld aan de afzonderlijke componenten van de investering. Een investering kan opgesplitst worden in fasen en deze kunnen afzonderlijk worden afgesloten en gereed gemeld. Tussen de fasen mag budgettair worden geschoven, echter het investeringsbudget mag in totaliteit niet worden overschreden. Het (omslag)rentepercentage wordt jaarlijks geactualiseerd. De administratieve rentetoerekening start met ingang van het jaar na oplevering c.q. gereed melding van een afgesloten fase van de investering.
Procedures • • •
•
Nieuwe investeringsbudgetten (projecten en vervangingsinvesteringen) worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. Bij investeringen met een meerjarig karakter stellen burgemeester en wethouders aan de raad het totale investeringsbudget en de verwachte opleverdatum voor. Er wordt gerapporteerd op de voortgang van het project in de Bestuursrapportage en jaarstukken. Bij investeringen wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde investeringsbudget. Een overschrijding van het verwachte jaarbudget (investeringsbudgetten projecten), passend binnen het totaal bedrag van het investeringsbudget, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. Over- dan wel onderschrijding van vervangingsinvesteringen worden jaarlijks beoordeeld op het (structurele) jaarbudget. Investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen en waarvan het onontkoombaar is dat de investering wordt vastgesteld (wanneer veiligheid in het algemeen en/of continuïteit van de bedrijfsvoering in het geding is), dienen gedurende het jaar via separate voorstellen te worden voorgelegd aan de raad. Mocht de uitvoering van deze nieuwe investering eerder moeten plaatsvinden dan 6
de besluitvorming, dan kan het college bij bestaand beleid hiervan afwijken door: De raad in de gelegenheid te stellen wensen en bedenkingen aan te geven met een verkorte procedure voorafgaand aan het collegebesluit, óf - Na het collegebesluit de raad actief te informeren via een raadsinformatiebrief óf - De raad achteraf te informeren via de Bestuursrapportage of jaarrekening bij investeringen onder de € 200.000. • Het minimale verantwoordingsniveau van een investeringsbudget is het niveau, waarop de raad het investeringsbudget heeft vastgesteld. • Het is niet toegestaan om tussen investeringen te schuiven. • Indien er niets is besteed voor een beschikbaar gesteld investeringsbudget na maximaal 2 jaar, dan komt het investeringsbudget te vervallen, tenzij er in het volgende boekjaar aantoonbare uitvoeringsafspraken gemaakt zijn. • Budgetten voor vervangingsinvesteringen worden jaarlijks afgesloten. • Voorbereidingsinvesteringen worden na beschikbaarstelling van het investeringsbudget opgeheven en samengevoegd met het investeringsbudget. • Een deel van het voorbereidingsbudget wordt, na beschikbaarstelling van het investeringsbudget van een deelproject, toegekend aan het investeringsbudget van het deelproject. De voorbereidingsinvestering wordt opgeheven bij de start van het laatste deelproject. -
3 Investeringsbeleid 3.1
Investeringen
Objecten (bijvoorbeeld gebouwen, wegen) worden geactiveerd als deze een langere tijd (langer dan 1 jaar) mee gaan en een bepaalde waarde hebben. Als deze voor eigen gebruik zijn worden ze gezien als langlopende bezittingen ofwel vaste materiële activa op de balans. Het aanschaffen of vervaardigen van materiële vaste activa gaat gepaard met het doen van investeringen. Materiële vaste activa zijn dus feitelijk de objecten die door investeringen door een gemeente worden verworven. Onder investeren wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. In de basis worden de kapitaallasten van de (vervangings)investeringen jaarlijks begroot, waarbij een lange termijnplanning en prognose van minimaal 4 jaar wordt meegenomen. Er vindt jaarlijks bij de kadernota en de begroting een integrale afweging plaats ten aanzien van nieuwe investeringen binnen het geheel van de beschikbare middelen in de begroting en de uitvoeringscapaciteit. Ook wordt planning van bestaande investeringen herijkt. Subsidies of bijdragen derden, die specifiek voor een investering worden verstrekt moeten direct in mindering op het investeringsbedrag worden gebracht. Investeringen in rioleringen en afval komen als aparte categorie op de balans. Voor de kapitaallasten van deze investeringen zijn aparte inkomstenbronnen zoals heffingen.
4 Activering, waardering en onderhoud 4.1
Activering
Bij activering draait het om de vraag of uitgaven meerjarig nut hebben en in welke gevallen dergelijke uitgaven worden geactiveerd en als vaste activa worden beschouwd. Of we een actief als vast of vlottend moeten beschouwen, wordt bepaald door het plan dat bestaat ten aanzien van het desbetreffende actief. Als het plan is om het actief duurzaam te exploiteren c.q. te gebruiken, dan is het een vast actief. Dit uitgangspunt ligt vast in artikel 31 BBV. Grondexploitaties bijvoorbeeld maken deel uit van de voorraden en behoren niet tot de vaste activa. Investeringen verantwoorden we op de balans onder de post vaste activa. Onder deze post onderscheiden we conform het BBV (artikel 33) de volgende vaste activa: - immateriële vaste activa; - materiële vaste activa; - financiële vaste activa. Dit onderscheid is van belang bij de beantwoording van de vraag of bepaalde uitgaven al dan niet 7
worden geactiveerd. We lichten dit toe in de paragrafen 4.1.1 t/m 4.1.4.
4.1.1 Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn net als de materiële vaste activa niet financieel van aard. In tegenstelling tot materiële vaste activa zijn ze niet stoffelijk (niet tastbaar). Het BBV staat slechts in zeer beperkte mate de activering van immateriële investeringen toe. Bovendien is de activering van immateriële investeringen niet verplicht. Binnen de gemeente Stichtse Vecht kennen we een gering aantal immateriële vaste activa. Al jaren is de boekwaarde van immateriële vaste activa nihil. Indien zich de mogelijkheid wel voordoet is de afschrijvingstermijn afhankelijk van de situatie. Er zijn derhalve in bijlage 1 geen afschrijvingstermijnen opgenomen voor de immateriële vaste activa. Indien de situatie zich voordoet kan binnen de grenzen van het BBV worden gehandeld, zoals hieronder per immaterieel vast actief is toegelicht. a) kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio Agio / disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het lagere of hogere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Hierbij moet worden gedacht aan boeterente bij eerdere herfinanciering van leningen dan de vervaldatum. Dit komt sporadisch voor. Op grond van het BBV mogen deze kosten worden geactiveerd.
In de toelichting op het BBV wordt echter aanbevolen om deze kosten, zeker als deze relatief van geringe omvang zijn, niet te activeren en af te schrijven. In dat geval worden deze kosten in het jaar van sluiten van de lening in één keer ten laste van de exploitatie gebracht. Bij hogere kosten kan het echter wenselijker zijn om de kosten over de looptijd van de geherfinancierde lening af te schrijven. Wij laten de verwerkingskeuze afhankelijk van de situatie. b) kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd (artikel 60 BBV). De voorwaarden genoemd in dit artikel bepalen dat de kosten alleen dan mogen worden geactiveerd als de plannen betreffende het actief, waarvoor de kosten worden gemaakt, al redelijk omlijnd zijn, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten zijn in te schatten. Voorts is het ook van belang dat het daadwerkelijk om kosten voor voorbereiding van een investering gaat. De afschrijvingsduur van deze kosten als immaterieel vast actief kent op grond van het BBV een maximale afschrijvingsduur van vijf jaar. Onderzoeks- en ontwikkelingskosten die leiden tot een investering, mogen op grond van artikel 34, lid b BBV worden geactiveerd, indien en voor zover is voldaan aan de vereisten van artikel 60 BBV.
De voorbereidingskosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd en worden afgeschreven overeenkomstig de afschrijvingstermijn van de investering. Dit laatste zal vooral de situatie zijn. Voorbereidingskosten, die met zekerheid niet leiden tot een investeringen of die gemaakt worden voor beheerplannen, moeten direct ten laste van de exploitatie worden gebracht. De te hanteren richtlijn is hieronder nog eens opgesomd: 1. Kosten van ontwikkeling beheerplannen altijd via exploitatie 2. Kosten van onderzoek en ontwikkeling via exploitatie, tenzij wordt voldaan aan artikel 34, lid b BBV en voor zover er is voldaan aan de vereisten van artikel 60 BBV, dan mag geactiveerd worden onder de immateriële vaste activa en wordt afgeschreven over 5 jaar. 3. De voorbereidingskosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd.
c) Bijdragen aan activa in eigendom van derden Voor bijdragen aan activa in eigendom van derden is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de duur die de derde partij hanteert met betrekking tot deze activa. Bij verstrekken van de bijdragen streeft de gemeente Stichtse Vecht naar risicomijdend. Dit laatste blijkt uit de ‘Verordening gemeentelijke garantstelling gemeente Stichtse Vecht’, waarbij de waarborgfonds garant staat (artikel 12 Verordening gemeentelijke garantstelling SV). 8
4.1.2 Materiële vaste activa Materiële vaste activa zijn altijd stoffelijk van aard. Een uitzondering op deze regel is software, die op basis van de notitie materiële vaste activa van de commissie BBV moet worden geactiveerd. Tenzij software in gebruik wordt genomen in de vorm van een SaaS (Software as a Service) oplossing. In dit geval is er geen sprake van het verkrijgen van een actief (een investering met economisch nut), omdat het bij SaaS gaat om dienstverlening in de vorm van een abonnement waarmee wordt ingelogd bij de dienstverlener. Deze dienstverlener heeft daarmee de activa zowel juridisch als economisch in bezit. Dit betekent dat ook de implementatiekosten behorende bij de implementatie van een SaaS-oplossing niet geactiveerd mogen worden. Er is geen sprake van een verkrijgingsprijs en daarom zijn de kosten ook niet als bijkomende kosten aan te merken. In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a) investeringen met een economisch nut b) investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven c) investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut a) Investeringen met een economisch nut Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
In de nota van toelichting op het BBV wordt daarover opgemerkt, dat een deel van gemeentelijke investeringen een economische waarde heeft, omdat: - Ze verkocht kunnen worden (bijvoorbeeld een woning, gebouw, auto of computer). In het BBV is opgenomen: - Alle investeringen (met een economisch nut) worden geactiveerd. - In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur -historische waarde niet geactiveerd. b) Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven Deze categorie heeft met name betrekking op investeringen die worden bekostigd uit de afvalstoffenheffing en rioolrechten. Deze investeringen worden nu als een afzonderlijke categorie binnen de investeringen met een economisch nut vermeld. De gemeente kan middelen genereren via het tarief. De geactiveerde investeringen leiden voor de duur van de afschrijvingstermijn tot kapitaallasten en deze lasten kunnen op grond van artikel 228a Gemeentewet in het tarief worden meegenomen. Bijvoorbeeld: - Gemeenten prijzen en tarieven voor diensten kunnen vragen (bijvoorbeeld voor de weekmarkt en riolering) waardoor deze investeringen (gedeeltelijk) rendabel kunnen zijn. c) Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut De investeringen in de openbare ruimte betreft wegen, bruggen en openbaar groen.
Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het BBV bepaalt in artikel 59 lid 1, dat er geen keuze meer is om deze investeringen wel of niet te activeren. De investeringen met een maatschappelijk nut moeten worden geactiveerd. Voor reconstructies en vervangingen geldt de normale weg van het beschikbaar stellen van een investeringsbudget. Kosten levensduur verlengende renovaties en/of (vervanging)investeringen in de openbare ruimte die het gebied een vernieuwende functie geven (reconstructies/herinrichtingen), worden geactiveerd en afgeschreven. We denken daarbij aan het renoveren van een gebouw of het vervangen van complete brugdekken.
9
4.1.3 Financiële vaste activa In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: 1. Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen, deelnemingen en overige verbonden partijen; 2. Leningen aan woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen; 3. Overige verstrekte langlopende geldleningen; 4. Overige uitzettingen met een looptijd van één jaar of langer.
4.1.4 Uitzonderingen op activeren In het onderstaande zijn de volgende uitzonderingen op het activeren opgenomen: • Volgens het BBV worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd. • Plankosten faciliterend grondbeleid worden volgens de BBV niet geactiveerd. • Investeringen met een aanschafwaarde van minder dan € 25.000 worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. In het kader van de uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid tussen gemeenten is het zogenaamde netto activeren verplicht gesteld. Dit houdt in dat eventuele bijdragen van derden in aftrek moeten worden gebracht van de investering. Het verrekenen van bijdragen uit de reserves is niet meer toegestaan. Voor de dekking van kapitaallasten van reeds gerealiseerde investeringen kunnen bestemmingsreserves worden gevormd. Deze reserves worden gedurende de afschrijvingstermijn aangewend om de kapitaallasten (geheel dan wel gedeeltelijk) af te dekken.
4.2
Waardering
In de BBV is bepaald dat in beginsel één waarderingsgrondslag wordt gehanteerd, namelijk de historische kostprijs (de verkrijgingprijs of de vervaardigingprijs). De verkrijging- en vervaardigingprijs wordt als volgt bepaald: • De verkrijgingprijs omvat de inkoopprijs (exclusief compensabele BTW) en de bijkomende kosten; De vervaardigingprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Tot de vervaardigingprijs wordt niet gerekend de kosten voor een tijdelijke voorziening; • De verkrijgingprijs van in erfpacht uitgegeven gronden is de uitgifteprijs bij de eerste uitgifte. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde
4.3
BTW
Met de invoering van het BTW-compensatiefonds wordt geen BTW geactiveerd voor zover deze compensabel of verrekenbaar is. Niet compensabele BTW verhoogt de verkrijging- of vervaardigingprijs en daarmee ook de waardering van het actief.
4.4
Duurzame waardevermindering van vaste activa
In de loop der tijd kan de waarde van een actief zijn veranderd ten opzichte van de boekwaarde ervan op de balans. Op het moment van buitengebruikstelling van een actief wordt deze afgewaardeerd, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.
4.5
Desinvestering activa
Op het moment dat een desinvestering plaatsvindt (bijvoorbeeld verkoop bedrijfsauto of sluiting kantoorgebouw), wordt de boekwinst of het boekverlies in het resultaat van het betreffende jaar verwerkt en niet verrekend met de verkrijgingprijs van een nieuw actief. Het verrekenen is niet toegestaan op grond van het BBV. (Notitie materiële vaste activa, paragraaf 5.3).
4.6
Componentenbenadering
De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. De investeringen dienen op basis van de verschillende componenten te worden geactiveerd.
10
Een voorbeeld hiervan is investeringen in de openbare ruimte waarbij vaak gelijktijdig vervanging onderdeel wegen, inrichting groen, vervanging van het riool, aanleg van parkeerplaatsen worden uitgevoerd. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de categorieën kapitaalgoederen waarbij de componentenbenadering wordt toegepast.
4.7
Onderhoud materiële vaste activa
Materiële vaste activa dienen een zo lang mogelijke bijdrage te leveren aan het doel waarvoor zij zijn aangeschaft of vervaardigd. De materiële vaste activa zijn over het algemeen het grootste kapitaal van de gemeente. Het beheer en onderhoud kost de gemeente jaarlijks veel geld. Verantwoord omgaan met de materiële vaste activa is daarom van essentieel belang. Onderhoud houdt of brengt een object in goede staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. Kosten van onderhoud mogen daarom niet worden geactiveerd en kunnen op de volgende wijzen worden verwerkt in de begroting/jaarrekening: 1. Lasten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen. 2. Lasten in het jaar van uitvoering ten laste van een (vooraf gevormde) voorziening brengen (artikel 44, lid 1c, van het BBV). Onderhoud kan worden onderscheiden in klein- en groot onderhoud. Klein onderhoud Lasten van klein onderhoud mogen niet worden geactiveerd, maar dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht. Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goed werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Groot onderhoud Groot onderhoud mag eveneens niet worden geactiveerd, tenzij de componentenbenadering wordt toegepast.
Groot onderhoud ontstaat na een langere periode van gebruik als gevolg van slijtage en mag ten laste gebracht worden van een voorziening. Deze voorziening kan gevormd worden mits er een recent (maximaal 5 jaar oud) meerjarig onderhoudsplan voor het actief aanwezig is. Achterstallig onderhoud Er kan sprake zijn van achterstallig onderhoud als onderhoud niet tijdig (volgens het onderhoudsplan)wordt uitgevoerd. Bij achterstallig onderhoud wordt er niet (meer) voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau of wettelijke normen en kan leiden tot schade (hogere herstelkosten = kapitaalvernietiging) en/of onveilige situaties. Bij kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties wordt op basis van artikel 44 lid 1a BBV een voorziening gevormd.
5 Afschrijving 5.1
Afschrijven
Afschrijving is het in de administratie tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een goed dat als een investering is geactiveerd. De afschrijving komt ten laste van de jaarlijkse exploitatie, op deze manier wordt het meerjarig nut van de investering zichtbaar gemaakt. Bij het bepalen van de kapitaallasten zijn een aantal aspecten van belang, te weten: 1. de afschrijvingsbasis; 2. de (verwachte) restwaarde; 3. de afschrijvingsmethode; 4. de afschrijvingstermijn; 5. het (omslag)rentepercentage.
11
1. Afschrijvingsbasis Op grond van de BBV moeten bij afschrijvingen de volgende algemene regels in acht worden genomen (de standaard afschrijvingsprocedure): 1. De afschrijvingen geschieden in beginsel onafhankelijk van het resultaat van de exploitatierekening; 2. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen op andere grondslagen dan in het voorafgaande boekjaar geschieden; 3. Op vaste activa met een beperkte levensduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur; 4. Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden is de afschrijvingstermijn maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Het BBV geeft ook aan wanneer er extra (resultaatonafhankelijk) moet worden afgeschreven: 1. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden, onafhankelijk van het resultaat, ten laste van de exploitatie gebracht; 2. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buiten gebruikstelling, vervroegd afgeschreven, als de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Op gronden en terreinen die nog niet in gebruik zijn, wordt niet afgeschreven, omdat dergelijke activa geen beperkte gebruiksduur hebben. 2. Restwaarde De restwaarde is een geschatte waarde van het actief aan het einde van de gebruiksduur.
Dit is de opbrengstwaarde die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van het actief. Op grond van het voorzichtigheidsbeginsel verdient het aanbeveling dat de restwaarde van de vaste activa in principe nihil is. In de praktijk is er bij vervanging wel vaak sprake van een bepaalde restwaarde. Op basis van de BBV mogen we boekwinsten of –verliezen (verschillen tussen verkoopopbrengst en boekwaarde bij verkoop) niet verwerken in de te activeren investeringskosten. Deze behoren ten gunste c.q. ten laste van het resultaat te komen als incidentele baten of lasten en te worden verwerkt ten gunste of ten laste van de betreffende programma’s. Daarnaast worden deze opgenomen in het overzicht van incidentele baten en lasten. 3. Afschrijvingsmethode In het BBV is onder meer bepaald dat “in de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methode de afschrijvingen worden berekend”. Het BBV schrijft overigens niet voor welke afschrijvingsmethodiek de gemeente moet hanteren. De methode regelt hoe de afschrijvingslasten over de levensduur verdeeld worden. Bij de gemeente Stichtse Vecht worden twee afschrijvingsmethodes gehanteerd, te weten lineair en annuïtair. Lineaire methode Lineaire afschrijving is afschrijven op basis van een vast percentage van de aanschafwaarde.
De afschrijving blijft gedurende de afschrijvingstermijn constant. Het rentedeel daalt gedurende de looptijd, aangezien we de rente berekenen over de actuele boekwaarde. De jaarlijkse kapitaallasten neemt geleidelijk af in de loop van de gebruiksperiode. Annuïtaire methode Annuïtair afschrijven daarbij blijven de jaarlijkse kapitaallasten gelijk. Doordat de rente wordt berekend over de actuele boekwaarde, nemen de rentekosten per jaar af en de afschrijvingskosten per jaar toe. Annuïtair afschrijven wordt gehanteerd bij rioleringsinvesteringen om schommelingen in het tarief te voorkomen in verband met de kostendekkendheid. 4. Afschrijvingstermijn De te hanteren afschrijvingstermijn voor een bepaald actief is afhankelijk van de verwachte toekomstige gebruiksduur; te weten:
12
Technische gebruiksduur Hierbij draait het om de vraag hoe lang (maximaal) het actief technisch mee gaat en in staat is de prestatie te leveren, waarvoor deze is aangeschaft. (bijvoorbeeld vrachtauto). Economische gebruiksduur Hierbij draait het om de vraag wanneer een actief economisch versleten is door veroudering en wanneer het economisch verantwoord is om van het actief gebruik te maken (bijvoorbeeld een machine). In bijlage 1 is een afschrijvings(termijnen)tabel opgenomen. In het overzicht staat een opsomming van de soorten activa met de afschrijvingstermijnen weergegeven. Bij de genoemde afschrijvingstermijnen wordt rekening gehouden met wettelijke en/of andere voorschriften. 5. Rentepercentage Aan alle geactiveerde bedragen wordt rente toegerekend. Dit zijn de lasten die voortkomen uit financiering van de investering. De combinatie van rente en afschrijving vormen de kapitaallasten die zowel in de begroting als in de jaarrekening ten laste van de exploitatie worden gebracht. In het wijzigingsbesluit BBV is opgenomen, dat de rentekosten aan de desbetreffende taakvelden moeten worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag (interne rekenrente). De ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt en door de wijzigingen in het BBV wordt het rente(omslag)percentage jaarlijks geactualiseerd. Bij de specifieke investeringen (riolering) wordt een vast percentage gehanteerd.
Voor alle overige investeringen het rente (omslag)percentage.
6 Procedure investeringsbudget 6.1
Aanvragen autorisatie van investeringen
De bevoegdheid tot het toekennen van investeringsbudgetten ligt bij de raad. Investeringen zijn te onderscheiden naar investeringsbudgetten projecten en vervangingsinvesteringen. Investeringsbudgetten projecten Investeringsbudgetten voor projecten worden aangevraagd nadat een startnotitie goedgekeurd en getekend is. Het totale investeringsbudget is opgebouwd uit een voorbereidingsbudget en een uitvoeringsbudget. Het voorbereidingsbudget wordt toegekend in de begroting door vaststelling van de begroting (t=0), uitgegeven in dat betreffende begrotingsjaar (t=1) (en uiterlijk in t=3). Het verwachte uitvoeringsbudget wordt in de begroting (t=0) opgenomen in de meerjaren planning als een reservering. Nadat het voorlopig ontwerp is goedgekeurd, waarin de uitvoeringskosten en planning preciezer zijn, wordt het uitvoeringsbudget en de meerjarenplanning via de Bestuursrapportage of de begroting aangevraagd en toegekend(t >=1). Het uitvoeringsbudget en de meerjarenplanning wordt in de bestuursrapportage of begroting toegekend, en het project kan zijn doorgang vinden (t >=2). Wanneer tijdens de uitvoering zicht komt op een overschrijding van het totale investeringsbudget, dan wordt een aanvulling op het investeringsbudget aangevraagd via de Bestuursrapportage. Vervangingsinvesteringen Budgetten voor vervangingsinvesteringen hebben een beheerplan als onderlegger.
Deze budgetten hebben een structureel karakter en worden jaarlijks via de begroting toegekend. Mogelijke afwijkingen in het lopende jaar worden in de Bestuursrapportage vermeld. Met het vaststellen van de Begroting (komende jaar) stelt de raad de nieuwe investeringsbudgetten vast. In een totaal overzicht wordt inzichtelijk gemaakt welke budgetten al zijn vastgesteld, wat de nieuwe (voorbereidings)budgetten zijn die moeten worden vastgesteld en welke budgetten worden aangevuld. 13
In de Bestuursrapportage (lopende jaar) stelt de raad aanvullingen op bestaande budgetten en afwijkingen op structurele investeringsbudgetten vast. Bij de jaarrekening worden investeringsbudgetten en vervangingsbudgetten afgesloten. Wanneer de budgetten niet volledig benut zijn, leidt dit tot het verlaging van het investeringsvolume in het betreffende boekjaar. Bij investeringen wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde budget per investering. Dit betekent bij investeringsbudgetten projecten op het totale toegekende investeringsbudget. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van de investering, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.Verschuivingen tussen de jaarbedragen als gevolg van wijzigingen in de planning zijn toegestaan, mits de investering conform de door de raad vastgestelde doelen en voorwaarden wordt gerealiseerd en het totaal beschikbaar gestelde budget niet wordt overschreden. Bij vervangingsinvesteringen vindt de beoordeling plaats op het toegekende budget per jaar. De actualisatie van de planning vindt plaats bij de Bestuursrapportage en de Jaarstukken. De meest recente actualisatie is de basis voor de verwerking in de komende Begroting. Goedkeuring door de raad voor verschuivingen tussen de jaarschijven van een investeringsbudget zijn niet meer nodig.
Wanneer het toegekend voorbereidingsbudget later start dan gepland, dan kan dit maximaal 2 keer worden doorgeschoven o.b.v. deze nota (en dus zonder goedkeuring bij de jaarstukken door de raad). Wanneer de uitvoeringsfase is gestart, hoeft goedkeuring op verschuiving in de jaarschijven ook niet plaats te vinden o.b.v. deze nota). Wel wordt de raad geïnformeerd over de vrijval van budgetten door afronding van projecten, onder-overschrijdingen vervangingsinvesteringen en afgeronde projecten en over de voortgang en de meerjarenplanning. Vaststelling van de totale omvang van de investeringen met een integraal overzicht en meerjarenplanning, door de raad, gebeurt tijdens de begroting (komend boekjaar), de bestuursrapportage (lopende boekjaar) en de jaarstukken (afsluiten investeringsbudgetten). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen: • Investeringen waarover de raad nog verder geïnformeerd wil worden en waarvoor een separaat voorstel ter besluitvorming aan de raad dient te worden voorgelegd voordat tot uitvoering kan worden overgegaan. Deze investeringen worden in de begroting gelabeld met een R(eservering). Het investeringsbudget en bijbehorende afschrijvingslasten worden dan gereserveerd, maar moeten nog met een apart voorstel worden toegekend.
• Investeringen waarover geen verdere besluitvorming nodig is aangezien er een meerjarenplanning aan ten grondslag ligt en vervangingsinvesteringen. Deze investeringen worden in de begroting gelabeld met een T(oegekend). Investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen en waarvan het onontkoombaar is dat de investering wordt vastgesteld (wanneer veiligheid in het algemeen en/of continuïteit van de bedrijfsvoering in het geding is), dienen gedurende het jaar via separate raadsvoorstellen te worden voorgelegd aan de raad (artikel 4 lid 8 financiële verordening). Mocht de uitvoering van deze nieuwe investering eerder moeten plaatsvinden dan de besluitvorming, dan kan het college bij bestaand beleid hiervan afwijken door: • De raad in de gelegenheid te stellen wensen en bedenkingen aan te geven meteen verkorte procedure voorafgaand aan het collegebesluit, óf • Na het collegebesluit de raad actief te informeren via een raadsinformatiebrief óf • De raad achteraf te informeren via de Bestuursrapportage of jaarrekening bij investeringen onder de € 200.000. Voor situaties, waarin de verwachte uitgaven hoger zijn door een aanbesteding of marktomstandigheden dan het gevoteerde investeringsbudget maakt het college een keuze hoe zij de raad wil informeren op basis van actieve informatieplicht (raadsinformatiebrief, Bestuursrapportage, jaarrekening).
Zolang de aanbesteding past binnen het beleid van de raad kan bijvoorbeeld de gunning worden verleend door het college, zonder eerst aanvullend investeringsbudget te vragen. Aanpassing van het investeringsbudget en kapitaallasten vindt dan plaats bij het eerstvolgende P&C document.
14
6.2
Onderbouwing aangevraagde investeringen
Investeringen waarvan een separaat voorstel aan de raad wordt aangeboden, dienen in voldoende mate te zijn onderbouwd en gespecificeerd. Investeringsaanvragen dienen dan ook de volgende onderwerpen te omvatten: • onderbouwing investeringsaanvraag (inclusief de bekende of bij de aanbesteding te leveren prestaties); • taakveld waartoe de investering behoort; • vervanging / uitbreiding; • afschrijvingstermijn (onderbouwing indien termijn afwijkt van afschrijvingstabel); • jaarlijkse exploitatie (kapitaallasten; overige exploitatiekosten inclusief dekking); • Onderscheid in structurele en incidentele effecten op de gemeentebegroting; • uitvoeringsplanning; • (eventuele) restwaarde; • (eventuele) aan te vragen subsidies. Bij investeringsaanvragen dient een uitvoeringsplanning te worden geleverd. De uitvoeringsplanning omvat de volgende onderwerpen: • activiteit (welke werkzaamheden worden uitgevoerd) • tijdspad (tijdsduur in weken) • startdatum • datum gereed
6.3
Termijn beschikbaarheid investeringsbudgetten
Bij investeringsbudgetten wordt een maximale geldigheidsduur toegekend, dit voorkomt een stuwmeer aan investeringsbudgetten voor lopende dan wel nog niet opgestarte investeringen. De beschikbaar gestelde investeringsbudgetten worden zo snel mogelijk afgesloten. Indien een beschikbaar gesteld investeringsbudget na maximaal 2 jaar volledig niet is benut, komt het budget te vervallen. Wanneer er wel uitgaven binnen 2 jaar na toekenning zijn gedaan, blijft het budget beschikbaar. Hiermee is voldoende tijd beschikbaar om de uitvoering van de investering op te starten. Indien de uitvoering binnen 2 jaar niet is gestart, dan wordt het investeringsbudget in principe afgesloten, tenzij aantoonbaar gemaakt kan worden dat er in het volgende boekjaar gestart wordt. Indien het laatste het geval is, dan wordt dit voorgelegd in een collegevoorstel, waarbij het investeringsbudget wordt meegenomen naar het volgende jaar. Budgetten voor vervangingsinvesteringen worden jaarlijks beschikbaar gesteld. De termijn van deze budgetten is per definitie 1 jaar.
6.4
Voorbereidingsbudgetten
Voorbereidingsbudgetten worden als onderdeel van de uiteindelijke investering gezien, zoals deze in de programmabegroting als investeringsplanning is opgenomen en door de raad zijn geautoriseerd. De omvang van het voorbereidingsbudget bedraagt maximaal 10% van het investeringsbudget . Zodra het investeringsbudget beschikbaar is gesteld, wordt het voorbereidingsbudget opgeheven en samengevoegd met het investeringsbudget. Onderzoeks- en ontwikkelingskosten en voorbereidingskosten van bijvoorbeeld een nieuw aan te leggen fietspad moeten ten laste van de exploitatie worden gebracht, indien het onderzoek niet leidt tot een actief. De voorbereidingskosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd. Kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen/moeten eerst onder de Immateriële Vaste Activa verantwoord worden. Pas als sprake is van daadwerkelijke investering, kunnen deze naar de Materiële Vaste Activa worden overgeboekt.
6.5
Informatieverstrekking
Voor het verkrijgen van inzicht in de voortgang en afwikkeling van uitgegeven investeringsbudgetten, wordt er aan de raad gerapporteerd op de volgende momenten: 15
1. Begroting: nieuwe investeringsbudgetten projecten en evt wijziging omvang vervangingsinvesteringen, meerjarig overzicht investeringen; 2. Bestuursrapportage: voortgang en evt afwijkingen investeringsbudgetten projecten en vervagingsinvesteringen, eventueel toekennen van gereserveerde investeringsbudgetten projecten, meerjarig overzicht investeringen; 3. Jaarrekening: voortgang investeringsbudgetten projecten en vervangingsinvesteringen, afsluiten en verantwoording afgesloten investeringsbudgetten, doorschuiven van investeringsbudgetten projecten. 1. Begroting In de begroting wordt per programma het investeringsbudget opgenomen, zoals door de raad vastgesteld, met verwijzing naar het raadsbesluit. In een overzicht wordt het totaal vastgestelde budget gepresenteerd minus de uitgaven tot het vorige jaar en vervolgens de planning van het restantbudget over het lopende jaar en de komende jaren. De status van het investeringsbudget wordt aangegeven met een T(oegekend) of een R(eservering). De nieuwe of geactualiseerde investeringsbudgetten en de meerjaren investeringsplanning worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 2. Bestuursrapportage(s) In de Bestuursrapportage wordt de planning van het lopende jaar en het komende jaren geactualiseerd.
De startpositie van het lopende jaar wordt geactualiseerd op basis van de laatst vastgestelde begroting en de overgehevelde en afgesloten budgetten op basis van de jaarrekening. Bij de Bestuursrapportage worden eventuele nieuwe of geactualiseerde investeringsbudgetten vastgesteld. De verzamelde actualisatie van de verwachte investeringsbudgetten en de planning van de uitgaven is de basis voor verwerking bij de begroting. Bij afwijking wordt ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot uitvoering van werkzaamheden. De stand van zaken en voortgang van de tien grootste projecten worden toegelicht. Mocht er sprake zijn van overschrijdingen, dan wordt in ieder geval gemeld: • een verklaring van de afwijking; • verwachting of de overschrijding (in geval van investeringsbudget projecten) een overschrijding is van het totaalbudget of dat deze gecompenseerd wordt met een onderschrijding in de toekomst • de dekking van de ontstane afwijking; • de acties die worden gestart om de planning alsnog te halen. 3. Jaarrekening Bij de jaarrekening wordt de raad in een totaaloverzicht geïnformeerd over de ontwikkeling van het totale vastgestelde investeringsvolume op basis van het afgelopen jaar. Een overzicht van lopende en afgesloten investeringsbudgetten wordt opgenomen bij de jaarrekening. Overschrijdingen groter dan € 200.000 bij afgesloten investeringen worden verantwoord.
Afwijkingen bij lopende investeringen worden toegelicht wanneer deze groter zijn dan € 50.000 absoluut.
16
Bijlage 1 SV: afschrijvingstabel; afschrijvingstermijnen Activa soort MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN MVA-EN
Omschrijving
Termijn
Gronden en terreinen 0 Personenauto 5 Pick-up, bestelbus, vrachtwagen 7 Tractor, aanhangwagen 10 Motorvaartuigen 20 Beveiligingsapparatuur 10 Telefooninstallaties 5 Mobiele communicatiemiddelen (smartphones, tablets, laptops) 5 Automatisering (PC’s, software) 5 Stemmachines 5 Gebouwen: Noodlokalen 15 Gebouwen: Veiligheidsvoorzieningen, brandslangen, centrale verwarming, 15airco Gebouwen: Verbouwing 25 Gebouwen: Overige 50 Gebouwen: scholen 60 Gebouwen: vernieuwbouw scholen % kwaliteitsniveau x 60 jr MVA-EN Kantoorinventaris, schoolmeubilair en overige vaste inrichting 10 MVA-EN Gereedschappen 5 MVA-EN Installaties 15 MVA-EN Hekwerken: Aanleg / vervanging 20 MVA-ENH Afval: communicatiemiddelen (mini-)containers 7 MVA-ENH Afval: ondergrondse containers 20 MVA-ENH Afval: mini, papier en plastic containers 15 60 MVA-ENH Riolering: vrijvervalriolen MVA-ENH Riolering: vrijvervalriolen - Bij slappe bodem 60 MVA-ENH Riolering bouwkundig: gemalen en mini pompunits 60 15 MVA-ENH Riolering mechanisch: gemalen, mini pompunits MVA-ENH Riolering: persleidingen 60 MVA-ENH Riolering: drukrolering 60 MVA-ENH Riolering: randvoorzieningen 30 MVA-ENH Riolering: IBA’s - bouwkundig 15
17
Activa Omschrijving soort MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: vekeerskundige aanpassing snelheidsremmende maatregelen MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Half-verhard MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Fundering MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Elementen tussen- en toplaag MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Asfalt tussenlaag MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Asfalt toplaag MVA-MN Wegen, fiets- en voetpaden: Bermverharding MVA-MN Verkeerslichtinstallaties MVA-MN Openbare verlichting: masten MVA-MN Openbare verlichting: armaturen MVA-MN Brug - Fundering hout MVA-MN Brug - Fundering staal MVA-MN Brug - Fundering beton MVA-MN Brug - Onderbouw (liggers, kesp) hout MVA-MN Brug - Onderbouw (liggers, kesp) staal MVA-MN Brug - Onderbouw (liggers, kesp) beton MVA-MN Brug - Bovenbouw (leuning, dek, hameipoort en balans) hout MVA-MN Brug - Bovenbouw (leuning, dek, hameipoort en balans) staal MVA-MN Brug - Bovenbouw (leuning, dek, hameipoort en balans) beton MVA-MN Brug - Installaties - langzaam verkeer MVA-MN Brug - Installaties - snel verkeer MVA-MN Duiker (beton, spirosol, GVK) MVA-MN Geluidsscherm - Fundering staal MVA-MN Geluidsscherm - Fundering beton MVA-MN Geluidsscherm - Bovenbouw hout MVA-MN Geluidsscherm - Bovenbouw beton MVA-MN Beschoeiingen: hout/houten delen MVA-MN Beschoeiingen: staal/stalen delen MVA-MN Beschoeiingen: beton/betonnen delen MVA-MN Groen: Plantsoenen /
parken: Aanleg/reconstructie MVA-MN Groen: Beplanting MVA-MN Groen: Bomen MVA-MN Sportterreinen/speelplaatsen: Aanleg / vervanging MVA-MN Straatmeubilair
Termijn 15 15 60 30 30 15 30 15 40 20 30 75 100 30 75 100 30 75 100 30 15 60 75 100 30 100 30 75 100 30 20 40 15 10
18
Bijlage 2 SV: overzicht kapitaalgoederen met componentenbenadering Categorie
Eenheid
Wegen, fiets- en voetpaden Asfalt
Elementen
Brug
Overig Fundering
Onderbouw
Bovenbouw
Installaties Geluidsscherm
Fundering Bovenbouw
Riolering
Riolering
Component Toplaag Tussenlaag Fundering Half verhard Tussen- en toplaag Fundering Bermverharding Hout Staal Beton Hout Staal Beton Hout Staal Beton langzaam verkeer snel verkeer Staal Beton Hout Beton Diverse (vrijverval, bouwkundig, pers en druk) Randvoorziening IBA's - bouwkundig Mechanisch
Afschrijvings termijn 15 30 60 15 30 60 30 30 75 100 30 75 100 30 75 100 30 15 75 100 30 100 60 30 15 15
19
Bijlage 3 SV: begrippen In het onderstaande tabel worden een aantal kernbegrippen nader omschreven. Activa De bezittingen van de gemeente zoals gronden, gebouwen, voertuigen en infrastructuur. Deze worden ingedeeld bij de vaste activa. Activeren Het opnemen van de investeringen op de balans. De jaarlijkse kosten (kapitaallasten) worden ten laste van de exploitatie gebracht. Achterstallig onderhoud Als onderhoud niet tijdig volgens het onderhoudsplan wordt uitgevoerd. Afschrijven
Annuïtaire afschrijving
Boekwaarde Componentenbenadering
Desinvesteren activa Disagio / Agio
Economische levensduur Groot onderhoud Investeringen nieuw beleid Kapitaallasten Klein onderhoud Lineaire afschrijving Liquiditeitsplanning Onderuitputting kapitaallasten Onderhoudsvoorziening Reconstructie Rentelast Rentepercentage Restwaarde
Een boekhoudkundige weergave van de waardevermindering van activa wegens technische slijtage en economische veroudering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten. Een berekeningsmethodiek waarbij bereikt wordt dat de kapitaallasten jaarlijks gelijk zijn gedurende de gehele afschrijvingstermijn van de investering. Per jaar verschillen echter de hoogte van de rente- en afschrijvingscomponent. Waarde van de activa op de balans. Dit is de som van de aanschafwaarde minus het reeds afgeschreven bedrag. De componentenbenadering dit houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. De investeringen dienen op basis van de verschillende componenten te worden geactiveerd. De definitieve buiten gebruikstelling van duurzame (materiële) productiemiddelen (bijvoorbeeld verkoop of sluiting). Disagio en agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het lagere c.q. hogere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Disagio en agio kan ook betrekking hebben op aandelen. De economische levensduur wordt bepaald door verantwoord en functioneel gebruik rekening houdend met technologische ontwikkelingen. Dus slijtage van activa door veroudering.