CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

B3. VFL 2e wijziging Geconsolideerd SV 2023.pdf

Commissie Fysiek Domein 8 oktober 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: b.: Wijzigingsbesluiten APV 2024 (2e wijziging) en VFL 2023 (2e wijziging) voor 202519.361 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod een vergunning verlenen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek vellen van hak- of griendhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; 25

c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; e. het dunnen van een houtopstand; f. maatregelen in het kader van een Beheerplan; g. schubconiferen met een stamdwarsdoorsnede tot 50 cm gemeten op 1,30 meter hoogte zijnde: -Chamaecyparis (schijncypres); -xCupressocyparis (leylandcypres); -Platycladus (Japanse levensboom); -Thuja (levensboom); -Thujopsis (Hiba cypres). h. bedrijfsmatig geteelde fruitbomen, notenbomen, kerstbomen tot 20 jaar en bomen uit de boomkwekerijteelt. 4. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt. Onverminderd de verplichtingen die volgen uit artikel 11.27 en11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 7.12 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt: a. iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie; b. van iedere te vellen boom de stamdiameter op 1,30 m hoogte aangegeven; c. reden voor het vellen van iedere houtopstand opgenomen; d.

op verzoek van het bevoegd gezag, in het geval van bouwen, aanleggen of andere werkzaamheden nabij houtopstand, door aanvrager een Bomen effect analyse overgelegd, welke is opgesteld door onafhankelijk boomdeskundige van het aantoonbare kennis- en ervaringsniveau van boom-taxateur of European tree technician, inzake alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen; e. in het geval van vrees voor breuk, verminderde stabiliteit of vitaliteit van een houtopstand, door aanvrager een rapport van een onafhankelijk boomdeskundige van het aantoonbare kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician hierover overgelegd; 26

f. indien herplant mogelijk is een voorstel gedaan inzake het aantal, de soort(en), de grootte, de termijn, de locatie en de groeiruimte van de te herplanten houtopstand. Artikel 7.13 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. 2. Bij de afweging als bedoeld in het eerste lid worden de oogmerken uit artikel 7.10 van deze verordening betrokken. 3. Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden in Boomzones en Kleine landschapselementen wordt, nadat alternatieven zijn onderzocht, slechts bij uitzondering verleend, indien: a. er sprake is van een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet-tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of; b. het naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. 4. Een omgevingsvergunning voor het vellen van Monumentale bomen, houtopstanden in Boomstructuren of in Historische groenstructuren wordt, nadat alternatieven zijn onderzocht, slechts bij uitzondering verleend, indien: a. er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen duurzaam behoud van de Beschermde houtopstand of; b.

het naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. Paragraaf 3 Vellen van houtopstanden op niet geïnventariseerde terreinen Artikel 7.14 Aanwijzing activiteiten Dit artikel gaat over het vellen van houtopstanden op niet geïnventariseerde terreinen zoals opgenomen in het geometrische informatieobject Groene Kaart. Artikel 7.15 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; b. het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van de effecten van klimaatverandering; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. de beeldbepalende waarde van houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van houtopstand f. een kwalitatief goed bomenbestand.

27

Artikel 7.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een houtopstand op een niet geïnventariseerd terrein te vellen; b. houtopstand te vellen die is aangeplant in het kader van de herplantplicht en daardoor kleiner is dan de in artikel 7.1 van deze verordening genoemde minimum maat van een boom. 2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod een vergunning verlenen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet b. het periodiek vellen van hak- of griendhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; e. het dunnen van een houtopstand; f. maatregelen in het kader van een Beheerplan; g. schubconiferen met een stamdwarsdoorsnede tot 50 cm gemeten op 1,30 meter hoogte zijnde: -Chamaecyparis (schijncypres); -xCupressocyparis (leylandcypres); -Platycladus (Japanse levensboom); -Thuja (levensboom); -Thujopsis (Hiba cypres). h. bedrijfsmatig geteelde fruitbomen, notenbomen, kerstbomen tot 20 jaar en bomen i. uit de boomkwekerijteelt.

Artikel 7.17 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt: a. iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie; b. van iedere te vellen boom de stamdiameter op 1,30 m hoogte aangegeven; c. reden voor het vellen van iedere houtopstand opgenomen; 28

d. op verzoek van het bevoegd gezag, in het geval van bouwen, aanleggen of andere werkzaamheden nabij houtopstand, door aanvrager een Bomen effect analyse overgelegd, welke is opgesteld door onafhankelijk boomdeskundige van het aantoonbare kennis- en ervaringsniveau van boom-taxateur of European tree technician, inzake alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen; e. in het geval van vrees voor breuk, verminderde stabiliteit of vitaliteit van een houtopstand, door aanvrager een rapport van een onafhankelijk boomdeskundige van het aantoonbare kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician hierover overgelegd; f. indien herplant mogelijk is een voorstel gedaan inzake het aantal, de soort(en), de grootte, de ter-mijn, de locatie en de groeiruimte van de te herplanten houtopstand. Artikel 7.18 Beoordelingsregels 1. Bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 7.17 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. 2.

De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 7.17 wordt gewei-gerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a. de natuurwaarden van de houtopstand; b. de landschappelijke waarden van de houtopstand; c. de cultuurhistorische waarden van de houtopstand; d. de beeldbepalende waarden van de houtopstand; e. de waarden van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; f. de waarden voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3. Indien gevaarzetting reden tot de aanvraag is, moeten voorafgaand aan vergunningverlening de boomverzorgingsalternatieven voor kap voldoende onderzocht zijn en als onmogelijk of zeer onwenselijk zijn aangemerkt. Paragraaf 4 Het bestrijden van boomziektes Artikel 7.19 Het bestrijden van boomziektes 1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen; b.

conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 29

2. Het is verboden gevelde houtopstanden als bedoeld in het eerste lid of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te verspreiden. 3. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het onder het tweede lid van dit artikel gestelde verbod. Paragraaf 5 Algemeen Artikel 7.20 Adviescommissie houtopstand 1. Het bevoegd gezag kan een Adviescommissie houtopstand instellen. 2. De Adviescommissie houtopstand kan door het bevoegd gezag om advies worden gevraagd over de afweging van de belangen voor behoud of vellen van de houtopstand. Artikel 7.21 Voorschriften bij omgevingsvergunning 1. Bij vergunningvoorschrift voor het vellen van een houtopstand wordt in beginsel een : a. verplantingsplicht; en/of b. een herbeplantingsplicht, en/of c. een financiële bijdrage voor herbeplanting op een nieuwe locatie opgelegd. 2. Bij het in lid 1 bedoelde voorschrift over herbeplanting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 3.

Aan de omgevingsvergunning tot vellen kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. 4. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand overige voorschriften stellen ter bescherming van de in artikel 7.11 en 7.16 genoemde oogmerken. Artikel 7.22 Plicht tot instandhouding en vellen zonder vergunning 1. Als een houtopstand om welke reden ook teniet dreigt te gaan kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot het laten opstellen van een bomeneffectanalyse en/of tot het uitvoeren van maatregelen tot instandhouding van de bedreigde houtopstand aan degene die tot het uitvoeren van deze verplichting bevoegd is. Daarbij kan het bevoegd gezag aanwijzingen geven en een termijn stellen waarbinnen de maatregelen dienen te zijn uitgevoerd. 2.

Als een houtopstand om welke reden dan ook teniet is gegaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen het vellen van een houtopstand zonder vergunning, of zonder nadrukkelijke toestemming van de eigenaar, kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot financiële compensatie op basis van de boomwaarde, dan wel een verplichting tot herbeplanten- al dan niet aangevuld met een financiële compensatie op basis van de boomwaarde. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtige tot de grond

30

waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft laten vellen. 3. Bij de in het tweede lid bedoelde verplichting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake het aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop de niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 4. Indien sprake is van vellen zonder verplichte vergunning of in strijd met de vergunningsvoorschriften kan, eventueel naast een plicht tot herbeplanten of het in rekening brengen van de boomwaarde een bestuurlijke boete opgelegd worden. 5. Het is verboden om houtopstanden die eigendom van de gemeente zijn te vellen, te beschadigen, te bekladden, te beplakken, daaraan iets op te hangen of snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken. 6. De boomwaarde van een houtopstand in eigendom van de gemeente die teniet is gegaan of beschadigd, wordt in opdracht van het bevoegd gezag getaxeerd door een geregistreerd taxateur van bomen ten behoeve van herbeplanting en/of financiële compensatie. De kosten van de taxatie worden verhaald op degene die de schade heeft veroorzaakt, dan wel de houtopstand teniet heeft laten gaan. Artikel 7.23 Intrekken omgevingsvergunning 1.

De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening kan worden ingetrokken indien daarvan niet binnen maximaal twee jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt. 2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, kan de omgevingsvergunning voor alle houtopstanden na twee jaar worden ingetrokken, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele houtopstanden al geveld zijn. Artikel 7.24 Intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de omgevingsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is, of is vereist vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is verleend; c. indien de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen; d. indien de houder dit verzoekt. Hoofdstuk 8 Rioolaansluiting Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 8.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. Aansluitleiding: het particulier riool, het aansluitpunt en de perceelaansluitleiding tezamen. 31

b. Aansluitpunt: de overgang van particulier riool op gemeentelijk riool. i. Bij een pand binnen de private perceelgrenzen is dit de perceelgrens. ii. Bij een pand met de gevel op de perceelgrens, is dit een halve meter uit de perceelgrens. iii. Bij gemeentelijk vrijverval riool gelegen op privaat terrein, is dit het aansluitpunt op het riool. iv. Bij drukriolering is dit de aansluiting op de pompput van het drukrioleringsgemaal. c. Aanvrager: de persoon of organisatie die een huisaansluiting aanvraagt, of een andere persoon of organisatie gemachtigd heeft om de huisaansluiting aan te vragen. d. Afvalwater: alle water afkomstig van een perceel, met uitzondering van hemelwater en drainagewater e. Bedrijfsmatig afvalwater: verzamelnaam voor afvalwater dat geproduceerd wordt tijdens bedrijfsmatige processen. f. Besturingskast: een kast met elektronische componenten, waarmee de rioolpomp in een pompput aangestuurd wordt. g. Bronneringswater: grondwater onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand. h. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht. i. Drainagewater: grondwater ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem. j. Droogweerafvoer (DWA): afvalwater tijdens droogweersituatie, dus zonder neerslagwater. k.

Drukriool: openbaar riool waarbij door middel van pompinstallaties afvalwater wordt verpompt via een persleiding. l. Gebruiker: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder van het perceel die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool. m. Gemengd stelsel: het openbaar riool waarmee afvalwater en hemelwater door middel van hetzelfde buizenstelsel afgevoerd wordt. In uitzonderlijke gevallen kan er ook grondwater op geloosd worden. n. Gemengd riool: het buizenstelsel voor inzameling en transport van afvalwater en hemelwater. o. Gescheiden stelsel: het openbaar riool met buizenstelsel voor de afvoer van hemel- of drainagewater en een buizenstelsel voor de afvoer van het huishoudelijk- of bedrijfsmatig afvalwater. p. Grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat. q. Hemelwaterriool: riool exclusief voor inzameling en transport van neerslag en overtollig grondwater.

32

r. Huisaansluiting: de aansluiting tussen een woning, een woonboot, een bedrijf of een openbare toiletvoorziening en het gemeentelijk hoofdriool. s. Huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens bestaande uit fecaliën, wc-papier en afvalwater dat vrijkomt uit huishoudelijke processen. t. IBA(-systeem): systeem voor Individuele Behandeling van huishoudelijk of bedrijfsmatig Afvalwater. u. Minigemaal: een pompinstallatie om huishoudelijk afvalwater weg te pompen over een persleiding. Een minigemaal bestaat uit een pompput en besturingskast. v. Ontstoppingsstuk: een tussenstuk in een rioolleiding dat dient voor de controle en eventueel het ontstoppen van een rioolleiding. w. Openbaar riool: riolering die bij de gemeente in eigendom en beheer is. Onder het openbaar riool vallen alle objecten die gericht zijn op de gemeentelijke watertaken en door de gemeente aangebracht zijn op openbaar terrein. Objecten die gericht zijn op de gemeentelijke watertaken op privaat terrein, waar een zakelijk recht op gevestigd is, vallen ook onder het openbaar riool. x. Particulier riool: de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen gelegen binnen, buiten- of terreinriool-leidingen tot aan het aansluitpunt. y.

Perceelaansluitleiding: het riool en bijbehorende voorzieningen die zich tussen het openbaar riool en het aansluitpunt (ontstoppingsvoorziening of erfgrens) bevinden en die in beheer zijn bij de gemeente. z. Pompput: Een put als buffer van afvalwater en behuizing van een pomp. aa. Rechthebbende: i. de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. ii. de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder I. bedoelde personen. iii. de vereniging van eigenaren in geval een appartementencomplex een of meerdere gedeelde aansluitleidingen heeft. De vereniging van eigenaren wordt in dit geval de melder. bb. RWZI: rioolwaterzuiveringsinstallatie, de inrichting waar afvalwater wordt gezuiverd. cc. Spiegelpeil: niveau van het afvalwater in de rioolbuis, gelegen tussen het hoogste en laagste punt in de rioolbuis. dd. Terugslagklep: een klep die voorkomt dat (afval)water naar de oorsprong (zoals de pompput) kan terugstromen. ee. Vergunningsaanvraag: de schriftelijke aanvraag voor een perceelaansluitleiding of het wijzigen van een bestaande perceelaansluitleiding. ff. Verhang: Een relatief hoogteverschil. gg. Vrijverval: Riolering dat afvalwater of hemelwater afvloeit door stroming welke ontstaat door de ri-olering onder verhang aan te brengen. 33

hh. Vuilwaterriool: een buizenstelsel exclusief voor inzameling en transport van droogweerafvoer en verontreinigd neerslagwater. Paragraaf 2 De aanvraag Artikel 8.2 Vergunningsplicht 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning een aansluiting van een particulier riool aan te brengen of te wijzigen. 2. Het is verboden zonder vergunning een aansluiting tussen een particulier riool en een perceelaansluitleiding tot stand te brengen, te houden en-/of te wijzigen: a. voor de afvoer van afvalwater naar een vuilwaterriool of gemengd riool als er geen vuilwaterriool aanwezig is; b. voor de afvoer van hemelwater en/of drainagewater naar een hemelwaterriool of gemengd riool als er geen hemelwaterriool aanwezig is;. c. voor de afvoer van afvalwater, zonder hemel- en/of drainagewater, naar een minigemaal; d. voor de afvoer van afvalwater zonder hemel- en/of drainagewater, indien ter plaatse dient te worden voorzien in een systeem voor individuele behandeling van afvalwater (IBA). 3. In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot: a. het tot stand brengen van de aansluiting; b. de technische eisen aan de aansluiting; c. het aantal aansluitingen en de locaties van de aansluitingen; d. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende; e.

de periode waarvoor de vergunningsaanvraag wordt geaccepteerd indien de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater of indien het een tijdelijke aansluiting betreft. f. de maximale pompcapaciteit van de pomp in het gemaal als voor het aansluitpunt een gemaal is opgenomen om het afvalwater te kunnen lozen in de openbare riolering. Artikel 8.3 De vergunningsaanvraag 1. De vergunningsaanvraag kan gebruikt worden voor een nieuwe perceelaansluitleiding en voor het wijzigen van de bestaande perceelaansluitleiding. 2. Bij het doen van een vergunningsaanvraag dienen de volgende gegevens in ieder geval door de rechthebbende te worden verstrekt: a. de naam en het adres van de rechthebbende; b. de dagtekening; c. de ligging van de aan te sluiten woning aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel aangegeven op een situatieschets 1:500 of grotere schaal.

34

d. voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft, dient de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen te worden vermeld. Hierbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water (zoals regen- of koelwater) en/of verontreinigd water (zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater) zal worden afgevoerd; e. of er huishoudelijk afvalwater of hemel- en/of drainagewater zal worden afgevoerd; f. een tekening op schaal 1:200 van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool met ten minste de volgende gegevens: i. het leidingverloop; ii. maatvoering in meters ten opzichte van een hoek van de voorgevel van de woning iii. te gebruiken materialen en dimensionering iv. de hoogteligging; v. duidelijk verschil in aanduiding tussen de droogweer- en hemelwaterafvoerleidingen; vi. een legenda. g. als afvalwater via een gemaal wordt geloosd op het gemeentelijk stelsel tenminste de volgende gegevens: i. de capaciteit van de pomp(en) in het gemaal dat op het gemeentelijk stelsel loost; ii. indien naast afvalwater ook hemelwater wordt geloosd, de hoeveelheid verhard oppervlak dat loost via het gemaal; iii. als het een tijdelijke lozing betreft van een bronnering het debiet van de lozing in m3/h en de start- en einddatum van de lozing; 3.

Indien de gegevens bedoeld in het derde lid, reeds zijn vastgelegd in de voor het perceel afgegeven omgevingsvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, kan bij doen van de vergunningsaanvraag voor dit perceel worden volstaan met het overleggen van een kopie van deze vergunning. 4. De vergunningsaanvraag wordt slechts geaccepteerd nadat alle in het derde lid vermelde gegevens zijn verstrekt. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen twee weken na kennisgeving daarvan alsnog aan te vullen. 5. De vergunningsaanvraag dient tenminste 6 weken voor uitvoering gedaan te worden. Artikel 8.4 Afwijzing van de vergunningsaanvraag 1. Een vergunningsaanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is. 2. Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien:

35

a. de hoogteligging van het aansluitpunt (binnenonderkant buis) lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding; b. de bovenzijde van een lozingtoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagklep wordt aangesloten; c. de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater en/of bronneringswater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan; d. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; e. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of door middel van retourbemaling kan worden afgevoerd; f. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor bronneringswater betreft die in nabijheid van een overstort moet worden aangesloten; g. zonder bezwaar op aanwezig oppervlaktewater kan worden aangesloten; h. een omgevingsvergunning voor het aan te sluiten perceel is geweigerd; i. de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van de openbare riolering en de RWZI belemmert; j.

bij nieuwbouw de gevraagde aansluiting een gecombineerde aansluiting is van meer dan één woning of bedrijf, tenzij het pand dezelfde gebruiksfunctie heeft en zich recht boven elkaar bevindt. 3. Een afwijzing van een vergunningsaanvraag is met redenen omkleed, waarbij het college de nadere eisen aangeeft waaraan het particulier riool dient te voldoen om voor acceptatie in aanmerking te komen. Artikel 8.5 Beslistermijn 1. Het bevoegd gezag besluit binnen 8 weken na ontvangst van de vergunningsaanvraag. 2. In afwijking van het eerste lid houdt het bevoegd gezag de beslissing omtrent een vergunningsaanvraag aan indien er geen reden is deze af te wijzen: a. terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning; b. terwijl er voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een vergunning krachtens artikel 8.1 Wet milieubeheer of een ontheffing krachtens artikel 10.63 lid 1 Wet milieubeheer. c. De aanvraag niet volledig is zoals bedoeld in artikel 8.3 lid 4. 3. Rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld. 4. Na verlening van de in lid 2 onder sub a en b bedoelde vergunningen en ontheffing, neemt het bevoegd gezag alsnog binnen 8 weken een besluit op de vergunningsaanvraag. 36

Artikel 8.6 Intrekken, wijzigen of vervallen van de vergunning 1. De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken of gewijzigd, indien: a. ter verkrijging de vergunning onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt, dan wel blijkt dat het gebruik van de aansluiting door rechthebbende niet overeenkomstig de bij de vergunningsaanvraag verstrekte gegevens is; b. na het verlenen van de vergunning, op grond van een wijziging van de omstandigheden of inzichten, door het bevoegd gezag wordt aangenomen dat een intrekking of wijziging noodzakelijk is geworden voor de bescherming van de kwaliteit van het milieu, van de riolering, en de goede werking daarvan; c. de bepalingen in hoofdstuk 10 van deze verordening en/of de aan de vergunningsplicht verbonden nadere voorschriften niet zijn of worden nagekomen; d. rechthebbende dit verzoekt. 2. Indien de rechthebbende binnen 26 weken na ontvangst van de beschikking op de vergunningsaanvraag geen uitvoering heeft gegeven aan de vergunning, vervalt de vergunning van rechtswege. Paragraaf 3 De aansluiting Artikel 8.7 Kosten van de aansluiting 1. Het bevoegd gezag kan kosten in rekening brengen voor behandeling van een vergunningsaanvraag 2. De aanvrager draagt de kosten voor het realiseren van een aansluiting op het hoofdriool. 3.

De aanvrager draagt de kosten voor het realiseren van een perceelaansluitleiding of het aanbrengen en installeren van een (mini)gemaal. Het bevoegd gezag maakt de kosten vooraf inzichtelijk en realiseert de perceelaansluitleiding pas nadat de geoffreerde kosten zijn voldaan. 4. Mocht het hoofdriool aangepast moeten worden om de aansluiting te kunnen realiseren, zijn de kosten van de aanpassingen aan het hoofdriool voor rekening van de aanvrager. 5. Het doen van een vergunningsaanvraag geeft geen ontheffing van het aanvragen van andere vergunningen, benodigd voor het realiseren van een rioolaansluiting. 6. Het doen van een vergunningsaanvraag geeft geen ontheffing voor de kosten van andere vergunningen, benodigd voor het realiseren van een rioolaansluiting. 7. De kosten voor aanleg, wijziging of verwijdering van het particulier riool zijn altijd voor rekening van rechthebbende. Het bevoegd gezag voert geen werkzaamheden uit aan het particulier riool. Artikel 8.8 Uitvoering 1. De door het bevoegd gezag aan te geven (druk)hoogte moet worden bereikt, hetzij door middel van een vrijvervalleiding, hetzij door middel van een pompput met terugslagklep. 2. Op maximaal 50 cm binnen de erfgrens van het aan te sluiten perceel moet een ontstoppingsstuk c.q. controleput aanwezig zijn, tenzij dit niet mogelijk is doordat de gevel 37

van het gebouw op de eigendomsgrens staat. In dat geval, is lid 3 van dit artikel van toepassing. 3. Indien de gevel op de eigendomsgrens staat, dient het ontstoppingsstuk c.q. controleput direct buiten de gevel op openbaar terrein geplaatst te worden. De kosten voor de plaatsing zijn voor rekening van de aanvrager. 4. Het ontstoppingsstuk c.q. controleput aan de koppelingszijde van het particulier riool moet geschikt zijn voor de aansluiting van een buis met een inwendige diameter van 125 mm, tenzij de capaciteit van het hoofdriool een grotere diameter toelaat en de af te voeren hoeveelheid afvalwater dit noodzakelijk maakt. 5. Bij vrijverval riolering dient voor de afvalwaterafvoer een bruine leiding gebruikt te worden en voor de regenwaterafvoer een grijze leiding. 6. Indien gebruik wordt gemaakt van drukriolering, dient gebruik gemaakt te worden van een bruine aansluitleiding. 7. Hemelwater en afvalwater dienen apart aangeboden te worden bij het hoofdriool. Indien bij het perceel alleen een gemengd hoofdriool aanwezig is, dienen evengoed aparte hemelwater- en afvalwaterleidingen gebruikt te worden. Als aangrenzend aan het perceel oppervlaktewater aanwezig is, dient het hemelwater direct afgekoppeld te worden op het oppervlaktewater. Paragraaf 4 Onderhoud Artikel 8.9 Beheer, Onderhoud, Renovatie en Vervanging 1.

Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens het bevoegd gezag en zijn voor rekening van het bevoegd gezag, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende onderhoudsdan wel herstelwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van een particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende zijn. 2. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van drukriolering (zowel de persleiding als het minigemaal op privaat terrein) worden uitgevoerd door of namens het bevoegd gezag en is voor rekening van het bevoegd gezag, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- dan wel herstelwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van een particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende zijn. 3. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding en/of de openbare riolering veroorzaken. b. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie de constructie van de aansluitleiding en/of de openbare riolering aantasten. c. Onjuiste lozingen op een niet daarvoor bedoeld stelsel. d.

Het lozen van grondwater en/of hemelwater op een minigemaal. 4. De kosten voor het onderhoud en renovatie van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende. 38

5. Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van het particulier riool ten gevolge van een wijziging van de openbare riolering. Artikel 8.10 Calamiteiten 1. Bij een verstopping of een andere storing in het particulier riool onderzoekt de rechthebbende of gebruiker, dan wel laat hij onderzoeken, of het een verstopping of een storing betreft in het particulier riool of in de perceelaansluitleiding. 2. Onderzoek naar de locatie van de verstopping dient plaats te vinden middels het opgraven van het ontstoppingsstuk dat zich bevindt op de perceelsgrens. a. Indien er geen ontstoppingsstuk aanwezig is wordt er een gat bovenop de leiding geboord. b. Indien het ontstoppingsstuk gevuld is met water dan is er verstopping aanwezig in het gemeentelijk deel c. Indien het ontstoppingsstuk droog staat dan is er een verstopping aanwezig in het particuliere riool 3. Indien na het in lid 1 en 2 bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding, van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, of een verstopping of storing aan de bij het bevoegd gezag in beheer zijnde installaties, neemt de rechthebbende of gebruiker contact op met het bevoegd gezag voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden.

De rechthebbende of gebruiker dient er zorg voor te dragen dat de ontstoppingsvoorziening zonder graafwerk toegankelijk is voor het bevoegd gezag. 4. Indien door of namens de rechthebbende zonder expliciete voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag werkzaamheden worden verricht, zijn de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende. 5. Indien na het in lid 1 en 2 bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in het particulier riool dient de rechthebbende deze verstopping of storing voor eigen rekening zelf te (laten) verhelpen. 6. Indien de door het bevoegd gezag te verrichten werkzaamheden als gevolg van de in lid 3 bedoelde oorzaken te wijten zijn aan een onjuist gebruik of verzakking van het particulier riool kunnen de kosten alsnog voor rekening komen van de rechthebbende. 7. Indien een storing aan de huisaansluiting gelegen is in de perceelaansluitleiding en niet veroorzaakt wordt door foutief gebruik van de rechthebbende, worden onderzoekskosten als bedoeld in lid 2 vergoed door het bevoegd gezag. Een vergoeding van de onderzoekskosten vindt plaats naar werkelijk gemaakte kosten en wordt gemaximaliseerd tot €250,- (prijspeil 2023). Jaarlijks wordt dit bedrag geïndexeerd. Paragraaf 5 Verwijdering aansluiting, sloop Artikel 8.11 Zorgplicht 1.

Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op de openbare riolering aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat schade van de openbare riolering en de aansluitleiding wordt voorkomen.

39

2. Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft het bevoegd gezag de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende. 3. Indien het gebruik van een perceelaansluitleiding en/of voorziening definitief wordt beëindigd is de rechthebbende verplicht het bevoegd gezag hiervan in kennis te stellen. 4. In het geval van sloop en herbouw is de vergunning niet overdraagbaar indien bij herbouw het pand van rechthebbende of van functie verandert. Paragraaf 6 Strafbepalingen Artikel 8.12 Sancties 1. Overtreding van het bij of krachtens het in dit hoofdstuk bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt, voor zover daarin niet is voorzien bij het Wetboek van Strafrecht of de Wet op de economische delicten, gestraft met een geldboete van de tweede categorie. 2. Het niet doen van een vergunningsaanvraag heeft daarnaast als gevolg dat de rechthebbende verantwoordelijk blijft voor de perceelaansluitleiding. Dit betekent dat de rechthebbende ook verantwoordelijk is voor de gevolgen die de aansluiting kan hebben op het gemeentelijk rioleringsstelsel.

Artikel 8.13 Toezicht Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens deze verordening gesteld zijn belast de bij besluit van het bevoegd gezag aan te wijzen personen of groep personen. Paragraaf 7 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8.14 Hardheidsclausule 1. Indien een strikte toepassing van de bepalingen uit dit hoofdstuk zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan het bevoegd gezag in bijzondere gevallen van het gestelde bepalingen in dit hoofdstuk afwijken. 2. In de gevallen waarin de bepalingen uit dit hoofdstuk niet voorzien, beslist het bevoegd gezag. Artikel 8.15 Overgangsrecht 1. De aanvragen tot aansluiting of wijziging van een aansluiting, die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend en waarop op dat moment nog niet is besloten, vallen onder de bepalingen van deze verordening. 2. Op aansluitingen die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften tot stand zijn gebracht, zijn de bepalingen van afde-ling4 en 5 van hoofdstuk 10 rechtstreeks van toepassing. 3. Bij strijd van deze verordening met bepalingen in overeenkomsten gesloten tussen het bevoegd gezag en de rechthebbende, prevaleert het bepaalde in deze overeenkomsten. Hoofdstuk 9 Afvoer van hemelwater en grondwater 40

Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 9.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. afkoppelen: het beëindigen van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater naar een openbaar vuilwaterriool, door dit afvalwater te benutten, te infiltreren in de bodem dan wel te brengen in oppervlaktewater; b. beheerder: het college van burgemeester en wethouders. c. Hemelwaterberging: een voorziening voor de tijdelijke opslag van water tussen de hemelwaterafvoer en de riolering van waaruit water in de grond kan infiltreren. d. hemelwaterafvoerleiding: een afvoerleiding waarop slechts hemelwater op is aangesloten en afvoert naar openbaar riool; e. mechanische riolering: riolering waarbij de transport van huishoudelijk afvalwater, exclusief hemelwater en grondwater, plaatsvindt met overdruk (drukriolering) of onderdruk (vacuümriolering) f. nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk; g. nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak; h.

openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast.; i. verhard oppervlak: alle oppervlakken die gemaakt zijn van steenachtig of ander materiaal, waaronder daken, tegels, bestratingen, asfaltoppervlakken, etc.; Paragraaf 2 Plichten en verboden Artikel 9.2 Verbod op aankoppelen in geval van nieuw-, aan- en verbouw 1. Het is verboden om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen in het openbaar riool of op de openbaar terrein, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden; 2. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwaterberging heeft ten minste een capaciteit van 50 liter per m² (50 mm) bebouwd oppervlak op het terrein van de perceeleigenaar; b. de te realiseren hemelwaterberging voert de eerste 24 uur vertraagd af, maximaal 1 liter per m² bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool, en is na 60 uur leeg; c. het bergend vermogen van een groen dak is onderdeel van de hemelwaterberging en mag in mindering gebracht worden ten opzichte van het totaal te bergen volume hemelwater 3.

het hemelwater dat na toepassing van het eerste lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd op het oppervlaktewater en als dat niet mogelijk is op de openbare ruimte. 41

De verboden in het eerste lid hebben geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en op de openbare weg; 4. Bij het naleven van de verboden van het eerste lid houdt de beheerder rekening met het gemeentelijk rioleringsplan; 5. De beheerder kan een vergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting tot afkoppelen indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemel- of grondwater kan worden gevergd. Aan de vergunning kan de beheerder voorschriften of beperkingen verbinden. Artikel 9.3 Lozingsverbod mechanische riolering 1. Onmiddellijk met de inwerkingtreding van deze bepalingen is het verboden een hemelwater- of grondwatervoorziening aan te sluiten of aangesloten te houden op de mechanische riolering; 2. Bij het naleven van de verboden houdt de beheerder rekening met het gemeentelijk rioleringsplan; 3. De beheerder kan een voorziening treffen waardoor het niet meer mogelijk is hemel- of grondwater te lozen op de openbare riolering 4. De beheerder kan een vergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting tot afkoppelen indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemel- of grondwater kan worden gevergd.

Aan de vergunning kan de beheerder voorschriften of beperkingen verbinden. Artikel 9.4 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw 1. Het bevoegd gezag kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoer-leiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door genoemde beheerder worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2. De gemeenteraad kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt. 3. De gebiedsaanwijzing heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en op de openbare weg. 4. Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de gemeenteraad riool rekening met het gemeentelijk rioleringsplan. 5. De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop zij bekend gemaakt is. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit dient de afkoppeling te zijn gerealiseerd. De termijn kan met ten hoogte twaalf maanden verlengd worden. 6.

De beheerder kan een vergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedsaanwijzing, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. 42

Hoofdstuk 10 Handhaving, toezicht en strafbepalingen Artikel 10.1 Strafbepaling (oud: art. 6:1 APV) 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:5 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 eerste lid als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. Artikel 10.1a Boetebepaling bestuurlijke boete 1. Overtreding door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1.5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden gestraft met een bestuurlijke boete: 2.1, 2.9, 2.16, 2.23, 2.26, 2.27, 3.4, 3.5, 3.9, 4.2 en 5.1. 2. Bij overtreding door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van een voorschrift als genoemd in de bijlage bij dit artikel (bijlage 3), is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift. Artikel 10.2 Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 141 sub b Wetboek van Strafvordering, alsmede medewerkers van de Omgevingsdienst regio Utrecht die belast zijn met toezichthoudende taken. 2. Het bevoegd gezag kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel 10.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 11.1 Nieuwe grondslag voor nadere regels en aanwijzingsbesluiten Het bevoegd gezag is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen en aanwijzingsbesluiten te nemen. Artikel 11.2 Overgangsbepalingen 1.

Besluiten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Stichtse Vecht 2014, de Bomenverordening Stichtse Vecht 2015, de Verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater gemeente Stichtse Vecht 2016 en de Rioolaansluitverordening gemeente Stichtse Vecht 2015, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 43

2. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van de Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht 2023. Artikel 11.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 31 december 2023 om 23:59 uur. Artikel 11.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht 2023. Ondertekening Stichtse Vecht, 19 december 2023 B. Espeldoorn-Bloemendal Griffier

Voorzitter drs. A.J.H.T.H Reinders

44

Bijlage 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze Verordening Fysieke Leefomgeving en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. aansluitleiding : het particulier riool, het aansluitpunt en de perceelaansluitleiding tezamen. 2. aansluitpunt : de overgang van particulier riool op gemeentelijk riool. a. Bij een pand binnen de private perceelgrenzen is dit de perceelgrens. b. Bij een pand met de gevel op de perceelgrens, is dit een halve meter uit de perceelgrens. c. Bij gemeentelijk vrij verval riool gelegen op privaat terrein, is dit de opzetter op het riool. d. Bij drukriolering is dit de aansluiting op de pompput van het drukrioleringsgemaal. 3. aanvrager : de persoon of organisatie die een huisaansluiting aanvraagt, of een andere persoon of organisatie gemachtigd heeft om de huisaansluiting aan te vragen. 4. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 5. afvalwater : alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. 6. afwijking: het door middel van een vergunning afwijken van de regels in deze verordening of, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de regels in het omgevingsplan (voorheen ‘ontheffing’); 7.

bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; 8. bedrijfsmatig afvalwater : verzamelnaam voor afvalwater dat geproduceerd wordt tijdens bedrijfsmatige processen. 9. beheerplan : een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan voor het beheer van gemeentelijke houtopstanden; 10. beschermde houtopstanden: een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart; 11. besturingskast : een kast met elektronische componenten, waarmee de rioolpomp in een pompput aangestuurd wordt. 12. bevoegd gezag: voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt hieronder, tenzij anders bepaald, verstaan: a. het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, indien het een omgevingsvergunning betreft; b. het college van burgemeester en wethouders in overige gevallen; of c. na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het bevoegd gezag bedoeld in die wet; 45

13. bomeneffectanalyse: een standaard beoordeling van: a. de gevolgen van voorgenomen bouw; of b. de aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; 14. boom: een houtig opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In afwijking van deze minimale dwarsdoorsnede van 10 cm geldt geen minimale dwarsdoorsnede indien het bomen zijn aangelegd op grond van de artikelen 7.10, 7.11 en bij bomen als bedoeld in artikel 7.13 van deze verordening; 15. boomstructuur: een verzameling houtopstanden die samen een - al dan niet onderbroken - lijn of andere verbindingsstructuur vormen door een gebied; 16. boomwaarde: de financiële waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; 17. boomzone: een begrensd gebied van houtopstanden in de openbare ruimte met een specifieke waarde of kwaliteit, dat een samenhangend geheel vormt; 18.

bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; 19. bronneringswater : grondwater onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand; 20. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; 21. drainagewater : grondwater ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem; 22. droogwerafvoer (DWA) : afvalwater tijdens droogweersituatie, dus zonder neerslagwater; 23. dukriool : openbaar riool waarbij door middel van pompinstallaties afvalwater wordt verpompt via een persleiding; 24. dunning : een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende houtopstand zonder dat de buitengrenzen van het plantvak in belangrijke mate worden verkleind en zodanig dat het kronendak van het plantvak nagenoeg gesloten blijft en niet onder de 70% bedekking komt; 25.

fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; 26. gebouw: Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 27. gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

46

28. gebruiker : de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder van het perceel die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool; 29. gemengd stelsel : het openbaar riool waarmee afvalwater en hemelwater door middel van hetzelfde buizenstelsel afgevoerd wordt. In uitzonderlijke gevallen kan er ook grondwater op geloosd worden; 30. gemengd riool : het buizenstelsel voor inzameling en transport van afvalwater en hemelwater; 31. gescheiden stelsel : het openbaar riool met buizenstelsel voor de afvoer van hemel- of drainagewater en een buizenstelsel voor de afvoer van het huishoudelijk- of bedrijfsmatig afvalwater; 32. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer of, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, een gevoelig gebouw als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving; 33. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer of, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, een gevoelig terrein als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving; 34. groene kaart: topografische kaart met daarop aangegeven Boomzones, Boomstructuren, Historische groenstructuren, Kleine landschapselementen, Monumentale bomen met bijbehorend register en Niet-geïnventariseerde terreinen; 35.

grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat; 36. hak- of griendhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; 37. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; 38. hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit; 39. hemelwaterriool : riool exclusief voor inzameling en transport van neerslag en overtollig grondwater; 40. herplantfonds: gemeentelijk fonds dat slechts gebruikt wordt voor herplant van houtopstanden; 41. historische groenstructuur: lijnvormig samenhangend geheel van historisch waardevolle houtopstanden; 42. huisaansluiting : de aansluiting tussen een woning, een woonboot, een bedrijf of een openbare toiletvoorziening en het gemeentelijk hoofdriool; 43. huishoudelijk afvalwater : afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens bestaande uit fecaliën, wc-papier en afvalwater dat vrijkomt uit huishoudelijke processen; 44. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; 47

45. houtopstand : één of meer bomen of boomvormers of andere vitale of dode houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van een Boomzone, Boomstructuur, Historische groenstructuur of Klein landschapselement; 46. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren; 47. IBA(-systeem) : systeem voor Individuele Behandeling van huishoudelijk of bedrijfsmatig Afvalwater. 48. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; 49. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 50. kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen; 51.

kampeermiddel: onder kampeermiddel wordt verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 52. kandelaberen: het snoeien van houtopstand op zo'n manier dat alleen delen van grote takken aan de hoofdstam blijven zitten; 53. klein landschapselement: houtopstanden die behoren tot een historisch ensemble; 54. knotten: het afzagen van de boomkroon tot een hoofdstam met takstompen; 55. melding : de schriftelijke aanvraag voor een perceelaansluitleiding of het wijzigen van een bestaande perceelaansluitleiding; 56. minigemaal : een pompinstallatie om huishoudelijk afvalwater weg te pompen over een persleiding. Een minigemaal bestaat uit een pompput en besturingskast. 57. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 58. monumentale boom : een boom of groep bomen die door leeftijd en/of verschijning beeldbepalend en onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving. Daarnaast kan een boom onder andere ook in wetenschappelijk, ecologisch of cultuurhistorisch opzicht waardevol zijn; 59. NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; 60.

omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevings-wet, een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van die wet; 48

61. niet geïnventariseerd terrein: een terrein dat door de gemeente nog niet geïnventariseerd is op de aanwezigheid van Monumentale bomen; 62. ontstoppingsstuk : een tussenstuk in een rioolleiding dat dient voor de controle en eventueel het ontstoppen van een rioolleiding; 63. openbaar riool : riolering die bij de gemeente in eigendom en beheer is. Onder het openbaar riool vallen alle objecten die gericht zijn op de gemeentelijke watertaken en door de gemeente aangebracht zijn op openbaar terrein; 64. objecten die gericht zijn op de gemeentelijke watertaken op privaat terrein, waar een zakelijk recht op gevestigd is, vallen ook onder het openbaar riool. 65. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; 66. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; 67. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; 68. openbare ruimte: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen en van een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen; 69.

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; (of: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.) 70. particulier riool : de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen gelegen binnen, buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt; 71. perceelaansluitleiding: het riool en bijbehorende voorzieningen die zich tussen het openbaar riool en het aansluitpunt (ontstoppingsvoorziening of erfgrens) bevinden en die in beheer zijn bij de gemeente; 72. pompput: Een put als buffer van afvalwater en behuizing van een pomp; 73.

standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, niet zijnde een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening 74. rechthebbende: I. de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand gehouden; II. de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder I. bedoelde personen; 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2496/documents/56127