B3. VFL 2e wijziging Geconsolideerd SV 2023.pdf
Tekst van het document
Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht 2023 (2e wijziging) Intitulé Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht 2023 (inclusief 2e wijziging) Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling *
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geconsolideerde versie (2025). Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd De artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet. Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen. Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen Datum inwerkingtreding
2 januari 2025
Terugwerkende kracht t/m
Datum uitwerkingtreding
Betreft
Datum ondertekening Bron bekendmaking
Kenmerk voorstel
Wijziging van artikelen 1.10, 2.1, 2.7, 2.9, 3.1, 3.2, 3.5, 3.9 en toevoeging van artikel 4.4.
19 november 2024
386172
in het Gemeenteblad.
1
Verordening fysieke leefomgeving Stichtse Vecht 2023 (inclusief 2e wijziging) Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Toepassingsbereik en doel van de verordening Artikel 1.1 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals die geldt na inwerkingtreding, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet. Artikel 1.2 Doel van deze verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen deze regels (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 2. Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Paragraaf 1.2 Proces, procedure, weigerings- en intrekkingsgronden Artikel 1.3 Verhouding tot de Omgevingswet 1.
De artikelen 1.4 tot en met 1.10 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet. 2. De artikelen 1.4 tot en met 1.10 zijn niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1.4 Beslistermijn (oud: art. 1:2 APV) 1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd gezag kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Voor bepaalde, door het bevoegd gezag aan te wijzen, vergunningen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen (oud: art. 1:4 APV)
2
1. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (oud: art. 1:5 APV) 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1.7 Intrekking of wijziging van vergunning (oud: art. 1:6 APV) Het bevoegd gezag kan de vergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de vergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; e. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f.
aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie, of; g. de vergunninghouder dit verzoekt. Artikel 1.8 Termijnen (oud: art. 1:7 APV) 1. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen overtreft. Artikel 1.9 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning (oud: art. 1:8 APV) 1. Het bevoegd gezag weigert een vergunning in ieder geval: a. Indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3
2. Het bevoegd gezag kan een vergunning in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; b. dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1.10 Experimenteerartikel (oud: art. 1:9 APV) 1. In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt. 2. Het bevoegd gezag kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment. 3. Het bevoegd gezag kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening: a. de hoofdstukken 11 en 12; b.
van hoofdstuk 3, afdeling 3.1 en afdeling 6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Stichtse Vecht 2024 c. de artikelen 2:31 en 2:32 van de Algemene plaatselijke verordening Stichtse vecht 2024. 4. In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen: a. het doel van het experiment; b. de tijdsduur van het experiment; c. van welke regels wordt afgeweken; d. voor welk gebied het experiment geldt; en e. de voorwaarden die het bevoegd gezag verbindt aan het experiment. 5. De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het bevoegd gezag geïnformeerd over het experiment. 6. Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar. 7. Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het bevoegd gezag besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.
Artikel 1.11 Rekening houden met nieuwe wet- en regelgeving Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van wetgeving, beleidsregels, NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging is gepubliceerd. Paragraaf 1.3 Zorgplicht fysieke leefomgeving Artikel 1.12 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving 4
Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.13 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Artikel 1.14 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, draagt er zorg voor dat het stabiel is geplaatst, geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid, de doorstroming van het verkeer niet belemmert en houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 1.15 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen. 2. De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 3.
Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel 1.16 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel 1.17 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 1.18 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De zakelijk of persoonlijk rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
5
Hoofdstuk 2 Bescherming milieu, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Paragraaf 2.1 Voorwerpen op of aan de weg Artikel 2.1 Voorwerpen op of aan de weg (oud: art. 2:10 APV) 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclame-uitingen en spandoeken. 3. Reclame-uitingen direct of indirect verbonden met openbare grond zijn verboden, met uitzondering van reclame aangebracht door houders van een concessie- of bruikleenovereenkomst met de gemeente. 4. Reclame-uitingen op en aan gebouwen en bouwwerken niet zijnde een gebouw, op particuliere grond zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied, zijn verboden tenzij ze rechtstreeks verband houden met de activiteit die op het perceel plaatsvindt. 5. Het bevoegd gezag kan in afwijking van de verboden uit artikel 2.1 een vergunning verlenen. 6.
Indien houders van concessie- of bruikleenovereenkomsten voor reclame een omgevingsvergunning bezitten, is ontheffing op basis van de APV niet nodig. 7. Een vergunning voor het ophangen van spandoeken kan alleen worden verleend voor niet commerciële aankondigingen. 8. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene plaatselijke verordening Stichtse Vecht 2024; b. standplaatsen als bedoeld in de begripsomschrijving (bijlage 1) van de Verordening fysieke leefomgeving 2023; c. kleine objecten die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg worden geplaatst ten behoeve van (bouw)werkzaamheden. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van deze objecten. Het is verboden om zonder voorafgaande melding deze objecten op de weg te plaatsen; d. het maken en hebben van geveltuinen. Het college kan nadere regels stellen voor het maken en hebben van geveltuinen, en e. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 9. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (oud: art. 2:11 APV) 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
6
2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 4. Het verbod is niet van toepassing op geveltuinen als bedoeld in artikel 2.1, achtste lid onder d, voor zover deze voldoen aan de nadereregels die het bevoegd gezag daarvoor vaststelt. Artikel 2.3 Vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg (oud: art. 2:12 APV) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het bevoegd gezag weigert de vergunning als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d.
er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, waarbij de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel 2.4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (oud: art. 2:15 APV) Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2.5 Voorzieningen voor verkeer, veiligheid en verlichting (oud: art. 2:21 APV) 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de veiligheid of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bevoegd gezag maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
7
Artikel 2.6 Objecten onder hoogspanningslijn (oud: art. 2:22 APV) 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Paragraaf 2.2 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 2.7 Vergunningplichtige activiteiten (oud: art. 5:24, lid 1 en 3, APV) 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. Het verbod is niet toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheep-vaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2.8 Verboden activiteiten (oud: art. 5:24, lid 2 en 3, APV) 1.
Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaart-verkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Paragraaf 2.3 Standplaats- en reclameactiviteiten Artikel 2.9 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (oud: art. 5:18 APV en art. 5:20 APV) 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het bevoegd gezag weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 5. De weigeringsgrond uit lid 3 is niet van toepassing op bouwwerken.
8
Artikel 2.10 Toestemming rechthebbende (oud: art. 5:19 APV) Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het bevoegd gezag standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 2.11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (oud: art. 4:15 APV) 1. Het is verboden op of aan een roerende en/of onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Paragraaf 2.4 Parkeren, voertuigen en winkelwagentjes op de openbare weg Artikel 2.12 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen c.q. beperken van: 1. ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente; 2. aanzienlijke overlast en onveilige situaties; 3. het beslag leggen op de beschikbare parkeerruimte. Artikel 2.13 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (oud: art. 5:2 APV) 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstelllen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen Artikel 2.14 Te koop aanbieden van voertuigen (oud: art. 5:3 APV) 1. Het is verboden op een door het bevoegd gezag aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 9
2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen. Artikel 2.15 Defecte voertuigen (oud: art. 5:4 APV) Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 2.16 Voertuigwrakken (oud: art. 5:5 APV) 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.17 Kampeermiddelen en andere voertuigen (oud: art. 5:6 APV) 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg binnen de bebouwde kom; b. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het bevoegd gezag aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; c.
op een door het bevoegd gezag aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, een vergunning verlenen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Artikel 2.18 Parkeren van reclamevoertuigen (oud: art. 5:7 APV) 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen. Artikel 2.19 Parkeren van grote voertuigen (oud: art. 5:8 APV) 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het bevoegd gezag aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het bevoegd gezag aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 10
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het bevoegd gezag kan in afwijking van de verboden een vergunning verlenen. Artikel 2.20 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (oud: art. 5:9 APV) 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 2.21 Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen (oud: art. 5:11 APV) 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.
Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen Artikel 2.22 Overlast van fietsen of bromfietsen (oud: art. 5:12 APV) 1. Het is verboden in het door bevoegd gezag aangewezen gebieden, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het bevoegd gezag aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, in de openbare ruimte te laten staan. Artikel 2.23 Winkelwagentjes (oud: art. 2:14 APV)
11
1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; b. en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje achter te laten op of aan een openbare plaats, anders dan op opstelplaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen. 3. Het bevoegd gezag kan gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of aan een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes direct te verwijderen. 4. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 2.24 Openen straatkolken en dergelijke (oud: art. 2:16 Openen straatkolken) Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken, te verwijderen of af te dekken. Paragraaf 2.5 Bescherming van natuurgebieden Artikel 2.25 Crossterreinen (oud: art. 5:32 APV) 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het bevoegd gezag aangewezen terreinen. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieu-waarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 2.26 Beperkingen verkeer in natuurgebieden (oud: art. 5:33 APV) 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het bevoegd gezag aangewezen terreinen.
Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; 12
3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen. Artikel 2.27 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (oud: art. 2:18 APV) 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden, of andere natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het bevoegd gezag aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Hoofdstuk 3 Voorkomen of beperken geluidhinder en overige hinder Paragraaf 3.1 Voorkomen van geluidhinder Artikel 3.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten (oud: art. 4:2 APV) 1. De geluidsnormen bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.3 gelden niet voor door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 13
3.3 gelden niet voor door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente. 4. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het bevoegd gezag festiviteiten terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van toepassing is conform Paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 7. Het bevoegd gezag kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 6 genoemde waarden. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van een hoger geluidsniveau zoals genoemd in het zesde en zevende lid, uiterlijk beëindigd op een door het bevoegd gezag vast te stellen tijdstip. Artikel 3.2 Melding incidentele activiteiten (oud: art. 4:3 APV) 1.
Het is een inrichting toegestaan op maximaal acht dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.3, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal acht dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.3, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag. 3. In plaats van het bepaalde in het eerste en tweede lid, is het op het terrein van het Recreatiecentrum de Maarsseveens Plassen toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden. 4. De melding is gedaan wanneer het meldingsformulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier staat vermeld. 5.
De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het bevoegd gezag op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van toepassing is conform Paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit
14
leefomgeving. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 7. Het bevoegd gezag kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 6 genoemde waarden. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van een hoger geluidsniveau zoals genoemd in het zevende lid of het achtste lid, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd in de nacht van zondag op maandag, van maandag op dinsdag, van dinsdag op woensdag, van woensdag op donderdag of van donderdag op vrijdag en om 01.00 uur in de nacht van vrijdag op zaterdag of van zaterdag op zondag. 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 3.3 Onversterkte muziek (oud: art. 4:5 APV) 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.
de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
15
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Het bevoegd gezag kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 1 en 2 genoemde waarden. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2. Artikel 3.4 Geluidhinder door dieren Degene die de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 3.5 Overige geluidhinder (oud: art. 4:6 APV) 1. Het is verboden buiten een inrichting om in de openbare ruimte en de private buitenruimte, toestellen, machines, technische installaties of muziekinstallaties in werking te hebben, waardoor voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. 2. Van geluidshinder, zoals bedoeld in lid 1, is sprake als het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, hoger is dan 45 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur, 40 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 35 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen van derden en op de grens van geluidsgevoelige terreinen. 3.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen en kan daarbij geluidsvoorschriften stellen die afwijken van de in lid 2 genoemde geluidsniveaus en/ of van de in lid 2 genoemde beoordelingspunten. 4. De geluidsniveaus zoals aangegeven in lid 2 worden gemeten en beoordeeld conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale omgevingsverordening. Artikel 3.6 Gebruik van aggregaten op schepen in het Amsterdam Rijnkanaal (oud: art. 4:6a, lid 1) 16
Het is verboden een schip af te meren in het Amsterdam Rijnkanaal aan de afmeerplaats in Breukelen indien voor de stroomvoorziening gebruikgemaakt wordt van een aggregaat. Artikel 3.7 Gebruik knalapparaten (oud: art. 4:6b APV) 1. Het is verboden - buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of van het Activiteitenbesluit – één of meerdere knalapparaten in werking te hebben. 2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod in lid 1 een vergunning verlenen en kan daarbij voorschriften stellen aan het gebruik van de knalapparaten. Paragraaf 3.2 Voorkomen van lichthinder Artikel 3.8 Gebruik van verlichting op schepen in het Amsterdam Rijnkanaal (oud: art. 4:6a, lid 2) Het is verboden een schip af te meren en daarbij zodanige verlichting te voeren die voor de omgeving hinder oplevert. Paragraaf 3.3 Vuurverbod Artikel 3.9 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken (oud: art. 5:34, lid 1, 2, 3, 4 en 5, APV) 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b.
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Hoofdstuk 4 Verblijf (kamerverhuur commercieel en recreatief) Paragraaf 4.1 Toezicht op kamerverhuur (oud: Afdeling 5A APV) Artikel 4.1 Exploitatie kamerverhuurbedrijf (oud: Afdeling 5A art. 1, 2 en 3, APV) 1. Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip 17
logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, of diens opvolger onder de Omgevingswet, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen; b. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren. 2. Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd gezag. 3. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag. 4. Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen. Voor de door zorgaanbieders geboden of te bieden huisvesting (verhuur van kamers) en begeleiding aan zorgcliënten, is de verplichting van een exploitatievergunning wel van toepassing. 5. Het bevoegd gezag weigert de vergunning: a. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b.
als de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met een geldend omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; c. als de exploitatie naar zijn oordeel in strijd is met de, op de woonvisie gebaseerde afwegingskaders voor initiatieven woonzorgcombinaties en huisvesting arbeidsmigranten. 6. Bij de toepassing van de in het vijfde lid onder a genoemd belang houdt het bevoegd gezag rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 7. Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken indien de woon- en leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Artikel 4.2 Recreatief verblijf buiten (kamperen) (oud: art. 4:18 APV) 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod een vergunning verlenen. 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of 18
b. een dorpsgezicht. Paragraaf 4.2 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (oud: art. 7.3.1 en 7.3.2 Bouwverordening) Artikel 4.3 Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op vijf. Deze bepaling geldt voor bedrijfsmatig nachtverblijf of in het kader van verzorging. Artikel 4.4 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.1 van de Verordening fysieke leefomgeving is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d.
op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4.2 van de Verordening fysieke leefomgeving zijn aangewezen. Hoofdstuk 5 Openbaar water en waterstaatswerken Paragraaf 5.1 Ligplaatsen Artikel 5.1 Ligplaatsen (oud: art. 5.25, lid 1, 2 en 3, APV) 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het bevoegd gezag kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne-ene en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort, aantal en afmetingen van vaartuigen.
19
3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel 5.2 Aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats (oud: art. 5.25, lid 4 en 5, APV) 1. Het bevoegd gezag kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Hoofdstuk 6 Bouwactiviteiten Paragraaf 6.1 Bodemkwaliteit Artikel 6.1 Doel van de regels over bodem 1. Het doel van de regels in deze afdeling is om de kwaliteit van de bodem te beschermen, verontreiniging tegen te gaan en de kwaliteit van de bodem waar mogelijk te verbeteren. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. 2.
Het doel van deze afdeling is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 8, lid twee van de Woningwet. Artikel 6.2 Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Artikel 6.3 Indeling van het gebied van de gemeente (oud: art. 1.3 Bouwverordening) 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt als indeling van de gemeente: a. Het gebied binnen de bebouwde kom; b. Het gebied buiten de bebouwde kom. 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven. Artikel 6.4 Bodemonderzoek (oud: art. 2.1.5 Bouwverordening) Indieningsvereisten bouwactiviteit bodemgevoelige locatie 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; 20
b. (vervallen) c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3. Het bevoegd gezag staat het geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.
Het bevoegd gezag kan het gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.16 van het Besluit omgevings-recht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 6.5 Verboden activiteiten (oud: art. 2:4.1 en 2.4.2 Bouwverordening) 1. Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit is vereist; en 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. 2.
In afwijking van het bepaalde in dit artikel en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Hoofdstuk 7 Bomen en houtopstanden 21
Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 7.1 Begripsbepalingen (oud: art. 2 Bomenverordening) In deze afdeling wordt verstaan: a. Bebouwingscontour houtkap: buiten deze contour, vastgesteld door de gemeenteraad, zijn de provincie of het Rijk bevoegd inzake het vellen van houtopstanden; b. Beheerplan : een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan voor het beheer van gemeentelijke houtopstanden; c. Beschermde houtopstanden : een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart; d. Bijdrageregeling: tegemoetkoming in de kosten voor het duurzaam in standhouden van een Beschermde houtopstand in privaat eigendom; e. Bomeneffectanalyse: een rapportage, al dan niet voorzien van een werkplan, die is opgesteld door een boomtechnisch adviseur met als doel het inzichtelijk maken van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de (beschermde) houtopstand. f. Boom: een houtig opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In afwijking van deze minimale dwarsdoorsnede van 10 cm geldt geen minimale dwarsdoorsnede indien het bomen zijn aangelegd op grond van de artikelen 7.22, 7.23 en bij bomen als bedoeld in artikel 7.6 van deze verordening; g.
Boomstructuur: een verzameling houtopstanden die samen een - al dan niet onderbroken - lijn of andere verbindingsstructuur vormen door een gebied; h. Boomwaarde: de financiële waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; i. Boomzone: een begrensd gebied van houtopstanden, dat een samenhangend geheel vormt; j. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht; k. Dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende houtopstand zonder dat de buitengrenzen van het plantvak in belangrijke mate worden verkleind en zodanig dat het kronendak van het plantvak nagenoeg gesloten blijft en niet onder de 70% bedekking komt; l. Gemeentelijke bomen: bomen die eigendom zijn van de gemeente Stichtse Vecht; m. Groene Kaart: topografische kaart met daarop aangegeven Boomzones, Boomstructuren, Historische groenstructuren, Kleine landschapselementen, Monumentale bomen met bijbehorend register en Niet-geïnventariseerde terreinen; n. Hak- of griendhout: is een opstandstype waarin op geringe hoogte en op gezette tijden takhout wordt geoogst. De sterk ingekorte stam (stronk, stoel, stoof of stobbe) fungeert als produktiemiddel en dient gedurende zoveel mogelijk hakcyclussen te blijven functioneren.
Stamhout wordt (thans veeleer: werd) niet geoogst, anders dan bij verjonging. o. Herplantfonds: gemeentelijk fonds dat slechts gebruikt wordt voor herplant van houtopstanden; 22
p. Historische groenstructuur : lijnvormig samenhangend geheel van historisch waardevolle houtopstanden; q. Houtopstand: één of meer bomen of een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; r. Kandelaberen: is het volledig terugsnoeien van de habitus tot op de gesteltakken. s. Vormsnoei: het tot de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; t. Klein landschapselement: houtopstanden die behoren tot een historisch ensemble; u. Knotten: het afzagen van de boomkroon tot een hoofdstam met takstompen gevolgd door periodiek verwijderen van uitgelopen takhout waarin op geringe hoogte en op gezette tijden takhout wordt geoogst; v. Monumentale boom: een boom of groep bomen die door leeftijd en/of verschijning beeldbepalend en onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving. Daarnaast kan een boom onder andere ook in wetenschappelijk, ecologisch of cultuurhistorisch opzicht waardevol zijn; w. Niet geïnventariseerd terrein : een terrein dat door de gemeente nog niet geïnventariseerd is op de aanwezigheid van Monumentale bomen; x. Vellen : betreft vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is: a. rooien, kappen of verplanten; b. het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon en/of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste keer knotten of kandelaberen; c.
het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben. Artikel 7.2 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap De geometrische begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving waarbinnen de regels over houtopstanden van hoofdstuk 4 Wet natuurbescherming per 1 januari 2024 artikel 11.111 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn, is opgenomen in het geometrische informatieobject “bebouwingscontour houtkap” in bijlage 2 bij deze verordening. Artikel 7.3 Normadressaat De bepalingen uit dit hoofdstuk gelden voor degene die de activiteit verricht dan wel laat verrichten, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 7.4 Wijze van meten De stamdiameter van een houtopstand wordt gemeten op een hoogte van 130 cm vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de diameter van de dikste stam gemeten. Artikel 7.5 De afstand tot de erfgrens 23
De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,50 meter voor bomen en op nihil voor alle andere heesters en heggen. Artikel 7.6 Zorgplicht 1. Als degene die een activiteit verricht of laat verrichten weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in deze verordening zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; of c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Paragraaf 2 Vellen van beschermde houtopstand Artikel 7.7 Aanwijzing activiteiten Dit artikel gaat over het vellen van beschermde houtopstand die is opgenomen in het geometrische informatieobject Groene Kaart. Artikel 7.8 Groene kaart 1. Het bevoegd gezag stelt een Groene Kaart met Beschermde houtopstanden en Niet geïnventariseerde terreinen vast. 2. De Groene Kaart met bijbehorend Register wordt minimaal een keer in de vier jaar en maximaal een keer in de twee jaar herzien. 3. De Groene Kaart en het register bevatten een samenhangend geheel van de volgende Beschermde houtopstanden: a.
Boomzones; b. Boomstructuren; c. Monumentale bomen; d. Historische groenstructuren; e. Kleine landschapselementen. 4. De Groene Kaart bevat minimaal de volgende gegevens: a. eenduidige, maatvaste inmeting van de Monumentale bomen; b. indeling naar categorieën van de Beschermde houtopstanden, conform het derde lid; c. locatieaanduiding van Niet geïnventariseerde terreinen; d. legenda met toelichting.
24
5. Het Register bevat minimaal ten aanzien van de Monumentale bomen de volgende gegevens: a. redengevende beschrijving; b. soort boom of bomen; c. locatieaanduiding. Artikel 7.9 Melding tenietgaan beschermde houtopstand De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende omgevingsvergunning; b. de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. Artikel 7.10 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; b. het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van het effect van klimaatverandering; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. de beeldbepalende waarde van houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van houtopstand f. een kwalitatief goed bomenbestand. Artikel 7.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. beschermde houtopstand te vellen b. houtopstand te vellen die is aangeplant in het kader van de herplantplicht en daardoor mogelijk kleiner is dan de in artikel 7.1 / de Begripsomschrijvingen van deze verordening genoemde minimum maat van een boom. 2.