CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3f. Bijlage bij Toelichting.NL.IMRO.1904.BPDeVechtCONCEPT-CO02_ToelichtingCHWkaart.pdf

Raad 1 november 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 14. 21:00: Bestemmingsplan De Vecht24.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Stichtse Vecht

Waardevol Levend Land toelichting bij de cultuurhistorische waardenkaart

Gemeente Stichtse Vecht

Waardevol Levend Land toelichting bij de cultuurhistorische waardenkaart

Opdrachtgever: Gemeente Stichtse Vecht

Specialisten in Groen Erfgoed in samenwerking met ARCX en CartoMagie

SB4

Colofon © 2016, SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen te Wageningen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of openbaar worden gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij op papier of digitaal, zonder voorafgaande toestemming van de opdrachtgever, in overleg met SB4. In geval van publicatie, geheel of gedeeltelijk, van dit als intern rapport bedoelde document, kan het noodzakelijk zijn om auteursrechten, copyright, publicatierechten en/of andere rechten te regelen met SB4 of andere partijen. De afbeeldingen in dit rapport zijn in 2014-2016 gemaakt door de auteurs, tenzij de bronvermelding anders aangeeft. De kaarten zijn noordwaarts georiënteerd, tenzij anders is aangegeven door een noordpijl. Projectcoördinatie en landschapshistorisch onderzoek, tekst en opmaak: SB4 Specialisten in Groen Erfgoed ir. C.H.P.M. (Kees) van Dam, ir. E.M.J. (Eric) Blok bnt Costerweg 1-P 6702 AA Wageningen www.sb4.nl Bouw- en architectuurhistorisch onderzoek en tekst: ARCX monumentenzorg en cultuurhistorie ing. H.P. (Peter) Boer en drs. J. (Jacco) Vromen (MA) GIS en cartografie: CartoMagie Cartografisch Ontwerp en Advies drs. E.L. (Eddie) Poppe Projectnummer:

9262

Opdrachtgever: Gemeente Stichtse Vecht Mede-financiering: Provincie Utrecht Contactpersonen: mevr. V. (Valesca) van den Bergh, dhr. mr. T. (Tomas) de Smet, dhr. N. (Niels) van den Berg Versie:

definitief, 27 oktober 2016

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Inhoud INLEIDING...................................................................................................

5

1. BEKNOPTE BIOGRAFIE VAN GEMEENTE STICHTSE VECHT............ 1.1. De vorming van het landschap 1.2. Landschapstypen

7 7 13

2. CULTUURHISTORISCHE KARAKTERISTIEKEN VAN DE GEMEENTE STICHTSE VECHT................................................................. 2.1. Water, wegen en dorpen 2.2. Het cultuurlandschap 2.3. Buitenplaatsen 2.4. Militaire stellingen en waterlinies

17 17 27 33 39

3. DE KERNEN............................................................................................

43

4. STEDEBOUWKUNDIGE ENSEMBLES...................................................

57

5. PROCES.................................................................................................. 5.1. Opgave 5.2. Werkwijze 5.3. Aanbevelingen

61 61 63 77

BRONNEN...................................................................................................

79

3

SB4

Enkele karakteristieke objecten en structuren die tezamen het landschap van de gemeente Stichtse Vecht vormen.

4

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

INLEIDING

Stichtse Vecht is een jonge gemeente met een rijke geschiedenis en vol cultuurhistorische waarden. De verschijningsvorm van de verschillende dorpen en buurtschappen is sterk verbonden met de ontginningsgeschiedenis van dit waterrijke gebied. Een groot aantal monumenten en een variatie aan landschapstypen bepalen in belangrijke mate het karakter van de gemeente. Het unieke lint van historische buitenplaatsen langs de Vecht is internationaal bekend en het verdedigingsstelsel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft de status van Nationaal Landschap en Rijksmonument. De tastbare bewijzen van dit rijke verleden zijn het bewaren waard. Zo blijven herinneringen levend en krijgt het heden meer betekenis. Ons cultureel erfgoed vertelt over de wijze waarop men vroeger leefde en werkte. Over dit verleden is veel bekend, maar informatie is niet altijd of voor iedereen even goed ontsloten. De gemeente heeft daarom het initiatief genomen om de beschikbare kennis samen te brengen en toegankelijk te maken via een cultuurhistorische waardenkaart. Deze digitale kaart maakt de beschikbare gegevens voor een breed publiek toegankelijk. De basis van de kaart bestaat uit een actueel overzicht van alle waardevolle gebouwen en structuren die nog in het landschap en de dorpen aanwezig zijn.

Op deze wijze kan cultuurhistorie een inspiratiebron zijn bij zowel het beheer van de bestaande situatie als de ontwikkeling van toekomstige plannen. Voorliggende rapportage is ontstaan als toelichting bij de digitale cultuurhistorische waardenkaart. In het eerste hoofdstuk wordt een globaal overzicht van de ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente Stichtse Vecht geschetst. In het hoofdstuk daarna wordt specifiek ingegaan op vier verhaallijnen: 1) van de vestiging langs de Vecht en Aa, 2) de grootschalige veenontginningen en turfwinning, 3) de opkomst van buitenplaatsen, en 4) de inrichting van een militair verdedigingssysteem. In het derde hoofdstuk komen alle dorpskernen aan bod, gevolgd door hoofdstuk vier met daarin de meer bijzondere stedebouwkundige ensembles. In het vijfde hoofdstuk wordt ingegaan op het proces van de totstandkoming van de kaart: de opgave en doelstelling, kaders van de werkwijze, methode van informatieverzamelen en waarderen, en betrokken deskundigheid vanuit de project- en klankbordgroep. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een terugblik en aanbevelingen voor implementatie en vervolg. De Cultuurhistorische Waardenkaart voor Stichtse Vecht is opgesteld door SB4 in samenwerking met ARCX en CartoMagie. Vanuit SB4 hebben Kees van Dam en Eric Blok zorggedragen voor het onderzoek naar de landschappelijke aspecten en de projectcoördinatie.

Peter Boer en Jacco Vromen hebben namens ARCX het bouwhistorische onderzoek verzorgd. Eddie Poppe heeft vanuit CartoMagie de verwerking van alle onderzoeksgegevens in GIS verricht.

5

SB4

Waterlopen en verlande tracés (gestippeld), waarop de occupatie van het gebied zich gericht heeft.

6

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

1. Beknopte biografie van Gemeente Stichtse Vecht

1.1. De vorming van het landschap Introductie De gemeente Stichtse Vecht ontleent haar naam aan de rivier de Vecht, die van het zuiden naar het noorden over het grondgebied stroomt. Al in de vroege middeleeuwen vormde de Vecht een belangrijke verbinding met het noorden en het Oostzeegebied. De Bisschop van Utrecht had hier uitgebreide bezittingen. Op zijn initiatief werd in de loop van de elfde eeuw gestart met de grootschalige ontginning van het woeste moerasland en de aanleg van dijken. Als onderdeel van de handelsroute naar het Duitse achterland was de rivier inmiddels van groot belang geworden. De Aa en de Angstel waren belangrijke zijrivieren van de Vecht. In de vork van de Vecht en de Aa ontstond Breukelen, Loenen ontwikkelde zich op de splitsing van de Vecht en een riviertak van de Angstel. Als verbetering van de verbinding met Amsterdam werd omstreeks 1448 de Nieuwe Wetering gegraven, die de Vecht met de Angstel verbond. Bij de sluis ontstond het dorpje Nieuwersluis. In de middeleeuwen was Loenen een kerkdorp van bescheiden omvang langs de Vechtdijk. De plaats strekte zich uit tussen het in 1837 gesloopte kasteel Kronenburg in het zuiden en de korenmolen aan de noordzijde, met bebouwing aan weerszijden van de Dorpsstraat. Vanaf de 17e eeuw zorgde de groei van Amsterdam voor een toename van het scheepvaartverkeer.

Ook de bouw van buitenplaatsen en winning en het transport van turf zorgde voor grotere drukte op het water. Langs de rivier werden nieuwe jaagpaden aangelegd en hinderlijke bochten werden afgesneden. Voor het vervoer van personen kwam tussen Utrecht en Amsterdam een regelmatige veerdienst met trekschuiten. De trekschuit was een veilig en comfortabel vervoermiddel, maar wel traag. Na de aanleg van het Merwedekanaal aan het eind van de 19e eeuw was de Vecht voor de beroepsvaart enkel nog van lokaal belang. De plaats van vrachtschepen werd ’s zomers steeds meer ingenomen door pleziervaart, gestimuleerd door de opkomst van de watersport op de Loosdrechtse plassen en de goede verbinding met de randmeren en het IJsselmeer. De natuurlijke ondergrond Aan de vestiging van de eerste mensen in het gebied en hun beïnvloeding van het landschap gaat een lange geschiedenis vooraf, waarin de natuurlijke ondergrond is ontstaan.1 Zo bereikten in de voorlaatste ijstijd (ca. 150.000 jaar geleden) de ijskappen Midden-Nederland en werd door opstuwing van de ondergrond de Utrechtse Heuvelrug gevormd. Deze bevindt zich ten noordoosten van het plangebied en is onder meer altijd van grote invloed geweest door het kwelwater dat vanuit de heuvelrug in het gebied van Stichtse Vecht omhoog kwam. In de laatste ijstijd (ca.

20.000 jaar geleden) werd door de wind veel zand verplaatst en afgezet, die zich op grotere diepte in de ondergrond van Stichtse Vecht bevindt. In de periode daarna (het holoceen) stegen de temperaturen en vormde de Rijn met haar aftakkingen een vlechtend netwerk van stroomruggen. Deze in de loop der tijd verzande stroomgeulen zijn in de ondergrond aanwezig en zijn bijvoorbeeld bepalend geweest voor de locatie van de dorpskern van Kockengen en ook herkenbaar als zone tussen Loenen en Loenersloot. Door de stijging van de zeespiegel en het grondwater stagneerde de afwatering en kon vanuit de waterrijke omstandigheden in combinatie met afgestorven plantenresten en de klimatologische omstandigheden een dik veenpakket ontstaan. Door het veengebied stroomden rivieren naar zee, zoals de Vecht en de Aa. Langs de rivieren ontstonden door afzetting oeverwallen, waarop later mensen een stevigere bodem vonden om zich op te vestigen. Dichtbij de rivier werd het grofste materiaal (zand) afgezet en verder weg het fijnste materiaal (klei). Deze oeverwallen lopen langs de lengte van de Vecht, Aa en Angstel, maar worden naar het noorden (voormalige Almere of Zuiderzee) toe wel steeds smaller.

1

Zie o.a.: Steven de Clercq, Land uit Water, in: Jaarboek Niftarlake, 2014, p. 80-103; www.vensteropdevecht.nl.

7

SB4

De Vecht bij Vreeland.

De buitenplaats Zwaanwijk bij Nigtevecht.

Onverharde wegen aan het begin van de 20e eeuw in Portengen.

Restanten van het park van buitenplaats Welgelegen in de Dorssewaard (naast Vreedenhorst).

8

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

De oeverwallen: eerste bewoning De oeverwallen langs de Vecht, Aa en Angstel waren hoger en droger gelegen en het meest toegankelijk in de woeste wildernis van het nog niet ontgonnen veenlandschap. Dit waren dan ook de eerste plekken die werden betreden en bewoond. Mogelijk vond hier al vanaf het begin van de IJzertijd (800 voor Chr.) bewoning plaats. In de Romeinse tijd kreeg de Vecht haar huidige loop. Vanaf dat moment waren er goede permanente vestigingsmogelijkheden. Echte nederzettingen uit deze periode zijn niet bekend. Wel is bekend dat de Vecht in deze periode werd gebruikt als belangrijke vaarroute naar het noorden. Om zijn belangen in de Vechtstreek te verdedigen tegen het opdringende graafschap Holland werden op strategische plaatsen - langs de Angstel en later aan de Vecht - kastelen gebouwd. Dit leidde tot zo’n 20 kastelen in de omgeving van de Vecht, waaronder Vreeland, Oudaen, Gunterstein, Nijenrode, Bolenstein, Snaefburg en Zuilen, maar ook Loenersloot aan de Angstel en Ruwiel en Ter Aa aan de Aa. De meeste kastelen zijn in de loop der eeuwen gesloopt of omgebouwd tot buitenplaats. In het noorden van de gemeente ligt kasteel Loenersloot. De heren van Loenersloot waren verantwoordelijk voor de veenontginning ten westen van de Angstel.

Het oudste deel van het kasteel stamt uit de 13e eeuw en bestaat uit een forse ronde woontoren, omsloten door een ringmuur en een gracht. Op belangrijke knooppunten op de oeverwal vormden zich tevens nederzettingen als Nigtevecht, Vreeland, Nieuwersluis, Loenen, Breukelen en Maarssen. Deze vestigingen ontstaan veelal waar waterlopen samenkomen of splitsen, zoals de vlechtende stromen van (latere) Vecht en Aa (Breukelen, Loenen, Loenersloot) of stroompjes uit het veen in de Vecht uitmonden (Maarssen, Zuilen).2 Op de individuele kernen wordt in een volgend hoofdstuk verder ingegaan. Vroege en systematische veenontginningen Met de permanente vestiging van mensen in de streek begon ook het ontginnen van de grond om deze geschikt te maken voor de verschillende landbouwgewassen. Vanuit de nederzettingen, geschiktheid van de ondergrond en technische en organisatorische mogelijkheden liep deze ontginning gefaseerd. Het eerst werden de oeverwallen langs de rivieren in gebruik genomen als akker. Het gebied tussen Vecht en Angstel werd waarschijnlijk reeds voor de grote ontginningen in het zuiden van de gemeente in gebruik genomen. Zowel vanuit Braambrugge als vanaf de Vechtoever werd het land ontwaterd, waarbij de Indijk als achterkade werd opgeworpen.

Ook de polders ten oosten van de Vecht, zoals de Dorssewaard, polder Mijnden en polder Breukelen-Proosdij werden mogelijk al vroeg ontgonnen. Vanaf de 10e-11e eeuw kwamen onder strakke regie van de bisschop en zijn leenmannen aan weerszijden van de rivieren omvangrijke ontginningen op gang. Hierbij werd aan een groep ontginners een blok ‘wildernis’ uitgegeven, waarbij men begon vanaf vaste grond (de ontginningsbasis: de oeverwal of een kade), twee zijweteringen en een achterwetering met achterkade maakte. De breedte en diepte van de percelen lag bij het cope-systeem vooraf vast op ca. 110 bij 1250 meter of er was sprake van een ‘vrije opstrek’. De eerste systematische ontginning vond (vanuit Loenersloot) plaats vanaf de Angstel en kreeg de namen Oukoop en Oud-Aa. De Oukoperdijk langs de Oude Aa werd (later) verlengd in noordelijke richting, zodat de ontsluitingsweg midden door de ontginning kwam te liggen. Vervolgens werden de veengronden ten zuiden hiervan volgens het cope-systeem uitgegeven. Ten westen van de Vecht ontstonden zo achtereenvolgens de Otterspoorbroekse en Maarssenbroekse Dijk, Kortrijkse Dijk, Portengse Dijk, Wagendijk (Kockengen) en Spengense Dijk parallel en op min of meer regelmatige afstand van elkaar. Vanuit het zuiden werd vanaf de Nieuwkoopse Dijk ontgonnen.

De ontginningen begonnen met het graven van sloten vanaf de oeverwallen, zodat het moeras ontwaterd werd. Daarbij hanteerde men een vaste maatvoering met lange en smalle percelen, omgeven door water. Het gehele proces verliep in verschillende fasen, waarbij de ontginningsbasis telkens een stukje opschoof. De ontginningen waren aanvankelijk gericht op het creëren van geschikte grond voor akkerbouw. Boeren vestigden zich langs de verschillende ontginningsbases, waardoor in het buitengebied langgerekte boerderijlinten en lintdorpen ontstonden. 2

http://www.vensteropdevecht.nl/historie/135.html

9

SB4

Ontginning van het gebied: aanvankelijk onregelmatig op de zandige oeverwal van Vecht, Aa en Angstel (bruin); later systematisch en regelmatig op de veengronden (groen).

10

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Het ontwateren van het veen leidde in de loop der tijd tot inklinking en daling van het maaiveld. Hierdoor vond een ‘inversie’ van het landschap plaats waarbij de oorspronkelijk hoger gelegen veengronden lager kwamen te liggen dan de stroomgordels van de rivieren. Zo ontstond ook een probleem met de afwatering van de veengebieden. De veengrond werd hierdoor steeds minder geschikt voor akkerbouw en de boeren schakelden geleidelijk over naar veeteelt met grasland. Men groef in de 14de en 15de eeuw nieuwe afwateringskanalen, zoals de Heicop en de Bijleveld. Deze werden ter hoogte van Kockengen om de bestaande bebouwing heen gelegd. De introductie van de windmolen omstreeks 1500 zorgde voor een verbetering van de waterhuishouding. Daardoor kon het land beter benut worden en groeiden de boerenbedrijven. De ontginning van de oostelijke veengebieden vond plaats in lange smalle stroken naar achteren toe. Er werden vele slootjes gegraven voor afwatering en de daling van de grondwaterspiegel. Begonnen werd vanaf de ontginningsbasis de Hoofddijk, de huidige Groeneweg. Aanvankelijk werden de huizen waarschijnlijk in hout gebouwd, zodat ze weer konden worden gedemonteerd en verplaatst naar de volgende dwarsdijk. Later gebeurde het verplaatsen van de huizen niet meer en ontstonden bewoningsassen langs de rechte ontsluitingswegen, zoals Tienhoven.

Ontginnginsbases als de Herenweg - Gageldijk en Oude Dijk - Westbroekse Binnenweg bleven tot in de 19e eeuw dunbevolkt. De winning van veen ten oosten van de Vecht leidde vanaf de 16e eeuw geleidelijk tot het ontstaan van grotere waterplassen, inclusief het ontstaan van hakhout, rietland of moerasbos op de restgronden. In de tweede helft van de 19e eeuw slaagde de markies De Béthune erin om een groot gebied droog te malen, hoewel pas met deelname van de stad Amsterdam in 1930 - met het oog op drinkwater - de hydrologische situatie verbeterde. Diverse percelen bleven drassig, zoals de Veenderij en het Bosje van Robertson. De nieuwe polderwegen waren aanvankelijk onbeplant; pas in de tweede helft van de 20e eeuw krijgen Nieuwe Weg, Middenweg en Maarsseveensevaart wegbeplanting. De aanleg van twee grote zandwinplassen, als onderdeel van de ruilverkaveling Maarsseveen, heeft omstreeks 1960-1970 grote invloed op het landschap rondom Maarsseveen en Molenpolder.

11

SB4 Oeverwal van Vecht en Aa Overgangszone vanaf oeverwal Vroege veenontginningen Westelijke veenweidegebied Oostelijke veenweidegebied Veenplassen Droogmakerij Oude dorpskern Bebouwde kom (rode contour)

Landschapstypen in de gemeente Stichtse Vecht.

12

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

1.2. Landschapstypen Op basis van hierboven globaal beschreven ontstaansgeschiedenis, alsmede de huidige verschijningsvorm van het landschap, is een indeling gemaakt in landschapstypen.3 Deze zijn aan de hand van aarden bodemkundige kenmerken, hoogteverschillen, occupatie- en verkavelingspatroon, landschapsstructuur en -kenmerken nader te duiden. Oeverwal van Vecht en Aa met overgangszone De oeverwal vormt de smalle zone waar de riviertjes het meer grove sediment hebben afgezet. In de aanwezigheid van dit sediment in de ondergrond zijn ook de verdwenen of verzande rivierlopen te vinden, zoals van de Aa en Loenerlaak tussen Loenen en Loenersloot. Een oudere stroomrug loopt via kasteel De Haar langs Kockengen naar de Aa. Deze zandige Spengense stroomrug gaf aanleiding om temidden van het veen het dorp Kockengen te vestigen. In de landschapsstructuren is deze smalle stroomrug echter vrijwel niet te onderscheiden. De Angstel (of Nieuwe Wetering) tussen Ter Aa en Loenersloot is een relatief recente loop die geen oeverwal kent. Op de oeverwallen van de Vecht en Aa ontstonden de nederzettingen, bedrijvigheid en later ook de buitenplaatsen. De oeverwallen liggen relatief hoog en hebben vaak kleine hoogteverschillen, mede door diverse afgravingen die hebben plaatsgevonden (klei- en zandwinning).

Ze kennen een meer onregelmatig verkavelingspatroon - ook door de bochtige loop van de riviermeanders - met relatief grote blokverkaveling, soms zonder perceelssloten. De zone is landschappelijk relatief verdicht door (park) bossen, bebouwing en boomgaarden. Ten noorden en zuiden van Maarssen zijn voormalige meanders van de Vecht nog herkenbaar in de landschapsstructuur. Met name de zone Rietveld - Cromwijk - Oudaen is hierdoor gevormd, waarbij vroege huizen, steenfabricage en buitenplaatsen samenhangen met de zandige en kleirijke bodem. De overgangszone tussen oeverwal en veenontginningen is veelal vroeg ontgonnen en kenmerkt zich doordat de sloten en kavelranden veelal recht, geknikt en op onregelmatige afstand van elkaar zijn. Polder Dorssewaard vormt zo’n oude agrarische ontginning tussen Vechtdijk en Kleizuwe. Vroege veenontginningen De vroege veenontginningen zijn hoofdzakelijk direct aansluitend aan de oeverwallen gelegen en zijn sterk beïnvloed door de rivier (kommen), waardoor zij iets hoger liggen en klei aanwezig is. De ondergrond kent relatief veel kleine hoogteverschillen. De sloten en kavelranden zijn veelal recht, geknikt en op onregelmatige afstand van elkaar. Ook bevinden zich grotere blokken nabij de rivier. Slootkanten zijn vaak steiler. Het landschap is hoofdzakelijk open, waarbij de oudere bebouwing zich veelal aan de rand, op de oeverwallen is gesitueerd.

De Breukelerwaard tussen Breukelen en Ter Aa vormt een vroege ontginning, die vanaf de randen in diverse richtingen heeft plaatsgevonden. Dit gebied ligt thans grotendeels binnen de bebouwde kom van Breukelen. De Hoekerpolder, polder Garsten, polder Voorburg en polder Holland vormen een vroege agrarische ontginning vanaf de Vechtdijk. De Indijk vormt de scheiding tussen polders. Het gebied kent een karakteristieke openheid met scherpe, rechte dorpsranden bij Vreeland en Loenen. Westelijk veenweidegebied Het westelijke veenweidegebied kent een ondergrond die hoofdzakelijk bestaat uit bos- of rietzeggeveen. In de regelmatige verkavelingsblokken is de wijze van ontginnen zichtbaar. Vanaf de reeds ontgonnen gronden werd een rechte ontginningsbasis uitgezet, vrijwel parallel aan de rivierloop. Vervolgens kreeg elke ‘kolonist’ een vaste maat van een perceel toebedeeld: in een cope werd vastgelegd dat de ‘hoeve’ 30 roede breed (ca. 110m) en 6 voorlingen diep (ca. 1250m) was. Aan de achterkade werd vervolgens een nieuwe ontginningsbasis uitgezet met dezelfde maten, zodat een regelmatig patroon van ontginningsblokken ontstond tussen de Vecht en Aa aan de oostzijde en de ‘Hollandse’ ontginningen aan de westzijde.

Door geleidelijke vernatting (als gevolg van inklinken en oxidatie veen) werden percelen in de breedte en diepte opgesplitst door sloten, zodat thans een dicht slotenpatroon aanwezig is. De bebouwing is in dit landschapstype veelal geconcentreerd in boerderijlinten, op de ontginningsbases, met uitzondering van Kockengen. De erven kennen van oorsprong diverse kleinschalige functies, 3

De kaart met landschapstypen is mede gebaseerd op de Actuele Hoogtekaart, Bodemkaart en Kadastrale situatie in 1832 (hisgis).

13

SB4

Sloten, weiland en bos: verre doorzichten in het polderlandschap bij Tienhoven.

Windmolen ‘De Trouwe Wachter’ bij Tienhoven.

Beelden van de Bethunepolder

Topografische kaart van de Bethunepolder uit 1901.

14

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

zoals geriefhout- of hakhoutbosjes, boomgaarden, bouwlandjes en moestuinen. Ook waren de hoofdwatergangen van belang voor het vervoer van goederen en werd op kleine schaal (droog) turf gewonnen uit de slootkanten. Het veenweidegebied is hoofdzakelijk open en vlak (weinig hoogteverschillen), al liggen van oorsprong verspreid achter op de kavels diverse kleine bosjes, zoals nog rondom Kockengen te zien is. Oostelijk veenweidegebied met veenplassen en droogmakerij De ontginning van het oostelijke veenweidegebied vond eveneens vanaf de Vechtzijde plaats. Er was echter sprake van een vrije opstrek, zonder vooraf bepaalde achtergrens.4 De ontginningsbases schoven telkens mee naar het oosten, tot de definitieve vestiging op onder meer de Tienhovense kade en Looydijk. Net als het westelijke veenweidegebied is het oostelijke relatief vlak. De openheid wordt echter vaak onderbroken door kleine of grote veenplassen met opgaande begroeiing (bos). Bebouwing is geconcentreerd in het relatief dichte boerderijlint van Tienhoven en Oud-Maarsseveen. De ontginningsbasis aan de westzijde (Zogwetering) vormt nog de grens met de bebouwde kom van Maarssen. De oostelijke venen bestonden voor een deel uit mosveen, dat populair was bij de winning van turf, zodat grote delen werden afgegraven. Deze natte turfwinning mocht plaatsvinden op voorwaarde dat smalle landstroken overbleven.

Deze landstroken werden tevens gebruikt voor het drogen van de turf en werden legakkers genoemd. Veel legakkers kalfden af en werden door weer en wind weggespoeld, waardoor plassen ontstonden, veelal aangeduid als ‘veenplassen’ ter onderscheid van de natuurlijke meren. Juist de veenplassen in Stichtse Vecht, zoals in de Kievitsbuurt, de Molenpolder en bij Tienhoven kennen nog een relatief gaaf patroon van langwerpige legakkers en petgaten. Een groot plassencomplex werd na diverse pogingen drooggemaakt, waarmee de Bethunepolder ontstond. Deze eind-19e-eeuwse droogmakerij tussen Maarsseveense Vaart en Tienhovense Vaart wordt gekenmerkt door een rationeel verkavelingspatroon. De vierkante hoofdblokken zijn verdeeld in 4 of 8 langwerpige percelen. De beplante middenweg verdeeld het gebied in tweeën. Met de moerasbossen aan de noordwestzijde en de beplanting van de middenweg en erven is de droogmakerij minder open dan in eerste instantie van het grootschalige gebied zou worden verwacht. Aan de zuidwest- en noordoostzijde (langs dorp Tienhoven) bevinden zich karakteristieke hoogteverschillen van de voormalige oeverrand van de waterplas. Aan de westzijde bevindt zich het gemaal dat de drooglegging verzorgd, met aansluitend het drinkwaterkanaal.

4

Zie: Blijdenstijn, 2015, p. 365.

15

SB4

Systeem van rivieren en waterlopen, dorpen en bijzondere bebouwing, en infrastructuur.

16

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

2. cultuurhistorische karakteristieken van gemeente Stichtse Vecht Er zijn diverse thema’s die karakteristiek of specifiek zijn voor de gemeente Stichtse Vecht. Om een overzicht en historisch context te geven wordt ingegaan op enkele representatieve voorbeelden. Hiermee is gepoogd om samenhang te brengen in uiteenlopende objecten, zodat deze meer zijn dan een op zichzelf staand element. 2.1. Water, wegen en dorpen Kastelen en machtcentra Op strategische plekken aan de Vecht en Angstel werden vanaf de 11e eeuw verschillende versterkte huizen gesticht, variërend van eenvoudig stenen huis tot volwaardige ridderhofstad. Tot de erkende ridderhofsteden behoorden Slot Zuilen te Oud-Zuilen, Ter Meer en Bolenstein te Maarssen, Oudaen, Nijenrode (ca. 1275) en Gunterstein (ca. 1300) te Breukelen, Ruwiel, Ter Aa (ca. 1050) en Clarenburg bij Nieuwer Ter Aa, en de kastelen te Loenersloot en Vreeland. Voorname huizen als Croonenburg en Mijnden (Loenen, Hollands bezit) of Snaefburg vielen hier buiten.

Over het precieze aanzien van ‘stenen huizen’ als Angstel (tussen Nieuwer ter Aa en Loenersloot), Groenvelt (ten noorden van Vreeland), Huis te Velde (Loenen), Aastein, Vroonhoeve De Poel (Breukelen), Huize Rietveld, de Merenhofstede en Oostwaard (Maarssen) is weinig bekend.1 Rechthuizen, raadhuizen, gemeentehuizen Het gebied was gedurende verschillende tijden verdeeld in meerdere en kleinere bestuurseenheden. Nadat de macht van de kasteelheer zich (deels) verplaatste naar de burgerij ontstonden rechthuizen, waarvan onder meer aan de Kerkbrink te Breukelen een voorbeeld staat. Vaak werden herbergen hier ook voor gebruikt zoals Het Kraaijenest voor Breukelen-Proosdij (bij de sluis in het Tienhovens Kanaal), Het Zwarte Varken voor Maarsseveen (bij Sluisvaart, thans verdwenen) en De Vergulde Roskam in Vreeland (thans De Nederlanden). Ook Loenersloot (gerechtshuis), Nieuwersluis (gemeenlandshuis), Tienhoven (‘t Oude Regthuys) en Oud-Zuilen (boerderij met rechthuis; raadhuis, 1896) kenden dergelijke onderkomens voor het bestuur of de rechtspraak. In de 19e eeuw werden verschillende gemeentehuizen gebouwd of in een bestaand pand gevestigd, zoals in Loenen (raadhuis, 1712; rechthuis, logement, gemeentehuis met vml. gymnastieklokaal, vanaf ca. 1720), Kockengen (1877 in vml pastorie, 1938 in vml school), Nigtevecht (1863) en Oud-Zuilen (1896).

Aan het einde van de 19e eeuw waren er nog 13 afzonderlijke gemeentes: Loenersloot (incl. Oukoop en Ter Aa), Ruwiel (incl. Ter Aa en Breukelerwaard), Kockengen (incl. Spengen), Laag-Nieuwkoop, Breukelen-Nijenrode, Breukelen-St-Pieters, Loenen, Vreeland, Maarssen, Maarsseveen, Nigtevecht, Tienhoven en Zuilen. In 1925 werd Boom en Bosch in gebruik genomen als gemeentehuis van Breukelen-Nijenrode en later ook van samengevoegde gemeentes. De gemeente Maarssen vestigde zich in 1961 op Goudestein. In Loenen werd ook een voormalige buitenplaats in gebruik genomen als gemeentehuis, namelijk Beek en Hoff, hoewel dit pas in 1995 geschiedde.2 Kerken De oude kernen zijn vrijwel allemaal voorzien van een historische kerk of kapel, veelal na de reformatie als protestantse kerk voortgezet. Schuilkerken waren er onder andere aan de Kerklaan, op boerderij Het Honderd en naast de buitenplaats Beeresteijn op de westoever te Maarssen. Na herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kwam ook in deze gemeenten de bouw van katholieke kerken op gang, zoals in Breukelen (aan Rijksstraatweg, 1795 en aan Herenstraat, 1880-1885), Loenen (Prinses Margrietlaan, 1964), Maarssen (Breedstraat, 1885) en Kockengen (Voorstraat, 1844-1854).

Ook bijzondere protestantse kerken (gereformeerd of hervormd) werden nieuw gebouwd: Loenen (Oud Over, 1890; Dorpsstraat, 1922; Prinses Beatrixweg, 1952), Vreeland (Nigtevechtseweg, 1906), Nigtevecht (Dorpsstraat, 1890), Breukelen (Rijksstraatweg, 1908-1909; Mercklenburgstraat, 1955), Maars1 2

Zie ook: A.A. Manten en B.F. van Wallen, De functie van de stenen kamers Galgweert en Broekelreweert bij Breukelen, In: Tijdschrift Historische Kring Breukelen, jrg 14, nr. 2, 1999, p. 67 - 76. Manten/Lameris, 2008, p. 111; Gaasbeek, 2007, p. 146; Stades-Vischer, 2000, p. 62.

17

SB4

Begraafplaatsen en kerken in uiteenlopende stijlen.

De regio in het begin van de 17e eeuw.

Mijndensche molen bij Nieuwersluis

Jaagpaden langs de Vecht

18

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

sen (Kerkweg, 1892; Kerkweg-Gaslaan, 1932; Westhillkapel, 1913; Wilhelminaweg, 1901), Kockengen (Nieuwstraat, 1879), Tienhoven (Laan van Nifterlake, 1813; Laan van Nifterlake, 1960) en Nieuwer ter Aa (Dorpsstraat-Van Reedestraat, 1928). Vaak werd bij kerkelijke gebouwen tevens een pastorie en/of een parochiehuis gebouwd (Kockengen, Kerklaan, Breukelen, Maarssen, Loenen, Nigtevecht). Een enkele keer is ook het kerkhof nog aanwezig (Kerklaan, Nigtevecht, Breukelen, Nieuwer ter Aa). Begraafplaatsen Begraafplaatsen vertegenwoordigen een belangrijke plek binnen de gemeente, met relatief weinig dynamiek maar wel betekenisvol vanuit de dorpshistorie. Vrijwel altijd vormen de begraafplaatsen een ensemble van grafvelden, baarhuisje en/of kleine aula, padenpatroon, poort en hekwerken, en groenstructuur.3 Eén van de eerste (in Nederland) buiten het dorp was de begraafplaats van Oud-Zuilen uit 1782.4 Na de Franse Tijd (1795-1813) en het decreet van koning Willem I uit 1827 (in werking stelling in 1829) dat plaatsen met meer dan 1000 inwoners voor een begraafplaats buiten de bebouwde kom moesten zorgen, volgden er meer nieuwe begraafplaatsen (Breukelen, ca.

1827; Loenen, 1828).5 Vaak leidde de wens van het katholieke bevolkingsdeel om op eigen (gewijde) begraafplaatsen te worden begraven, eveneens tot de aanleg van begraafplaatsen (Beeresteijn te Maarssen, 1828; Kockengen, 1873).6 Momenteel zijn er zowel in gebruik zijnde als buiten gebruik gestelde begraafplaatsen en kerkhoven.7 Drie zijn aangewezen als monument: de begraafplaats te Oud-Zuilen, de Jodenbegraafplaats te Maarssen en de oude begraafplaats te Breukelen. Vaarroutes De natuurlijke wateren vormden (vanzelfsprekend) in eerste instantie de belangrijkste vaarwegen. Tussen Utrecht en Amsterdam betrof dit aanvankelijk de route vanuit Utrecht over de Vecht en na Breukelen via de Danne, de Aa en de Angstel. Mogelijk heeft de Loenerlaak tussen Loenen en Loenersloot ook nog een betekenis gehad voor de scheepsvaart, maar deze route zou al in de Middeleeuwen verzand zijn. Ook de Aa raakte geleidelijk verzand, terwijl de Hinderdam (uit 1437) scheepvaart via de Vecht ontmoedigde. Specifiek voor de scheepvaart werden de Stadswetering (1390) en Nieuwe Wetering (1448) gegraven op initiatief van de stad Utrecht. Deze laatste leidde tot het ontstaan van het dorp Nieuwersluis. Diverse bochtafsnijdingen verkortten de vaarroute, zoals te Maarssen (ca. 1100), Vreeland (14e-15e eeuw) en De Nes (ca. 1629-1631).

De verschillende afwateringskanalen werden tevens benut voor transport van goederen over het water, zoals Heycop (1385), Bijleveld (1413), Tienhovens Kanaal, Maarsseveensevaart, Nedereindsevaart en Haarrijn.8 Dijken, kades, bruggen, pakhuizen Vanaf de 12e eeuw werden dijken aangelegd om wateroverlast tegen te gaan. Dit hing ook samen met de ontginning van de veengebieden, de ontstane landbouwbelangen aldaar en de geleidelijke inklinking (verlaging) van de gronden.9 Waar reeds dorpsbebouwing aanwezig was, werden dijken rondom gelegd, zoals in Loenen en Breukelen. Met name ten noorden van Loenen is de dijk - met daarop de weg - duidelijk aanwezig. Ten zuiden van Loenen ligt de ‘s Heerenwagenweg, Kleidijk en later Rijksstraatweg 3

4 5 6 7

8 9

De begraafplaatsen zijn als contour opgenomen op de Groene Kaart: een begraafplaats bestaan niet volledig uit groenelementen, maar gezien de samenhang van de groenstructuur op dergelijke plekken, de bijzondere betekenis van begraafplaatsen en de bomen aldaar, en vanwege continuïteit van deze plekken inclusief het aanwezige groen, zijn deze opgenomen op de kaart. http://www.begraafplaatsoudzuilen.nl/geschiedenis/ Jan Slingerland, Begraafplaatsen in de gemeente Breukelen, in: THKB, 9 (1994) 1 en 2; Vechtkroniek, nr. 13, 2000. RHC Vecht en Venen, toeg.nr. 1095, Rooms-Katholieke Parochie Maria ten Hemelopneming te Kockengen, (1808) 1852-1971 (1980), inleiding. Beheerverordening begraafplaatsen Stichtse Vecht, 2013: Algemene Begraafplaats Maarssen (gelegen nabij Straatweg 27, uit 1930); Breukelen (gelegen aan Zandpad 12a, ca. 1950-1960); Oud Breukelen (gelegen achter Kerkstraat 16, ca. 1827); Algemene begraafplaats Kockengen (gelegen aan Dreef 42, na ca. 1935); Loenen (gelegen nabij Driehovenlaan 86, 1828); Nieuwer Ter Aa (gelegen aan Laantje 3, ca. 1950-1960); Oud Nieuwer Ter Aa (gelegen aan Kerklaan 2); Vreeland (gelegen aan de Nigtevechtseweg, na 1960). Zie ook: http://www.agv.nl/verantwoordelijkheden/watererfgoed/kanalen/afwateringskanaal-bijleveld/ Manten/Lameris, 2008, p. 27.

19

SB4

Verplaatsing van de hoofdvaarroute via de Aa en Angstel, naar de Vecht en later het Merwedekanaal. Bij de tijdvensters mag globaal worden gelezen, naar data van aanleg van vaarwegen: • voor ca. 1390 (Aa en Angstel), • ca. 1390 - 1450 (Stadswetering), • ca. 1450 - 1674 (Nieuwe Wetering), • ca. 1674 - 1892 (Vecht), • na ca. 1892 (Merwedekanaal)

Steenfabriek ‘Vecht en Rhijn’ tussen Maarssen en Breukelen.

20

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

op de westelijke dijk; op de oostelijke dijk is het Zandpad (Zandweg, Oud Over) gelegd. Om de rivier over te steken waren slechts op enkele locaties (klap)bruggen aanwezig. Bij Oud-Zuilen, Maarssen, Breukelen, Loenen en Vreeland lagen deze over de Vecht en bij Nieuwer Ter Aa over de Aa. Met de vaart en handel over de rivieren hing ook diverse bedrijvigheid samen. Representatief is de Schippersgracht te Maarssen, die op de rivier gericht is. Maar ook brouwerijen te Maarssen, Breukelen en Loenen lagen aan het water, net als pakhuizen te Breukelen en Loenen. In Breukelen is aan de noordzijde van het dorp in 1876 een loswal gemaakt om bedrijvigheid te stimuleren.10 In Breukelen was de kaasmarkt. Een andere voorziening die met handel, transport en reizen te maken had, waren de logementen en herbergen, die ook vaak buiten de bebouwde kom lagen (De Kampioen te Nieuwersluis, Het Kraaijenest De Olifant, De Reizende Man, Het Prins te Paard en Het Zwarte Varken te Maarssen, De Vergulde Roskam in Vreeland en de Friesche Roemer te Oud-Zuilen). Jaagpad Langs vrijwel de hele route Utrecht - Amsterdam lag direct langs de waterweg een jaagpad: soms op de linker oever, de andere keer op de rechter oever. Omstreeks 1600 werd het jaagpad tussen Utrecht en Breukelen aangelegd als zandpad aan de oostzijde van de Vecht.

In 1626 volgt een contract tussen Holland en Utrecht over de verlenging van het jaagpad vanaf Breukelen over Nieuwersluis langs de Nieuwe Wetering naar Loenersloot en Ouderkerk. Ten noorden van Nieuwersluis vervolgde het jaagpad op de westoever van de Vecht tot aan Loenen en aan de noordzijde van het dorp liep een jaagpad op de westoever tot aan de brug bij Vreeland. Na deze brug vervolgde het in noordelijke richting op de oostoever via de Nieuwe Vecht of Reevaart (1628-1631) langs Nederhorst den Berg. Het is aannemelijk dat langs de ‘Stille Vecht’ bij Nigtevecht geen jaagpad is aangelegd, omdat de hoofdverbindingen via de Nieuwe Wetering, Angstel en Gein en via de Nieuwe Vecht (langs Nederhorst den Berg) liepen. Palen Maarssen kent diverse relicten van de rijke joodse geschiedenis, waaronder twee zogenaamde ‘jodenpalen’.11 Deze stenen palen dienden als symbolische afsluiting om op de sabbat binnen de grenzen van deze palen toch zaken te mogen transporteren of dragen. Langs de Vecht stonden in het verleden diverse ‘rolpalen’, waar het touw, waarmee de schuiten werden voortgetrokken, langs werd geleid om bochten in de waterweg te nemen. Langs de Vecht te Maarssen zijn enkele replica’s van rolpalen aangebracht. Ook zijn er nog enkele ‘hoefslagpalen’ in de gemeente aanwezig.

Hoefslagpalen geven de dijkvakken aan, waarvoor ingezetenen in het verleden verantwoordelijkheid droegen voor het onderhoud.12 Vroege bedrijvigheid Naast bovengenoemde watergebonden bedrijvigheid zijn tevens de graanmolens te noemen, die in Loenen (De Hoop) en Vreeland (De Ruiter) nog aanwezig zijn. Daarnaast hebben op sommige (voormalige) buitenplaatsen zich in verschillende perioden bedrijfjes gevestigd, zoals op Brugzicht en Vreedenhorst.13 Op de oostoever ten noorden van Loenen was vanaf 1811 een glasfabriek aanwezig (de ‘Glashut’), waarvan thans nog een karakteristiek rijtje dienstwoningen resteert. In de Bethunepolder werd in 1890 stoomzuivelfabriek Nimmerdor gebouwd. Bij Breukelen lag stoomzuivelfabriek Insulinde, waar thans een nieuwbouwwijkje is verrezen. Steen- en pannenfabrieken Langs de Vechtoevers verrezen steen- en panovens waar klei tot bakstenen en dakpannen gebakken werd. Hier was turf en klei beschikbaar voor de productie. Tot in de 20e eeuw stonden verschillende steen- en pannenfabrieken in de omgeving van Oud-Zuilen en Maarssen. Klei werd in de nabijheid gewonnen, zoals bij Op ‘t Slijk, aan weerszijden van Cromwijk en in de Oostwaard, of aangevoerd per 10 11 12 13

Manten/Lameris, 2008, p. 100. Vriendelijke mededeling dhr. H. van Bemmel; zie ook: Tijhuis, Ria, Verhalen over Maarssense palen, in: Periodiek HKM, 43 (2016) 1, p. 7: https://cloud.collectorz.com/73143/books/detail/2628864 Zie: Steven de Clercq en Hans van Bemmel, Hoefslagpalen en een verkenning naar het onderhoud van de Vechtdijk, in: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap “Niftarlake” (2008), p. 106-114. Zie ook: Stades-Vischer, 2000, p. 72; Manten/Lameris, 2008, p. 85-88, 117-120; Gaasbeek, 2007, p. 86-88.

21

SB4

Systeem van afwatering met hoofdwaterlopen en poldermolens.

Gemaal, molen, sluis en vaart ter beteugeling van het water.

22

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

schip.14 Aan de Straatweg bij Breukelen staan nog de gebouwen van de enige overgebleven baksteenfabriek aan de Vecht: Vecht en Rhijn. Aan weerszijden van de buitenplaats Groenevecht aan de zuidoostzijde van Maarssen herinneren de relatief jonge wijken aan de voormalige steenfabrieken Goed ten Bosch en De IJsvogel. Afgekeurde dakpannen zijn nog altijd terug te vinden in de beschoeiing van de rivieroevers, onder andere ter hoogte van Goudestein en Herteveld te Maarssen. Ook op enkele buitenplaatsen zijn ze verwerkt in de beschoeiingen, bijvoorbeeld in de grachten van Slot Zuylen. Wegen Na de grote ontginningen, bedijking en uitbreiding van dorpen werden de bewoningskernen onderling verbonden, wat in eerste instantie resulteerde in een structuur van onverharde wegen. De belangrijkste verbindingen waren noord-zuid, gericht op Utrecht en Amsterdam en volgden de dijken. De Daalsedijk (uit de 12e eeuw) was destijds een belangrijke verbindingsroute. Later is deze afgesneden en direct verbonden met de Straatweg (huidige Amsterdamse Straatweg). In 1820 werd deze ‘Route Imperial no. 2’ verhard, als gevolg van het Franse initiatief uit 1811 om een internationaal stelsel van verbindingswegen te realiseren. Spoor en kanaal In de 19e en 20e eeuw vonden er grote veranderingen plaats in het landschap, vooral door de aanleg van kanalen en spoorwegen.

Toenemend verkeer naar het Duitse Ruhrgebied leidde in het jaar 1843 tot de aanleg van de Rhijnspoorweg. Die liep van Amsterdam via Utrecht naar Arnhem. Het tracé liep kaarsrecht door het landschap - dwars door de bestaande structuren heen, zodat de stations van Maarssen, Breukelen, Nieuwersluis en Loenen-Vreeland vrij geïsoleerd ten opzichte van de dorpen kwamen te liggen. Met de introductie in het midden van de 19e eeuw van grotere en snellere stoomschepen voldeed de Vecht steeds minder als doorgaande route. Het tijdperk van de trekschuit was ten einde, het passagiersvervoer werd grotendeels overgenomen door de spoorwegen en later door autobusdiensten. Als nieuwe verbinding tussen de Amsterdamse havens en de grote rivieren werd in 1881 besloten tot de aanleg van het Merwedekanaal. Aanvankelijk alleen tussen Amsterdam en Nigtevecht, met bij Nigtevecht een nieuw sluizencomplex. Enkele jaren later besloot men het nieuwe kanaal tot Utrecht door te trekken. Ook bij Maarssen kwam een sluizencomplex dat het kanaal verbond met de Vecht. In de doorgaande wegen werden over het kanaal draaibruggen opgenomen, enkele lokale verbindingen moesten zich behelpen met een veer. De aanleg van het Merwedekanaal tevens tot gevolg dat de ‘stationswegen’, die vanuit de dorpen naar de treinstations waren aangelegd, werden afgesneden (Maarssen, Breukelen, Nieuwersluis).

Aanvankelijk werden hier veerponten of draaibruggen gemaakt, zodat in de jaren 30 van de 20e eeuw deze uitvalswegen een goede vestigingslocatie voor forenzen vormden.15 Al gauw voldeed het relatief smalle kanaal niet meer, in 1931 werd daarom besloten om het Merwedekanaal te verbreden en om te bouwen tot ‘Amsterdam-Rijnkanaal’. Vanwege de oorlogsomstandigheden was het Amsterdam-Rijnkanaal pas in 1952 geheel gereed. Het kanaal is daarna nog enkele malen verbreed. De Vecht verloor hierdoor haar functie als voornaamste transportweg. De nieuwe verbindingen vergrootten in belangrijke mate de toegankelijkheid van het gebied en vormden de voornaamste vestingplaatsen voor industrie. De veerponten werden vervangen door een beperkt aantal bruggen (Maarssen, Breukelen, Loenersloot). Langs het Amsterdam Rijnkanaal treffen we op diverse plekken dienstwoningen aan uitgevoerd in neorenaissance stijl volgens standaardontwerp, veelal toegepast bij de sluizen langs het kanaal. Vaak maken deze dienstwoningen (sluiswachterswoningen) onderdeel uit van een ensemble met waterstaatkundige werken en gebouwen, zoals de schutsluis, een schotbalkenloods, een wachthuisje etc. Op de plek waar het Amsterdam-Rijnkanaal en de Vecht elkaar raken tussen Maarssen en Oud-Zuilen 14 15

Zie o.a.: www.ahn.nl (bij Cromwijk zijn duidelijke steilranden te zien; verder is slecht te zien welke gebieden daadwerkelijk zijn afgegraven); www.bodemdata.nl (soms globaal aangeduid als ‘afgegraven’); www.historischekringmaarssen. nl (Fietsroute Steengoed) Veerponten over het Merwedekanaal lagen van noord naar zuid bij: Indijk, halverwege Indijk en Vreelandse Laan, bij de Vreelandselaan/Spoorlaan, Stationsweg Nieuwersluis, achter Over Holland, Laan van Duuring en bij Opbuuren.

23

SB4

Turfsteken en steenovens als belangrijke industriële activiteiten buiten de dorpen.

Hoofdzakelijk verdwenen steen- en pannenfabrieken rondom Maarssen en Oud-Zuilen. De spades geven mogelijk voor kleiwinning afgeticheld gebied aan, zoals achter Cromwijk waar de steilranden goed zichtbaar zijn. Alleen gebouwen van steenfabriek Vecht en Rhijn zijn thans nog aanwezig.

24

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

ligt een betonnen boogbrug. Dit is een zeldzame vooroorlogse brug, die de kleinschalige ophaalbrug over de sluis verving. De brug is daarmee een voorbeeld van de schaalvergroting die de komst van het kanaal met zich mee heeft gebracht. Lokaalspoorweg Nieuwersluis-Aalsmeer Tussen 1915 en 1950 was er een geregelde treindienst over het tracé tussen Nieuwersluis-Loenen naar Uithoorn en Aalsmeer. Over de Angstel lag een draaibrug met aan weerszijden brugwachterswoningen, die thans nog aanwezig zijn. Aan de Oukoperdijk was een halteplaats, thans een woning. Met de A2 was een gelijkvloerse kruising met spoorbomen. In 1986 is de spoorlijn geheel uit gebruik genomen. Nadien zijn de rails verwijderd, maar het halteplaatsgebouw aan de Oukoperdijk staat er nog en het verhoogd gelegen tracé is nog goed in het landschap herkenbaar.16 Snelweg en provinciale wegen Het sterk groeiende aantal auto’s leidde al in 1938 tot het besluit van de aanleg van autosnelweg A2 tussen Amsterdam en Utrecht. De aanleg startte na de oorlog en in 1954 werd het traject Amsterdam Utrecht in gebruik genomen. Deze ontlastte in belangrijke mate de route via de 19e eeuwse Rijksstraatweg. Eerder was in Maarssen de Hoge Brug in 1938 over het Amsterdam-Rijnkanaal gelegd, dat toen juist werd verbreed. Uit dezelfde tijd zal de Breukelerbrug hebben gestamd, welke in de Tweede Wereldoorlog werd vernield.

In 1957 opende de herbouwde Breukelerbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal.17 Ook de N201 tussen Zandvoort en Hilversum was ondertussen aangelegd met bruggen bij Loenersloot en Loenen uit 1939. In samenhang met de ruilverkaveling en verbetering van de ontsluiting van het westelijke veenweidegebied werd in 1973 de N401 geopend van Breukeling richting Woerden.18 Na 1980 is de Zuilense Ring aangelegd. Recent is de A2 ingrijpend gemoderniseerd en verbreed. Planmatige woningbouw Met de introductie van de Woningwet in 1901 gingen gemeenten zich met de praktijk van de woningbouw bemoeien. Opvallend is dat in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw de dorpen aan de Vecht veel woningen bouwden. Het gaat daarbij zowel om planmatige complexen met arbeiders- en middenklassewoningen als vrijstaande en geschakelde villabebouwing. De laatste categorie kan vooral aan de uitvalswegen langs de Vecht en de routes naar de verschillende stations aangetroffen worden. Na 1945 gingen in vrijwel alle dorpen van de gemeente uitbreidings- en bestemmingsplannen het beeld bepalen. Dat resulteerde in grootschalige nieuwbouwwijken waar aanvankelijk het zwaartepunt lag op sociale woningbouw. Zone’s langs het Amsterdam-Rijnkanaal werden ingericht als bedrijventerreinen.

Nutsvoorzieningen Wat betreft de nutsvoorzieningen kent de gemeente een bijzondere watertoren te Breukelen uit 1928, het drinkwaterkanaal in samenhang met het gemaal uit 1936 op de Machinekade bij de Bethunepolder en enkele transformatorhuisjes, zoals aan de Binnenweg te Loenersloot. De gasfabriek en watertoren te Maarssen zijn niet meer aanwezig. Bedrijvigheid en industrialisatie Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw vond in Nederland de industrialisatie plaats. Het pas aangelegde Merwedekanaal zorgde voor het aantrekken van industrieën, hoewel dit binnen de gemeente mondjesmaat plaatsvond, en dan met name tussen kanaal en spoorweg. Met name in Maarssen vestigde zich bedrijvigheid, thans buiten de huidige gemeentegrens gelegen. Een belangrijke industrie was bijvoorbeeld de farmaceutische industrie. In Oud-Zuilen verscheen bijvoorbeeld Brocacef/ DSM. Aan de Nieuwe Wetering ontstond bedrijventerrein ‘Angstelkade’ in de nabijheid van spoor en kanaal. Bij Maarssen werd achter Leeuw en Vecht een haven aangelegd. In 1969 werd ten noorden van Nigtevecht een opslaglocatie voor olie aan het Amsterdam-Rijnkanaal ingericht, waaraan ook een militair aspect was gekoppeld.19 16 17 18 19

Manten/Lameris, 2008, p. 120; https://nl.wikipedia.org/wiki/Spoorlijn_Aalsmeer_-_Nieuwersluis-Loenen; https:// nl.wikipedia.org/wiki/Spoorwegovergang_van_de_A2 http://www.wegenwiki.nl/Breukelerbrug http://www.wegenwiki.nl/N201_(Nederland); http://www.wegenwiki.nl/N401_(Nederland) Spreiding van olieopslag in meerdere depots, zie: http://www.stelling-amsterdam.nl/bunkers/nigtevecht-oliedepot/

25

SB4

Het agrarisch cultuurlandschap met onder meer ontginningen, waterstelsel, droogmakerij en veenplassen.

26

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

2.2. Het cultuurlandschap Vanaf ongeveer het jaar 1000 werd het landschap buiten de directe omgeving van de rivieren grootschalig ontgonnen, waarmee het huidige cultuurlandschap ontstond. Naast deze ‘landschapsvormende’ transformatie vond na ca. 1600 een vorm van afbraak plaats door de diepe veenwinning. De oudste vormen van industriële activiteiten in de gemeente Stichtse Vecht zijn de baksteenindustrie en de turfwinning. Ontginningsbases, boerderijlinten Karakteristiek zijn de lange linten in het veenweidegebied. Boerderijen staan soms nog nadrukkelijk aan de kant waar de ontginning begon, zoals in Kortrijk en Portengen. Aan de noordzijde van Portengen en in Spengen vond de ontginningen in beide richtingen plaats, zoals herkenbaar aan de evenwichtige aanwezigheid van boerderijen aan weerszijden van de dijk. Afwatering en ontwatering, molens Watergangen, ontginningen, molens en polders vormen een samenhangend systeem. De afwatering vond aanvankelijk plaats op de Vecht, Aa en Angstel. De belangrijkste afwateringskanalen leiden daarom naar deze natuurlijke rivierlopen, waaronder de Weersloot, Evenaarswetering, Groote Heicop, Tienhovens Kanaal, Haarrijn, Maarsseveense Vaart en Nedereindse Vaart. Daarnaast zijn er verschillende weteringen en sloten die samenvallen met de buitengrenzen van ontginningsblokken, zoals de Zogwetering, Oukoperwetering of Botersloot.

In de 19e eeuw waren in het gebied nog zo’n 36 poldermolens. Poldermolens dienden om het water uit lager gelegen polderblokken naar hoger gelegen niveau (bijv. een boezem) op te voeren. Soms lagen halverwege en dwars door de polder molenweteringen die naar de molen leidden, zoals bij Kockengen en Laag-Nieuwkoop nog herkenbaar. De bredere, hoger gelegen watergangen die vanaf de molens liepen en loosden op de natuurlijke rivierlopen zijn in veel gevallen buiten gebruik geraakt, maar nog wel herkenbaar. Ook molenplaatsen, waar de molen ondertussen is verdwenen, zijn vaak nog herkenbaar door een iets hogere ligging en de oriëntatie in het slotenstelsel.20 Om windvang te garanderen werd in een straal van 500 meter een beperking opgelegd voor de hoogte van beplanting en bebouwing: de zogenaamde ‘molenbiotoop’.21 Achter- of houtkades Dit betreft een achterzijde van een ontginningsblok, dat als restgebied veelal werd beplant met geriefhout. Daarom wordt ookwel gesproken over ‘houtkades’. De huidige gemeentegrens valt in veel gevallen samen met dergelijke ‘achterzijden’, die een logische en historische grens vormen tussen gebieden. Rietlanden / moerassen Rietlanden zijn restgronden, die door hun gesteldheid geen hoogwaardig gebruik kregen.

Het gaat dan om oevers en buitendijkse gronden (tussen Bijleveld en Heijcop, langs Vecht), moerassen en afgegraven terreinen (armenland Ruwiel, Bosje van Robertson) en overhoekjes (langs het spoor). Door winning van het riet of specifiek beheer blijft het als (eensoortige) rietvegetatie in stand. Geriefbosje, hakhout en knotwilg Als onderdeel van het agrarisch bedrijf werd veelal ook hout geproduceerd, voor eigen gebruik of voor verkoop. Geriefbosjes lagen bij het erf of op kleine perceeltjes tussen de landerijen, waar hakhout werd geoogst. Op kavelranden, op kades en langs wegen waren hakhout en knotwilgen gebruikelijk. Hakhout van wilg, els, es, eik, hazelaar, esdoorn, etc. wordt periodiek op lage stam afgezet, terwijl knotbomen, meestal wilg maar ook es of populier, op hogere stam worden afgezet. Knotwilgen vormen op verschillende plekken markante rijen in het landschap, zoals langs het Laantje van Duuren en het Laantje bij Nieuwer Ter Aa. Fraaie hakhoutstobben bevinden zich in de oeverranden van het lint van Spengen. Noemenswaardig is ook het essenhakhout op buitenplaatsen als Over-Holland, Sterreschans, Vechtenstein en Gunterstein. 20 21

Zie ook: http://www.agv.nl/verantwoordelijkheden/watererfgoed/sluizen/sluisjes-buitenweg-en-westbroek/ Zie: http://www.molenbiotoop.nl/

27

SB4

Cultuurhistorisch relevante groenobjecten, zoals geïnventariseerd in het kader van het opstellen van de Groene Kaart.

28

Historisch groen met beschermingsstatus Waardevol historisch groen

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Boomgaarden Om in het eigen gebruik te voorzien of als extra verdienste naast het (melkvee)bedrijf kende het erf van een boerderij vrijwel altijd één of meer fruitbomen. Deze van oorsprong hoogstambomen werden in de vorm van een boomgaard, maar ook langs de toegangsweg of als randbeplanting aangebracht. Bij grotere boomgaarden of boomgaarden in de open ruimte is vaak een randbeplanting (van bijvoorbeeld els) aangebracht om het fruit te beschermen tegen de wind. Oudere boomgaarden in dit gebied zijn vaak omgeven door knotwilgen, zoals bij Vreeland en Oud-Aa te vinden is. Een zeer bijzondere formatie van fruitbomen is bij boerderij Wittestein te vinden, waar oude hoogstambomen in rijen op de kade aanwezig zijn. Koebocht en pestbosje Een koebocht is een plek op enige afstand van de boerderij, waar met enige beschutting van beplanting de koeien konden worden gemolken. De plekken zijn herkenbaar aan hun afgezonderde ligging in de weilanden, beplanting op de kavelrand en rondom gelegen watergang. Binnen de gemeente zijn in ieder geval twee koebochten aanwezig in het westelijke veenweidegebied. Pestbosjes, waar door ziekte overleden dieren werden begraven, liggen vaak aan de wetering of op enige afstand van de boerderij. Historisch zijn deze bosjes rondom voorzien van een sloot, om verspreiding van ziektes te voorkomen.

Eendenkooi Een eendenkooibos wordt bepaald door het gebruik voor de eendenjacht in het verleden. Deze wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een centrale waterplas, meestal met vier vangpijpen. De eendenkooien lagen van oudsher op enige afstand van de bebouwing, op natte, minder bruikbare gronden. De eendenkooi te Maarssenbroek is de enige die binnen de gemeente aanwezig was en is. Leilinden Rondom historische panden stonden in veel gevallen bomen, onder andere om gevels tegen zon en wind te beschermen. Vanwege de beperkte ruimte, vooral als een gebouw dicht aan de weg lag, werden deze bomen geleid of geknot. Meestal zijn deze bomen kenmerkend voor historische boerderijen, terwijl deze snoeivorm ook voorkomt bij bijvoorbeeld kerkgebouwen, herbergen of woonhuizen. Het gaat vrijwel altijd om 2 of 3 gelijke bomen voor de voorgevel, meestal zijn het lindes, en in enkele gevallen staan ze ook langs zijgevels (bijv. Wagendijk 20 of Portengen 23). Recreatiestructuur uit de landinrichting In de ruilverkaveling Oukoop-Kortrijk, die omstreeks 1966 in uitvoering werd gebracht, werd een nieuwe visie op de inmenging van recreatie in het buitengebied in praktijk gebracht.

Hiertoe had landschapsarchitect Hans Warnau in 1962-1964 de basis gelegd voor het landschapsplan, waarbij de recreatieve voorzieningen (wegen, parkeerterreinen, verblijfsgebieden, bosjes, etc.) zoveel mogelijk werden gekoppeld aan bestaande structuren, zoals bestaande en nieuwe wegen, overhoekjes, knooppunten en andere strategische plekken. Het recreatieplan van Warnau zou “een schoolvoorbeeld zijn voor de wijze waarop eenvoudige recreatievoorzieningen als een visplek, een bosje met wat zitbanken en een ligweitje in een agrarisch polderlandschap konden worden ingepast, zonder verlies van de kenmerkende openheid”.22 Elementen uit dit gerealiseerde recreatieplan zijn: recreatiegebied De Geer, recreatiegebied Bosdijk, recreatiegebied De Aa en het terrein tussen de Oukooperwetering en Oukooperdijk. Verder is langs nieuwe en bestaande wegen beplanting toegevoegd. Onder andere “wat lage beplanting [...] langs wegen die veel door fietsende schoolkinderen worden gebruikt teneinde hun enige beschutting te geven”. De (eenzijdige) bomenrijen en beplantingen langs de Oukoop(erdijk), Oud-Aa, Portengse Zuwe, Provinciale weg (N401), Kortrijk (berkenbomen) en Portengen-Zuideinde zijn eveneens een uitvloeisel van het landschapsplan van de ruilverkaveling. De recreatieterreinen uit dit ruilverkavelingsplan zijn van cultuurhistorische waarde, aangezien zij een 22

Centrale Cultuurtechnische Commissie, Rapport voor de ruilverkaveling Oukoop-Kortrijk, 1967; Andela, G., A. Guinée, Vanzelfsprekende schoonheid, Tuin- en landschapsarchitect Hans Warnau, Uitgeverij Blauwdruk, Wageningen, 2006. Landschapsconsulent bij Staatsbosbeheer, W.L. Janssen, was formeel belast met het ontwerp van het landschapsplan.

29

SB4

Beeldbepalende groenstructuren, thans en in het verleden.

De polder Maarsseveen vóór en na de landinrichting. (Bron: Jaarverslag Cultuurtechnische Dienst, 1970).

30

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

algemene historische waarde vertegenwoordigen als onderdeel van de ruilverkaveling Oukoop-Kortrijk, als onderdeel van een doordacht en samenhangend plan. Daarnaast zijn de terreinen en wegbeplantingen beeldbepalend voor de groenstructuur van de gemeente. De ruilverkaveling Maarsseveense Plassen werd in 1959 aangevraagd ten einde de tuinbouwbelangen en de behoefte aan recreatiegebied en zandwinning te bedienen. Het plan voor het recreatiegebied rondom de zandwinplas werd (eveneens) gemaakt door Hans Warnau, tussen 1958 en 1964. De uitvoering vond plaats in de jaren 1960-1968. Turfwinning, petgaten- en legakkers Toen in de middeleeuwen de bevolking bleef groeien en het hout steeds schaarser werd, ging men in Nederland op grote schaal veen afgraven om als brandstof te kunnen gebruiken. Het turf werd toegepast voor huisgebruik, door ambachtslieden en later ook bij industriële activiteiten. Het was de belangrijkste brandstof tot de komst van de steenkool in de 19e eeuw. Turfwinning vond hoofdzakelijk plaats aan de oostzijde van de Vecht, omdat daar betere turf gewonnen kon worden. Met de explosieve groei en uitbreiding van Amsterdam vanaf het einde van de 16e eeuw, nam de behoefte aan turf als brandstof sterk toe, evenals de vraag naar bakstenen.

De al aanwezige infrastructuur kwam goed van pas bij de vervening en het turf kon via bestaande afwateringskanalen als Tienhovens kanaal, Maarsseveensevaart, Weersloot en Drecht en dan over de Vecht op platbodemschepen naar de steden getransporteerd worden. Aanvankelijk werd de droge techniek toegepast, waarna de grond weer geschikt kon worden gemaakt voor agrarisch gebruik door deze te bonken, ofwel de voor turfbereiding ongeschikte laag te bewaren en deze later weer aan te brengen vermengd met het tevoorschijn gekomen zand. Met de introductie van de baggerbeugel in de 16e eeuw werd echter de natte techniek toegepast. Het veen kon veel dieper worden afgegraven, waardoor trekgaten en legakkers ontstonden. Na het afgraven werd het veen te drogen gelegd op de uitgespaarde stroken land, de legakkers, hier werd het vervolgens tot turf gesneden. Veel van deze legakkers verdwenen echter door vorst en golfslag van het water. Hierdoor vormde zich grote open plassen, die een bedreiging vormden voor omwonenden. De plassen rond Tienhoven, Oud-Maarsseveen en Molenpolder vormen de grootste eenheden binnen de gemeente van vóór 1850. De Kievitsbuurt is grotendeels tussen 1850 en 1900 ontstaan, terwijl verschillende kleinere waterplassen in de Polder Maarsseveen (ten westen van Bethunepolder) zelfs nog na 1900 zijn ontstaan (opleving tijdens Tweede Wereldoorlog).

Tegenwoordig worden de plassen beheerd als natuur- en recreatiegebied. Met name tussen de Scheendijk en Kalverstraat ontwikkelde zich een gebied met veel recreatiewoningen. In deze ‘Kievitsbuurt’ werd na 1930 ook een openluchtzwembad ingericht. Zandgaten De aanleg van wegen en de verstedelijking had als wens dat het benodigde zand in de directe omgeving gewonnen werd. De Maarsseveenseplassen zijn het gevolg van zandwinningen voor de aanleg van nieuwe Utrechtse wijken. Het zijn kunstmatig gegraven plassen los van de middeleeuwse kavelstructuren. Andere zandwinplassen zijn de Nes (na 1934) bij Vreeland en de Zwaan ten westen van Spengen (ca. 1950-1960). Lokaal werd zand gewonnen in een kleine rechthoekige put ten oosten van Spengen. In de uiterwaard van Op ‘t Slijk werd zand gewonnen voor de aanleg van de brughoofden van de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal te Maarssen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2052/documents/43778