CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Uitspraak RvS 9 december 2020.pdf

Commissie Fysiek Domein 4 oktober 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3. 19:35: Bestemmingsplan Rondom De Vecht, reparatie 2021.19.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Uitspraak 201900226/1/R4

ECLI

ECLI:NL:RVS:2020:2909

Datum uitspraak

9 december 2020

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft de raad van de gemeente Stichtse Vecht het bestemmingsplan "Rondom de Vecht" vastgesteld. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied tussen de kernen Breukelen en Maarssen. Ook behoren delen van de bebouwde kom van Breukelen en Maarssen tot het plangebied.

Volledige tekst 201900226/1/R4. Datum uitspraak: 9 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, 2. [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B], beide gevestigd te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, 3. Wijkcommissie Zogwetering, Dichters en Lanen, gevestigd te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, 4. [appellant sub 4], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, 6. [appellant sub 6], wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, en anderen, 7. [appellant sub 7] en Koninklijke Nederlandse Springstoffen Fabriek N.V., wonend dan wel gevestigd te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht (hierna: KNSF), 8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

Uitspraak 201900226/1/R4

1

9. [appellant sub 9], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, en anderen, 10. [appellant sub 10], wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, 11. [appellant sub 11], wonend te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, 12. de commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied (hierna: de Vechtplassencommissie), gevestigd te Weesp, 13. [appellant sub 13], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, appellanten, en de raad van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Rondom de Vecht" vastgesteld (hierna: het bestreden besluit). Tegen het bestreden besluit zijn de beroepen gericht. Bij besluit van 19 november 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Rondom de Vecht" gewijzigd vastgesteld (hierna: het wijzigingsbesluit). Een aantal beroepen is ook tegen het wijzigingsbesluit gericht. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 en 4 augustus 2020, waar een aantal partijen zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Overwegingen Inleiding 1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied tussen de kernen Breukelen en Maarssen.

Ook behoren delen van de bebouwde kom van Breukelen en Maarssen tot het plangebied. Het wijzigingsbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onderdeel van dit geding. Volgorde van behandeling 2. De Afdeling zal hierna, nadat zij het toetsingskader heeft weergegeven en de ingetrokken beroepsgronden heeft genoemd, eerst ingaan op het perceel [locatie 1] te Maarssen (zie overweging 5-8.2). Vervolgens komt het zomerhuis op perceel [locatie 2] te Maarssen aan de orde (zie overweging 9-9.3). Daarna wordt ingegaan op de overige bouwwerken aan de Straatweg (zie overweging 10-10.5). Vervolgens komt de planregeling voor het koetshuis en de tuinmanswoning aan bod (zie overweging 11-12). Verder wordt ingegaan op de schuur op [locatie 3] te Breukelen (zie overweging 13-15.2), waarna overwegingen zullen worden

Uitspraak 201900226/1/R4

2

besteed aan de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" voor [locatie 4] te Breukelen (zie overweging 16-18). Vervolgens komen de bedrijfswoning op het perceel van [appellanten sub 8] aan de orde (zie overweging 19-19.3), het toegestane aantal kampeermiddelen op het perceel van [appellanten sub 8] (zie overweging 20-20.2), de jachthaven aan de Proosdijweg (zie overweging 21-22.8), de legaal aanwezige bebouwing op het perceel aan de Proosdijweg en de aanduiding "dagrecreatief medegebruik" (zie overweging 23-24.2) en de historische wandelroute (zie overweging 25-25.2). Daarna zal de Afdeling ingaan op het concrete initiatief van [appellant sub 4] (zie overweging 26-28-3). Voorts zal het plandeel [locatie 5] te Breukelen, waar [appellanten sub 2] is gevestigd, aan bod komen (zie overweging 29-38-2). Verder wordt ingegaan op het perceel [locatie 6], waar een helikopterhaven aanwezig is (zie overweging 39-45.1) en zal ook op de gebruiksmogelijkheden in de bebouwing worden ingegaan (zie overweging 46-47.1). Tot slot komen de evenementen ter plaatse van buitenplaats Goudesteijn aan de orde (zie overweging 48-54.1). De uitspraak wordt afgesloten met een conclusie (zie overweging 5564) en een overweging over de proceskosten (zie overweging 65). Toetsingskader 3.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Ingetrokken beroepsgronden 4. Ter zitting hebben [appellant sub 9] en anderen hun betoog dat het bouwwerk (van ongeveer 43 m²) op het perceel, kadastraal bekend als 3957 dat behoort bij de zogenoemde tuinmanswoning, ingetrokken. In een nader stuk van 11 maart 2020 heeft [appellanten sub 8] zijn beroepsgrond dat op de verbeelding ten onrechte een bouwvlak ontbreekt ter plaatse van het sanitaire gebouw ingetrokken. De Vechtplassencommissie heeft ter zitting de beroepsgrond over het plandeel Rietveld ingetrokken en heeft ook de beroepsgrond dat de publicatie van het vastgestelde plan wat betreft de evenementenregeling ondeugdelijk is, ingetrokken.

Ter zitting hebben [appellant sub 7] en KNSF hun beroepsgrond over de wijzigingsbevoegdheid die in artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.1, van de planregels van het bestreden besluit was opgenomen (maar in het wijzigingsbesluit is komen te vervallen) ingetrokken. [appellant sub 1] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat het plan ten onrechte opslag buiten toestaat op het terrein van [appellanten sub 2] ingetrokken. 4.1. Eén van de appellanten die behoorde tot de appellantengroep [appellant sub 6] en anderen is [appellant sub 6A]. De advocaat van [appellant sub 6] en anderen heeft bij brief van 10 september 2020 laten weten dat [appellant sub 6A] kenbaar heeft gemaakt zich terug te trekken uit de procedure. De Afdeling stelt vast dat het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 6A], met de brief van 10 september 2020 is ingetrokken. Vervolgens heeft [appellant sub 6A], bij brief van 30 oktober 2020, laten weten dat hij heeft besloten zijn beroep toch niet in te trekken. De Afdeling merkt hierover op dat een bevoegd gedane intrekking niet meer ongedaan kan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waar hij in een situatie van dwaling

Uitspraak 201900226/1/R4

3

verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enigerlei zijde teneinde de betrokkene te bewegen het beroep in te trekken (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8761). De Afdeling overweegt dat de brief van 30 oktober 2020, waarin [appellant sub 6A] terug komt op de intrekking van het beroep, geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat sprake is geweest van dwaling, dwang of bedrog, zodat er geen sprake is van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat de intrekking ongedaan dient te worden gemaakt. Nu sprake is van een bevoegd gedane intrekking van het beroep van [appellant sub 6A], zal de Afdeling op dat beroep geen uitspraak doen. Dit betekent dat [appellant sub 6A] niet valt onder de personen die hierna in deze uitspraak worden aangeduid als [appellant sub 6] en anderen. Perceel [locatie 1] te Maarssen 5. [appellant sub 5A] woont aan [locatie 7] te Maarssen en kan zich niet verenigen met de wijziging van de planregeling voor het perceel [locatie 1] van [bedrijf A], die in het vastgestelde plan is aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan, waarin dat deel van het perceel nog de bestemming "Buitenplaats" had. Thans heeft dat deel van het perceel de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "Tuin". Ter zitting heeft [bedrijf A] overigens te kennen gegeven de wens te hebben op termijn hier woningen te realiseren.

Die wens bevindt zich echter nog niet in een concreet stadium van planologische besluitvorming. 6. De Afdeling merkt op dat [appellant sub 5A] geen zienswijze heeft ingediend over het ontwerpplan. Het bestemmingsplan is evenwel gewijzigd vastgesteld wat betreft het door [appellant sub 5A] bedoelde deel van het perceel. Daarom is het niet indienen van een zienswijze geen beletsel om het beroep inhoudelijk te beoordelen, zij het dat uitsluitend de gewijzigde planregeling voor dit perceel in beroep door [appellant sub 5A] aan de orde kan worden gesteld. 7. In het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan bedoeld perceelgedeelte de aanduiding "Tuin" toegekend. Het beroep van [appellant sub 5A] is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin ook de aanduiding "Tuin" aan bedoeld perceelgedeelte is toegekend. 8. [appellant sub 5A] voert aan dat het bedoelde perceelgedeelte ten onrechte de bestemming "Bedrijf" met aanduiding "Tuin" heeft verkregen. [appellant sub 5A] wil dat een andere bestemming wordt toegekend. Hij wil met name gevrijwaard blijven van nieuwe bedrijfsactiviteiten nabij zijn woning. 8.1. De raad stelt in het verweerschrift dat is vergeten een koppeling aan te brengen tussen de planregels en de aanduiding "Tuin" op de verbeelding. Dit betekent volgens de raad dat aan de aanduiding "Tuin" op de verbeelding geen betekenis toekomt.

De raad heeft nagelaten dit gebrek bij het wijzigingsbesluit te herstellen. 8.2. De Afdeling overweegt dat de raad in zoverre niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd, zodat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Het betoog slaagt al om die reden. Het zomerhuis (perceel [locatie 2] te Maarssen) 9. [appellant sub 9] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover het

Uitspraak 201900226/1/R4

4

betreft het zogenoemde zomerhuis ter hoogte van [locatie 2]. Volgens hen heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met het initiatief om in het zomerhuis een woning te realiseren. Zij stellen dat er tijdig duidelijkheid bestond over dit initiatief en dat tijdig een ruimtelijke onderbouwing is aangeleverd. 9.1. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Als bepaalde onderzoeken of andere stukken ontbreken én de bewijslast daarbij rust op de initiatiefnemer, dan moet de gemeenteraad de initiatiefnemer daarop attenderen en meedelen wanneer de ontbrekende stukken aangeleverd moeten worden (zie uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2772). 9.2. De Afdeling stelt vast dat in het plan ter plaatse van het zomerhuis ter hoogte van het perceel [locatie 2] de bestemming "Buitenplaats" en ook een bouwvlak is opgenomen.

Vast staat dat het plan hier geen woning toestaat. Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin ook geen woning op deze locatie is toegestaan. 9.3. Naar het oordeel van de Afdeling is het initiatief voor een woning op dit perceel voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij de raad. Hierbij wordt in ogenschouw genomen dat [appellant sub 9] en anderen in hun zienswijze concreet hebben aangegeven waar precies een woning wordt gewenst. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet heeft aangegeven welke stukken nog nodig waren of op welke aspecten nader onderzoek was vereist. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de raad een ruimtelijke afweging had moeten maken over het initiatief voor het zomerhuis. Het betoog slaagt. Overige bouwwerken aan de Straatweg 10. [appellant sub 9] en anderen voeren aan dat in het plan ten onrechte niet alle bestaande, legaal opgerichte bouwwerken op de percelen [locatie 2] en [locatie 8] zijn toegestaan. Zij zijn niet allemaal toegestaan als bijbehorende bouwwerken, omdat de totale oppervlakte aan bestaande bebouwing het op grond van die planregels maximaal toegestane aantal van 50 m² overschrijdt, aldus [appellant sub 9] en anderen.

Volgens hen hadden de bestaande, legale bouwwerken afzonderlijke bouwvlakken moeten krijgen. 10.1. In beginsel dient legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk binnen de planperiode wordt verwijderd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. 10.2. De raad heeft in het bestreden besluit als systematiek gehanteerd dat legaal bestaande bouwwerken die groter zijn dan 50 m² een bouwvlak op de verbeelding krijgen met een bijbehorende planregel en daarmee als zodanig zijn bestemd. Voor kleinere bouwwerken

Uitspraak 201900226/1/R4

5

geldt dat die op de buitenplaats ten dienste van de bestemming "Wonen - 3" zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden (vermeld in artikel 6, lid 6.1, onder 6.2.1, van de planregels): "a. per woning bedraagt het oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m²; b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt, indien het hoofdgebouw of de woning uit meerdere wooneenheden bestaat, bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken per wooneenheid niet meer dan 50 m², vermeerderd met 18 m² per wooneenheid; […]." Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin dezelfde systematiek voor het toestaan van bijbehorende bouwwerken is gehanteerd (zie artikel 6, lid 6.1, onder 6.2.2, van de planregels van het wijzigingsbesluit). 10.3. Voor zover [appellant sub 9] en anderen zich niet kunnen verenigen met deze door de raad gehanteerde systematiek, overweegt de Afdeling dat die systematiek op zichzelf niet onduidelijk is. Hiermee wordt bovendien flexibiliteit geboden wat betreft de exacte ligging van de bijbehorende bouwwerken op een buitenplaats. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor deze systematiek kunnen kiezen. Het betoog slaagt niet. 10.4.

[bedrijf B] is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend als 3529 (en behoort tot de appellantengroep [appellant sub 9] en anderen). Op dit perceel staat een bouwwerk, dat hoort bij het zogenoemde koetshuis (aan de [locatie 8]). Wat betreft dit bouwwerk spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of dit gezien de vergunde omvang binnen de door de raad gehanteerde systematiek is toegestaan. Dit bouwwerk is volgens de raad vergund met een oppervlakte van ongeveer 42 m², althans met minder dan 50 m². De Afdeling merkt op dat [appellant sub 9] en anderen, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen bewijs hebben aangedragen voor hun stelling dat hier een bouwwerk van 51 m² is vergund, zodat zij die stelling niet aannemelijk hebben gemaakt. Daarom gaat de Afdeling ervan uit dat het vergunde bouwwerk een oppervlakte heeft van minder dan 50 m², zodat het bijbehorende bouwwerk gezien de hiervoor weergegeven systematiek ter plaatse planologisch is toegestaan. De stelling van [appellant sub 9] en anderen dat dit bouwwerk niet als zodanig is bestemd, mist daarom feitelijke grondslag. Het betoog slaagt niet. 10.5. Voor zover [appellant sub 9] en anderen hebben gewezen op de bouwwerken op het perceel, kadastraal bekend als 3958, overweegt de Afdeling het volgende.

Volgens [appellant sub 9] en anderen zijn hier verschillende bouwwerken met een totale omvang van ongeveer 134 m² aanwezig. Er is op grond van de planregels slechts 50 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 9] en anderen nader hebben onderbouwd dat op dit perceel een schuur van 12 m² is vergund. Dat bijbehorende bouwwerk is toegestaan, nu dat binnen het maximum van 50 m² blijft. In zoverre zijn de rechten van [appellant sub 9] en anderen dus gerespecteerd. De Afdeling merkt verder op dat [appellant sub 9] en anderen, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen bewijs hebben aangedragen voor hun stelling dat de overige, door hen bedoelde bouwwerken op perceel 3958 zijn vergund. Van een bestaand recht dat in

Uitspraak 201900226/1/R4

6

beginsel had moeten worden gerespecteerd is in zoverre dus geen sprake. Wat [appellant sub 9] en anderen hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de toegestane bijbehorende bouwwerken hier niet heeft mogen beperken tot 50 m². In dit verband heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat verdere verstening van de buitenplaats ruimtelijk bezien onwenselijk is. Het betoog slaagt niet. Planregeling koetshuis en tuinmanswoning Inleiding 11. [appellant sub 13] is eigenaar en bewoner van het landhuis op de historische buitenplaats Herteveld. [appellant sub 13] kan zich niet verenigen met het bestreden besluit voor zover het betreft de planregeling voor het koetshuis ([locatie 8]) en de tuinmanswoning ([locatie 9]) op deze buitenplaats. Hij voert aan dat beide panden ten onrechte niet een eigen bouwvlak hebben gekregen. Verder voert hij aan dat het juiste aantal toegestane woningen in het plan had moeten worden opgenomen. 12. Op grond van het wijzigingsbesluit zijn twee afzonderlijke bouwvlakken opgenomen voor genoemde panden en is het aantal toegestane wooneenheden in het koetshuis aangepast. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 13] met het wijzigingsbesluit instemt. Hieruit vloeit voort het bestreden besluit wat betreft de door [appellant sub 13] bestreden plandelen geen betekenis meer heeft.

Wat [appellant sub 13] in dit verband over het bestreden besluit heeft gesteld, behoeft daarom geen bespreking meer. De betogen slagen niet. De schuur op [locatie 3] te Breukelen 13. [appellant sub 11] woont op [locatie 10]en hij kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden" die in het bestreden besluit mede is toegekend aan zijn schuur ter plaatse van [locatie 3] te Breukelen. Volgens hem had alleen de bestemming "Buitenplaats" toegekend moeten worden. Verder voert [appellant sub 11] aan dat onduidelijk is of een Bed & Breakfast in deze schuur is toegestaan. Bestemming schuur 14. [appellant sub 11] voert aan dat de raad in de Nota van Zienswijzen heeft aangegeven dat de bestemming "Buitenplaats" zou worden toegekend aan de schuur, maar dat dit vervolgens niet is gebeurd. 14.1. De Afdeling stelt vast dat de raad in het verweerschrift heeft toegelicht dat het mede toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden" in het bestreden besluit een vergissing was. Vervolgens heeft de raad in het wijzigingsbesluit alsnog uitsluitend de door [appellant sub 11] gewenste bestemming "Buitenplaats" aan de schuur toegekend. De Afdeling stelt vast dat de raad hiermee is tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 11], voor zover dat ziet op de bestemming voor de schuur. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 11] in zoverre met het wijzigingsbesluit instemt.

Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit wat betreft de aan de schuur mede toegekende bestemming "Agrarisch met waarden" geen betekenis meer heeft. Wat [appellant sub 11] in dit verband over het bestreden besluit heeft gesteld, behoeft daarom geen bespreking meer. Het betoog

Uitspraak 201900226/1/R4

7

slaagt niet. Bed & Breakfast 15. [appellant sub 11] wenst een Bed & Breakfast in de schuur te realiseren. Volgens hem is het onduidelijk of die mogelijkheid is geboden. 15.1. Aan de schuur is in het plan, zoals dat bij het wijzigingsbesluit is vastgesteld, de bestemming "Buitenplaats" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Buitenplaats" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, herstel en beheer van: "1. cultuurhistorische waardevolle bebouwing in de vorm van (een ensemble van) landhuizen, woningen, bijgebouwen, theekoepels, hekwerken en dergelijke; 2. gebruik ten dienste van de bestemmingen "Dienstverlening, "Horeca", "Maatschappelijk" en "Wonen - 3 van de aanwezige hoofdgebouwen; (…)". In lid 6.6.2. is onder het kopje "Ten behoeve van Bed & Breakfast" het volgende bepaald: "Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van Bed & Breakfast wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik gaat niet ten koste van de hoofdbestemming: b. de Bed & Breakfast mag in totaal uit maximum 3 kamers en/of maximum 8 bedden bestaan, met dien verstande dat: 1. Indien het maximum aantal kamer en/of bedden reeds is gerealiseerd op basis van de bestemming "Wonen - 3" het totaal aantal kamers en bedden niet mag worden overschreden; c.

er is maximaal één gezamenlijke keuken toegestaan; d. de woning dient door de hoofdgebruiker te worden bewoond; e. de hoofdgebruiker dient aanwezig te zijn tijdens het nachtverblijf; f. het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend; g. op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; h. het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; i. het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; j. de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied; k. de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden, zoals genoemd in "Waarde Cultuurhistorie, landschap en natuur" en "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" niet onevenredig worden aangetast; l. er mag geen ander horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel

Uitspraak 201900226/1/R4

8

ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel". In artikel 1.22 is een Bed & Breakfast als volgt omschreven: "een activiteit ondergeschikt aan de hoofdfunctie die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van het perceel/de aanwezige woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kortdurend recreatief nachtverblijf in combinatie met het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende." In artikel 1.26 is een Bijbehorend bouwwerk als volgt omschreven: "uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;". 15.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad beleidsruimte toekomt bij de vraag onder welke voorwaarden een Bed & Breakfast wordt toegestaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet de voorwaarden heeft mogen verbinden aan het toestaan van een Bed & Breakfast, die in artikelonderdeel 6.6.2 van de planregels staan vermeld. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorwaarden onduidelijk zijn.

De enkele omstandigheid dat discussie bestaat tussen de raad en [appellant sub 11] over de vraag of ter plaatse van de schuur van [appellant sub 11] - mede gelet op de afstand van ongeveer 150 m tussen die schuur en de woning op dat perceel - aan al deze voorwaarden is voldaan, betekent op zichzelf niet dat deze voorwaarden onduidelijk zijn. Het betoog slaagt niet. De dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" ([locatie 4]) 16. [appellant sub 10] heeft een agrarisch bedrijf - een melkveehouderij - aan de [locatie 4] te Breukelen. Op perceel A00386 is een weiland aanwezig, dat in gebruik is voor het grazen van koeien. 17. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" aan dit perceel. Hij voert aan dat de raad in de Nota van Zienswijzen naar aanleiding van de door hem ingediende zienswijze heeft gesteld dat de reeds verdwenen buitenplaatsen niet meer worden bestemd en dat gelet hierop de verbeelding zou worden aangepast. Dit is echter ten onrechte niet gebeurd, aldus [appellant sub 10]. Volgens [appellant sub 10] is er geen noodzaak voor de dubbelbestemming, omdat de buitenplaats is verdwenen. Ter zitting heeft [appellant sub 10] erop gewezen dat de waterpartij op het perceel al wordt beschermd door de bestemming "Water" die eraan is toegekend.

Verder vreest [appellant sub 10] dat de dubbelbestemming mogelijk ertoe zou kunnen leiden dat zijn bedrijfsvoering in de toekomst wordt belemmerd. 17.1. Op de verbeelding van het bestreden besluit zijn de bestemming "Agrarisch met waarden" en onder meer de dubbelbestemming "Waarde - buitenplaatsbiotoop" toegekend aan dit perceel. In artikel 30, lid 30.1, van de planregels is het volgende bepaald: "De voor "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" aangewezen gronden zijn […] mede bestemd voor het behoud, herstel en beheer en de versterking van het ensemble van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden en hun samenhang, welke

Uitspraak 201900226/1/R4

9

met name bestaat uit de buitenplaats met de daarbij behorende: […] 3. Tuinen, parken, sierweiden, bossen en waterpartijen met hun paden-, lanen en groenstructuur. […]." Het beroep van [appellant sub 10] is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin eveneens de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" aan dit perceel is toegekend. 18. De Afdeling stelt vast dat, anders dan in het ontwerpplan, aan het perceel van [appellant sub 10] in het bestemmingsplan niet de enkelbestemming "Buitenplaats" is toegekend. In zoverre is de verbeelding gewijzigd. De Afdeling merkt op dat, anders dan [appellant sub 10] veronderstelt, in navolging van het gestelde in de Nota van Zienswijze dus wel een aanpassing van de verbeelding heeft plaatsgevonden. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat, mede naar aanleiding van de zienswijzen, bij (voormalige) buitenplaatsen voor een systematiek van bestemmen is gekozen waarbij hetzij de enkelbestemming "Buitenplaats" is toegekend, indien de buitenplaats nog aanwezig was, hetzij de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" is toegekend, indien alleen elementen van de (voormalige) buitenplaats aanwezig waren.

Voor het perceel van [appellant sub 10] is vanwege de enkele aanwezigheid van elementen van de (voormalige) buitenplaats gekozen voor de toekenning van de dubbelbestemming, aldus de raad. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat op het perceel van [appellant sub 10] een (cirkelvormige) waterpartij aanwezig is die van cultuurhistorische betekenis is als verwijzing naar een vroegere buitenplaats. Ten aanzien van de ter zitting door [appellant sub 10] aangevoerde stelling dat deze waterpartij al door de bestemming "Water" wordt beschermd, heeft de raad toegelicht dat de bestemming "Water" niet is gericht op de bescherming van cultuurhistorische waarden, maar daarentegen juist planologische mogelijkheden biedt, zoals bijvoorbeeld bruggen, die die waarden eventueel zouden kunnen aantasten. De planregels bij de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" bevatten wel waarborgen voor bescherming van de cultuurhistorische waarden. Onder deze omstandigheden heeft de raad, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" aan het perceel van [appellant sub 10] kunnen toekennen. Hierbij betrekt de Afdeling dat in wat [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat hij ernstige nadelige gevolgen ondervindt van deze toegekende dubbelbestemming.

Hierbij is van belang dat, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, deze dubbelbestemming niet aan het bestaande gebruik in de weg staat. Voor zover [appellant sub 10] vreest voor toekomstige belemmeringen van zijn bedrijfsvoering, merkt de Afdeling op dat in deze procedure alleen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit ter beoordeling voorliggen. Dit betekent dat eventuele toekomstige belemmeringen buiten de omvang van het geding vallen en in deze uitspraak niet aan de orde kunnen komen. De betogen slagen niet. Bedrijfswoning op het perceel van [appellanten sub 8] 19. De Vechtplassencommissie kan zich niet verenigen met het plan voor zover op het

Uitspraak 201900226/1/R4

10

zogenaamde Molenlandje (ter hoogte van de gronden van [appellanten sub 8]) ter plaatse van de daar aanwezige schuur een bedrijfswoning is toegestaan. Volgens de Vechtplassencommissie heeft de raad niet onderkend dat hierdoor de bebouwing verder de polder in gaat, wat in strijd is met de natuurwaarden van deze gronden. 19.1. In het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan de in geding zijnde gronden de functieaanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Het beroep van de Vechtplassencommissie is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin aan deze gronden eveneens de functieaanduiding "bedrijfswoning" is toegekend. 19.2. De Afdeling overweegt het volgende over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bedrijfswoning ter plaatse van de schuur. Het plan voegt op deze locatie geen extra bebouwing toe. Er is uitsluitend sprake van een ruil tussen de gebruiksmogelijkheden van de bestaande schuur met de bestaande recreatiewoning. Weliswaar neemt door het gebruik van schuur als bedrijfswoning de gebruiksdruk richting de polder iets toe, maar niet zodanig dat de raad dit in redelijkheid niet aanvaardbaar heeft kunnen vinden. Verder is door middel van een aanduiding op de verbeelding gewaarborgd dat op de gronden achter de bedrijfswoning (‘de polder in’) geen bebouwing mag worden opgericht, ook geen vergunningvrije bouwwerken.

Onder deze omstandigheden heeft de raad, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid het toestaan van een bedrijfswoning in de schuur in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten. In zoverre faalt het betoog. 19.3. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad het voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bedrijfswoning ter plaatse van de schuur noodzakelijk acht dat de in het bestemmingsvlak aanwezige recreatiewoning, die voor wonen in gebruik is, niet meer als woning wordt gebruikt. Dit heeft de raad beoogd te regelen met een voorwaardelijke verplichting, neergelegd in artikel 15, lid 15.3.4, van de planregels, waarin het volgende is vermeld: "Ten behoeve van de in gebruik name van de bedrijfsruimte ten behoeve van de bestemming ‘Recreatie’ in de in het bestemmingsvlak aanwezige bedrijfswoning dient de in het bestemmingsvlak aanwezige recreatiewoning onttrokken te zijn aan dit gebruik dan wel verwijderd te zijn". De Afdeling overweegt dat - zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 21 november 2019 in zaak nr. 201900226/4/R2, naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening van de Vechtplassencommissie, ook heeft overwogen - de formulering van deze voorwaardelijke verplichting verbeterd kan worden.

Er is namelijk niet geregeld dat in dat geval de recreatiewoning niet als woning mag worden gebruikt en evenmin dat indien de recreatiewoning wordt verwijderd die verwijdering ook in stand wordt gehouden, terwijl de raad dit wel heeft beoogd. De raad heeft in zoverre dan ook niet bereikt wat hij heeft beoogd, zodat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. In zoverre slaagt het betoog. Toegestane aantal kampeermiddelen op het perceel van [appellanten sub 8] 20. De Vechtplassencommissie kan zich niet verenigen met het plan voor zover op het Molenlandje een verhoging van het aantal toegestane kampeermiddelen mag plaatsvinden van 15 naar 25. Volgens de Vechtplassencommissie heeft de raad niet onderkend dat deze verhoging in strijd is met de natuurwaarden van deze gronden.

Uitspraak 201900226/1/R4

11

20.1. Op de verbeelding van het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan de in geding zijnde gronden de bestemming "Recreatie" en de functieaanduiding" specifieke vorm van recreatie - mini-camping" toegekend. In artikel 15, lid 15.3, onder 15.3.2, van de planregels is het volgende bepaald: "Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - mini-camping’ is kleinschalig kamperen toegestaan, met dien verstande dat: a. kamperen is uitsluitend toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober, buiten deze periode zijn kampeermiddelen op het terrein niet toegestaan; […] c. het aantal kampeermiddelen per kampeerterrein bedraagt niet meer dan 25; […]". Onder "kampeermiddelen" wordt in de planregels verstaan: "niet als een bouwwerk aan te merken vouwwagen, kampeerauto, caravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen, dat bestemd is voor tijdelijk recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben." In de bij het bestreden besluit vastgestelde planregels is in artikel 32, onder 32.1, bepaald dat de voor ‘Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede zijn bestemd voor: "a.

het behoud, herstel, beheer en de versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden, natuur- en landschapswaarden in de vorm van bebouwde en onbebouwde structuren, elementen, systemen, patronen en zichtlijnen". In artikellid 32.2 zijn de bouwregels bij deze dubbelbestemming neergelegd. Daarin is het volgende vermeld: "Op gronden met de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur’ mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien: a. de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen; […]". In artikellid 32.4 is een omgevingsvergunningenstelsel verbonden aan het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Het beroep van de Vechtplassencommissie is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin een - aan het bestreden besluit gelijkluidende - regeling voor kleinschalig kamperen is opgenomen en eenzelfde regeling voor de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur" is opgenomen. 20.2.

Gelet op de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur" die aan het molenlandje is toegekend en de bouw- en gebruiksregels die in artikel 32 van de planregels aan die dubbelbestemming zijn verbonden, volgt de Afdeling de Vechtplassencommissie niet in zijn betoog dat door de planregeling de natuurwaarden onvoldoende zijn beschermd. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verhoging van het aantal kampeermiddelen tot 25 niet zodanig is dat daardoor sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de natuurwaarden. Hierbij is ook van belang dat het kamperen hier niet permanent mag plaatsvinden, maar slechts tijdelijk is toegestaan (in de periode van 15 maart tot 31 oktober). Het betoog slaagt niet. De jachthaven aan de Proosdijweg

Uitspraak 201900226/1/R4

12

21. [appellanten sub 8] exploiteert aan de Proosdijweg een jachthaven met camping. [appellanten sub 8] betoogt dat ten onrechte niet is toegestaan om recreatievaartuigen af te meren in een deel van de Weersloot en parallelsloot. Verder kan hij zich niet ermee verenigen dat zijn legaal bestaande bebouwing niet in het plan is opgenomen. Hij kan zich ook niet verenigen met de historische wandelroute die over zijn gronden is gelegd en wijst op een ontbrekende aanduiding "dagrecreatief medegebruik". 22. [appellanten sub 8] kan zich niet verenigen met de functieaanduidingen "specifieke vorm van water uitgesloten - permanent en tijdelijk afmeren" en "specifieke vorm van water tijdelijk afmeren toegestaan" in een deel van de Weersloot en parallelsloot. Hierdoor is het volgens [appellanten sub 8] ten onrechte niet toegestaan om recreatievaartuigen permanent af te meren. [appellanten sub 8] voert aan dat het permanent afmeren van recreatievaartuigen onder het overgangsrecht viel van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied rondom de Vecht" uit 2006. Volgens [appellanten sub 8] stelt de raad ten onrechte dat het overgangsrecht zou zijn uitgewerkt. Aangezien het gebruik inhoudende het permanent afmeren van recreatievaartuigen niet zal worden beëindigd, had de raad hiervoor een passende regeling in het plan moeten opnemen, aldus [appellanten sub 8].

[appellanten sub 8] kan zich niet met het herstel in het wijzigingsbesluit verenigen, ook niet met de daarin toegevoegde planregels inhoudende dat de toegestane recreatievaartuigen een maximale lengte van 4,50 m mogen hebben. Volgens [appellanten sub 8] heeft de raad hiermee onvoldoende rekening gehouden met zijn bestaande rechten en de bestaande situatie waarbij er aanmerkelijk grotere recreatievaartuigen aanwezig zijn. De Vechtplassencommissie kan zich niet ermee verenigen dat het plan afmeren toestaat ter hoogte van de Weersloot. Gelet op de daar aanwezige landschappelijke waarden en natuurwaarden moet hier het aanmeren in het geheel niet zijn toegestaan, aldus de Vechtplassencommissie. De Vechtplassencommissie wijst hierbij op de ligging van het Natuurnetwerk Nederland. 22.1. Op de verbeelding van het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan de gronden, die hier aan de orde zijn, de bestemming "Water" toegekend. In artikel 18 van de planregels is het volgende vermeld: "De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel en beheer van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de vorm van water en waterlopen […] ter plaatse van de aanduiding: […] g. ‘specifieke vorm van water - permanent afmeren toegestaan’ is het permanent afmeren van recreatievaartuigen toegestaan; h.

‘specifieke vorm van water - tijdelijk afmeren toegestaan’ is het tijdelijk afmeren van recreatievaartuigen toegestaan; i. ‘specifieke vorm van water uitgesloten - permanent en tijdelijk afmeren’ is het permanent en tijdelijk afmeren van recreatievoertuigen niet toegestaan;

Uitspraak 201900226/1/R4

13

[…]." 22.2. In het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan het westelijk deel van de Weersloot, door middel van een daarop toegespitste aanduiding, permanent afmeren van recreatievaartuigen toegestaan. In het oostelijke deel van de Weersloot vindt de raad het afmeren minder wenselijk, omdat daar openheid en natuurwaarden aanwezig zijn. In het oostelijke deel is enkel tijdelijk afmeren toegestaan, in aansluiting op het kampeerterrein. In de parallelsloot is het aanmeren (zowel permanent als tijdelijk) niet toegestaan. 22.3. In artikel 18 van de planregels van het bij het wijzigingsbesluit gewijzigde plan is het volgende vermeld: "De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel en beheer van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de vorm van water en waterlopen […] ter plaatse van de aanduiding: […] g. ‘specifieke vorm van water - permanent afmeren toegestaan’ is het permanent afmeren van recreatievaartuigen met een maximale lengte van 4,50 m toegestaan; h. ‘specifieke vorm van water - tijdelijk afmeren toegestaan’ is het tijdelijk afmeren van recreatievaartuigen met een maximale lengte van 4,50 meter toegestaan; i.

‘specifieke vorm van water uitgesloten - permanent en tijdelijk afmeren’ is het permanent en tijdelijk afmeren van recreatievaartuigen niet toegestaan; […] 18.3.2 Tijdelijk afmeren Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water - tijdelijk afmeren toegestaan’ is het afmeren van recreatievaartuigen uitsluitend toegestaan in de periode van 1 april tot en met 31 oktober." 22.4. Het wijzigingsbesluit beperkt - evenals het bestreden besluit - de mogelijkheden van permanent afmeren van recreatievaartuigen. Verder bevat het wijzigingsbesluit een ten opzichte van het bestreden besluit nieuwe beperking, inhoudende een maximaal toegestane lengte van 4,5 m van de recreatievaartuigen. Het beroep van [appellanten sub 8], die zich hiermee niet kan verenigen, is daarom van rechtswege eveneens gericht tegen dit wijzigingsbesluit. Omdat het afmeren in delen van de Weersloot eveneens is toegestaan in het wijzigingsbesluit is ook het beroep van de Vechtplassencommissie in zoverre van rechtswege tegen het wijzigingsbesluit gericht. Westelijk deel van de Weersloot 22.5. De Afdeling stelt vast dat in het westelijk deel van de Weersloot, door middel van de

Uitspraak 201900226/1/R4

14

daarop toegespitste aanduiding ("specifieke vorm van water - permanent afmeren toegestaan"), permanent afmeren van recreatievaartuigen is toegestaan. De raad heeft toegelicht dat het permanent afmeren van recreatievaartuigen hier aanvaardbaar is, omdat dit gebruik aansluit bij de andere recreatieve mogelijkheden in en om de rivier de Vecht. De Afdeling ziet in wat de Vechtplassencommissie heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor dat deel van de Weersloot heeft kunnen kiezen om het permanent afmeren van recreatievaartuigen daar toe te staan. Het betoog van de Vechtplassencommissie faalt in zoverre. Oostelijk deel van de Weersloot 22.6. Door [appellanten sub 8] is ter onderbouwing van zijn betoog dat permanent afmeren van recreatievaartuigen had moeten worden toegestaan, verwezen naar de omstandigheid dat dit onder het overgangsrecht viel. Omtrent het beroep van [appellanten sub 8] op het overgangsrecht overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:644), is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet.

Vast staat dat het permanent afmeren van recreatievaartuigen op de peildatum plaatsvond en ten tijde van het voorheen geldende plan "Landelijk gebied rondom de Vecht" (2006) onder het overgangsrecht viel. Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de voorschriften van dat plan mag het gebruik van gronden en bouwwerken, anders dan bebouwing, dat in strijd is met het in dit plan bepaalde, worden voortgezet, dan wel gewijzigd, mits de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van dit plan, naar aard en omvang niet wordt vergroot. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het overgangsrecht is uitgewerkt. De raad heeft in dit kader gesteld dat [appellanten sub 8] niet heeft aangetoond dat er sinds de peildatum geen veranderingen in boten, eigenaar en ligplaats hebben plaatsgevonden. De Afdeling overweegt hieromtrent als volgt. 22.7. De Afdeling merkt op dat [appellanten sub 8] onder het overgangsrecht recht had op het gebruik van ligplaatsen voor recreatievaartuigen. De bedrijfsvoering van [appellanten sub 8] hield (en houdt) niet in dat er zonder meer dezelfde personen een recreatievaartuig permanent afmeren. Veranderingen van boten, eigenaar en ligplaats zijn binnen de bedrijfsvoering van [appellanten sub 8] een normale situatie. Dat is thans het geval en dat was niet anders op de peildatum.

Er is en was weliswaar een aantal booteigenaren met een vaste ligplaats, maar er is en was ook sprake van wisselende bezetting van de ligplaatsen, bijvoorbeeld door klanten die één of enkele nachten de jachthaven of camping bezoeken, zo heeft [appellanten sub 8] toegelicht. De Afdeling ziet onder deze omstandigheden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sinds de peildatum een wijziging van het gebruik heeft plaatsgevonden, waarmee de strijdigheid met het plan uit 2006 naar aard en omvang is vergroot. De Afdeling volgt de raad dan ook niet in zijn standpunt dat het overgangsrecht bij de vaststelling van het thans aan de orde zijnde plan was uitgewerkt. Hieruit volgt dat het permanent afmeren van de recreatievaartuigen, voor zover het gaat om de aanduidingen ter plaatse waarvan afmeren tijdelijk en/of permanent zijn verboden, voor de tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht. 22.8. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand legaal gebruik kan alleen onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. De raad moet dan aannemelijk maken dat het legale gebruik op termijn zal worden beëindigd. Als dat niet de bedoeling is, betekent

Uitspraak 201900226/1/R4

15

dit niet dat het gebruik als zodanig moet worden bestemd. Gebruik in strijd met een geldende bestemming of gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet namelijk op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachtingen ontstaan over een toe te kennen bestemming. Indien de raad van mening is dat het als zodanig bestemmen van het gebruik niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, ligt het op de weg van de raad na te gaan welke regeling kan worden getroffen om het bestaande legale gebruik in het plan te kunnen voortzetten. Dit kan bijvoorbeeld door een uitsterfregeling in het plan op te nemen. De Afdeling merkt op dat niet is gebleken dat het legale gebruik, inhoudende het permanent afmeren van recreatievaartuigen, op termijn zal worden beëindigd. Gelet hierop stond het de raad niet vrij om dit gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De raad had moeten nagaan welke regeling had kunnen worden getroffen om het bestaande legale gebruik in het plan te kunnen voortzetten. Hierbij had bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan een uitsterfregeling. Nu de raad dit heeft nagelaten te beoordelen, heeft de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het hier aan de orde zijnde oostelijke deel van de Weersloot verschilt van het eerdergenoemde westelijke deel van de Weersloot, in die zin dat, zoals de raad ook heeft gesteld, in het oostelijke deel sprake is van openheid van het landschap. Dit in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de bezwaren van de Vechtplassencommissie tegen het toestaan van aanmeren van recreatievaartuigen in het oostelijke deel van de Weersloot bij de besluitvorming zijn meegewogen. Ook in dit opzicht zijn het wijzigingsbesluit en het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Verder is van belang dat ter zitting is gebleken dat de raad zich inmiddels op het standpunt stelt dat de lengte van de recreatievaartuigen in artikel 18, aanhef en onder g en h, van de planregels van het wijzigingsbesluit ten onrechte is beperkt tot 4,5 m. Dit had, zo heeft de raad ter zitting gesteld, 7,5 m dienen te zijn. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het wijzigingsbesluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het wijzigingsbesluit ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Deze betogen slagen. Legaal aanwezige bebouwing op het perceel aan de Proosdijweg 23.

[appellanten sub 8] voert aan dat verschillende bouwwerken op zijn perceel ten onrechte niet zijn toegestaan. Hierbij wijst [appellanten sub 8] erop dat in de Nota van Zienswijzen is aangegeven dat in totaal 194 m² aan bijgebouwen in het plan opgenomen zou worden, wat niet is gebeurd. Bovendien wijst [appellanten sub 8] erop dat dit aantal m² niet toereikend is, aangezien er meer bebouwing legaal aanwezig is. Ter zitting heeft [appellanten sub 8] gesteld dat er circa 50 of 60 m² bebouwing te weinig is toegestaan op zijn gronden. 23.1. Zoals hiervoor onder 10.1 is overwogen, dient legaal bestaande bebouwing in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk binnen de planperiode wordt verwijderd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. 23.2. In het plan, dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, ontbrak per abuis een regel dat

Uitspraak 201900226/1/R4

16

de gebouwen op de in geding zijnde gronden een totale maximum oppervlakte van 230 m² mogen hebben. In het wijzigingsbesluit is dit hersteld, zo heeft de raad toegelicht. In het wijzigingsbesluit is de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" aan een deel van de gronden van [appellanten sub 8] toegekend. In artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.7, van de planregels bij het wijzigingsbesluit is het volgende bepaald: "Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - 3" gelden de volgende regels: a. het gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen bedraagt maximaal 230 m²; b. de maximum goot- en bouwhoogte respectievelijk 3 en 5 m bedraagt." De Afdeling stelt vast dat met het wijzigingsbesluit niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van [appellanten sub 8] op dit punt. [appellanten sub 8] meent immers dat er nog steeds te weinig legale bebouwing op zijn gronden is toegestaan. Het beroep van [appellanten sub 8] is van rechtswege in zoverre mede gericht tegen het wijzigingsbesluit. 23.3. De Afdeling overweegt dat het op de weg van de raad had gelegen om de bestaande bebouwing op de gronden van [appellanten sub 8], waaraan de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" is toegekend, te inventariseren.

Nu ter zitting is gebleken dat de raad dit niet heeft onderzocht en evenmin dat hij de hiermee samenhangende belangen van [appellanten sub 8] bij de vaststelling van het plan heeft betrokken, heeft de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. Functieaanduiding "dagrecreatief medegebruik" 24. [appellanten sub 8] voert aan dat de functieaanduiding "dagrecreatief medegebruik" ten onrechte op de verbeelding ontbreekt op de agrarische gronden ten zuiden van de Weersloot, terwijl in de Nota van Zienswijzen was vermeld dat de verbeelding op dat punt zou worden aangepast. 24.1. Op de in geding zijnde gronden is op de bij het bestreden plan vastgestelde verbeelding de bestemming "Agrarisch met waarden" opgenomen. In artikel 3, lid 3.1, van de planregels is het volgende bepaald: "De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf; […] met daarbij behorende: […] v. recreatief medegebruik;" In artikel 1.117 van de planregels is "recreatief medegebruik" als volgt omschreven: "vormen van openluchtrecreatie met een relatief beperkt aantal recreanten per oppervlakteeenheid en waarbij in het algemeen het verlangen naar rust en ruimte voorop staat."

Uitspraak 201900226/1/R4

17

Vast staat dat de functieaanduiding "dagrecreatief medegebruik" niet op de verbeelding van het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is opgenomen. Het beroep van [appellanten sub 8] is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin de functieaanduiding "dagrecreatief medegebruik" ook niet op de verbeelding is opgenomen. 24.2. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de aanduiding "dagrecreatief medegebruik" niet op de verbeelding is opgenomen, niet eraan afdoet dat op grond van de planregels op de in geding zijnde gronden recreatief medegebruik is toegestaan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze wijze van bestemmen heeft kunnen kiezen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat deze wijze van bestemmen nadelige gevolgen heeft voor [appellanten sub 8]. Het betoog slaagt niet. Historische wandelroute 25. [appellanten sub 8] kan zich niet verenigen met de aanduiding voor de historische wandelroute die in het plan is opgenomen nabij zijn bedrijfswoning aan de [locatie 11] te Breukelen. Volgens [appellanten sub 8] is de strook, waaraan de aanduiding is toegekend, te breed en is de ligging van de wandelroute niet in overeenstemming met de route zoals die in de praktijk wordt gelopen. 25.1.

Op de verbeelding van het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is aan een deel van deze gronden de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - historische wandelroute". In artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.3, van de planregels is het volgende bepaald: "Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - historische wandelroute' zijn de gronden tevens bestemd voor het gebruik als openbaar wandelpad. Op de verbeelding is aan een deel van deze gronden de bestemming "Recreatie" en de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - historische wandelroute" toegekend. In artikel 15, lid 15.3, onder 15.3.3, van de planregels is het volgende bepaald: "Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - historische wandelroute' zijn de gronden tevens bestemd voor het gebruik als openbaar wandelpad." Het beroep van [appellanten sub 8] is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin - gelijk aan het bestreden besluit - de aanduiding voor de historische wandelroute is opgenomen. 25.2. Over de stelling van [appellanten sub 8] dat de strook, waaraan de aanduiding ten behoeve van een historische wandelroute is toegekend, te breed is, heeft de raad toegelicht dat die wandelroute globaal is aangeduid in het plan.

De raad heeft hierbij toegelicht dat hij belang hecht aan het behoud van deze wandelroute, omdat daarmee een verbinding voor wandelaars tot aan de Vecht bestaat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de afweging van belangen in redelijkheid de functieaanduiding ten behoeve van de historische wandelroute aan de gekozen gronden kunnen toekennen. Hierbij is van betekenis dat [appellanten sub 8] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit ernstige nadelige gevolgen voor hem heeft. Dat de ligging van de wandelroute niet in overeenstemming is met de route zoals die in de praktijk wordt gelopen, heeft [appellanten sub 8] evenmin aannemelijk gemaakt.

Uitspraak 201900226/1/R4

18

Het betoog slaagt niet. Het concrete initiatief van [appellant sub 4] 26. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover het betreft de bestemming "Buitenplaats" ter plaatse van perceel 5119 ter hoogte van [locatie 12] te Breukelen. [appellant sub 4] stelt dat hier een woonbestemming met bouwvlak had moeten worden toegekend. Volgens [appellant sub 4] is de raad ten onrechte voorbijgegaan aan zijn concrete bouwvoornemen ter plaatse van deze nog onbebouwde gronden nabij de woning van zijn ouders. Ontvankelijkheid 27. De raad stelt dat [appellant sub 4] geen zienswijze heeft ingediend, zodat zijn beroep nietontvankelijk is. Er heeft weliswaar binnen de termijn voor het indienen van een zienswijze een gesprek plaatsgevonden met [appellant sub 4], maar hij heeft daarbij niet kenbaar gemaakt dat hij bij die gelegenheid beoogde om een mondelinge zienswijze in te dienen, aldus de raad. 27.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. 27.2.

In de publicatie van het ontwerpplan is onder meer het volgende vermeld: "Vanaf vrijdag 10 november 2017 kunt u gedurende 6 weken schriftelijk (geen e-mail), digitaal of mondeling een zienswijze kenbaar maken op het Ontwerpbestemmingsplan Rondom de Vecht. (…) Voor uw mondelinge zienswijze(n) neemt u contact op met de heer (…) of mevrouw (…)." 27.3. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat op 11 december 2017, dus in de periode dat een zienswijze kon worden ingediend, een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [appellant sub 4] en één van de in de publicatie genoemde personen. Hoewel van dit gesprek geen verslag, als bedoeld in artikel 3:17 van de Awb is gemaakt, stelt de Afdeling vast dat, zoals ter zitting van de zijde van de raad is erkend, in dit gesprek de wens van [appellant sub 4] om een woning te bouwen op het genoemde perceel, dat deel uitmaakt van het plangebied "Rondom de Vecht", aan de orde is gekomen. Daarmee moet er van worden uitgegaan dat [appellant sub 4] tijdens dat gesprek heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het niet opnemen van een woning op die locatie in het voorliggende plan.

Onder deze omstandigheden heeft de raad hetgeen tijdens het gesprek naar voren is gebracht naar het oordeel van de Afdeling niet mogen opvatten als een vooroverleg in het kader van een eventueel toekomstig plan, maar had de raad het moeten aanmerken als een mondelinge zienswijze over het bestemmingsplan dat thans aan de orde is. Nu die zienswijze is gericht tegen een plandeel waartegen het beroep zich richt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk is. Het verweer van de raad volgt de Afdeling niet. Concreet initiatief 28. [appellant sub 4] voert aan dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met

Uitspraak 201900226/1/R4

19

zijn initiatief voor een woning. [appellant sub 4] stelt dat er tijdig duidelijkheid bestond over zijn initiatief en dat hij een ruimtelijke onderbouwing heeft aangeleverd. 28.1. Zoals hiervoor onder 9.1 is overwogen, is in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Als bepaalde onderzoeken of andere stukken ontbreken én de bewijslast daarbij rust op de initiatiefnemer, dan moet de gemeenteraad de initiatiefnemer daarop attenderen en meedelen wanneer de ontbrekende stukken aangeleverd moeten worden (zie uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2772). 28.2. Vast staat dat ter plaatse van het perceel van 5119, betreffende de Straatweg in Breukelen, geen woning is toegestaan in het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij het bestreden besluit. Aangezien dit ook niet is toegestaan in het wijzigingsbesluit, is het beroep van [appellant sub 4] van rechtswege mede daartegen gericht. 28.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2047/documents/43225