3.3. Toelichting Bestemmingsplan Garsten Noord.pdf
Tekst van het document
Betonfabriek Nigtevecht De fabriek fabriceert diverse betonproducten, waarbij onder andere triltafels en een triljuk worden gebruikt. De maximale productiecapaciteit zou nu 150 ton per dag kunnen bedragen. Hoeveel daadwerkelijk geproduceerd, hangt sterk samen met de actuele vraag met bijbehorende gevraagde levertijd, die niet altijd voorzienbaar is. De productie vindt nu plaats in de oostelijke hal. Op het westelijke terreindeel van de inrichting is een bedrijfshal aanwezig, waarin thans nog de constructiewerkplaats gesitueerd is en mallen worden opgeslagen. Transport van en naar de inrichting vindt per vrachtwagen plaats. Daartoe is de inrichting zowel ontsloten via de Kanaaldijk Oost
3
Stedenbouwkundig plan kop Vechtoever, Van den Pauwert Architecten BNA, 6 oktober 2015 28
als de Vreelandseweg. De noordoostelijke in- en uitrit aan de Vreelandseweg wordt niet gebruikt. De zuidoostelijke in- en uitrit wordt gebruikt voor vrachtverkeer, echter uitsluitend in de dagperiode. De zuidwestelijke in- en uitrit wordt eveneens gebruikt voor vrachtverkeer, zowel in de dag- als avondperiode. Intern transport over de terreinen van de inrichting vindt plaats met heftrucks e.d. Laad- en losactiviteiten kunnen op verschillende plaatsen plaatsvinden. Ten behoeve van verdere stroomlijning van het productieproces en uitbreiding van de werkzaamheden is Betonfabriek Nigtevecht voornemens een aantal wijzigingen door te voeren op het terrein van de inrichting: A) betonproductie spreiden over twee loodsen; B) bijplaatsen silo's; C) realisatie van een werkplaats/opslag voor productiemallen (bijgebouw); D) assemblagewerkzaamheden betonproductiemachines in de productiehal; E) verhogen van de productiecapaciteit naar meer dan 100 ton/dag betonproduct; F) huisvesten van medewerkers op de 1e etage (en de beoogde uitbreiding hiervan) van het bestaande kantoor; G) ingebruikname bedrijfswoning op de locatie Vreelandseweg 6a en/of huisvesten van medewerkers in dit pand, uitbreiden gebouw met aanbouw en garage; H) gedempte sloten langs de terreingrens een bedrijfsbestemming toekennen. De productie van de betonproducten vindt overdag plaats.
In de nacht- (19:00 t/m 23:00) en avondperiode (23:00 t/m 07:00) vinden er geen productieprocessen plaats, in deze periode hardt het beton uit (e.e.a. is ook vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan). De volgende werkdag worden de betonproducten uit de betonmallen verwijderd. Een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag betekent dat het bedrijf op basis van de Wet geluidhinder een gezoneerd bedrijf is. Rondom een gezoneerd bedrijf dient een geluidszone te zijn vastgesteld. Binnen deze geluidszone mag het bedrijf meer dan 50 dB(A) produceren. Hierna worden de wijzigingen toegelicht: A, B) Betonproductie spreiden over twee loodsen, bijplaatsen silo's Betonfabriek Nigtevecht is voornemens de productie te spreiden over de twee bestaande loodsen c.q. de productie gedeeltelijk te verplaatsen van de bestaande productiehal naar de (thans nog) werkplaatshal. Naast deze tweede productiehal zullen hiertoe drie silo’s ten behoeve van de opslag van grondstoffen worden geplaatst met een hoogte van ca. 12 meter. In de tweede productiehal zal een productielijn ingericht worden. De bestaande werkplaats en opslag voor mallen wordt elders op het terrein ondergebracht. Ten oosten van de bestaande productiehal 1 zal (bij de daar al aanwezige silo's) ook een extra silo worden bijgeplaatst voor de opslag van vulmiddel ten behoeve van de productie van circulair beton.
Binnen de bestemming Bedrijf zijn bedrijven toegestaan in de categorieën 1 t/m 2 van de Staat van Inrichtingen. Op het perceel van de betonfabriek is tevens een betonfabriek (categorie 5.2) toegestaan (toegestaan op het gehele perceel). C) Realisatie van een werkplaats/opslag voor productiemallen (bijgebouw) Ten behoeve van de (weersbestendige) opslag van onder andere stalen mallen is de betonfabriek voornemens aan de noordoostzijde van de inrichting, tussen de bestaande productiehal en de naastgelegen percelen Vreelandseweg 4 en 6a een bijgebouw 29
met onderhangkraan te realiseren. Hiertoe wordt deels de bestaande onderheide stalen kraanbaan gebruikt. Het bijgebouw krijgt een hoogte van ca. 5 meter en eindigt met een wand van deze hoogte op de perceelsgrens. Het gebouw omvat tevens een deel van het perceel Vreelandseweg 6a. In het gebouw is tevens sprake van een werkplaats, waarin kleine onderhouds- en assemblagewerkzaamheden kunnen plaatsvinden met handgereedschap. D) Assemblagewerkzaamheden in de productiehal Betonfabriek Nigtevecht is voornemens in een van de loodsen machines voor de productie van betonwaren te assembleren, alsmede enige scholings- en verkoopactiviteiten rondom deze machines te organiseren. E) Verhogen van de productiecapaciteit naar meer dan 100 ton/dag betonproduct Betonfabriek Nigtevecht is voornemens de productie te spreiden over twee loodsen (zie ook punt A). Hierdoor zal de opgestelde (theoretische) productiecapaciteit van de fabriek toenemen, tot meer dan 100 ton/dag. F,G) Huisvesten van werknemers op 1e etage van het bestaande kantoor en op Vreelandseweg 6a Betonfabriek Nigtevecht is voornemens de eerste etage van het bestaande kantoor aan de voorzijde van de inrichting, waarbij momenteel sprake is van leegstand, te gaan gebruiken voor de huisvesting van maximaal 13 medewerkers. Het betreft hier kortdurend verblijf van veelal ca. 6 weken onafgebroken.
Dit betekent dat er sprake is van een logiesfunctie (shortstay) en niet van een woonfunctie. Ter plaatse van het bestaande pand aan de Vreelandseweg 6a (achter Vreelandseweg 6) wordt beoogd maximaal 6 medewerkers huisvesting te bieden. Het is ook mogelijk dat de bedrijfsleiding op termijn het pand Vreelandseweg 6a betrekt en in gebruik neemt als bedrijfswoning. Beide functies worden aangevraagd. H) Gedempte sloten langs de terreingrens een bedrijfsbestemming toekennen Rondom de terreingrens aan de noord- en westzijde waren enkele watergangen gesitueerd. Deze zijn inmiddels echter gedempt. Beoogd wordt de vrijgekomen strook ten behoeve van de bedrijfsvoering van de betonfabriek (opslag gereed product) aan te wenden.
30
Hieronder wordt aangegeven wat de strijdigheden zijn van de wijzigingen met het geldende bestemmingsplan. A, B) Betonproductie spreiden over twee loodsen, bijplaatsen silo's Het verplaatsen/verspreiden van de productie binnen de bestaande loodsen past binnen het vigerende bestemmingsplan. De bestemming bedrijfsdoeleinden (inclusief betonfabriek) geldt immers voor het gehele perceel. Het plaatsen van silo's (hoogte 11 à 12 meter) op de beoogde locatie past niet binnen het vigerende bestemmingsplan, omdat ter plaatse van de nieuwe locatie geen aanduiding “silo toegestaan” is opgenomen en de maximale bouwhoogte van (overige) bouwwerken geen gebouwen zijnde 5 meter bedraagt. Het gaat om in totaal 6 silo’s op het perceel. C) Realisatie van een werkplaats/opslag voor productiemallen (bijgebouw) Gebouwen mogelijk uitsluitend gebouwd worden binnen de bebouwingsstroken. De beoogde opslag wordt deels buiten de bebouwingsstroken gerealiseerd, waarmee deze opslag dus op grond van het vigerend bestemmingsplan niet is toegestaan. Op het perceel Vreelandseweg 6a valt het gebouw wel binnen het bouwvlak. De bouwhoogte van 5 meter is ter plaatse toegestaan. D) Assemblagewerkzaamheden in de productiehal Het vervaardigen van machines (met maximaal 10 medewerkers) is op grond van de Staat van Inrichtingen een bedrijfsactiviteit van categorie 5.
Deze activiteit is in principe niet toegestaan op het perceel (want niet behorend tot de generieke categorieën 1 t/m 4), maar wordt wel lager ingeschaald dan de bestaande activiteiten op het terrein. Het assembleren van machines past dus niet binnen het vigerende bestemmingsplan. E) Verhogen van de productiecapaciteit naar meer dan 100 ton/dag betonproduct In het vigerende bestemmingsplan is op het perceel een betonfabriek (categorie 5.2) toegestaan. Aan deze functie is geen plafond voor de productiecapaciteit opgenomen, ofwel: iedere betonfabriek, ongeacht de productiecapaciteit, valt onder de toegestane categorie 5.2. Het betreft hier overigens de categorie-indelingen zoals destijds (1981) van toepassing waren. Anno 2018 betreft de milieucategorie van een betonfabriek afhankelijk van
31
de productiecapaciteit 4.2 of 5.2. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn betonfabrieken met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton/dag echter aangewezen als categorie inrichting die uitsluitend toegestaan zijn op een industrieterrein dat gezoneerd is in het kader van de Wet geluidhinder. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het verhogen van de productiecapaciteit naar meer dan 100 ton/dag betonproduct past derhalve binnen het vigerende bestemmingsplan, maar is vanwege het ontbreken van een geluidzone niet uitvoerbaar (er is een van rechtswege gezoneerd industrieterrein). In het bestemmingsplan (en omliggende plannen) zal derhalve een geluidzone vastgelegd dienen te worden. Daarnaast zal tevens een zogenaamde hogere waarde vastgesteld moeten worden voor woningen die gelegen zijn binnen de gewijzigde geluidzone. F,G) Huisvesten van werknemers op 1e etage van het bestaande kantoor en op Vreelandseweg 6a Het kantoor is specifiek aangeduid als kantoorfunctie en Vreelandseweg 6a als bedrijfsgebouw. Het huisvesten van medewerkers (als logiesfunctie dan wel als bedrijfswoning voor Vreelandseweg 6a) in de gebouwen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. De beoogde aanbouw bij het pand Vreelandseweg 6a valt deels buiten het bouwvlak. H) Gedempte sloten langs de terreingrens een bedrijfsbestemming toekennen.
De gronden zijn deels bestemd als “Beplantingsstrook”, bedrijfsdoeleinden zijn op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Voornoemde ontwikkelingen zijn voor zover deze niet passen binnen het geldende bestemmingsplan vervat in dit bestemmingsplan, daar er geen planologische of stedenbouwkundige bezwaren tegen bestaan en de ontwikkelingen ook niet leiden tot een onevenredige verslechtering van het geluidklimaat bij omliggende woningen 9zie hoofdstuk 4). De geplande uitbreidingen zijn binnen een bouwvlak gebracht of met een specifieke aanduiding in het geval de silo’s, de overkapping en de logiesfunctie. Tevens is aan de west- en noordzijde het bedrijventerrein iets uitgebreid conform de feitelijke reeds jarenlange aanwezige situatie.
32
3 3.1
Beleidskader Inleiding Alvorens een ruimtelijke onderbouwing te kunnen opstellen is het noodzakelijk te bekijken welke beleidslijnen zowel de gemeente als ook andere overheden uitgestippeld hebben. Reikwijdte beleidskaders Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro is geënt op twee belangrijke basisprincipes. Transparantie in beleid en in normstelling en verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het juiste niveau. De vereiste transparantie in ruimtelijk beleid verplicht het rijk, de provincie en de gemeente tot het vaststellen van een structuurvisie waarin de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid worden weergegeven. De vereiste transparantie in normstelling verplicht rijk en provincie om zoveel mogelijk pro-actief te sturen. Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheden zijn het rijk, de provincie en de gemeente voortaan verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van provincie of rijk met de gemeente indien dat noodzakelijk is vanwege provinciaal, respectievelijk nationaal belang.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
33
Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie Het plan tast de nationale belangen niet aan.
3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro/Bro) Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijk-vaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoor-wegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor ver-voer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onder-scheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het ni-veau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplan-nen.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermin-dering van de bestuurlijke drukte. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, zoals bij de Ecologische Hoofd-structuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Het eerste deel van het Barro is in december 2011 van kracht geworden. In de loop van 2012 is een aantal onderwerpen toegevoegd, zoals de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maxi-
34
mering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Met de eerdergenoemde uitbreiding van het Barro is de juridische verankering van de SVIR compleet geworden. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken - Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4 (plannen tot 11 woningen zijn niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken.
Voor één onderwerp geregeld in dit besluit, voorziet het besluit niet in de begrenzing. Dit betreft de NNN. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen. Hierop wordt in paragraaf 3.3.2 nader ingegaan. − Waddenzee en waddengebied; − Defensie, en − Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
35
Beoordeling en conclusie Onderhavig plan voorziet in meer dan 11 woningen en moet dus wel aangemerkt worden als woningbouwlocatie. De uitbreiding van de betonfabriek is vanaf de buitenkant niet of nauwelijks zichtbaar en heeft geen of geringe ruimtelijke impact. Andere ontwikkelingen zijn inpandig (vestiging logies, verplaatsen productie e.d). De ontwikkeling op het terrein van de betonfabriek is derhalve zodanig kleinschalig, dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het gaat hier puur om een lokale aanpassing/optimalisering van reeds aanwezig bedrijvigheid. Dit geldt tevens voor de wijzigen van de bedrijfswoning Vreelandseweg 6 in een burgerwoning en de toevoegen van een bestemming Wonen voor de reeds bestaande Vreelandseweg 6a (wijziging inpandig gebruik). Over de huisvesting van arbeidsmigranten bij de betonfabriek geldt het volgende. De huisvesting van arbeidsmigranten staat onder druk, zowel landelijk als in de provincie Utrecht. Dat blijkt onder andere uit het stimulerende beleid van de Rijksoverheid (Crisis- en herstelwet, Leegstandswet) om de realisatie van logiesfuncties voor arbeidsmigranten te vereenvoudigen en het huisvestingsprobleem hiermee te bestrijden. De behoefte aan huisvesting voor arbeidsmigranten blijkt ook uit de inventarisatie van de Rijksoverheid en regio's zoals weergegeven in de Voortgangsbrief huisvesting EUarbeidsmigranten 2014.
Hiervoor zouden (afhankelijk van de concrete setting en randvoorwaarden) zowel woningen als logiesfuncties aangewend kunnen worden, maar ook de behoefte aan woningen is in de regio onverminderd hoog (zoals zowel provinciaal als regionaal uitvoerig onderbouwd wordt in onder andere de Provinciale Structuurvisie 2013 – 2028 en de Kadernota Wonen en Binnenstedelijke ontwikkeling van de provincie Utrecht en de Regionale Woonvisie 2030 en het Regiodocument van de BRU). Bij Betonfabriek Nigtevecht bestaat een concrete behoefte aan logiesfuncties voor de eigen werknemers. Toetsing woningbouw Vechtoever Op basis van dit bestemmingsplan kunnen maximaal 14 woningen worden toegevoegd aan de woningvoorraad. De gemeente Stichtse Vecht heeft in de Provinciale ruimtelijke structuurvisie tot 2028 een binnenstedelijke woningbouwopgave van 1800 woningen. De gemeente is daarbij gelegen in de regio Utrecht. Op basis van de PRS en de daaronder berekende behoefte is de totale opgave voor de regio 40.295 woningen tot 2028. De provincie Utrecht is continu bezig met het monitoren van haar toekomstige woningbouwlocaties. Dit inzicht is nodig om er voor te zorgen dat het woningaanbod in de provincie in de toekomst aansluit op de behoefte van haar inwoners. De woningbouwplannen worden door de gemeenten in de provinciale planmonitor Wonen ingevuld.
Via het proces van regionaal programmeren maakt de provincie samen met gemeenten en regio’s programma’s voor regionale woningbouw op langere termijn. De regionale programma’s worden jaarlijks gemonitord, geëvalueerd en geactualiseerd. In het regionale programma wordt in de regio U16 uitgegaan van een huidig woningtekort van 26.400 woningen (zie navolgende figuur). De grafiek beschrijft daarnaast de woningbouwbehoefte in verschillende periodes. Dit aantal woningen staat los van de woningbehoefte van de periode ervoor.
36
Woningbehoefte en prognose regio U16 (bron: Monitor wonen) Op basis van de Planmonitor Utrecht is weergegeven wat de woningbouwplannen de komende periode zijn. Voor de periode 2020-2024 geldt dat de capaciteit 19.918 woningen in harde plannen betreft.
37
Dit betekent dat met de huidige harde plancapaciteit niet voldaan kan worden aan de woningbehoefte van circa 30.200 woningen in 2020-2024. Voor de periode van 20252029 is de harde plancapaciteit nog duidelijker onvoldoende (2.718 in harde plannen) ten opzichte van de behoefte (29.100 woningen). In de verstedelijkingsstrategie is voor de regio Utrecht in beeld gebracht wat de opgave is om te bepalen waar en hoeveel ruimte nodig is voor de groei van en veranderingen in de regio. Ten aanzien van wonen is er tot 2040 behoefte aan 104.000 nieuwe woningen in de regio U16. Door nieuwe bevolkingsprognoses (2019) en een afspraak met het Rijk dat het woningtekort wordt teruggebracht naar 2%, stijgt de opgave voor 2040 naar 119.000 woningen. Daarnaast is in de woondeal opgenomen dat er 30% overprogrammering nodig is om te komen tot de juiste woningproductie. Dit betekent een toevoeging van 135.200 tot 154.700 woningen voor de regio Utrecht.
Een belangrijk uitgangspunt voor de Verstedelijkingsstrategie, vormt de door de regio gehanteerde ladder van te maken verstedelijkingskeuzes (waar laten we de opgaven voor wonen, werken en voorzieningen fysiek landen in de regio): 1) Op binnenstedelijke locaties en op binnenstedelijke locaties nabij bestaande OV knooppunten 2) Buitenstedelijk nabij bestaande OV knooppunten 3) Ontwikkelkansen nabij nieuwe OV knooppunten en buitenstedelijk met hoogwaardig OV De keuze is om de woningbouwopgave te concentreren in stedelijke kerngebieden en een aantal grotere regionale kernen. Het plangebied kan aangemerkt worden als locatie 1 van de ladder, een binnenstedelijke locatie, en sluit dus aan bij de uitgangspunten van verdichtingen en concentratie binnen stedelijk gebied. De provincie Utrecht heeft samen met de regio U16 een woningmarktanalyse opgesteld voor de regio U16. Om een inschatting te kunnen maken van de toekomstige woningbehoefte is het van belang inzicht te hebben in de huishoudensontwikkeling. De bevolkings- en woningbehoefteprognose (Primos) geeft een beeld van de ontwikkeling van de regio, uitgaande van een trendmatige vestiging van huishoudens (doorzetten van de trend van met name de afgelopen vijf jaar). De groei van het aantal huishoudens is een indicatie voor de gewenste toevoeging van woningen.
Volgens de prognose zouden er in U16 tot 2028 circa 45.000 extra huishoudens zijn. De prognose laat zien dat in vrijwel alle leeftijdsgroepen het aantal huishoudens toeneemt; met uitzondering van huishoudens tot 30 jaar. Ook het aantal seniorenhuishoudens (65+ en 75+) neemt sterk toe. Maar ook het aantal gezinnen met kinderen groeit nog. Voor de komende jaren is het potentiële aanbod en de potentiële vraag met elkaar vergeleken. Dit is gedaan door verhuistrends uit het verleden door te trekken naar de toekomst, en daarbij veranderingen in huishoudenssamenstelling volgens de provinciale prognose mee te wegen (dus de vraag van 75-plussers wordt naar de komende jaren groter). Hierbij is als trend meegerekend dat naoorlogse generaties meer gericht zijn op een koopwoning; conform landelijke tendensen afgeleid uit de landelijke woningbehoefteonderzoeken (WoON). Het potentiële aanbod ontstaat doordat mensen doorstromen of uitstromen (door overlijden). Dit aanbod is geconfronteerd met de (veranderende) woningvraag, waaruit blijkt waar de komende jaren de mismatch tussen vraag en aanbod het meest waarschijnlijk is (figuur 3.2 en 3.3).
38
De potentiële tekorten ontstaan de komende jaren in verschillende segmenten (huur en koop). In de huursector komt de vraag van kleine (vaak jonge) huishoudens. Slechts 10% van de vraag komt van 65-plussers. Toch focust de vraag van de senioren zich met name op huurappartementen. In de koopsector is er vraag naar rijwoningen en appartementen. Ook de vraag in deze segmenten komt met name van kleine huishoudens (tot 50 jaar) en gezinnen. De vraag naar luxe koopwoningen is op basis van het doortrekken van trends in de U16 beperkt.
Prognose vraag en aanbod naar woningtype 2018-2023
Prognose saldo vraag en aanbod naar woningtype 2018-2023
Het plan geeft invulling aan zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve woningbehoefte.
39
3.2.3
Nationaal Waterplan 2016 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in 2016 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten.
Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Beoordeling en conclusie In paragraaf 4.2.12 wordt nader ingegaan op het aspect water.
3.2.4
Modernisering Monumentenzorg (MoMo) In november 2009 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de moderniseringsplannen van de monumentenzorg, afgekort MoMo. De belangrijkste veranderingen die met nieuw beleid gepaard gaan zijn: Cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening; • Krachtiger en eenvoudiger regels; • Herbestemmen van monumenten die hun functie verliezen.
40
•
Het Rijk legt in het nieuwe monumentenbeleid veel verantwoordelijkheid voor de monumentenzorg bij gemeenten, waarbij het bestemmingsplan gezien wordt als belangrijkste instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
MoMo en Besluit ruimtelijke ordening Ter uitvoering van onder meer de beleidsvoornemens uit de MoMo is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast, waardoor onder meer de wijze is vastgelegd waarop bij ruimtelijke ontwikkelingen omgegaan moet worden met het aspect cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder het opstellen van een bestemmingsplan, het aspect cultuurhistorie expliciet mee moeten wegen. Dit houdt in dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen moet worden hoe met de aanwezige en/of te verwachten cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij moet niet alleen gekeken worden naar het plangebied zelf, maar ook naar de eventueel aanwezige waarden in de directe omgeving daarvan. De Rijksoverheid wil er hiermee voor zorgen dat in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument en de cultuurhistorische waarden zelf, maar ook voor de omgeving ervan: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid. In paragraaf 4.2.10 is een overzicht gegeven van de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden en wordt aangegeven hoe deze zijn meegewogen in het bestemmingsplan.
Beoordeling en conclusie Behoud en versterking van bedrijvigheid vormt, evenals behoud en versterking van de cultuurhistorische en landschapsidentiteit, een belangrijk uitgangspunt voor het bestemmingsplan. Voor het plangebied staat behoud van de bedrijvigheid en het landschap voorop. Dit uit zich doordat een karakteristiek pand een toekomstbestendige bestemming Wonen heeft gekregen (Vreelandseweg 6/6a). Voorts wordt de Vechtoever herontwikkeld waarbij er aandacht is voor de cultuurhistorische waarden van de Vecht (o.a. realiseren doorkijkjes).
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht (2020) De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. We combineren bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
41
Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij vinden we voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren) zorgen we er juist voor dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen we onze ambities bereiken. We voeren het beleid van de Omgevingsvisie uit met behulp van: ■ de Omgevingsverordening (zie paragraaf hierna) ■ Programma’s Om het beleid uit te voeren hebben we niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’.
Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij houden we ook rekening met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgen we ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Met zeven beleidsthema’s geven we richting aan de ontwikkeling en de bescherming van onze gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 hebben wij een inclusieve en circulaire provincie Utrecht: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Relevant voor dit bestemmingsplan zijn met name thema 3 en 6.
42
Vitale dorpen en steden Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. Wij bezien de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in deze visie verwoord. Daarom hanteren we bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes: zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; • daarnaast in overig stedelijk gebied; • eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. In aanvulling hierop willen we onder voorwaarden ruimte bieden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk). •
De woningbouwopgave Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het nodig om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. Dit is een grote opgave, die alleen kan worden gerealiseerd door als overheden onderling en met andere partners in de bouwwereld samen te werken. Voor deze opgave is al veel plancapaciteit in beeld, maar veel daarvan heeft nog de status ‘zacht’ en ‘potentieel’ en het is dus zaak om daarin keuzes te maken en te werken aan ‘harde’, uitvoerbare, plannen. De Stichtse Vecht ligt binnen de regio U16, waarvoor in 2020-2050 een gewenste toevoeging geldt van 99.200 tot 125.600 woningen bij een capaciteit van 133.500. Levend landschap, erfgoed en cultuur De provincie Utrecht kent een rijkdom aan landschap, erfgoed en cultuur. Deze rijkdom wordt door inwoners en bezoekers hoog gewaardeerd en is belangrijk voor onze culturele identiteit, welzijn en vestigingsklimaat. In het landelijk gebied onderscheiden we vijf karakteristieke landschappen: Eemland, Gelderse Vallei, Groene Hart, Rivierengebied en Utrechtse Heuvelrug. In deze landschappen liggen aardkundige waarden. Ook wordt onze provincie gekenmerkt door een zeer hoge dichtheid aan historische buitenplaatsen. Het meest bekende zijn de gordels langs de Vecht en de Stichtse Lustwarande.
Verder lopen door de provincie Utrecht vier grote voormalige waterlinies, ons militair erfgoed: Nieuwe Hollandse Waterlinie, Grebbelinie, Oude Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is voorgedragen als UNESCO Werelderfgoed, als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam. Ook het archeologisch erfgoed van de Neder-Germaanse Limes is genomineerd voor de UNESCO Werelderfgoedlijst. Ten slotte hebben we een gevarieerd en goed bereikbaar cultuuraanbod. Door ruimtelijke veranderingen in onze leefomgeving en door intensief ruimtegebruik staan het landschap en het erfgoed onder druk. Dijkversterkingen, benutting van duurzame energiebronnen, uitbreiding van steden en dorpen, aanleg van nieuwe infrastructuur, intensivering van de landbouw: alles heeft invloed op hoe ons landschap en/of ons erfgoed er uitzien. Onze voornaamste opgave is om de aanwezige waarden te beschermen en te benutten als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. Een 43
andere belangrijke opgave die we hebben, is het in stand houden van een aantrekkelijke culturele infrastructuur waarin iedereen kan meedoen. Keuze Wij beschermen en benutten landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. Daarbij stimuleren we de inzet van creatieve verbeeldingskracht. Dit doen we om de kwaliteit en identiteit van onze fysieke leefomgeving te versterken. In onze landschappen ontwikkelen we met de kernkwaliteiten van het landschap mee en stimuleren anderen dat ook te doen. Binnen onze Cultuurhistorische hoofdstructuur leggen wij de focus op historische buitenplaatszones, militair erfgoed, agrarische cultuurlandschappen, archeologisch waardevolle zones en historische infrastructuur. We verzilveren de kwaliteiten van linie en limes via onder anderede uitzonderlijke universele waarden van (genomineerd) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes. Wij zorgen voor monumenten en dragen bij aan een hoogwaardig cultureel aanbod dat meegroeit met het aantal inwoners. De historische buitenplaatszones staan onder hoge druk, zowel door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving, als door ontwikkelingen op de buitenplaatsen zelf.
Wij bieden in de Omgevingsverordening ruimte voor ontwikkeling, gericht op het creëren van economische dragers voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van buitenplaatsen. Daarbij is behoud van de specifieke kenmerken van de zone waarin de buitenplaats ligt en van de buitenplaats zelf het uitgangspunt. In de Leidraad behoud door ontwikkeling op historische buitenplaatsen hebben wij dit beleid nader uitgewerkt. Op de UNESCO Werelderfgoedlijst staat cultureel erfgoed dat van uitzonderlijke universele waarde is (‘Outstanding Universal Value’), met als doel het beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties. Plaatsing op de Werelderfgoedlijst geeft erkenning en internationale allure, en versterkt het toeristisch-recreatief profiel van Utrecht. De Stelling van Amsterdam staat reeds op deze lijst en de Nieuwe Hollandse Waterlinie is genomineerd om in 2020 te worden aangewezen, waarna ze samen verder gaan onder de naam ‘Hollandse Waterlinies’. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam werken we deze kernkwaliteiten verder uit in de Gebiedsanalyse kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies. De gebiedsanalyse geeft meer helderheid over de aanwezige kernkwaliteiten en hoe hiermee om te gaan bij nieuwe ontwikkelingen.
Gezien de grote maatschappelijke opgaven waar we als provincie voor staan, willen we zeker niet bij voorbaat alle ontwikkelingen in het UNESCO Werelderfgoed uitsluiten. We onderzoeken samen met Rijk en gemeenten hoe we de energietransitie kunnen inpassen in werelderfgoedgebieden. Met slim combineren – bijvoorbeeld met opgaven recreatie en gezonde leefomgeving – kan de kwaliteit van het gebied juist worden versterkt. We willen de Hollandse Waterlinies daarbij wel inzetten als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit, en uitgaan van de kracht van dit bijzondere landschap. Bij een groot maatschappelijk belang kunnen wij (via ontheffing) een aantasting van de uitzonderlijke universele waarde toestaan als er geen reële alternatieven zijn en de aantasting wordt gecompenseerd met maatregelen die het UNESCO Werelderfgoed versterken. Het is van belang dat de waarde van de linie als geheel intact blijft.
44
Beoordeling en conclusie Onderhavig initiatief levert een bescheiden bijdrage aan het woningprogramma voor de gemeente. Hiermee wordt tegelijk een bijdrage geleverd ten aanzien van de instandhouding van de aanwezige voorzieningen (extra draagvlak). Het plangebied ligt binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinies. Met dit plan wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd, hetgeen ook de recreatief-toeristische waarde vergroot. De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden voorts niet aangepast met dit plan. Zodoende is het plan in overeenstemming met de omgevingsvisie. 3.3.2
Interim Omgevingsverordening (2021) In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Beoordeling en conclusie Het plangebied in stedelijk gebieden voorts gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinies en Landschap Groene Hart. De Vecht ligt binnen het Natuur Netwerk Nederland en kent aanvullend aanduiding landschappelijke waarden.
In verband met de ligging binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinies én de historische buitenplaatszone ligt het gebied ook binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS).
45
Uitsneden omgevingsverordening
46
De ligging in stedelijk gebied houdt zoveel in dat ingevolge artikel 9.16 dat voor nieuwe stedelijke functies de duurzame verstedelijkingsladder dient te worden toegepast: zie hiervoor eerder dit hoofdstuk. Het provinciaal programma Wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken. Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: • de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; • het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; • (..) De motivering van een bestemmingsplan bevat: een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische
waarden; en een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden. De ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van beide zones wordt hieronder een kort toegelicht. Militair erfgoed De Stelling van Amsterdam is een verdedigingslinie (kringstelling) rond de hoofdstad, aangelegd aan het eind van de negentiende eeuw. Het betreft een 135 kilometer lange gesloten ring van dijken, dammen, sluizen, forten en inundatiegebieden, ingepast in het landschap. De forten markeren de plaats van de linie in het landschap. De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie. Historische buitenplaatsen De kern van de Vechtstreek is een smalle buitenplaatsenzone langs de rivier, tussen Oud-Zuilen en Vreeland. In de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw hebben Amsterdamse kooplieden hier een buitenplaats als zomerverblijf gesticht, veelal in classicistische stijl. Van de oorspronkelijk ruim honderd buitenplaatsen zijn er nu nog zo’n veertig over. Karakteristiek voor deze buitenplaatsenzone is het halfopen landschap met een afwisseling van besloten buitenplaatsen, open weilanden met boerderijen, en historische kernen. Het open zicht tussen jaagpad en Vecht en de doorzichten tussen en achter de buitenplaatsen naar het open weiland verhogen de belevingswaarde.
Van hoge cultuurhistorische waarde zijn de (resten van) formele en vroeg-landschappelijke tuinaanleg en de nog aanwezige landschapsstructuren van verdwenen buitenplaatsen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de oriëntatie van de buitenplaatsen op de rivier en op de dijkweg, en de compacte tuinen en overplaatsen.
47
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig die onderdeel uitmaken of maakten van de Stelling van Amsterdam of van een historische buitenplaats. Zo valt het plangebied buiten de zogenaamde verboden kring die rondom fort bij Nigtevecht lag en onbebouwd moest blijven. Hoewel het plangebied van oorsprong binnen het innundatiegebied lag, is de historische relatie tussen het plangebied en het fort en innundatiegebied verdwenen door de aanleg van het Merwedekanaal. Daarnaast zijn binnen het plangebied geen overblijfselen terug te vinden van voormalige buitenplaats(en) dan wel van overtuinen aan de Vecht. Voor landelijk gebied gelegen binnen een historische buitenplaatszone of militair erfgoed geldt een verstedelijkingsverbod, doch zoals eerder aangegeven, ligt de locatie binnenstedelijk. Artikel 7.9 Instructieregel landschap Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening.. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: • bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en • geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.
• De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn: - openheid - (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc. - landschappelijke diversiteit - rust en stilte Deze worden met dit plan niet aangetast. Artikel 6.2 Instructieregel bescherming natuurnetwerk Nederland 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat bestemmingen en regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verorde48
ning, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a. ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b. ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. ruimtelijke ontwikkelingen in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming. 2. Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verhardingen begrepen. 3. Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als:. a. de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. 4.
De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. Er wordt geen Natuur verwijderd als gevolg van dit bestemmingsplan, zie meer in detail hoofdstuk 4 en ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland schaden (Het dijklichaam van) de Vreelandseweg is aangewezen als regionale waterkering.
Uitsnede provinciale Verordening, waterkering
49
Een ruimtelijk plan bevat bestemmingen of regels die de waterkerende functie beschermen en voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkering. Met het initiatief worden bestaande bedrijven gefaciliteerd, echter de bedrijven worden niet uitgebreid (de plannen blijven binnen de huidige contour); tevens is nieuwvestiging niet mogelijk, anders dan op bestaande percelen op het moment dat een bestaand bedrijf vertrekt/stopt. De beschermende regeling voor het dijklichaam is opgenomen. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening. 3.3.3
Bodem, Water en Milieuplan 2016-2021 In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Dit betekent dat de provincie werkt aan: • • • •
een robuust bodem- en watersysteem bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio
Beoordeling en conclusie In paragraaf 4.2.12 wordt nader ingegaan op het aspect water.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Regionaal economisch perspectief en programma Begin 2018 is door 12 gemeenten in de regio Utrecht de Ruimtelijke Economische K oers U10 (REK) vastgesteld. Als vervolg op de REK is in het afgelopen jaar een aantal onderzoeken verricht die inzicht geven in de huidige stand van zaken van de grootste ruimtelijke opgaven in de Utrechtse regio. Deze zijn aangeboden aan de Opgavetafel Ruimtelijk Economisch Programma (REP) die de opdracht heeft mede op basis van de rapporten te komen tot een integraal ruimtelijk perspectief én programma, waarin kansen voor en bijdrage van de gemeenten expliciet wordt. In de U10 zijn daarvoor belangrijke lijnen uitgezet: de regio kiest ervoor de groei van de bevolking en de economie op een duurzame wijze te faciliteren en zich door te ontwikkelen en te positioneren als de internationaal erkende regio van gezond stedelijk leven. In deze koers zijn principes geformuleerd die richtinggevend zijn voor de duurzame ontwikkeling van de regio tot ontmoetingsplek voor Gezond Stedelijk Leven: Utrecht is in 2040 de internationaal erkende regio voor life sciences, gezondheid en duurzaamheid; − Gemeenten in de regio zijn economisch complementair; 50
− − − −
We kiezen voor een ongedeelde regio met voldoende woningen voor alle doelgroepen; We groeien, met voorrang, op binnenstedelijke locaties. Dat leidt tot kwaliteit en interactie; We geven voorrang aan duurzame mobiliteit; Groen, landschap en cultuurhistorie leveren een onmisbare bijdrage aan de stedelijke regio
Beoordeling en conclusie Dit plan draagt bij aan de doelstellingen omdat er woningen gerealiseerd kunnen worden in bovendien een binnenstedelijke locatie.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Beeldkwaliteitsplan Garsten Noord (2012) Om sturing te kunnen geven aan de gewenste ruimtelijke kwaliteitsslag in het gebied is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitplan doet uitspraken over de verschijningvorm van deze ontwikkelingen. Met dit beeldkwaliteitplan kan de gemeente dan ook sturen om de beoogde kwaliteit ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Het beeldkwaliteitplan is als bijlage bij de regels opgenomen. Zie meer in detail hoofdstuk 2.
3.5.2
Focus op morgen (2013) Focus op morgen is een toekomstvisie van Stichtse Vecht die de gemeenteraad op 29 januari 2013 heeft vastgesteld. De toekomstvisie bevat vier hoofddelen: – een beschrijving van de kernkwaliteiten van Stichtse Vecht; – inzicht in de trends en ontwikkelingen waarvoor de gemeente zich gesteld ziet; – de opgaven en kansen voor de toekomst; – het gevolg geven aan de visie en het ontwikkelen van deelvisies op Stichtse Vecht. Voor het plangebied geldt met name het volgende: “De ‘harde as’ vormt een door infrastructuur en bedrijven gedomineerde corridor, die zorgt voor uitstekende bereikbaarheid enverbinding met de metropool Amsterdam en de stadregio Utrecht. Ook biedt de corridor ruimte aan ondernemerschap en draagt bij aan de economische vitaliteit.” Inzake de economische vitaliteit wordt verder opgemerkt: “Het realiseren van economische vitaliteit is een cruciale opgave juist voor ons mooie, kwetsbare en daarmee ook kostbare gebied. De middelen die economische ontwikkelingen opleveren, geven de mogelijkheid om op andere gebieden te investeren. Zowel de bestaande als nieuwe economie moet worden ondersteund.” Ten aanzien van leegstand van kantoren meldt de toekomstvisie: “De herinrichting van leegstaande kantoren en bedrijventerreinen naar ontmoetingsplaatsen voor (startende) ondernemers en bedrijfjes stimuleren we actief.
Dit kan naar wonen zijn, maar ook naar andere functies die passend zijn binnen het gebied.”
51
Behoud van het landschap met haar eeuwenoude buitenplaatsen en ontginningenstelsel vormt een belangrijke pijler. Het landschap geeft Stichtse Vecht identiteit en toekomstwaarde. Binnen de gemeente zijn meer dan 100 agrariërs, welke optreden als beheerder en drager van het landschap. Door ruimte te bieden aan verbreding van functies kunnen meer agrarische bedrijven blijven voortbestaan. Hierdoor kan het landschap zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarden behouden en worden versterkt. De gemeente wil een open gebied met kleinschalige woonkernen blijven. Dat betekent voor de toekomst dat we geen grote, nieuwe en op zichzelf staande uitbreidingslocaties willen. Wel zullen we beperkt bouwen toelaten, waarbij het buitengebied zoveel mogelijk wordt ontzien. Om het inwoneraantal stabiel te houden is -gelet op de demografische ontwikkelingen- extra woningbouw noodzakelijk. De voorkeur gaat uit naar verdere verdichting van het binnenstedelijk gebied. Daar, maar ook in de kleinere kernen, wordt gedacht aan inbreiding- en verdichtingslocaties en creatief omgaan met mogelijkheden en kansen. Zoals herbestemming van bedrijfspanden voor starterswoningen of het uitplaatsen van bedrijven om ruimte te maken voor (levensloopbestendige) woningen. Dat dit soms maatschappelijke onrust met zich meebrengt is de keerzijde.
Het ontwikkelen van de open plekken in het binnenstedelijk gebied (in de ‘voor- en achtertuin’ van de inwoners) vraagt moed en zorgvuldigheid. Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan past binnen deze geformuleerde doelstellingen. 3.5.3
Woonvisie 2017 – 2022 De Woonvisie 2017 – 2022 schetst de ontwikkelingen, feiten en cijfers en speerpunten van het gemeentelijk woningbeleid. In de Woonvisie doet de gemeente Stichtse Vecht een aantal beleidsuitspraken over wonen: 1. Stichtse Vecht werkt bij Wonen samen met corporaties, inwoners en private partijen in een Platform. 2. Stichtse Vecht geeft prioriteit aan bouwen voor haar eigen inwoners en bouwt daarnaast ook voor de regio. 3. Stichtse Vecht zorgt voor een toekomstbestendige woningvoorraad. 4. Van alle nieuw te bouwen woningen wordt 30% sociaal (huur en koop) gerealiseerd. 5. Stichtse Vecht maakt afspraken over de bestaande sociale woningvoorraad. 6. Stichtse Vecht stimuleert een groter huuraanbod voor middeninkomens. 7. Stichtse Vecht zorgt ervoor dat iedereen zo lang mogelijk in zijn vertrouwde omgeving kan blijven wonen. 8. Stichtse Vecht zet in op duurzaamheid. 9. Stichtse Vecht investeert gebiedsgericht in leefbaarheid en veiligheid. Uit de visie blijkt onder andere dat er een forse huisvestingsopgave aan de orde is binnen de gemeente. In de visie wordt een ambitie van 1400 nieuwe woningen tot 2022 genoemd.
52
Actualisatie De gemeente Stichtse Vecht heeft in 2019 de woonvisie 2017-2020 geactualiseerd. Daarbij is onder andere gebruik gemaakt van het woningmarktonderzoek van de regio U16. Daarin wordt geconcludeerd dat de woningmarkt van gemeente Stichtse Vecht onder druk staat. Toevoegingen in alle segmenten zijn nodig. De komende jaren heeft de gemeente onvoldoende planvoorraad. Belangrijk is om op korte termijn meer plannen in voorbereiding te brengen en om te zetten in harde plancapaciteit. Wanneer de uitkomsten van de woningmarktanalyse doorvertaald worden naar de opgave voor de gemeente Stichtse Vecht dan er ligt er vanuit de te verwachten huishoudensgroei een nieuwbouwopgave van ca. 1.600 woningen tot 2023 en nog eens 900 woningen in de periode 2023-2028. Dit is de lokale woningbehoefte. Daarnaast is er vanuit de regio U10 ook nog een opgave van ca. 800 woningen tot 2023. De druk op de sociale huur is de afgelopen jaren verder toegenomen. Daarom zet de gemeente voor de komende 4 jaar in op een minimale toevoeging van 30% sociale huurwoningen (ca. 750 woningen) om de beschikbaarheid te vergroten en de huidige tekorten te verkleinen. Daarnaast wil de gemeente de doorstroming bevorderen door realisatie van ca. 1.250 woningen in het middensegment. Hierbij gaat het om 20% betaalbare tot middeldure koop (ca. 500 woningen) en 30% middenhuur (ca. 750 woningen).