CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3. Toelichting Bestemmingsplan Garsten Noord.pdf

Commissie Fysiek Domein 26 november 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Tussenuitspraak bestemmingsplan "Garsten Noord", 1ste bestuurlijke lus34.020 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Naast het sociale en het middensegment, is er overigens ook nog steeds behoefte (20%) aan duurdere koop- en huurwoningen. Naast de nieuwbouwopgave zijn er ook andere thema’s die vragen om een actualisatie van de woonvisie. − Wonen met welzijn en zorg: aanbod verruimen: De gemeente wil eraan bijdragen dat er goede afstemming komt tussen − vraag en aanbod op het terrein van ‘wonen met zorg’ en dat er een klimaat is waarin ouderen en mensen met een beperking prettig kunnen blijven wonen en leven. Een adequate afstemming tussen (zorg)geschikte woningen in een daarop afgestemde woonomgeving met bereikbare zorg- en welzijnsvoorzieningen moet dit nu en straks mogelijk maken. − Verduurzaming van de woningvoorraad: De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie om in 2030 volledig energieneutraal te zijn. Dit kan ook door middel van compensatie via energieopwekking. Voor een belangrijk deel ligt hiervoor een opgave in de bebouwde omgeving en daarmee de woningvoorraad (nieuw en bestaand). Bij nieuwbouw wil de gemeente uitsluitend nog nulop-demeterwoningen realiseren. Bij bestaande bouw wil de gemeente zo snel mogelijk aardgasloos worden. − Ruimte voor nieuwe woonconcepten: De gemeente vindt het belangrijk dat er ruimte is voor nieuwe woonvormen die inspelen op een duidelijke woonbehoefte.

De gemeente wil een faciliterende rol aannemen richting ontwikkelaars die deze of andere kansrijke niches aan onze woningvoorraad willen toevoegen. De woningmarkt van de provincie Utrecht, regio U16 en gemeente Stichtse Vecht is gespannen. Er is meer vraag naar woningen dan er aanbod is en plannen zijn. Zowel op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau is er een tekort aan woningen. Het is de ambitie van de gemeente om tot 2030 4.500 woningen te realiseren. Tot 2030 (komende planperiode) is de plancapaciteit 4.428 woningen (zie tabel).

53

Beoordeling en conclusie De geleidelijke transformatie naar woningbouw in Garsten Noord, waarbij het toevoegen van vrijstaande woningen en appartementen aan de Vechtoever nu al concreet is en rechtstreeks mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan, past binnen de Woonvisie. Voor de Vechtoevers geldt voorts dat de gemeenteraad een aparte lijst heeft vastgesteld waarop projecten staan die niet aan de nieuwe verplichtingen uit de Woonvisie hoeven te voldoen. Dit omdat deze voortborduren op eerder gemaakte afspraken. 3.5.4

Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 (2013) In de welstandsnota staat beschreven welke welstandscriteria voor de bouwwerken in een bepaald gebied gelden. De welstandscriteria langs de Vecht zijn weer anders dan die van bijvoorbeeld Maarssenbroek. Het welstandsniveau in Garsten-Noord is regulier; het gebied is als bedrijventerrein getypeerd. Het beleid is hier gericht op beheer van de samenhang in de massa’s en het straatbeeld. De bouwplannen worden in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging − gebouwen zijn gericht op de weg − rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar − opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats − representatieve en openbare functies zijn bij voorkeur op de straat gericht Massa − gebouwen zijn bij voorkeur individueel en afwisselend − gebouwen zijn eenvoudig van opbouw en bestaan bij voorkeur uit een ongedeelde en evenwichtige hoofdmassa − woningen bestaan bij voorkeur uit twee lagen met een kap Architectonische uitwerking − ontwerpaandacht voor alle details − accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk − wijzigingen in stijl, maat en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume − woningen hebben een individuele uitstraling en een bescheiden architectuur Materiaal en kleur − gevels zijn van baksteen, hout of van plaatmateriaal en een enkele keer gepleisterd

54

− kleuren zijn bij voorkeur terughoudend en in onderlinge samenhang − gevels van woningen uitvoeren in baksteen, daken dekken met pannen Deze criteria moeten in samenhang met het beeldkwaliteitsplan worden bezien (zie voorgaande paragraaf). Voor bestaande situaties (er vindt o.a. opslag in het zicht plaats en niet alle gebouwen zijn op de weg gericht) zijn de criteria niet van toepassing. Aanvragen voor nieuwbouw zullen aan voornoemde criteria moeten voldoen. 3.5.5

Erfgoedverordening (2011) De gemeenteraad van de gemeente Stichtse Vecht heeft in 2011 een Erfgoedverordening vastgesteld, die de erfgoedverordeningen van de voormalige gemeenten Loenen, Breukelen en Maarssen heeft vervangen. In de erfgoedverordening zijn onder andere regels opgenomen voor gemeentelijke monumenten en voor de instandhouding van archeologisch waardevolle terreinen. Daarbij is bepaald dat de regels van de verordening omtrent archeologie niet gelden als in het bestemmingsplan regels zijn opgenomen die betrekking hebben op de archeologische monumentenzorg. Zie verder paragraaf 3.5.8.

3.5.6

Bed and Breakfast Het beleid is voor bed & breakfastbeleid zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De gemeente heeft de volgende dwingende planologische eisen geformuleerd: 1) Binnen de bebouwde kom: − Toegestaan mits het pand de bestemming “Wonen” heeft (hetzij een bestemming die naar aard gelijk is); − De hoofdfunctie Wonen gehandhaafd blijft, hetgeen betekent dat: − Maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van een bed & breakfast-voorziening; − In geen geval meer dan 50 m² van de woning, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen wordt gebruikt voor de bed & breakfastvoorziening; − Voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; − Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; − Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. 2) Buiten de bebouwde kom: − Toegestaan mits het pand de bestemming “Wonen” heeft, hetzij “Agrarisch”, hetzij “Buitenplaats”, hetzij een bestemming die naar zijn aard gelijk is aan één van deze bestemmingen; − De hoofdfunctie, te weten wonen, buitenplaats of agrarisch gehandhaafd blijft, hetgeen betekent dat: − Maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning c.q.

het hoofdgebouw, met − inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van een bed & breakfastvoorziening; − In geen geval meer dan 50 m² van de woning, inclusief aan- en uitbouwen en bijg-bouwen wordt gebruikt voor de bed & breakfastvoorziening;

55

− Ten aanzien van “Agrarische bedrijfsdoeleinden” ten hoogste 300 m2 van de bebouwing mag worden gebruikt voor de bed & breakfastvoorziening; − Voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; − Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; − Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Binnen het plangebied zijn ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan geen Bed and Breakfastgelegenheden aanwezig. Het beleid wordt door middel van een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in de bestemming “Wonen” en “Agrarisch” (het enkele agrarische perceel in dit plangebied ligt buiten de bebouwde kom). 3.5.7

Beleid afmeersteigers De voormalige gemeente Loenen heeft voor de aanleg van afmeersteigers specifiek beleid opgesteld. Steigers mogen alleen worden gebouwd aan oevers van tuinen en/of erven van woningen. De hierbij gestelde maximummaat bedraagt 6 m bij 1,2 m en met een maximale hoogte van 0,45 m boven de waterlijn. De steiger mag echter nooit boven de oever uitkomen en dient sober te worden uitgevoerd. Verlichting of andere extra’s mogen niet worden gerealiseerd. In de regels van het bestemmingsplan is het beleid voor afmeersteigers opgenomen.

3.5.8

Gemeentelijk archeologiebeleid De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992 -een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed – hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De bescherming van archeologische waarden wordt grotendeels bij de gemeenten neergelegd. Gemeenten zijn sinds 2007 verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen.

De bescherming van archeologische waarden krijg gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Samen met de voormalige gemeenten Abcoude, Loenen en Breukelen heeft de voormalige gemeente Maarssen een Archeologische verwachtings- en beleidskaart laten opstellen. Deze gemeenten zijn inmiddels heringedeeld tot de gemeente Stichtse Vecht. Hierin is aangegeven waar de kans het grootst is om archeologisch materiaal te vinden en wanneer een verstoorder al dan niet onderzoek moet laten doen. Op ba-

56

sis van het uitgevoerde onderzoek is een onderscheid gemaakt in deelgebieden. De voor dit plangebied relevante deelgebieden worden hieronder beschreven. Op basis het beleid is aan gronden met een archeologische verwachting een dubbelbestemming Waarde- Archeologie toegekend die toeziet op de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Basis hiervoor vormt de beleidskaart (zie onder). Er zijn drie verschillende verwachtingen in het gebied.

Uitsnede beleidskaart archeologie Voor het gebied met een hoge verwachting is een dubbelbestemming WaardeArcheologie 1 opgenomen; voor gebieden met een middelhoge verwachting WaardeArcheologie 2 en voor gebieden met een lage verwachting Waarde-Archeologie 3. De uitzonderingsgrenzen voor het verrichten van archeologisch onderzoek zijn aan deze bestemmingen gekoppeld in de regels. Op basis van verricht onderzoek is dat voor sommige gronden nagelaten (hier is reeds vastgesteld dat er geen archeologische resten zijn). Zie meer in detail paragraaf 4.2.8. 3.5.9

Beroep en bedrijven aan huis De gemeente Stichtse Vecht heeft door middel van het in voorbereiding zijnde afwijkingenbeleid en het vastgestelde bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’ beleid bepaald voor beroepen en bedrijven aan huis. Het gemeentelijk afwijkingenbeleid maakt een aan huis gebonden beroep of bedrijf, dienstverlening of mantelzorg mogelijk zolang het oppervlakte hiervoor ten hoogste 40% van de woning bedraagt, met een maximum van 50 m2. Daarnaast worden de volgende aanvullende voorwaarden gesteld: − de woonfunctie blijft, ook in uiterlijk en uitstraling (bijvoorbeeld geen buitenopslag), gehandhaafd;

57

− het gebruik heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu (waaronder parkeerbelasting); − het gebruik is gebonden aan de bewoner. Een groter oppervlakte dan 50 m2 wordt door middel van een staffel mogelijk gemaakt (vanaf een inhoudsmaat van 450 m3). Horeca of een seksinrichting zijn niet mogelijk. 3.5.10

Afwijkingen beleid (2012, ontwerp 2014) Omdat bestemmingsplannen vaak grote gebieden beslaan en voor langere tijd (10 jaar) worden vastgesteld, is het mogelijk dat aanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen onnodig worden beperkt door de bestemmingsplanregels. Om in dergelijke situaties ruimte te bieden is er een aantal wettelijke afwijkingsmogelijkheden opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Afwijken van een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt als een ontwikkeling een ondergeschikt effect heeft op de omgeving, als het bestemmingsplan onbedoeld een goede ruimtelijke ordening beperkt of als de ontwikkeling een tijdelijk karakter heeft. Het gemeentelijk afwijkingenbeleid is vastgesteld in juli 2012 en stelt kaders voor de toelaatbaarheid van afwijkingen. In 2014 is een nieuw ontwerp terinzage gelegd. Het afwijkingenbeleid omschrijft situaties die afwijken van het bestemmingsplan maar waarvoor toch omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor dit bestemmingsplan is het beleid derhalve verder niet relevant.

3.5.11

Ruimtelijke agenda Stichtse Vecht (en provincie), 2013 De agenda is door gemeente en provincie opgesteld en bevat de volgende ruimtelijke ontwikkelopgaven, die de komende tijd samen worden aangepakt (de ruimtelijke agenda is overigens geen beleidsdocument c.q. toetingskader): 1. Bevorderen woningbouw en binnenstedelijke ontwikkeling 2. Realiseren en behouden van natuur 3. Aanpak bodemdalingveenweidegebieden 4. Uitvoeren pilot verrijking Loosdrechtse Plassen, inclusief legakkers Kievitsbuurt 5. Nieuwe ontwikkelopgaven 6. Opstellen gebiedsvisie Loenen-West 7. Formuleren integrale beleidslijn recreatieparken 8. Opstellen beleidskader voor functieverandering in landelijk gebied 9. Woningbouw en transformatie stimuleren van Het Kwadrant / Planetenbaan 10. Opstellen van een visie voor buitenplaatsen 11. Potentieel nieuwe ontwikkelopgaven 12. Gebiedsontwikkeling Hof van Breukelen 13. Verkennen ruimtelijke gevolgen UNESCO-nominatie Nieuwe Hollandse Waterlinie De gemeente Stichtse Vecht had in de PRS tot 2028 een binnenstedelijke woningbouwopgave van 1.800 woningen. In de (provinciale) Kadernota Wonen en Binnenstedelijke ontwikkeling zijn ambities neergelegd met betrekking tot de afstemming van vraag en aanbod, efficiënt ruimtegebruik en toekomstbestendige binnenstedelijke kwaliteit.

Een concretisering voor de periode tot 2015 is neergelegd in het Actieplan Wonen en Binnenstedelijke ontwikkeling. Op een regulerende, stimulerende en participerende wijze wordt aan de ambities invulling gegeven. De gemeente Stichtse Vecht heeft de voorkeur uitgesproken om het binnenstedelijk gebied verder te verdichten, zodat het buitengebied wordt ontzien.

58

Beoordeling en conclusie Het gaat in dit plan om een binnenstedelijke locatie, waar enige woningen zijn voorzien. Daarmee past het plan binnen de Ruimtelijke Agenda. 3.5.12

Beleidsnota Recreatie en Toerisme “Water verbindt” De nota Toerisme en recreatie (september 2015) is een nadere uitwerking van de toekomstvisie. Toerisme en recreatie zijn groeisectoren en ook voor economie en werkgelegenheid van groot belang voor de gemeenten en provincie. De nota geeft sturing aan de ontwikkeling van het toeristisch-recreatieve product van de gemeente. Stichtse Vecht heeft door haar centrale ligging een recreatieve spilfunctie tussen Amsterdam en Utrecht (noord en zuid) en de Vinkeveense- en Loosdrechtse Plassen (oost en west). Stichtse Vecht is een overwegend landelijke gemeente in het Randstedelijk gebied. De gemeente is rijk aan cultuurhistorie, bijzondere landschappen en (waterrijke) natuurgebieden. Deze gebieden zijn zowel aantrekkelijk als kwetsbaar. De gemeente trekt veel toeristen en recreanten uit het omliggende stedelijke gebied. Deelgebied De Vecht De Vecht (‘Unique Selling Point’ van de gemeente) vormt letterlijk en figuurlijk de verbindende factor in Stichtse Vecht en rijgt de meeste dorpskernen van de gemeente aan elkaar. De Vecht is een belangrijke recreatieve vaarverbinding tussen Amsterdam en Utrecht, maar ook tussen de Vinkeveense- en de Loosdrechtse Plassen.

Met aan haar oevers de grootste concentratie historische buitenplaatsen van heel Nederland, kronkelt de Vecht langs monumentale dorpsgezichten waar unieke, hoogwaardige, maar kleinschalige horecagelegenheden, hotels en bed & breakfasts te vinden zijn voor de (zakelijke) verblijfs- en dagtoerist. Wat de Vecht vooral aantrekkelijk maakt is haar verhaal: het verhaal van de Gouden Eeuw, dat zeer tot de verbeelding spreekt van de binnenlandse-, maar zeker ook de buitenlandse bezoeker. De Vecht is op dit moment met name interessant voor dagrecreatie, verblijfsrecreatie (met name op het water) en kleinschalig zakelijk (verblijfs) toerisme. De Vecht is zeer belangrijk in de toeristische productontwikkeling. In het Vechtgebied wil de gemeente zich richten op wandelen en fietsen en het stimuleren van het watertoerisme en uitbreiding van (zakelijk) verblijfstoerisme in bestaande bebouwing. Hierbij is met name de relatie tussen water en land zeer belangrijk. Waar dat kan, wil de gemeente ervoor zorgen dat de dorpskernen aan de Vecht meer gericht zijn op het water, bijvoorbeeld door het gemakkelijker te maken voor horecagelegenheden om een terras te realiseren aan het water. De smalle wegen die langs de Vecht en door de Vechtdorpen heen lopen zijn niet geschikt voor het aantrekken van meer gemotoriseerd toeristisch wegverkeer.

De ontwikkeling van Toeristische Overstappunten (TOP’s) is daarom erg belangrijk om bezoekers op een slimme manier het gebied in te loodsen, wandelend, per boot, of op de fiets. De gemeente wil het bijzondere Vechtplassenlandschap behouden en acht het gebied daarom niet geschikt voor grootschalige nieuwe ontwikkelingen. Beoordeling en conclusie Met het plan wordt het beeld langs de Vecht aanzienlijk verbeterd, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de belevingswaarde en daarmee de recreatieve waarde van

59

de Vecht. Zodoende is het plan in overeenstemming met de Beleidsnota Recreatie en Toerisme Water verbindt.

60

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten behandeld die van toepassing zijn op het plangebied. Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen. In dit hoofdstuk vindt de toets aan milieu-en omgevingsaspecten plaats, onder andere op basis van onderzoeken die hebben plaatsgevonden. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk beoordeeld of de milieu- en omgevingsaspecen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.

4.2

Milieu- en omgevingsaspecten

4.2.1

Bodem Wettelijk kader Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven. Bij bodemsaneringen wordt de terugsaneerwaarde bepaald door de bodemfunctieklasse. Deze is af te leiden van de bodemfunctieklassekaart en het vigerende bestemmingsplan. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen die een gevoeliger bodemgebruik tot gevolg hebben, bouwen, graven/ophogen).

Dan dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor het realiseren van de geplande ontwikkeling(en). Bijna altijd is het mogelijk om de bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan daardoor financieel onuitvoerbaar wordt, bijv. omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Om dit in beeld te krijgen zal de kwaliteit van de bodem op de ontwikkelingslocaties vastgesteld moeten worden en zal, in geval de bodemkwaliteit niet aansluit bij de functie, een inschatting van kosten moeten worden gemaakt om de bodemkwaliteit in overeenstemming te brengen met de beoogde (toekomstige) functie. Daarnaast geldt dat de ontwikkelingen een eventueel benodigde aanpak van ernstige gevallen van bodemverontreiniging niet mag frustreren.

61

Voor het (overwegend) conserverend deel van dit bestemmingsplan is het niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen, maar kan volstaan worden met een conclusie over de algehele bodemkwaliteit op basis van een inventarisatie van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken, bekende (voormalige) bodembedreigende activiteiten en geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging. Bouwen en slopen Omgevingsvergunning voor het bouwen De Woningwet is het wettelijke instrument voor een gemeente om te regelen dat bouwwerken alleen gebouwd worden op grond die daarvoor milieuhygiënisch geschikt is. De eisen die aan een bodemonderzoek ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het bouwen gesteld worden, zijn o.a. geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, inclusief de daarbij behorende besluiten) en in de gemeentelijke bouwverordening. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen een bodemonderzoek worden gevraagd als het gaat om een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en dat contact maakt met de grond. Een bodemonderzoek wordt altijd voorafgegaan door een (historisch) vooronderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5725. Daarbij wordt vastgesteld wat er bekend is over het voormalig en het huidig bodemgebruik en welke bodemkwaliteit bekend is of verwacht mag worden.

Op grond hiervan wordt onder andere vastgesteld wat de onderzoekshypothese is en hoe het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Belangrijke informatiebronnen zijn: het provinciaal bodemloket, het landelijk bodemloket en het bodemloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Slopen Wanneer naast bouwen tevens sprake is van slopen op of nabij de plaats waar gebouwd wordt, dient bij het bodemonderzoek tevens aandacht besteed te worden aan asbest in of op de bodem (bijvoorbeeld bij verweerd asbesthoudend materiaal aan de buitenkant van het te slopen bouwwerk) en met bodemverontreinigende stoffen als gevolg van het slopen (zoals teerhoudende dakbedekking). Pas als het te bebouwen terrein(deel) vrij is van asbest of bodemverontreinigende stoffen en andere ongewenste materialen, kan met de daadwerkelijke bouw worden begonnen. Functiewijziging Bij een wijziging van een functie, waarbij geen sprake is van bouwactiviteiten waarvoor een bodemonderzoek vereist is, wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht wanneer deze wijziging tevens een gevoeligere bodemgebruiksvorm inhoudt (bijvoorbeeld van bedrijvigheid naar wonen). Situatie plangebied Geregistreerde Wbb-locaties Binnen het plangebied bevindt zich een aantal locaties die geregistreerd zijn op basis van de Wet bodembescherming (Wbb). Van deze locaties is bekend of wordt vermoed dat de bodem ernstig verontreinigd is.

Ook kan een sanering hebben plaatsgevonden. De status van de verontreiniging en de vereiste vervolgactie is te vinden op de interactieve webkaart van de provincie Utrecht. De bekende saneringslocaties binnen het plangebied zijn: − Waterbodem De Vecht (UT-code 0329/00146); 62

− − −

Vreelandseweg 6 (UT-code 0329/00047); Vreelanseweg 10(UT-code 0329/00139); Vreelandseweg 11-13 en 17-19 (UT-code 1904/00102).

Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer Op 23 juli 2015 is de bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende nota bodembeheer in werking getreden (publicatie Vechtstroom 22-07-2015). De bodemkwaliteitskaart geeft de verwachte bodemkwaliteit weer van de onderscheiden zones. In de nota bodembeheer zijn regels vastgelegd voor de toepassing/ hergebruik van grond binnen het bodembeheergebied (regio Noord-west Utrecht). In het plangebied komen drie zones voor die zijn opgenomen in de bodemkwaliteitskaart:

Uitsnede bodemkwaliteitskaart Zone

Verwachte Bodemkwaliteitsklasse Bovengrond (0-0,5 m-mv)

Zone B: (geel) Wonen Naoorlogse bebouwing II Zone C: (rood) Industrie Oude bebouwing inclusief lintbebouwing Veengebied Zone H: (lichtgroen) Achtergrondwaarde Overig buitengebied Voorkomende bodemkwaliteitszones in het plangebied

Verwachte Bodemkwaliteitsklasse Ondergrond (0,5-2,0 mmv) Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde

Achtergrondwaarde

In de nota bodembeheer is vastgelegd onder welke voorwaarde grond in een andere zone kan worden toegepast. In de zones B en C mag grond worden toegepast die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse “wonen” en de “achtergrondwaarde” ( AW 2000). In zone H mag alleen grond wordt toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde. Overigens dient voorafgaande aan het grondverzet wel een vooronderzoek conform de NEN 5725 te worden uitgevoerd om vast te stellen dat de herkomst- en toepassingslocatie niet verdacht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de bodemkwaliteitskaart en hoofdstuk 4 van de nota bodembeheer.

63

Verontreinigde locaties of gesaneerde gebieden (Wbb-locaties) maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt dus voor een relatief groot deel van het plangebied (zie voor momentopname van de geregistreerde Wbb-locaties het rood gearceerde gebied in onderstaand kaartbeeld).

Figuur: Wbb-locaties in het plangebied (paars en bruin gearceerd) Bodembedreigende activiteiten nu en uit het verleden Alle locaties waar door bodembedreigende activiteiten bodemverontreiniging kan zijn ontstaan, zijn landelijk in kaart gebracht (project Landsdekkend Beeld 2005). De locaties die binnen het plangebied zijn aangewezen als HBB-locatie zijn aangeduid in de onderstaande figuur. HBB is de afkorting van Historisch Bodembestand. Hierin zijn naast de locaties met potentieel bodembedreigende activiteiten (aangeduid met een roze vierkantje) ook gedempte sloten opgenomen (aangeduid met een blauwe lijn). Gedempte sloten zijn bodemverdachte locaties als de aard van het dempingsmateriaal en de herkomstlocatie niet bekend zijn. Locaties waar een ondergrondse tank of een bedrijf aanwezig is (geweest) worden weergegeven met een blauw rondje. Bedrijven kunnen opslagen hebben of activiteiten verrichten die de bodemkwaliteit kunnen aantasten. Door het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen in de vergunning of melding wordt getracht dit te voorkomen. Actuele informatie over inrichtingen die onder de werking van de Wet milieubeheer (Wm) vallen is beschikbaar bij de Omgevingsdienst regio Utrecht.

64

HBB-locaties Verrichte bodemonderzoeken De bodemonderzoeken die bij de Omgevingsdienst regio Utrecht bekend zijn, worden ingevoerd in het Bodeminformatiesysteem. Ontwikkelingen In het plangebied is sprake van een aantal ontwikkelingen. Van deze locaties is de bodemgeschiktheid nader bekeken in relatie tot het beoogde gebruik. De woning aan Vreelandseweg 6 mag reeds bewoond worden met de restrictie dat sprake moet zijn van een dienstwoning. Voor de humane risico’s maakt het echter geen verschil of gewoond wordt in een dienstwoning of gewone burgerwoning. Het afwijken van het bestemmingsplan maakt op dit punt geen verschil. Het zelfde principe geldt ook voor Vreelandseweg 6A, zij het dat voorheen hier een kantoor was gevestigd. Ook in een kantoor verblijven langer dan 2 uren per dag mensen. Omdat verder ten opzichte van de oorspronkelijke bestemming de oppervlakte verblijfsruimte niet is toegenomen, is onderzoek in verband met het afwijken van het bestemmingsplan niet aan de orde. Omdat het terrein om de woning wordt heringericht is door de initiatiefnemer bodemonderzoek uitgevoerd 4. Uit dit onderzoek blijkt dat het terrein geschikt is voor het beoogde gebruik. Op het terrein is wel een geringe hoeveelheid met lood verontreinigde grond aanwezig. Hiervoor is een plan van aanpak opgesteld 5 om dit te verwijderen of te isoleren.

Dit plan van aanpak is op 2 mei 2018 door de Omgevingsdienst regio Utrecht in orde bevonden (Z-2015-20375/ 65471). Voor de percelen Vreelandseweg 11, 13, 17 en 19 zijn in de loop van de tijd meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd welke als bijlage aan dit bestemmingsplan zijn ge4 Bijlage 17: Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Vreelandseweg 6-6a in Nigtevecht,

LAWIJN, 30 januari 2018 5 Plan van aanpak Vreelandseweg 6A te Nigtevecht (LAWIJN advies& management kenmerk

18.3483-A1; april 2018) 65

voegd 6, 7, 8. De conclusie en aanbeveling volgt uit het laatste onderzoek is als volgt: resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit (nog) niet aanvaardbaar wordt geacht en zodoende een belemmering kan vormen voor de geplande nieuwbouw. Met een nader onderzoek dient de omvang van de geconstateerde verontreinigingen nader bepaald te worden. Nader onderzoek naar de omvang van de vervuiling is vervolgens uitgevoerd 9. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de ondergrond van nagenoeg alle boringen sterke verhogingen aan zware metalen worden gemeten. Het gaat dan met name om koper, lood en zink, en incidenteel ook om cadmium en nikkel. Met name in zuidelijke richting (perceel nummer 13) is de verontreiniging horizontaal niet ingekaderd, dit dient in een 2e fase alsnog te geschieden. Wel kan reeds gesteld worden dat sprake is van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’, en dus ook van een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Het bevoegd gezag Wet bodembescherming is inmiddels akkoord met een BUS-melding immobiel voor de sanering van de bodem 10. Het terrein wordt gesaneerd door middel van het aanbrengen van een duurzame aaneengesloten afdeklaag gecombineerd met ontgraving.

Daar ter plaatse van de verontreiniging een parkeerkelder gepland is, zal (het grootste deel van) de verontreiniging in dat kader verwijderd worden. Een deel van de verontreiniging zal in een 2e fase (met name in zuidelijke richting) nog nader ingekaderd moeten worden. Dit is afhankelijk van de bouwplannen en geplande ontgravingen. De constatering dat bepaalde gehalten de desbetreffende achtergrondwaarde overschrijden, kan tot slot consequenties hebben bij eventuele grondafvoer; de vrijkomende grond is binnen of buiten het perceel niet noodzakelijkerwijs toepasbaar. Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal bij afvoer van de grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Sterk verontreinigde is niet als landbodem herbruikbaar. Graafwerkzaamheden ter plaatse zijn niet toegestaan zonder goedkeuring van een BUS-melding niet toegestaan. Deze BUS melding zal bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend en wordt door het bevoegd gezag beoordeeld. Met de ingediende BUS-melding kunnen de kosten voor de sanering van het noordelijke deel voor de ontwikkelaar inzichtelijk worden gemaakt. Op het terrein van de betonfabriek is sprake van bodemverontreinigingen die reeds eerder onderzocht en geregistreerd zijn. Deze bodemverontreinigingen zijn bij het bevoegd gezag bekend onder de Wbb-codes UT032900047 en UT032900139.

Het noordelijke deelgebied betreft een afgeronde sanering. De contouren van de restverontreiniging van het grondwater vallen niet samen met de gebieden binnen het plan6

Bijlage 8: Inventariserend bodemonderzoek Vreelandseweg 11 te Nigtevecht, Grondslag, 12 januari 2000.

7

Bijlage 9: Verkennend (water)bodemonderzoek Locatie aan de Vreelandseweg 11,13, 17 en 19, Inpijn-Blokpoel Milieu BV, 6 januari 2014.

8

Bijlage 10: Separaat deelmonsteronderzoek Locatie aan de Vreelandseweg 11,13, 17 en 19, 21 januari 2015.

9

Bijlage 15: Nader bodemonderzoek fase 1 aan de Vreelandseweg 11-13 te Nigte

Inpijn-Blokpoel Milieu BV, 26 oktober 2015 10

Bijlage 18: Instemmen BUSmelding Vreelandseweg-13, RUD, 18 januari 2018

66

vecht,

gebied waar een functiewijziging plaatsvindt. Op het zuidelijke terreindeel (oranje/bruin in de figuur) is plaatselijk sprake van ernstige bodemverontreiniging, maar deze locaties zijn afgedekt met een betonvloer waardoor directe contactmogelijkheden weggenomen zijn. Hoewel er diverse wijzigingen plaatsvinden op het terrein, wijzigt de gebruiksfunctie van de gronden in het plangebied (industrie) niet. Relevante wijzigingen ten aanzien van het verblijf van personen op het terrein is de realisatie van een nieuwe productiehal en de realisatie van een logiesfunctie. De nieuwe productiehal wordt gerealiseerd door herinrichting van de bestaande werkplaats (waar de verontreiniging is en blijft afgedekt met een betonvloer). Voor beide functies geldt dat sprake is van ruimten waar mensen meer dan 2 uur per dag kunnen verblijven. Er is dus geen sprake van een wijziging van het gebruik van de loods in een gevoeliger gebruik. Een nieuwe logieslocatie wordt op de eerste verdieping van een bestaand (kantoor)pand gevestigd. Nader onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Bij de overige wijzigingen op het terrein (plaatsing van enkele silo's) vinden slechts zeer beperkt bodemingrepen plaats. Conclusie Het grootste deel van het plangebied maakt deel uit van een Wbb-locatie of is ingedeeld onder de bodemfunctieklasse industrie.

Daarmee kan worden geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de bodemkwaliteit in het plangebied slechter is dan op basis van de verschillende functies gewenst is. Vanuit bodemperspectief zijn de beoogde ontwikkelingen haalbaar waarbij in een enkel geval een saneringsinspanning nodig is.

4.2.2

Geluid Toetsingskaders Wet geluidhinder, wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn voor wegverkeerslawaai zones opgenomen, waarbinnen regels zijn gesteld omtrent bescherming van geluidgevoelige objecten. Zo dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, kortweg binnen zones langs wegen, de waarden zoals vastgesteld in de Wet geluidhinder in acht te worden genomen (art. 76 Wet geluidhinder). Voor geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van een weg geldt (behoudens artikelen 83, 100 en 100a) een voorkeursgrenswaarde van Lden 48 dB. Wegen waarvoor een maximum toegestane snelheid geldt van 30 km/uur en die binnen een als woonerf aangeduid gebied liggen zijn niet gezoneerd en daardoor niet onderzoeksplichtig. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven. Voor een weg, niet zijnde een auto(snel)weg, binnen de bebouwde kom: • bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 meter • bestaande uit een of twee rijstroken of een of meer sporen: 200 meter Voor een weg buiten de bebouwde kom én voor een auto(snel)weg: •

voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter

67

• •

voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 meter voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 meter

Wet geluidhinder, industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De basis van de zonering voor industrielawaai is het bestemmingsplan. Er is sprake van een industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder (art. 1 Wgh) als in het bestemmingsplan voor een bepaald terrein in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen én waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van 'grote lawaaimakers' Om verwarring met spreektaal te vermijden wordt in het algemeen gesproken over 'gezoneerd industrieterrein'.

In onderdeel D van Bijlage I Bor is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Volgens art. 40 Wgh moet tegelijk met het ontstaan van een industrieterrein een zone rond het industrieterrein vastgelegd worden. Daarbij geldt volgens hetzelfde art. 40 Wgh (en art. 53 voor bestaande zones) dat buiten de zone de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Buiten de zone gelden er geen beperkingen voor (geluidsgevoelige) bestemmingen. Binnen de zone zijn er wel beperkingen voor het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen. Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Door een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen. Deze verhoging is mogelijk tot een maximale ontheffingswaarde. Deze maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie (zoals nieuwe of bestaande woningen). Een gezoneerd industrieterrein is in ieder geval voor een deel bestemd voor de vestiging van grote lawaaimakers. Naast grote lawaaimakers kunnen ook voor andere type inrichtingen en functies bestemde gronden onderdeel zijn van het industrieterrein (art. 1, Wet geluidhinder).

Het opnemen van de zone in het bestemmingsplan biedt duidelijkheid over de afbakening van het terrein (binnenste begrenzing). Bijvoorbeeld in situaties waarbij gronden met de bestemmingen "bedrijf-grote lawaaimaker", "bedrijf", "maatschappelijk" en/of "water" naast elkaar liggen. De begrenzing van de vigerende zone is opgenomen in het zonebesluit of het bestemmingsplan.

68

Wet geluidhinder, hogere waarden Op 15 mei 2012 heeft de gemeente Beleidsregels voor het vaststellen van Hogere Waarden vastgesteld (www.overheid.nl). In de Wgh een onderzoeksplicht is opgenomen naar maatregelen die kunnen leiden tot een geluidsniveau dat onder de ten hoogst toelaatbare waarde blijft. Bij het treffen van maatregelen wordt daarnaast een voorkeursvolgorde genoemd voor het beheersen van geluidhinder: eerst bronmaatregelen, dan maatregelen in het overdrachtsgebied tussen bron en ontvanger en dan pas maatregelen bij het object dat de geluidsbelasting ondervindt. Naarmate de overschrijding van de ten hoogst toelaatbare waarde groter is of dat er meerdere mogelijkheden voor de ruimtelijke inrichting van de betreffende locatie mogelijk zijn, is er een beter onderbouwde afweging vereist van: − de mogelijke maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevels van de geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen; − de wijze waarop een aanvaardbaar akoestisch klimaat kan worden gegarandeerd. De gemeente zet in op het verbeteren van het akoestisch woon- en leefklimaat door het voorkomen van nieuwe geluidhinder, het verbeteren van de kwaliteit van de buitenruimte en het oplossen van bestaande (sanerings)situaties.

Het gemeentelijk beleid voor het vaststellen van hogere waarden steunt op twee pijlers:· − wettelijk vereiste afweging van mogelijke maatregelen; − gemeentelijke eisen aan een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Een hogere waarde mag alleen worden verleend indien maatregelen om wel aan de ten hoogst toelaatbare waarde te voldoen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het wettelijk kader schrijft daarbij voor dat ten behoeve van het terugdringen van de geluidsbelasting achtereenvolgens de volgende soorten maatregelen dienen te worden bezien: − maatregelen aan de bron (geluidsreducerende wegdekverharding, verminderen vekeer, verlagen snelheid, maatregelen bij bedrijven); − maatregelen in het overdrachtsgebied tussen bron en ontvanger (geluidsafscherming, vergroten afstand tussen bron en ontvanger); − maatregelen bij de ontvanger (dove gevels/vliesgevels, gevelisolatie maatregelen). Bij het vaststellen van hogere waarden moet worden afgewogen of de eventuele cumulatie van geluid mogelijk leidt tot een onaanvaardbaar akoestisch klimaat. Het gaat hierbij zowel om bronnen van dezelfde soort (bijvoorbeeld verschillende wegen) als om bronnen van verschillende soorten (bijv. weg- en spoorweglawaai).

Hierbij moet indien relevant ook rekening worden gehouden met vliegtuiglawaai. Een hogere waarden kan slechts worden verleend wanneer het geluidgevoelige object waarvoor de hogere waarde wordt aangevraagd:

69

een geluidluwe zijde heeft, waarbij: o indien sprake is van meerdere soorten geluidsbronnen (weg, spoor en/of industrie), de geluidsbelasting voor elke bron onder de betreffende ten hoogst toelaatbare waarde ligt (op cumulatie van verschillende bronnen wordt hieronder apart ingegaan); o

als op sterk geluidsbelaste locaties waarbij sprake is van een ‘lawaaiige’ geluidsbelasting (zie tabel bij begripsomschrijving) ten gevolge van meer dan één geluidsbron op meer dan een gevel de bovenstaande doelstelling moeilijk te realiseren is; de geluidsbelasting aan de geluidsluwe zijde ten minste 10 dB/dB(A) lager dan de geluidsbelasting van de hoogst geluidsbelaste zijde; de geluidsluwe zijde valt dan in de geluidsklasse ‘onrustig’ of lager (zie tabel bij begripsomschrijving);

o

in een geluidsluwe zijde ook kan worden voorzien door een bouwkundige maatregel zoals een loggia toe te passen.

een geluidluwe buitenruimte heeft, waarbij: o het geluidsniveau in deze buitenruimte van de woning (indien gelegen aan de bronzijde) niet meer dan 5 dB hoger mag zijn dan de ten hoogste toelaatbare waarde of de als geluidsluw aangemerkte gevel (indien de geluidsbelasting van deze hoger is dan de ten hoogste toelaatbare waarde); o

ook bij andere geluidsgevoelige gebouwen naar een geluidsluwe buitenruimte wordt gestreefd, dit is echter geen eis;

o

indien geen geluidsluwe buitenruimte mogelijk is, serres of afsluitbare balkons kunnen worden toegepast.

ten minste 30% van het vloeroppervlak van de gebruiksruimten, waaronder ten minste 1 slaapkamer, gelegen is aan de geluidluwe zijde: o voor zover relevant, geldt dat op eenzelfde wijze voor andere geluidsgevoelige bebouwing: in scholen het merendeel van de leslokalen aan de luwe zijde etc.; o

Deze eis geldt alleen indien het betreffende plan hierin reeds inzicht kan bieden.

− de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting (overschrijding van de maximale hogere waarde). Om te bepalen of hiervan sprake is wordt de gecumuleerde waarde weer teruggerekend naar de bronsoort, conform hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift 2006. Indien relevant moet er bij de cumulatie ook rekening worden gehouden met vliegtuiglawaai. − In geval van de hoogste of op-één-na-hoogste geluidsklasse (‘Lawaaiig’ of ‘Zeer Onrustig’ uit tabel 2 in hoofdstuk 3), de eerstelijns bebouwing ten opzichte van de bron zodanig wordt gesitueerd dat zij bijdraagt aan de afscherming van het erachter gelegen gebied. − de afschermende werking voor de achterliggende bebouwing moet worden aangetoond. De geluidsbelasting in de 2e lijnsbebouwing ligt waar mogelijk onder de ten hoogst toelaatbare waarde;

70

− deze eisen gelden ook voor andere geluidsgevoelige bestemmingen. Het ontwerp besluit Hogere Waarden is tegelijk met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Wabo, industrielawaai, Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit staan milieuregels, vooral voor bedrijven. Alle bedrijven in Nederland vallen onder het Activiteitenbesluit, behalve als ze geen 'inrichting' zijn. Veel van de voorschriften van het Activiteitenbesluit zijn verder uitgewerkt in de Activiteitenregeling. In het Activiteitenbesluit staan regels per soort milieubelastende activiteit (bijvoorbeeld metaalbewerking) en per soort milieubelasting (bijvoorbeeld geluid). Soms is het mogelijk om met 'maatwerkvoorschriften' af te wijken van de regels van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit kent verschillende regels voor verschillende type inrichtingen. Het Activiteitenbesluit maakt een onderscheid tussen inrichtingstype A, B en C. Het beschermingsniveau tegen geluidhinder is geregeld in Afdeling 2.8 Geluidhinder. Het Activiteitenbesluit geeft doelvoorschriften voor geluid. De voorschriften zijn doorgaans van toepassing op het bedrijf als geheel en niet op afzonderlijke activiteiten. Het besluit en de ministeriële regeling schrijven geen specifieke geluidsmaatregelen voor. Het Activiteitenbesluit biedt aan een beperkt aantal objecten bescherming.

Het gaat om gevoelige gebouwen (waaronder woningen) en gevoelige terreinen. Het Activiteitenbesluit sluit hierbij aan bij het begrippenkader uit de Wet geluidhinder. In algemene zin biedt het Activiteitenbesluit bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de: − − −

in de inrichting aanwezige installaties en toestellen in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

Het Activiteitenbesluit bevat voor veel verschillende situaties uitzonderingen. Enkele voorbeelden van activiteiten die voor de beoordeling van het geluid niet worden beschouwd zijn: − − −

het maximale geluidsniveau van laad- en losactiviteiten in de dagperiode het stemgeluid van spelende kinderen op een speelplaats het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld

Het Activiteitenbesluit bevat standaard waarden voor het beschermingsniveau tegen geluidhinder. Het gaat om het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax). Voor de meeste inrichtingen geldt de onderstaande tabel.

71

Norm dB(A)

Periode (uur) 07.00-19.00

19.00-23.00

23.00-07.00

LAr,LT op gevel van gevoelige gebouwen

50

45

40

LAr,LT in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten van in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35

30

25

LAmax op gevel van gevoelige gebouwen

70

65

60

LAmax in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten van in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55

50

45

LAr,LT op gevel van gevoelige gebouwen gelegen op een bedrijventerrein

55

50

45

LAmax op gevel van gevoelige gebouwen gelegen op een bedrijventerrein

75

70

65

Gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein

Geen bescherming

Geen bescherming

Geen bescherming

In het Activiteitenbesluit is een aantal mogelijkheden voor individueel maatwerk opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om: − − −

−

Het vaststellen van een hogere of lagere waarde dan de standaard geluidsnorm. Het aanwijzen van een ander beoordelingspunt dan een geluidsgevoelig object als punt waarop de geluidsnorm geldt. Het vaststellen van voorzieningen en gedragsregels om te bereiken dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. Bijvoorbeeld het dichthouden van ramen en deuren of aanbrengen van geluidsbegrenzers bij muziekgeluid. Het vaststellen van maatwerkvoorschriften om indirecte geluidhinder te voorkomen op grond van de zorgplichtbepaling.

72

Cumulatie Het komt voor dat een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming zich in twee of meer geluidszones van aparte geluidsbronnen bevindt. In een dergelijke situatie is een onderzoek naar de gecumuleerde geluidsbelasting noodzakelijk. Wordt een hogere-waardenprocedure gevolgd, dan moet het bevoegd gezag motiveren dat de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar is. Er zijn geen wettelijke grenswaarden van toepassing voor gecumuleerde geluidsniveaus als gevolg van meerdere bedrijven. Voor een afweging van een goede ruimtelijke ordening kan aangesloten worden bij de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In een gemengd gebied kan voor cumulatie van geluid worden uitgegaan van een streefwaarde 55 dB(A)-etmaalwaarde. Voorwaarde is hierbij wel dat in de verblijfsruimte van woningen een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) is gewaarborgd. Een hogere gecumuleerde geluidbelasting dan 55 dB(A) op de gevel dient grondig gemotiveerd te worden door het bevoegd gezag. Binnen het plangebied zijn ook enkele niet-geluidgevoelige bestemmingen, bedrijfswoningen en woningen gelegen op een bedrijventerrein aanwezig. De niet geluidgevoelige bestemmingen en de bedrijfswoningen behoeven een lager beschermingsniveau dan de woningen.

De bedrijfswoningen behoeven geen bescherming voor het geluid dat binnen de eigen inrichting geproduceerd wordt. De burgerwoningen die zijn gelegen op een bedrijventerrein hebben een lager beschermingsniveau. Bij de beoordeling van de gecumuleerde geluidsniveaus wordt voor bestaande en nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (niet zijnde bedrijfswoningen) uitgegaan van een streefwaarde van 55 dB(A). Voor bedrijfswoningen gelegen op een bedrijventerrein wordt een streefwaarde van 60 dB(A)-etmaalwaarde gehanteerd. Voor een woning op het gezoneerde industrieterrein en niet-geluidgevoelige bestemmingen waar wel een acceptabel woon- en leefklimaat gewenst is wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening een streefwaarde van 65 dB(A)-etmaalwaarde gehanteerd. Als de gecumuleerde geluidsbelasting boven deze waarde komt is een aanvullende motivatie over het realiseren van een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure is door de ODRU een onderzoek uitgevoerd naar de gecumuleerde geluidsbelasting. Dat onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Maximale geluidsniveaus Voor het beoordelen van de optredende maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en het Activiteitenbesluit. Daar worden voor de dagperiode maximale geluidsniveaus tot 70 dB(A) toelaatbaar geacht.

In uitzonderlijke situaties kan deze waarde verhoogd worden tot 75 dB(A). Conform het Activiteitenbesluit worden maximale geluidsniveaus als gevolg van laaden losactiviteiten gedurende de dagperiode buiten beschouwing gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ze wel meegenomen in de berekeningen. Gedurende de avondperiode is een waarde van maximaal 65 dB(A) toegestaan en gedurende de nachtperiode een waarde van maximaal 60 dB(A). In het Activiteitenbesluit wordt voor de maximale geluidsniveaus onderscheid gemaakt tussen woningen gelegen op of buiten een bedrijventerrein. Voor woningen op een bedrijventerrein worden grenswaarden van 75, 70 en 65 dB(A) gehanteerd voor respectievelijk de dag-

73

, avond- en nachtperiode. Daar waar de grenswaarden voor maximale geluidsniveaus overschreden worden kan voor het beoordelen van de ruimtelijke ordening afgeweken worden van die grenswaarden. Belangrijk daarbij is het feit of het een reeds bestaande/vergunde situatie betreft. Gevoelige objecten In art. 1.1 van het Activiteitenbesluit is de definitie van gevoelige gebouwen gegeven: −

gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van art. 1 Wgh worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting

Woningen Uit de definitie van woningen (art. 1.1 van het Activiteitenbesluit) blijkt dat een woning geluidsgevoelig is als het als voor het gebouw of gedeelte van een gebouw bewoning is toegestaan volgens het bestemmingsplan, beheersverordening of omgevingsvergunning tot afwijken van het bestemmingsplan of beheersverordening. Dienstwoningen / bedrijfswoningen Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de eigen inrichting behoren zijn woningen van derden. Deze dienst- of bedrijfswoning is voor andere inrichtingen dan de eigen inrichting een gevoelige gebouw en worden dus beschermd. Dienst- of bedrijfswoningen die niet worden beschermd zijn: − − −

dienstwoningen behorende bij de eigen inrichting voormalige agrarische dienstwoning (bestemde plattelandswoning) dienstwoningen vallende onder overgangsrecht voormalige 8.40-AMvb's

Wonen op een bedrijventerrein De woningen Vreelandseweg 4 en 6 zijn in dit plan bestemd als woningen gelegen op een bedrijventerrein. Voor deze woningen gelden verhoogde geluidnormen ingevolge artikel 2.17 lid 3 in de zin van het Activiteitenbesluit. De woning Vreelandseweg 6 was voorheen een bedrijfswoning. Wegens bedrijfsbeeindiging en het gewijzigd gebruik van de bedrijfslocatie, is de bedrijfswoning bestemd als woning. Om bestaande bedrijven niet te belemmeren in hun bedrijfsvoering, wordt een zelfde beschermingsniveau voor de woning als voor een bedrijfswoning als acceptabel beschouwd Aangezien de woning specifiek is bestemd als woning op een bedrijventerrein is ook duidelijk dat de woning een verminderd beschermingsniveau heeft. Voor wat betreft de woning Vreelandseweg 4 is tevens besloten dat de woning bestemd dient te worden als woning op een bedrijventerrein, zodat een verminderd beschermingsniveau geldt ten aanzien van geluidhinder.

74

De woning wordt in de zin van het Activiteitenbesluit tot de sfeer van de inrichting Nagel Demontage & Recycling gerekend. Met het bestemmen van de woning als woning op een bedrijventerrein wordt de woning verminderd beschermd zodat het bedrijf Nagel Demontage & Recycling niet onevenredig wordt beperkt in haar bedrijfsuitvoering, terwijl nog wel bij de woning gesproken kan worden van een acceptabel woon- en leefklimaat. Andere geluidsgevoelige gebouwen Een "ander geluidsgevoelig gebouw" wordt volgens art. 1 Wgh aangewezen in het Besluit geluidhinder. Als "ander geluidsgevoelig gebouw" zijn in art. 1.2 Bgh aangewezen: − − − − −

onderwijsgebouwen ziekenhuizen en verpleeghuizen verzorgingstehuizen psychiatrische inrichtingen kinderdagverblijven.

Gevoelige objecten op een gezoneerd industrieterreinVoor gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen) op een gezoneerd industrieterrein gelden de grenswaarden niet. Beschrijving situatie Algemeen In het plangebied zijn de volgende bedrijven aanwezig: •

Nagel Demontage & Recycling (Vreelandseweg 4)

•

Betonfabriek Nigtevecht (Vreelandseweg 10)

•

Aannemersbedrijf (Vreelandseweg 10a)

•

P. Nagel (Vreelandseweg 12)

Bestaande (en te handhaven) geluidsgevoelige bestemmingen (woningen) binnen het plangebied of in de nabijheid van het plangebied betreffen: •

Korte Velterslaan 1-13

•

Vreelandseweg 2

•

Vreelandseweg 4 (woning van derden gelegen op bedrijventerrein)

•

Vreelandseweg 6 (woning van derden gelegen op bedrijventerrein)

•

Vreelandseweg 6a (bedrijfswoning gelegen op gezoneerd industrieterrein)

•

Vreelandseweg 12 (bedrijfswoning gelegen op bedrijventerrein)

•

Vreelandseweg 14

•

Vreelandseweg 23 75

Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen (woningen) binnen het plangebied betreffen: •

Nieuw te bouwen woningen Vechtoever

Overige bestaande of nieuw te realiseren niet-geluidgevoelige bestemmingen betreffen: •

Vreelandseweg 21, recreatiewoning

•

Vreelandseweg 10, logiesgebouw Betonfabriek Nigtevecht

Bedrijven Voor de diverse individuele bedrijven zijn reeds diverse akoestische onderzoeken uitgevoerd. Dit betreft onderzoeken in het kader van ruimtelijke ordening, melding in het kader van het Activiteitenbesluit, vergunningen, maatwerkbesluiten en lopende aanvragen. Voor de bedrijven is uitgegaan van de aangevraagde/vergunde situatie of de bedrijfssituatie welke representatief is voor het bedrijf voor nu en de toekomst (10 jaar).

Nagel Demontage & Recycling (Vreelandseweg 4a) Nagel Demontage & Recycling B.V. kan worden getypeerd als een aannemersbedrijf. Nagel is gespecialiseerd in montage en demontage van metalen onderdelen aan gebouwen, waaronder de installaties, op locatie. De bij deze werkzaamheden vrijkomende installaties en metalen en ‘aanhangende’ afvalstoffen worden, voor zover noodzakelijk, op de locatie Vreelandseweg 4a verder gedemonteerd, verkleind, gesorteerd, gescheiden en gescheiden opgeslagen. Verder beschikt het bedrijf over een containerservice. In verband met een (veranderings)melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), de OBM-vergunningaanvraag, de aanvraag voor maatwerkvoorschriften en in het kader van een ruimtelijke ordeningsprocedure heeft Nagel Demontage & Recycling een onderzoek laten uitvoeren naar de akoestische situatie van de vestiging van het bedrijf aan de Vreelandseweg 4a te Nigtevecht. Het onderzoek is uitgevoerd door Adromi BV (R200667 versie 05 d.d. 17 juli 2017). De in dit onderzoek opgenomen bedrijfsactiviteiten zijn in het cumulatie onderzoek opgesteld door de Omgevingsdienst regio Utrecht, van 10 juli 2018 gemodelleerd. Daarbij zijn alle relevante ontwikkelingen die plaatsvinden in het kader van dit bestemmingsplan gemodelleerd en beoordeeld.

Zo is gebleken dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van Nagel Demontage & Recycling op Vreelandseweg 6 en 6a afneemt doordat ter plaatse van Vreelandseweg 6a een extra loods wordt bestemd die zorgt voor geluidafschermende werking. Betonfabriek Nigtevecht (Vreelandseweg 10) Betonfabriek Nigtevecht fabriceert diverse betonproducten, waarbij onder andere triltafels en een triljuk worden gebruikt. De maximale productiecapaciteit bedraagt meer dan 100 ton per dag. Voor de betonfabriek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Bureau Peutz (rapport FE 1136-2-RA-006 d.d. 5 februari 2018). Het onderzoek dient ter onderbouwing van de ruimtelijke procedure en de aanvraag voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) in combinatie met een melding Activiteitenbesluit, die benodigd zijn in verband met de voorgenomen wijzigingen binnen de inrichting. Ook

76

wordt het onderzoek gebruikt voor het wijzigen van de geluidzone en het vaststellen van hogere waarden. De Betonfabriek Nigtevecht ligt op een gezoneerd industrieterrein. Het bedrijf was reeds van rechtswege gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van de vaststelling van dit bestemmingsplan is beoordeeld welke geluidruimte de Betonfabriek Nigtevecht de komende 10 jaar nodig zal hebben voor de bedrijfsvoering. Dit heeft geresulteerd in een actueel beeld van de geluidproductie van het bedrijf. Bij het vaststellen van het gezoneerde industrieterrein en de geluidzone is rekening gehouden met de eerder vergunde rechten aan het bedrijf en is rekening gehouden met de gewenste bedrijfsvoering. De geluidzone omvat het gebied waar de totale geluidbelasting van de betonfabriek de waarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde niet mag overschrijden. Uit het akoestisch onderzoek van Peutz blijkt dat op een aantal punten langs de zone de huidige/aangevraagde geluidsbelasting van de betonfabriek lager is dan de maximale waarde van 50 dB(A). Op deze punten is dus nog geluidruimte beschikbaar. De exacte omvang van de geluidruimte is niet bekend, omdat op andere posities de geluidruimte wel volledig wordt gevuld. Om bij de cumulatieberekeningen wel rekening te houden met deze geluidruimte, is de geluidsbelasting als gevolg van de betonfabriek steeds met 1 dB(A) opgehoogd.

Deze geluidruimte is tevens in overeenstemming met de aangevraagde hogere waarden. Aannemersbedrijf Vreelandseweg 10a) Binnen de inrichting van aannemersbedrijf vinden op beperkte schaal werkzaamheden in de bedrijfshal en transportbewegingen van en naar de inrichting plaats. Voor het aannemersbedrijf aan de Vreelandseweg 10a is in 2006 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Bureau Peutz (rapport FD 1136-11-RA d.d. 12 september 2006). De maatgevende bestaande woning voor ligt aan de Vreelandseweg 19. In het akoestisch rekenmodel voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting is voor het aannemersbedrijf de geluidruimte gemaximaliseerd. Hiervoor is rekening gehouden met een toename van 4 dB(A) gedurende de dagperiode. In dat geval wordt voor de bestaande woning aan de Vreelandseweg 19 precies voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Omdat binnen het bedrijf geen werkzaamheden plaatsvinden gedurende de nachtperiode is het cumulatiemodel hierop aangepast. P. Nagel (Vreelandseweg 12) Binnen de inrichting van P. Nagel vinden vooral uitpandig metaalbewerkingswerkzaamheden plaats. Daarnaast vindt verlading en storten van metaal plaats. Voor de akoestische modelvorming is gebruikt gemaakt van het onderzoek van Peutz dat is opgesteld voor de ruimtelijke onderbouwing richting Vreelandseweg 12 (Peutz OB 15545-1-NO-004 d.d. 23 juni).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2526/documents/57017