CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2. Planregels Bestemmingsplan Garsten Noord.pdf

Commissie Fysiek Domein 26 november 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Tussenuitspraak bestemmingsplan "Garsten Noord", 1ste bestuurlijke lus18.098 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

meer dan de eerste bouwlaag bedragen, + 0,30 m; h de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; i de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen; j de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag + 0,30 m bedragen; k gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw niet meer dan 50 m2, mits het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt; l In afwijking van het bepaalde onder j mogen de gronden met de aanduiding ‘bijgebouwen’ geheel worden gebouwd met bijgebouwen.

14.2.2

34

14.2.3

Bouwwerken, geen gebouw zijnde Bouwwerken, geen gebouw zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 m mag bedragen; b de bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m; c de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

14.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de plaatsing van bebouwing in verband met: a een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b een goede woonsituatie; c de verkeersveiligheid; d de sociale veiligheid; e de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

14.4 14.4.1

Specifieke gebruiksregels Aan huis verbonden beroepen en bedrijven Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; b het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte of de bedrijfsmatige activiteit mag niet groter zijn dan 33% van het bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en erfbebouwing, met een maximum van 50 m2; c er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, een kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functionele ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel; d op de bij de betreffende woning behorende gronden mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat: 1 het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden; 2 behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning plaatsvinden; f het beroep of

de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; g het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; h de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied;

14.5

Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 14.4.1 onder b tot een maximaal bruto vloeroppervlakte van 65 m2, mits in de omgeving van de

35

desbetreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat het parkeren ten behoeve van de beroepsactiviteiten en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten op eigen terrein dient plaats te vinden.

36

Artikel 15

Wonen - 2

15.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen, waarbij per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan; b beroep en bedrijf aan huis; c tuinen en erven; d water en voorzieningen voor de waterhouding; e nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

15.2 15.2.1

Bouwregels Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken a het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b per bouwvlak is maximaal één vrijstaande woning toegestaan; c de woning bevindt zich op ten minste 1.6 m van de rand van de Vreelandseweg; d de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 7 respectievelijk 10 m; e de oppervlakte bedraagt maximaal 98 m2 per woning (exclusief aan- en uitbouwen); f de woning heeft een kap van ten minste 30 graden; g de woning heeft een zadeldak, schilddak, mansardekap of getoogde kap; h de kaprichting is loodrecht op de straat.

Aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; b in het geval van een vrijstaand bijgebouw, dient de afstand tussen het vrijstaande bijgebouw en de overige aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en andere vrijstaande bijgebouwen minimaal 1 m te bedragen; c aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen aan de achterzijde mogen niet breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de woning; d horizontale diepte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen niet meer dan 3 m buiten het bouwvlak; e aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aan de zijgevel mogen niet dieper zijn dan de oorspronkelijke achtergevel breed is; f aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aan de zijgevel mogen niet meer dan 6 meter uitsteken buiten het bouwvlak; g de goothoogte van aan- en uitbouwen, en overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag bedragen, + 0,30 m met een maximum van 3 m; h de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; i de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 2,5 m; j de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag + 0,30 m bedragen; k gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het

bouwvlak per hoofdgebouw niet meer dan 50 m2, mits het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt.

15.2.2

37

15.2.3

15.2.4

Bouwwerken, geen gebouw zijnde Bouwwerken, geen gebouw zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 m mag bedragen; b de bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m; c de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. Parkeren Een omgevingsvergunning voor bouwen wordt slechts verleend indien bij elke vrijstaande woning op eigen terrein minimaal 2 parkeerplaatsen wordt voorzien.

15.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de plaatsing van bebouwing in verband met: a een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b een goede woonsituatie; c de verkeersveiligheid; d de sociale veiligheid; e de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

15.4 15.4.1

Specifieke gebruiksregels Aan huis verbonden beroepen en bedrijven Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; b het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte of de bedrijfsmatige activiteit mag niet groter zijn dan 33% van het bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en erfbebouwing, met een maximum van 50 m2; c er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, een kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functionele ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel; d op de bij de betreffende woning behorende gronden mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat: 1 het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden; 2 behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning plaatsvinden; f het beroep of

de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; g het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; h de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.

38

15.4.2

Strijdig gebruik De gronden als bedoeld in lid 15.1 onder a mogen slechts als zodanig in gebruik zijn en worden genomen, indien een doorzicht vanaf de Vreelandseweg op de Vecht aanwezig is.

15.5

Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 15.4.1 onder b tot een maximaal bruto vloeroppervlakte van 65 m2, mits in de omgeving van de desbetreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat het parkeren ten behoeve van de beroepsactiviteiten en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten op eigen terrein dient plaats te vinden.

15.6

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Wonen - 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; c het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren en ophogen van gronden.

15.6.1

39

Artikel 16

Wonen - 3

16.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen, waarbij per bouwvlak maximaal 10 woningen zijn toegestaan; b beroep en bedrijf aan huis; c tuinen en erven; d water en voorzieningen voor de waterhouding; e nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

16.2 16.2.1

Bouwregels Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken a het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de goot- respectievelijk bouwhoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’; c het hoofdgebouw heeft een kap van ten minste 30 graden, gezien vanaf het openbaar gebied en mag vervolgens daarboven plat afgedekt worden. Ondergronds bouwen Ondergronds bouwen ten behoeve van een parkeerkelder is toegestaan. Parkeren Een omgevingsvergunning voor bouwen wordt slechts verleend indien per appartement op eigen terrein minimaal 2 parkeerplaatsen wordt voorzien.

16.2.2 16.2.3

16.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de plaatsing van bebouwing in verband met: a een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b een goede woonsituatie; c de verkeersveiligheid; d de sociale veiligheid; e de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

16.4 16.4.1

Specifieke gebruiksregels Aan huis verbonden beroepen en bedrijven Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; b het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte of de bedrijfsmatige activiteit mag niet groter zijn dan 33% van het bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en erfbebouwing, met een maximum van 50 m2; c er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, een kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functionele ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel;

40

16.4.2

d op de bij de betreffende woning behorende gronden mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat: 1 het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden; 2 behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning plaatsvinden; f het beroep of de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; g het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; h de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied. Strijdig gebruik De gronden als bedoeld in lid 16.1 mogen slechts als zodanig in gebruik zijn en worden genomen, indien: a binnen het plangebied aan de Vechtoever over een lengte van ca. 15 m een openbare oever aanwezig is; b te dempen oppervlaktewater 1-op-1 binnen hetzelfde peilvak is gecompenseerd met nieuw oppervlaktewater.

41

Artikel 17

Wonen - 4

17.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 1.85, waarbij per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan; b behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, waaronder tevens begrepen ensemblewaarden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; c beroep en bedrijf aan huis; d tuinen en erven; e water en voorzieningen voor de waterhouding; f nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

17.2 17.2.1

Bouwregels Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan; c de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; b in het geval van een vrijstaand bijgebouw, dient de afstand tussen het vrijstaande bijgebouw en de overige aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en andere vrijstaande bijgebouwen minimaal 1 m te bedragen; c aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen aan de achterzijde mogen niet breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de woning; d horizontale diepte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen niet meer dan 3 m buiten het bouwvlak; e aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aan de zijgevel mogen niet dieper zijn dan de oorspronkelijke achtergevel breed is; f aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aan de zijgevel mogen niet meer dan 6 meter uitsteken buiten het bouwvlak; g de goothoogte van aan- en uitbouwen en overkappingen mag niet meer dan de

eerste bouwlaag bedragen, + 0,30 m; h de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 me bedragen; i de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; j de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag + 0,30m bedragen;

17.2.2

42

17.2.3

k gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw niet meer dan 50 m2, mits het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt; l In afwijking van het bepaalde onder j mogen de gronden met de aanduiding ‘bijgebouwen’ geheel worden gebouwd met bijgebouwen. Bouwwerken, geen gebouw zijnde Bouwwerken, geen gebouw zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 m mag bedragen; b de bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m; c de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

17.3

Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de plaatsing van bebouwing in verband met: a een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b een goede woonsituatie; c de verkeersveiligheid; d de sociale veiligheid; e de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

17.4 17.4.1

Specifieke gebruiksregels Aan huis verbonden beroepen en bedrijven Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; b het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte of de bedrijfsmatige activiteit mag niet groter zijn dan 33% van het bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en erfbebouwing, met een maximum van 50 m2; c er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, een kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functionele ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel; d op de bij de betreffende woning behorende gronden mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat: 1 het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden; 2 behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning plaatsvinden; f het beroep of

de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; g het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

43

17.4.2

h de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied; Strijdig gebruik De gronden met een aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - parkeren’ mogen slechts als zodanig in gebruik zijn en worden genomen, indien bij elke woning binnen de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - parkeren’ minimaal 2 parkeerplaatsen aanwezig zijn.

17.5

Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 17.4.1 onder b tot een maximaal bruto vloeroppervlakte van 65 m2, mits in de omgeving van de desbetreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat het parkeren ten behoeve van de beroepsactiviteiten en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten op eigen terrein dient plaats te vinden.

17.6 17.6.1

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ één of meer gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of onderdelen daarvan te slopen. Toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische waarden van het gebied; b het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt; c het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerken een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

17.6.2

44

Artikel 18

Waarde - Archeologie 1

18.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden.

18.2

Bouwregels a op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b in afwijking van het bepaalde onder a zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in lid 18.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1 vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; 2 een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 3 bebouwing waarvan de ondergrondse bebouwing en bodemverstoring niet meer bedraagt dan 0,3 meter beneden het maaiveld; 4 één of meer gebouwen of bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte ten hoogste 500 m2 is.

18.3 18.3.1

Afwijken van de bouwregels Ten behoeve van andere bouwwerkzaamheden dan bedoeld in lid 18.2 a in afwijking van het bepaalde in lid 18.2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; 3 de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

c het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

45

18.4 18.4.1

18.4.2

18.4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van drainage; g het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j het verwijderen van fundamenten

dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. Uitzonderingen Het in lid 18.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a in het kader van het normale beheer en onderhoud; b in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c indien zij een diepte of oppervlakte beslaan van het bepaalde in lid 18.2 onder b sub 3 resp. 4; d in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; e waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1 is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a in afwijking van het bepaalde in lid 18.4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

46

18.4.4

18.4.5

18.5

b het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 18.4.2 sub c. c Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in lid 18.4.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Lid 18.4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. Voorwaarden bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' de verbeelding en de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden daartoe aanleiding geeft.

47

Artikel 19

Waarde - Archeologie 2

19.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden.

19.2

Bouwregels a op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b in afwijking van het bepaalde onder a zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in lid 19.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1 vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; 2 een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 3 bebouwing waarvan de ondergrondse bebouwing en bodemverstoring niet meer bedraagt dan 0,3 meter beneden het maaiveld; 4 één of meer gebouwen of bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte ten hoogstens 1.000 m2 is.

19.3 19.3.1

Afwijken van de bouwregels Ten behoeve van andere bouwwerkzaamheden dan bedoeld in lid 19.2 a in afwijking van het bepaalde in lid 19.2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; 3 de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

c het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

48

19.4 19.4.1

19.4.2

19.4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van drainage; g het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j het verwijderen van fundamenten

dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. Uitzonderingen Het in lid 19.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a in het kader van het normale beheer en onderhoud; b in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c indien zij een diepte of oppervlakte beslaan van het bepaalde in lid 19.2 onder b sub 3 resp. sub 4; d in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; e waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1 is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a in afwijking van het bepaalde in lid 19.4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

49

19.4.4

19.4.5

19.5

b het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 19.4.2 sub c. c het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in lid 19.4.1 en/of het bepaalde onder a. Het gevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Lid 19.4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. Voorwaarden bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' de verbeelding en de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden daartoe aanleiding geeft.

50

Artikel 20

Waarde - Archeologie 3

20.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden.

20.2

Bouwregels a op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b in afwijking van het bepaalde onder a zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in lid 20.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1 vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; 2 een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 3 bebouwing waarvan de ondergrondse bebouwing en bodemverstoring niet meer bedraagt dan 0,3 meter beneden het maaiveld; 4 één of meer gebouwen of bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte ten hoogstens 10.000 m2 is.

20.3 20.3.1

Afwijken van de bouwregels Ten behoeve van andere bouwwerkzaamheden dan bedoeld in lid 20.2: a in afwijking van het bepaalde in lid 20.2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; 3 de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

c het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.

51

20.4 20.4.1

20.4.2

20.4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van drainage; g het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j het verwijderen van fundamenten

dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. Uitzonderingen Het in lid 20.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a in het kader van het normale beheer en onderhoud; b in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c indien zij een diepte of oppervlakte beslaan van het bepaalde in lid 20.2 onder b sub 3 resp. sub 4; d in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; e waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1 is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a in afwijking van het bepaalde in lid 20.4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1 archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2 archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3 er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

52

20.4.4

20.4.5

20.5

b het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 20.4.2 sub c; c het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in lid 20.4.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Lid 20.4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. Voorwaarden bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; c de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' de verbeelding en de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden daartoe aanleiding geeft.

53

Artikel 21

Waterstaat - Waterkering

21.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals dijken, duikers, keerwanden en merktekens.

21.2

Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de overige bestemmingen in deze regels mogen uitsluitend ten behoeve van de in lid 21.1 genoemde bestemmingsomschrijving bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gerealiseerd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

21.3

Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 21.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits advies is gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

21.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; d het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen. Verlening De in lid 21.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.

21.4.1

21.4.2

21.4.3

54

3

Algemene regels

Artikel 22

Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

55

Artikel 23

Algemene bouwregels

23.1

Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen die ook buiten de bouwvlakken zijn toegestaan; b in afwijking van sub a zijn ter plaatse van de bestemming ‘Tuin - Landschapswaarden 1 en 2’ zoals bedoeld in artikel 10 en 11 hellingbanen en ondergrondse parkeergarages toegestaan; c de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 5 meter onder peil.

23.2

Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's, koekoeken en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; b tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; c andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt.

23.3 23.3.1

Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten Maximale maatvoering Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, de Wro en-/of de Wabo op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, de Wro en-/ of de Wabo op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in lid 23.3.1 en 23.3.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

23.3.2

23.3.3

56

Artikel 24

Algemene gebruiksregels

24.1

Strijdig gebruik Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval gerekend: a het (laten) gebruiken als ligplaats voor woonschepen; b het (laten) gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeven van (zelfstandige) bewoning: c het op onbebouwde gronden opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan met uitzondering van de gronden als bedoeld onder lid 4.1; d het op onbebouwde gronden opslaan van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan met uitzondering van de gronden als bedoeld onder lid 4.1; e het op onbebouwde gronden opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen met uitzondering van de gronden als bedoeld onder lid 4.1; f het op onbebouwde gronden overslaan van metaal, puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen met dien verstande dat dit verbod niet geldt ter plaatse van gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - metaal demontage en recyclingsbedrijf 2’; g het (laten) gebruiken als uitstallings,- opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen alsmede kampeerterrein met uitzondering van recreatiewoningen op gronden met de bestemming ‘Recreatie’; h het (laten)gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor

seksinrichtingen; i het bedrijfsmatig (laten) verkopen of ten verkoop (laten) aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik; j het gebruik als Bevi-inrichtingen en vuurwerkbedrijven; k activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 waarbij de drempelwaarden als vermeld in kolom 2 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden; l het verkopen van motorbrandstof.

24.2

Uitzondering Tot een strijdig gebruik wordt niet gerekend: a het opslaan van stoffen die noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden en de daarbij behorende voorzieningen; b het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming en aanduidingen.

24.3 24.3.1

Parkeren Norm Binnen het plan moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, en/of gelegen in openbaar of semi-openbaar toegankelijk gebied binnen redelijke afstand van het gebouw, met dien verstande dat: a als redelijke afstand maximaal 150 meter vanaf de toegang van de bebouwing wordt gehanteerd;

57

24.3.2

b als in voldoende mate wordt gehanteerd dat minimaal voorzien moet worden in het aantal parkeerplaatsen dat benodigd is om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernota GVVP deel B parkeernormen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels; c voor zover er door het oprichten van nieuwe bouwwerken of het vergroten van bestaande bouwwerken, parkeerplaatsen verloren gaan, dienen deze in gelijke omvang te worden gecompenseerd in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, en/of gelegen binnen redelijke afstand van het gebouw [waarbij als redelijke afstand maximaal 150 meter vanaf de toegang van de bebouwing wordt gehanteerd]; d de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt bij 0,5 en boven 0,5 naar boven op een geheel getal afgerond en onder 0,5 naar beneden op een geheel getal afgerond; e bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen op het onbebouwde terrein dat bij dat een woning behoort, wordt achter elkaar parkeren in gelijk mate meegewogen in de berekening als naast elkaar parkeren; f bij de berekening van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden parkeerplaatsen die reeds aan een eerdere ontwikkeling zijn toeberekend, buiten beschouwing gelaten; g bij publieke voorzieningen moet minimaal 5% van de parkeerplaatsen algemene gehandicapten parkeerplaatsen zijn.

Deze parkeerplaatsen moeten zo dicht mogelijk bij de ingang van het gebouw liggen, op een afstand van maximaal 100 meter; h bij openbare parkeerterreinen moet per 50 gewone parkeerplaatsen minimaal één voor gehandicapten aangepaste parkeerplaats zijn. i in afwijking van het bepaalde onder sub b geldt voor gronden met de bestemming Wonen -2 en Wonen-3 de parkeernorm zoals opgenomen in artikel 15.2.4 respectievelijk artikel 16.2.3. Afwijking parkeernorm Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 24.3.1 indien in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort redelijkerwijs geen gronden (meer) beschikbaar zijn of kunnen worden gehouden ten behoeve van een parkeerplaats en er in de openbare ruimte op redelijke afstand van het gebouw niet voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn, indien dit niet leidt tot een onevenredige parkeerdruk.

58

Artikel 25 25.1 25.1.1

25.1.2

25.1.3

25.1.4

25.1.5

25.1.6

Algemene aanduidingsregels geluidzone - industrie Aanduidingsomschrijving De voor ‘geluidzone - industrie’ aangewezen gronden zijn, behalve de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai op geluidgevoelige gebouwen en terreinen. Bouwregels a in afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemmingen mogen geen nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd; b in afwijking van sub a zijn nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen toegestaan voor zover deze voldoen aan de waarde (dB[A]) als bedoeld in artikel 44 van de Wet geluidhinder. Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 25.1.2 en worden toegestaan dat nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen mogen worden gebouwd, mits de geluidbelasting vanwege het industrielawaai niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende maximale geluidbelasting. Specifieke gebruiksregels a tot een gebruik, strijdig met deze aanduiding, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor geluidgevoelige terreinen; b in afwijking van sub a is een gebruik van gronden voor geluidgevoelige terreinen toegestaan voor zover deze voldoen aan de waarde (dB[A]) als bedoeld in artikel 44 van de Wet geluidhinder.

Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 25.1.4 en worden toegestaan dat gronden worden gebruikt voor geluidgevoelige terreinen, mits de geluidbelasting vanwege het industrielawaai niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende maximale geluidbelasting. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat, nadat zich op de gronden als bedoeld in lid 4.1 sub b een bedrijf heeft gevestigd, voorkomende in de in de toegestane milieucategorieën 1 tot en met 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, de in sub a genoemde aanduiding met bijbehorende zonegrens wordt geëlimineerd.

59

Artikel 26

Algemene afwijkingsregels

26.1

Afwijkingsbevoegdheid Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten en afmetingen; b de bestemmingsregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;

26.2

Afwegingskader Een in lid 26.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a het straat- en bebouwingsbeeld; b de milieusituatie; c de verkeersveiligheid; d de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e de sociale veiligheid; f de externe veiligheid.

60

Artikel 27

Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a het verschuiven van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De verschuiving mag echter niet meer bedragen dan 3 m en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; b het verschuiven van bestemmingsgrenzen waardoor het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate kan worden aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De verschuiven mag echter niet meer bedragen dan 3 m en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; c het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven; d het aanpassen van opgenomen regels in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar regels in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

61

4 Artikel 28 28.1 28.1.1

28.1.2

28.1.3

28.2 28.2.1

28.2.2

28.2.3

28.2.4

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid 28.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 28.1.1 met maximaal 10%. Uitzondering Lid 28.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Overgangsrecht gebruik Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 28.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in lid 28.2.1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Uitzondering Lid 28.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

62

Artikel 29

Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Garsten Noord. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ….

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2526/documents/57016