2024.06.20 bestemmingsplan Nieuwersluis excl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
10 m
* indien ingevolge de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ sprake is van twee of meer bedrijfswoningen en de bedrijfswoning op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan minder dan 450 m3 bedraagt, mag de inhoud van deze bedrijfswoning niet meer dan 450 m3 bedragen. ** met dien verstande dat de maximale goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bedrijfswoning. *** met dien verstande dat de maximum goot- en bouwhoogte en inhoud bedraagt niet meer dan de goot- en bouwhoogte en inhoud zoals deze bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan c. bij nieuwbouw van een bedrijfswoning mag deze uitsluitend op dezelfde locatie worden gebouwd of binnen een straal van 10 m van de te vervangen bedrijfswoning; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuilhut' is maximaal één schuilhut toegestaan te waarbij geldt dat de goothoogte en bouwhoogte van de schuilhut niet meer bedraagt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte'; 20
e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - stapmolen' is maximaal één stapmolen toegestaan waarbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2,25 m. mag bedragen. f. ter plaatse van de aanduidingen "historische wagenberging" mag, met inachtneming van artikel 3 lid 1 een gebouw worden opgericht waarbij de aanduiding volledig mag worden bebouwd en de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan ter plaatse is aangegeven. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Ten behoeve van het overschrijden van het bouwvlak met gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2, voor het overschrijden van het bouwvlak ten behoeve van gebouwen met maximaal 120 m2, met dien verstande dat: a. overschrijden van de begrenzing van het bouwvlak alleen toelaatbaar is voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; b. de noodzaak voor overschrijding aangetoond dient te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond waarom sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak niet tot de mogelijkheden behoort; c. de overschrijding van het bouwvlak milieuhygiënisch inpasbaar dient te zijn; d. de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3 lid 1 aanhef en artikel 3 lid 1 sub j niet onevenredig worden aangetast; e.
het bevoegd gezag wint, alvorens over de afwijking te beslissen, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder sub d wordt voldaan; f. het bevoegd gezag wint, alvorens over de afwijking te beslissen, schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder sub a en b wordt voldaan. 3.3.2 Ten behoeve van het overschrijden van het bouwvlak met kuilvloerplaten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 voor het bouwen van kuilvoerplaten buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de kuilvoerplaten worden binnen het bouwvlak dan wel direct grenzend aan het bouwvlak gerealiseerd; b. de oppervlakte van de kuilvoerplaten mag buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 300 m2; c. de hoogte van een keerwand van de kuilvoerplaat mag maximaal 3 meter bedragen; d. de kuilvoerplaten zijn aan de voorzijde van het bouwvlak niet toegestaan; e.
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden aangetast; 3.3.3 Ten behoeve van het oprichten van anderde bouwwerken buiten het bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub a ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken buiten het bouwvlak, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen: a. het betreft uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming; 21
b. het betreft uitsluitend andere bouwwerken die in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn; c. de hoogte van de andere bouwwerken, waaronder erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen; d. bruggen mogen uitsluitend worden gebouwd met een maximale breedte van 6 m en uitsluitend ter plaatse van reeds aanwezige oeververbindingen ter vervanging, herstel of verbetering, dan wel ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven; e. andere bouwwerken in de vorm van oeverbeschoeiingen dienen gelijk te zijn aan het streefpeil; f. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 3.3.4 Ten behoeve van de bouw van een paardenbak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2 aanhef en onder b, voor het bouwen van een paardenbak, met dien verstande dat: a. de paardenbak uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gerealiseerd dan wel deels buiten het bouwvlak indien dit aantoonbaar wegens gebrek aan ruimte op het bouwvlak of vanwege de geldende afstandsmaten tot woningen van derden noodzakelijk is; b. in afwijking van het gestelde onder a geldt voor percelen waar een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'is opgenomen de paardenbak enkel binnen de aanduiding gerealiseerd mag worden; c. de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 800 m2 mag bedragen; d.
per bouwvlak ten hoogste één paardenbak is toegestaan; e. het aantal eenhoevigen ten hoogste 5 mag bedragen (onbeperkt voor bedrijfsmatige activiteiten); f. de afstand van de paardenbak tot de bedrijfswoning/plattelandswoning of bedrijfsbebouwing op het eigen bouwvlak ten hoogste 50 m mag bedragen; g. de afstand tussen een paardenbak en een woning van derden ten minste 50 m moet bedragen tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval de afstand ten minste 25 m bedraagt en door middel van te treffen maatregelen geen hinder is te verwachten voor omwonenden; h. er geen lichtmasten gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak; i. de bouwhoogte van omheiningen niet meer dan 1,7 m mag bedragen; j. de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3 lid 1 aanhef en artikel 3 lid 1 sub j niet onevenredig worden aangetast. 3.3.5 Ten behoeve van fruitteelt ondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 aanhef en artikel 3 lid 2 sub b, voor het bouwen van fruitteelt ondersteunde voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘fruitteelt’, met dien verstande dat: a.
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4,5 m; 3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gelden de volgende regels: a. intensieve veehouderij is niet toegestaan 22