2021.04.19 BP Weeresteyn excl bijlagen.pdf
Tekst van het document
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek De te realiseren woning is een geluidsgevoelig gebouw, waardoor de Wet geluidhinder van toepassing is. Omdat in de omgeving van het plangebied geen industrieterreinen aanwezig zijn is enkel sprake van mogelijk weg- en/of railverkeerslawaai. De toekomstige woning ligt op ca. 148 meter van het Zandpad (30 kilometer-regime) en op ca. 305 meter van de Rijksstraatweg N 402. Verder ligt het op ca. 1 km afstand van het spoor tussen Utrecht en Amsterdam. In het geoloket van de gemeente Utrecht is een kaart met geluidszonering te raadplegen, zie navolgende afbeeldingen. De geluidshinder op de locatie komt niet boven de 48 dB uit, de ondergrens voor de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt dus geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 25 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Figuur 14. Zonering wegverkeerslawaai (links) en railverkeerslawaai (rechts). Plangebied in cirkel.
Ecologie en natuurbescherming Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het bouwen van een woning en het daarvoor slopen van de bestaande schuur. Bij het wijzigen van de bestemming en het transformeren van de locatie moet beoordeeld worden of er geen beschermde soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling. Om dit te beoordelen is een Ecologische Quickscan uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusie van het onderzoek luidt: Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat er een kans is op vleermuizen in de directe omgeving van de te slopen schuur. Echter een effect als gevolg van de sloopnieuwbouw wordt niet verwacht. In de schuur zelf zijn geen verblijfplaatsen aanwezig. Wel is het verstandig om met een ecologisch werkprotocol te werken. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Pagina 26 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
De algemene regels betreffende beschermde diersoorten in acht nemend, vormt het aspect Flora en Fauna geen belemmering voor voorliggend plan. 4.4.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie.
In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020). Planspecifiek Het plangebied grenst aan het Natuurnetwerk Nederland. De rand van het natuurgebied loopt gelijk met de rand van het planperceel. De bepalingen voor het natuurgebied hebben dus geen invloed op voorliggende planontwikkeling. Een deel van het inrichtingsplan, namelijk de compensatiemaatregelen op het Bisschopseiland en ten oosten van het Bisschopseiland, vinden wel plaats binnen de zone van NNN. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij het opstellen van een beheerplan.
Figuur 15. Situering Natuurnetwerk Nederland (NNN). Plangebied in rode cirkel. (Bron: atlas natuurlijk kapitaal)
Pagina 27 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Figuur 16. Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van planlocatie, met globaal 10 km zone in rood.
Het plangebied ligt verder in de nabijheid van Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnd bevindt zich op 12 km afstand de Oostelijke vechtplassen. De omgevingsdienst heeft beoordeeld dat er een stikstofberekening uitgevoerd dient te worden vanwege de nabijheid van natuurgebieden. Daarom is er onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie met behulp van een Aeriusberekening, zie bijlage 3. De conclusie van de Aeriusberekening luidt: De Aeriusberekening is uitgevoerd om te bepalen of sloop van een schuur en nieuwbouw van een (schuur)woning aan Zandpad 32 te Nieuwersluis geen nadelige effecten oplevert voor Natura 2000gebieden in de omgeving. In de nabije omgeving ligt het natuurgebied Loosdrechtse plassen op ca. 1 km afstand. Op respectievelijk 8 en 10 km zijn de gebieden Botshol en Nieuwkoopse plassen & De Haeck gelegen. Er is door middel van de Aeriuscalculator bepaald of de stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden of verder gelegen gebieden hoger is dan de maximaal toegestane waarde van 0,00 mol/ha/j. Voor het invoeren van de gegevens is uitgegaan van de sloop van een schuur en de nieuwbouw van één woning. Er is gerekend met het extra verkeer naar de bouwplaats voor personeel en materiaal. Ook is het gebruik van een hijskraan en laadschop/graafmachine op de bouwplaats meegerekend. Daarnaast is het verkeer in de gebruiksfase meegerekend omdat het nieuwe bebouwing betreft.
De conclusie is dat voor alle onderdelen de activiteit niet leidt tot een toename van stikstof op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Het aspect Natuurgebieden vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een woning in plaats van een schuur. Om te bepalen of de milieu-hygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn gebundeld in één rapportage zie bijlage 4. De eindconclusie van het meest recente nader bodemonderzoek luidt als volgt: “Op grond van het totaal aan resultaten van voorgaand en onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat op het perceel circa 29 m³ grond is verontreinigd met PAK als gevolg van het gebruik van carbolineum. Deze verontreiniging betreft een zogenaamd “nieuw geval van bodemverontreiniging”, Pagina 28 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
waarvoor de zorgplicht geldt (artikel 13 volgens de Wet bodembescherming). Deze verontreiniging dient verwijderd te worden. Verder is op het perceel sprake van een historische verontreiniging met PAK gerelateerd aan bodemvreemde materialen zoals puin en koolas. Dit betreft circa 105 m³ sterk met PAK verontreinigde grond. Ook is een deel van de bodem sterk verontreinigd met asbest. Dit betreft circa 17 m³ wat gedeeltelijk overlapt met de historische PAK-verontreiniging. Voor deze verontreinigingen geldt dat sprake is van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” conform de Wet bodembescherming en een saneringsplicht. Aangezien dit een historische verontreiniging betreft (ontstaan voor 1987) behoort de uitvoering van een functionele verontreiniging tot de mogelijkheden. Sanering kan daarbij bestaan uit verwijdering, isolatie (middels een leeflaag) of een combinatie hiervan, één en ander afgestemd op de toekomstige inrichting van het perceel.” Om de aangetoonde verontreinigingen op het perceel te saneren is de volgende saneringsvariant beoogd: • De vloer van het huidige pand blijft gehandhaafd en wordt gebruikt als vloer voor de nieuwbouw en als terras/veranda. • De sterk met PAK verontreinigde grond aan de noordzijde van het huidige pand wordt verwijderd.
Dit betreft de volledige verwijdering van de vermoedelijk nieuwe verontreiniging ontstaan door carbolineum en een klein deel van de historische verontreiniging. • De sterke verontreiniging met asbest en PAK aan de westzijde van het bestaande pand wordt geïsoleerd middels aanleg van een gesloten bestrating. • De sterke verontreiniging met PAK aan de zuidzijde van het bestaande pand wordt geïsoleerd middels aanleg van een gesloten bestrating. • Voor de licht verontreinigde grond (klasse industrie) op het overige deel van het terrein (noordzijde en zuidzijde) wordt grondverbetering toegepast, waarbij deze grond klasse industrie wordt vervangen door klasse wonen of schone grond. Om de bodemverontreiniging op het terrein te saneren dienen de volgende stappen te worden ondernomen: • Opstellen en indienen BUS-melding (dit is een standaard saneringsplan) • Saneren van de bodem middels verwijderen (deels) en isolatie (overig deel) • Controle of saneringsdoelstelling is gehaald • Vastleggen saneringsresultaten in een evaluatieverslag Bovenstaande werkzaamheden zullen uitgevoerd worden. Op basis van deze maatregelen is een globale kostenraming opgesteld voor de uit te voeren sanering. Zie voor nadere toelichting over de financiële haalbaarheid ook paragraaf 6.2. Door het uitvoeren van de hiervoor beschreven maatregelen vormt het aspect Bodem geen belemmering voor voorliggend plan.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 29 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit
Toetsing van
Grenswaarde
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) 200 µg / m³ jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden 50 µg / m³ overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³ In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige en toekomstige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.
Figuur 17. Concentratie NO2: 16 – 18 microgram in 2018, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
Figuur 18. Concentratie NO2: 10 – 12 microgram in 2030, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
Pagina 30 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Figuur 19. Concentratie fijnstof PM10, 19 – 20 microgram in 2018, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
Figuur 20. Concentratie fijnstof PM10, 17 – 18 microgram in 2030, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
Figuur 21. Concentratie fijnstof PM2,5, 12,0 – 12,5 microgram in 2018, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
Figuur 22. Concentratie fijnstof PM2,5, 9,5 – 10,0 microgram in 2030, plangebied nabij pijl. (Bron: geoloket Odru)
De concentraties blijven op basis van de informatie uit het geoloket onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste en voldoet aan de normen. De advieswaarden worden in 2018 nog niet gehaald maar als gevolg van de huidige maatregelen om fijnstof de doen afnemen zal in verwachting daar in 2030 wel aan voldaan worden. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid
Pagina 31 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Pagina 32 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. De risicokaart toont dat er geen Bevi-inrichtingen aanwezig zijn nabij het plangebied en buisleidingen aanwezig zijn nabij het plangebied. Op ca. 1,6 km loopt de rijksweg A2 en op ca. 1 km afstand de spoorlijn Breukelen-Duivendrecht waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plan ligt echter niet binnen groepsrisicocontouren van risicobronnen, zoals ook vastgesteld in het advies van de brandweer in bijlage 5.
Los daarvan adviseert de brandweer echter wel om de bluswatervoorziening op de planlocatie te verbeteren.
Figuur 23. Uitsnede risicokaart, plangebied nabij pijl.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
Pagina 33 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Gezien bovenstaande conclusies zijn van uit het aspect Externe veiligheid geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op het plan. Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Cultureel Erfgoed Cultureel erfgoed draagt in hoge mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. Deze leefomgeving omvat allerlei sporen, objecten en landschappelijke structuren die tot het cultureel erfgoed gerekend worden. Deze cultuurhistorische elementen zijn de tastbare weerslag van de geschiedenis en mede bepalend voor de identiteit van een gebied. Gebleken is dat investeren in erfgoed nieuwe ontwikkelingen een extra economische impuls kunnen geven. Zo kan bijvoorbeeld erfgoed voor recreatie, toerisme of woningbouw een aanjagend effect hebben. Daarom is erfgoed een belangrijk uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Sinds de aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in 2012 moet het erfgoed bij ontwikkelingen meegewogen worden in bestemmingsplannen. Het culturele erfgoed is verdeeld onder de onderwerpen Monumenten, Archeologie en Landschap en leefomgeving. 4.8.1 Monumentale bouwwerken Monumenten zijn historische gebouwen. Deze panden worden beschermd door de rijksoverheid, provincie of gemeente vanwege hun cultuurhistorische karakter. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed houdt zich bezig met rijksmonumenten. Ze wijst rijksmonumenten aan, verleent subsidie voor restauratie en onderhoud en adviseert bij vergunningverlening en restauratie en onderhoud.
Planspecifiek Het plangebied heeft de bestemming ‘Buitenplaats’ met als specifieke gebiedsaanduiding ‘Overige zone - monument’. Ter plaatse van de aanduiding dient rekening te worden gehouden met de omschrijving behorende bij de rijksmonument complexbeschermde buitenplaats. Omschrijving Het complexnummer 515204, behorende bij Buitenplaats Weeresteyn, is een complex historische buitenplaats bestaande uit een HOOFDHUIS (1), een historische PARKAANLEG (2) met daarin de volgende onderdelen BRUG MET TOEGANGSHEK (3), HOUTEN BRUG (4), HOUTEN BRUG MET HAMEI (5), en KOUDE BAK (6). De beide in oorsprong 18de-eeuwse dienstwoningen, een stenen tuinmanswoning langs de Weere en een houten tuinmanswoning op het eiland zijn van belang vanwege hun ligging in de aanleg, massa en het materiaalgebruik (hout en steen), maar ten gevolge van ingrijpende restauratie (nieuwbouw) individueel niet meer beschermenswaardig. Niet onder de bescherming vallen de garages, een tweetal houten schuren, een voormalige houten woning en de bunker. De houten schuur die op het plangebied staat en vervangen zal worden door een woning, is dus niet beschermd. Desalniettemin kan een zorgvuldig ontwerp en landschappelijke inpassing bijdragen aan de waarde van de buitenplaats en historische tuinaanleg in zijn geheel.
4.8.2 Archeologie Archeologie gaat over sporen en resten van menselijke aanwezigheid vanaf 300.000 jaar geleden in de Nederlandse bodem, op het land en in het water. Veel van deze overblijfselen liggen onzichtbaar in de bodem opgesloten. Behoud staat centraal bij de zorg voor dit archeologisch erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voert wettelijke taken uit, ontwikkelt kennis, deelt deze met partijen binnen en buiten de archeologie, en adviseert. Beleidskader Pagina 34 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepteondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZcyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek De voormalige gemeente Loenen heeft in 2010 samen met Abcoude, Breukelen en Maarssen archeologische beleidskaarten opgesteld. In deze kaarten zijn de archeologische verwachtingswaarde van gronden in de gemeente weergegeven. Op basis van de archeologische verwachting in een gebied is bepaald wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied is in de archeologische beleidskaart aangeduid als 'Hoge archeologische verwachting’. De archeologische verwachting is ook vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan.
In het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Noord’ van de gemeente Stichtse Vecht heeft de locatie de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 gekregen. De bouwregels stellen: a) Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - archeologie 4’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b) In afwijking van het bepaalde onder a zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 23.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1) vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; 2) een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; 3) een bouwwerk waarbij de bodemverstoring minder dan 500 m2 bedraagt, danwel meer dan 500 m2 bedraagt en de diepte niet meer dan 0,3 m. In voorliggend plan zal een schuur gesaneerd worden en een woning herbouwd worden ter plaatse van de schuur. In de omliggende gronden van het perceel zal een boomgaard worden geplant. Daarom moet worden uitgegaan van werkzaamheden op het hele perceel. De omvang hiervan is 1140 m2 en daarmee groter dan de vrijstellingsgrens. Er is daarom een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. De bevindingen van dit onderzoek luiden: Samenvatting ..
Op basis van het bureauonderzoek bestond oorspronkelijke een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op de oever van de Vecht. Het plangebied bevindt zich daarnaast op het terrein van een buitenhuis uit de 18de eeuw, waar ook voorgangers vanaf de Late Middeleeuwen verwacht worden. Op basis van historisch kaartmateriaal blijkt het plangebied tot in de tweede helft van de 18de eeuw in gebruik te zijn als boomgaard. Vanaf de 18de eeuw wordt het gebied bij de landschapstuin getrokken. Er worden echter geen relevante elementen van de tuin in het plangebied verwacht. De verwachting wordt dan ook laag ingeschat. Op basis van het verkennende booronderzoek bevindt het plangebied zich inderdaad op de oevers van de Vecht. De top van de oeverafzettingen blijkt echter omgewerkt te zijn, waardoor er een lage verwachting is op het aantreffen van (intacte) archeologische waarden uit de IJzertijd – Late Middeleeuwen. Op deze omgewerkte oeverafzettingen bevindt zich een antropogeen opgebracht pakket uit de Nieuwe tijd. Dit is vermoedelijk opgebracht en omgewerkt bij het aanleggen van de landschapstuin in de 18de eeuw in het plangebied.
De aangetroffen archeologische indicatoren uit de Nieuwe tijd zijn vermoedelijk afkomstig uit het opgebrachte pakket en zijn daarmee geen indicator voor Pagina 35 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
de aanwezigheid van een vindplaats binnen het plangebied. Getuige op basis van het kaartmateriaal in het plangebied uitsluitend bomen aanwezig zijn en geen gebouwen, paden of andere inrichting ingetekend is, is de verwachting dat er relevante informatie omtrent de tuinaanleg in het plangebied aanwezig is, laag. Er worden enkel sporen van boomgaten en plantenbedden verwacht. Degelijke sporen zijn van geringe archeologische waarde en de daadwerkelijke verstoring van de woning binnen het hele complex van de landschapstuin, is in onze optiek niet onevenredig. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen om de realisatie van een woning mogelijk te maken. De woning zal een oppervlakte van maximaal 116 m2 gaan beslaan en wordt gefundeerd op een betonnen vloer, op dezelfde diepte als de bestaande schuur. Er zal geen kelder gerealiseerd worden. Aangezien sprake is van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden adviseren wij geen archeologische waarde op te nemen in het bestemmingsplan. Het bevoegd gezag heeft echter aangegeven toch een karterend en waarderend vervolgonderzoek noodzakelijk te stellen, om de aan- of afwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten met betrekking tot de landschapstuin vast te stellen.
Wij adviseren om dit vervolgonderzoek te combineren met de geplande sanering in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat door het bevoegd gezag is goedgekeurd. Dit onderzoek heeft betrekking op de locatie van de nieuwe woning. Het planten van enkele fruitbomen is niet vergunningplichtig volgens het bestemmingsplan en in onze optiek ook geen onevenredige verstoring. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Stichtse Vecht) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Gezien bovenstaande conclusie is een archeologisch vervolgonderzoek nodig. Deze werkzaamheden zullen gecombineerd worden met de werkzaamheden voor de bodemsanering. Hiervoor zal voorafgaand een Programma van Eisen opgesteld worden en ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente. Deze voorwaarden kunnen als voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voor onderhavige ontwikkeling toegevoegd worden. Op deze wijze worden de eventuele archeologische waarden in de ondergrond afdoende gewaarborgd. 4.8.3 Historisch landschap Elke vierkante kilometer van het Nederlandse grondgebied draagt sporen van eeuwenlang menselijk gebruik.
Als geen ander land kan Nederland van zichzelf zeggen dat het vrijwel geheel door de mens gemaakt is. Het landschap is dooraderd met dijken, vaarten, terpen, verdedigingslinies, landgoederen, dorpen en steden. Die enorme verscheidenheid maakt onze cultuurlandschappen van internationaal belang. Planspecifiek Het perceel heeft de dubbelbestemmingen Waarde – Cultuurhistorie 1 en Waarde – Cultuurhistorie 4. De voor ‘Waarde - cultuurhistorie 1’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie 4’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de buitenplaatszone langs de Vecht. Drs. Juliëtte Jonker-Duynstee heeft een uitgebreide studie gemaakt van de ontstaansgeschiedenis van Weeresteyn (zie bijlage 1). De tuin- en parkaanleg is in deze studie volledig meegenomen. Weeresteyn kent een geschiedenis van meer dan 300 jaar. Het plangebied hoorde aanvankelijk niet bij de Pagina 36 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
buitenplaats, en heeft later ook plaats geboden aan schuren, loodsen en dergelijke. Pas in de laatste periode van 1909 tot 1970 is het plangebied als boomgaard gebruikt. Een paar resten hiervan zijn nog aanwezig en zullen worden hersteld. Met het onderhavige plan wordt de schuur op Weeresteyn afgebroken en vervangen door een woning. Er worden op strategische plekken fruitbomen aan het landschap toegevoegd en de omgeving van de nieuwe woning wordt in stijl en met bijbehorende verharding aangelegd Het slopen van de loods biedt een kans om de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten te verbeteren en de ruimtelijke samenhang in de buitenplaatsbiotoop van Weeresteyn te vergroten. De verbetering heeft met name betrekking op het vergroten van het zicht vanaf de weg naar achteren op de open weilanden, het verdwijnen van de verstorende activiteiten die in en om de loods plaats vonden en het inbedden van de nieuwe woning in hoogstam fruitbomen op een historisch verantwoorde wijze. Op deze manier wordt de ruimtelijke- en cultuurhistorische structuur van de buitenplaats verbeterd.
Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
• schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan
Pagina 37 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het beleid van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vastgelegd in het waterbeheerplan. In dit plan zijn beleid en wetgeving van hogere overheden en van AGV zelf (onder andere Visie AGV) nader uitgewerkt. Hoofddoel van het plan is "het mogelijk maken van een veilig, ruim, ecologisch gezond en daardoor veerkrachtig watersysteem, dat geschikt is voor aan- en afvoer en berging van water, natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid. Om de watersysteemdoelen te bereiken is een optimaal beheer en een goed functioneren van de afvalwaterketen essentieel." Binnen dit hoofddoel zijn de volgende thema's van belang: • Bescherming tegen overstromingen; in Breukelen is met name de veiligheid achter de primaire waterkeringen van het Amsterdam-Rijnkanaal van belang.
• Peilbeheer: zo veel mogelijk afgestemd op functie. AGV heeft geen invloed op het peil in het Amsterdam-Rijnkanaal, wat weer van invloed is op het peil van de Vecht. • Waterberging en afvoercapaciteit op orde. In stedelijke waterplannen meer aandacht geven aan kleinschalige waterberging. • Grondwater: AGV streeft op termijn naar uitvoering van de stedelijke grondwaterzorg in opdracht van gemeenten in het gehele beheergebied. • Ecologische en chemische toestand. • Bevaarbaarheid en recreatief gebruik. • Inzameling afvalwater: Bij herinrichting regenwater zo veel mogelijk afkoppelen van het rioolstelsel. • Duurzame behandeling van afvalwater. • Aanpak van emissies uit de afvalwaterketen. Planspecifiek Het plan betreft de bouw van een woning die een bestaande schuur zal vervangen. Het plangebied valt onder het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Materialen Het gebruik van uitloogbare materialen zal in het plan zo veel mogelijk beperkt worden. Waterkering Uit de interactieve legger van het waterschap blijkt dat de watergang Weersloot aan de zuidzijde van het plangebied een primaire watergang is waarbij het onderhoud door het waterschap gedaan wordt. Verder zijn in de legger van het hoogheemraadschap de waterkeringen met beschermingszones vastgelegd.
In de keur is de volgende bepaling opgenomen: 'Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, boven of onder oppervlaktewaterlichamen en de beschermingszones daarvan en in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies bouwwerken en/of andere werken op te richten, te hebben, te wijzigen of te verwijderen'.
Pagina 38 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Figuur 24. Waterlegger waterschap met plangebied in rood kader.
Het plangebied ligt buiten de binnenbeschermingszone van de Vecht. Verder zullen er geen wijzigingen optreden aan de bestaande wal- en kadekant langs de Weersloot. Voorliggend plan vormt geen belemmering voor onderhoud aan nabij liggende watergangen. Hemelwater en vuilwater afvoer Voor de nieuwe bebouwing geldt dat hemelwater en huishoudelijk afvalwater gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater zal worden geloosd op de watergang ‘Grand Canal’ aan de noordzijde van het plangebied. Het vuilwaterafvoer zal worden aangesloten op het bestaande riool van het perceel. Verhard oppervlak In de bestaande situatie is de locatie van de schuur met kade verhard. In de beoogde situatie is de woning kleiner dan de schuur en worden grote delen van de overige verharding verwijderd. In onderstaande afbeelding is aangegeven waar de bestaande verharding ligt en waar de nieuwe verharding komt.
Situatietekening met bestande en nieuwe verharding Pagina 39 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
In de toekomstige situatie zal de verharding (schuur/woning incl. bestrating) met ca. 136 m 2 afnemen. Door de afname van verharding is verplichte watercompensatie niet van toepassing. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
Verkeer en Parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er als gevolg van de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Planspecifiek Het perceel is toegankelijk via de weg vanaf het Zandpad naar achteren, de buitenplaats op. Aan de weg wordt niets veranderd. De verkeersintensiteit op deze weg zal afnemen door het vervangen van de loods met zijn vele bezoekers door één woning.
Figuur 25. Overzicht perceel met toegangsweg en parkeervoorziening
In de nieuwe situatie zijn voor de woning 2,8 parkeerplaatsen vereist (CROW-publicatie 317). Er worden 3 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd bij de inrit van het perceel. Deze parkeerplaatsen zullen worden omzoomd door groen. Hierdoor wordt aan de parkeernorm uit het Verkeer- en vervoersplan van de gemeente Stichtse Vecht (GVVP 2013) voldaan. Pagina 40 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Het aspect Verkeer en Parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Kabels en leidingen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Planspecifiek Er bevinden zich geen buisleidingen met externe veiligheidszone (zie paragraaf Externe Veiligheid) of bovengrondse hoogspanningslijnen in het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Duurzaamheid Provinciaal beleid De provincie stelt in de provinciale verordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: • het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; • energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Ambitie gemeente In de Voorjaarsnota 2016 is de ambitie vastgelegd om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2030 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt.
Woonvisie 2017-2022 • In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. • De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. • Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Pagina 41 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Opties voor verduurzaming: • Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen. • Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. • Een collectieve bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden. Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonne-energie zal functioneren. • Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen.
Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. • PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de sloop van een schuur en de bouw van een (schuur)woning. De sloop van de schuur met daarbij een beëindiging van de vervuilende activiteiten ter plaatse zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat. De nieuwe woning zal gebouwd worden op de fundering van de schuur, waardoor de milieueffecten van het leggen van een fundering bespaard worden. De woning zal uit houtbouw bestaan. Houtbouw zorgt dat er minder zwaar bouwmaterieel nodig is ten opzichte van betonbouw en maakt gebruik van hernieuwbare grondstoffen. De woning zal goed geïsoleerd worden zoals vastgelegd in de EPC norm van het bouwbesluit. De woning zal zonder aardgasaansluiting worden gerealiseerd, zoals sinds 1 januari 2018 wettelijk verplicht is. De aanleg van zonnepanelen wordt op termijn overwogen. De vraag is echter of het wenselijk is om zonnepanelen aan de zuidzijde van het dak, die zichtbaar is vanaf de weersloot, te plaatsen.
De zeer zichtbare zonnepanelen vormen dan een breuk met de beeldkwaliteit van de overige gebouwen op de historische buitenplaats.
Pagina 42 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan ‘Weeresteyn Zandpad 32’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woning ter vervanging van een schuur. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het direct aangrenzende bestemmingsplan ter plaatse ‘Landelijk gebied Noord’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.
Pagina 43 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 – Bestemming Buitenplaats Binnen de bestemming 'Buitenplaats' is het mogelijk een woning te realiseren binnen een bouwvlak met de functieaanduiding 'wonen'. Het bouwvlak is voorzien van een maatvoering. Gebouwen in het plangebied zijn van een aanduiding voorzien. De tuin behorende bij de buitenplaats en de aanwezige natuurwaarden worden beschermd via het vergunningenstelsel voor het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde. Artikel 4 - Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 In het plangebied is ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarde de bestemmingen 'Waarde – Archeologie 4' overgenomen uit het bestemmingplan 'Landelijk gebied Noord'. Artikel 5 - Dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 De voor ‘Waarde - cultuurhistorie 1’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 6 - Dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 4 De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie 4’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de buitenplaats zone langs de Vecht.
Artikel 7 – Gebiedsaanduiding Overige zone - monument De gebiedsaanduiding 'overige zone - monument' wordt overgenomen uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Noord' ter bescherming van de monumentale status van het gebied.
Pagina 44 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
6 Juridische, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid Privaatrechtelijke belemmeringen kunnen in de weg staan aan de vaststelling en uitvoerbaarheid van een bestemmingplan. Deze belemmeringen moeten dan wel van een evident karakter zijn. Een privaatrechtelijke belemmering kan pas in de weg staan van vergunningverlening als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de vergunning zal worden uitgevoerd op grond die in eigendom van een ander is en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten. Buitenplaats Weeresteyn is verdeeld over verschillende eigenaars. De gronden waarop gebouwd wordt en waarop de landschappelijke aanpassingen zijn voorzien, zijn allen in eigendom van de initiatiefnemers. Er worden daarom geen evidente belemmeringen voorzien bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De initiatiefnemer heeft middels een kostenraming inzicht gegeven over de omvang van de noodzakelijke saneringskosten zoals beschreven in paragraaf 4.5. Hieruit blijkt dat deze kosten niet zo hoog zijn dat de economische uitvoerbaarheid van het plan in het geding komt. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee afdoende verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Verslag inspraak en artikel 3.1.1 Bro overleg Het ontwerpbestemmingsplan zal in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden worden aan organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. 6.3.2 Verslag zienswijzen Het plan is gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb vanaf xx-xx-xxxx gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen.
Pagina 45 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
7 Bijlagen 1. Historische beschrijving Weeresteyn, Zandpad 29 te Nieuwersluis, Juliette Jonker-Duynstee, 28 januari 2019 2. Quickscan ecologie, Weeresteyn te Nieuwersluis, Els & Linde B.V., 15 maart 2019 3. Aeriusberekening, Plannen-makers, 1 juli 2020 4. Nader Bodemonderzoek ‘Zandpad 29/32’ te Nieuwersluis, Inventerra, Rapportage 20-2161R01AvH, 19 oktober 2020 5. Advies Externe Veiligheid, Veiligheidsregio Utrecht, brandweer, 6 januari 2020 6. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, Nieuwersluis, Zandpad 29-32, Transect-, rapport 2210, onderzoeksmelding 4704320100, 23-12-2020 7. Ruimtelijk plan Weeresteyn, La4sale, augustus 2020
Pagina 46 Bestemmingsplan Buitenplaats Weeresteyn – Zandpad 32 te Nieuwersluis
Regels bestemmingsplan “Schuurwoning buitenplaats Weeresteyn” Planstatus: ontwerp Plan identificatie: NL.IMRO.1904.BPZandpad32bijNWS-OW01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 11 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 12 Artikel 3 Buitenplaats ........................................................................................................................ 12 Artikel 4 Waarde - Archeologie 4 ...................................................................................................... 17 Artikel 5 Waarde - cultuurhistorie 1 .................................................................................................. 20 Artikel 6 Waarde - cultuurhistorie 4 .................................................................................................. 21 3 Algemene regels ......................................................................................................................
22 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 22 Artikel 8 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 22 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 23 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 24 Artikel 11 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 24 Artikel 12 Algemene procedureregels............................................................................................... 25 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 26 Artikel 13 Overgangsrecht ................................................................................................................. 26 Artikel 14 Slotregel ............................................................................................................................ 27