2. Woonzorganalyse Stichtse Vecht eindrapport JS.pdf
Tekst van het document
Huisvestingsopgave wonen met zorg en welzijn Gemeente Stichtse Vecht
8 september 2021 Eindrapport
DATUM
8 september 2021
TITEL
Huisvestingsopgave wonen met zorg
ONDERTITEL
OPDRACHTGEVER
Gemeente Stichtse Vecht
AUTEUR(S)
Bas de Ruigh Hugo Smid Martin Bleijenburg
PROJECTNUMMER
1904.112
STATUS
Eindrapport
Inhoud Inhoud 1
Inleiding 1.1 Onderzoeksvragen 1.2 Verantwoording 1.3 Leeswijzer
4 4 5 5
2
Afbakening en definities wonen 2.1 Afbakening 2.2 Definities voor het wonen
6 6 7
3
Managementsamenvatting 3.1 De belangrijkste huisvestingsopgaven 3.2 De belangrijkste aanbevelingen 3.3 Vervolgbijeenkomsten visietraject
10 10 13 15
4
Ouderen & mensen met een lichamelijke beperking 4.1 Zorgvraag in beeld 4.2 Ontwikkeling van de vraag naar wonen met zorg 4.3 Mensen met een lichamelijke beperking 4.4 Aanbod in geclusterde woonvormen 4.5 Aanbod in ‘geschikte’ woningen 4.6 Welzijn in de woonomgeving 4.7 De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod 4.8 Aanbevelingen ouderen
16 16 18 23 24 26 28 35 37
Mensen met een verstandelijke beperking 5.1 Welzijn in de woonomgeving 5.2 Woonvraag van verstandelijk beperkten
41 41 42
5
5.3 5.4 5.5
3
Aanbodanalyse De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod Aanbevelingen VG
44 45 45
6
Beschermd wonen 6.1 Welzijn in de woonomgeving 6.2 Vraaganalyses BW 6.3 Aanbodanalyse 6.4 Huisvestingsopgave 6.5 Aanbevelingen
47 48 49 51 51 52
7
Zelfstandig wonen met ondersteuning 7.1 Uitstroom binnen MO/BW 7.2 Uitstroom onder kwetsbare jongeren 7.3 Regulier woonaanbod 7.4 Match vraag en aanbod 7.5 Aanbevelingen
53 53 53 54 55 56
Bijlage 1: Afkortingen en begrippen
59
Bijlage 2: Toelichting vraaganalyse
60
Bijlage 3: Aanbod in Stichtse Vecht per locatie, doelgroep en woonvorm
62
1 Inleiding Om langer zelfstandig wonen voor meer mensen mogelijk te maken, is een omslag nodig in het denken en doen van inwoners, gemeente, zorgkantoor, woningcorporaties, zorgaanbieders en ondernemers. Inwoners zullen tijdig moeten nadenken over hoe ze willen wonen, bijvoorbeeld als zij op enig moment tegen beperkingen aanlopen of als zij zelfstandig willen (gaan) wonen. De gemeente krijgt in toenemende mate de rol van regisseur, versterkt door de decentralisaties. Zorgaanbieders, zorgkantoor en woningcorporaties zijn meer dan voorheen op elkaar aangewezen om vraag en aanbod op het terrein van wonen, zorg en welzijn bijeen te brengen teneinde langer zelfstandig wonen mogelijk te maken. Woningcorporaties en/of zorgaanbieders moeten het zorgvastgoed transformeren, vanwege de zich manifesterende of dreigende leegloop van de bestaande verzorgingshuizen en de inzet op zelfstandig wonen in de wijk voor een brede groep zorgvragers (zoals vanuit MOBW, GGZ, jeugd). Dit kan leiden tot nieuwe vormen van woonzorgvastgoed. Begin 2015 heeft Companen in opdracht van de gemeente Stichtse Vecht het onderzoek toekomstbestendig wonen opgeleverd op het terrein van wonen, zorg en welzijn. De uitkomsten van dit onderzoek vormden de basis voor het actieprogramma toekomstbestendig wonen dat de gemeente heeft opgesteld in de loop van 2017 en sindsdien tot uitvoering is gekomen.
Met het actieprogramma zijn gemeente en ketenpartners voortvarend aan de slag gegaan en zijn vier van de zes beoogde projecten gerealiseerd. Sinds het onderzoek van Companen zijn er ruim vijf jaar verstreken. Cliënten en aanbieders hebben na deze periode, waarin de transitie van scheiden van wonen, zorg en welzijn is gerealiseerd, ervaring opgebouwd over de impact die langer zelfstandig wonen heeft op de vraag naar wonen, zorg en ondersteuning. Daarnaast heeft het lokale en landelijke beleid zich doorontwikkeld, wat ook consequenties heeft voor vraag en aanbod.
De gemeente heeft daarom aan Companen gevraagd om een nieuw onderzoek uit te voeren om de actuele huisvestingsopgave naar wonen, zorg en welzijn voor de verschillende doelgroepen in kaart te brengen. De gemeente wil echter ook voortvarend aan de slag met deze opgave, door samen met de betrokken partijen op het gebied van wonen, zorg en welzijn een aanpak van de opgave op te stellen en te realiseren. Deze samenwerking wil de gemeente graag bekrachtigen in een gezamenlijk woonzorgakkoord. In het woonzorgakkoord leggen we een gezamenlijke woonzorgvisie vast over wonen, zorg en welzijn tussen alle betrokken ketenpartners in de gemeente, die door alle ketenpartners in gemeente wordt onderschreven. Ook stellen zij gezamenlijk een uitvoeringsprogramma wonen met zorg en welzijn op met betrekking tot de opgave.
1.1 Onderzoeksvragen Dit onderzoek heeft als hoofddoel om het beeld van vraag en aanbod te actualiseren in het kader van de recente ontwikkelingen in de zorg. De (toekomstige) woonbehoefte van inwoners is hierin het vertrekpunt. Op basis van de behoefte is vervolgens de noodzaak voor passend aanbod bepaald. Onderzoeksvragen: Wat is de verwachte ontwikkeling van de vraag naar verschillende vormen van wonen, zorg en welzijn in de gemeente, rekening houdend met de demografische ontwikkeling in de gemeente Stichtse Vecht en (maatschappelijke) trends en ontwikkelingen? Hoe ziet het aanbod aan wonen, zorg en welzijn voor de verschillende doelgroepen in de gemeente eruit?
4
-
-
Wat is, op basis van een vergelijking tussen (toekomstige) vraag en het huidige aanbod, de huisvestingsopgave voor de verschillende doelgroepen? Welke zorg en welzijnsinfrastructuur is nodig om de huisvestingsopgave mogelijk te maken?
We hanteren als zichttermijn voor de vraagontwikkeling en huisvestingsopgave de peilmomenten 2021-2025-2030-2040, waarbij de doorkijk naar 2040 is bedoeld om het punt op de horizon voor de langere termijn te verkennen.
Doelgroepen In het onderzoek worden de volgende doelgroepen onderscheiden: Ouderen (65+) Mensen met een verstandelijke beperking (VG) Mensen met een lichamelijke beperking (LG) Mensen met psychische problematiek (doelgroep beschermd wonen) ‘Uitstromers’ vanuit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en jeugdzorg met verblijf
1.2 Verantwoording Bij het bepalen van de toekomstige behoefte zijn ketenpartners nadrukkelijk betrokken. In werksessies met vertegenwoordigers van de gemeente, zorgkantoor, zorgaanbieders, corporaties en welzijnspartijen zijn trends en ontwikkelingen besproken die volgens deze partijen van invloed zullen zijn op de vraag naar woonvormen. Het gaat dan om de gevolgen van nieuw beleid, maar bijvoorbeeld ook om technologische ontwikkelingen en de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten. De opbrengst van deze bijeenkomsten is gebruikt om prognoses en scenario’s op te stellen die aansluiten bij de Stichtse Vechtse
praktijk. De voorlopige resultaten zijn voorgelegd aan en besproken met de gemeente.
1.3 Leeswijzer Dit rapport begint met een hoofdstuk over de afbakening en definities die wij hanteren in dit onderzoek, gevolgd door een samenvatting van de belangrijkste bevindingen: de verhouding tussen vraag en aanbod aan woningen voor verschillende zorgdoelgroepen en een aantal aanbevelingen voor het vervolg. In de volgende hoofdstukken (4 tot en met 6) behandelen we steeds de woonopgave van één doelgroep, om af te sluiten met de groep uitstromers op de reguliere markt: Hoofdstuk 4. Ouderen Hoofdstuk 5. Verstandelijk beperkten Hoofdstuk 6. Beschermd Wonen Hoofdstuk 7. Uitstroom van jongvolwassenen en volwassenen uit verblijfslocaties In de bijlagen staan een overzicht van begrippen, afkortingen en woonvormen, een overzicht van de gebruikte aannames in de hoofstukken 3 tot en met 6, een kaart met het geïnventariseerde woonaanbod en een tabel met het aanbod per zorgaanbieder en doelgroep. Het geïnventariseerde woningaanbod en diverse zorgen welzijnsvoorzieningen zijn ook digitaal op een kaart in te zien via onderstaande link: www.companen.nl/arcgis/woonzorgstichtsevecht
5
2 Afbakening en definities wonen Om goed te kunnen sturen op passende huisvesting voor zorgvragers in Stichtse Vecht, is het van belang om eenduidige afbakening en definities te hanteren in de gemeente. In dit hoofdstuk zetten we de afbakening en definities uiteen die wij in het onderzoek hanteren, die als een aanzet dienen voor visievorming tussen alle ketenpartners die actief zijn in de gemeente.
2.1 Afbakening Inclusiviteit staat landelijk centraal in de aanpak van opgaven in wonen, zorg en welzijn. Inclusie houdt in dat alle mensen in een samenleving meedoen en er toe doen, ook als deze mensen een bepaalde beperking ervaren. Om het langer en weer thuis wonen succesvol te maken, zal ook aan de randvoorwaarden voor inclusiviteit moeten worden voldaan. Dit speelt op diverse niveaus: een inzet op positieve gezondheid en preventie, een kwalitatief goede en toegankelijke woonomgeving en openbare ruimte en woningen die passen bij de behoefte van inwoners (zie figuur rechts). Hiervoor staan betrokken partners gezamenlijk aan de lat, hetgeen daarom ook nadrukkelijk aandacht vraagt in analyse, visievorming en uitvoering. Om goed te werken vanuit preventie en positieve gezondheid is aandacht nodig voor maatschappelijke participatie, zingeving, lichamelijk functioneren, mentaal welbevinden, kwaliteit van leven en het dagelijks functioneren. Dit zijn grote thema’s, die vragen om een specifieke uitwerking voor wonen, zorg en welzijn. Denk hierbij aan inzet op vroegsignalering, veilig en betaalbaar wonen, het afschalen van zorg en het opbouwen van sociale netwerken. Een goed ingerichte leefomgeving kan de mentale en fysieke gezondheid positief beïnvloeden. In de woonomgeving is aandacht nodig voor toegankelijkheid van openbare ruimte onder diverse kwetsbare groepen. Denk
hierbij aan rustplekken, doorgangsroutes en herkenningspunten, maar ook aan nabijheid van voorzieningen, recreatie, vervoer en ontmoetingsplekken voor mensen met een lagere mobiliteit. In het wonen is het van belang de vraagontwikkeling en het aanbod van woningen gebiedsgericht in beeld te brengen. Er zijn genoeg aantrekkelijke, toegankelijke geclusterde en betaalbare woningen in geschikte gebouwen nodig om inclusieve dorpen en wijken te laten ontstaan. Hierin is het verstandig om ook innovatieve concepten en bottom-up initiatieven te stimuleren. De focus in dit onderzoek ligt op de woonvraag die samenhangt met die behoefte aan zorg en ondersteuning. In het visietraject wordt meer aandacht besteedt aan de woonomgeving, preventie en positieve gezondheid. Figuur 2.1: Schematische weergave van inclusiviteit op diverse niveaus
Positieve gezondheid en Preventie Woonomgeving Openbare ruimte Persoon/woning
6
Corporaties en ontwikkelaars
Organisatie en bekostiging van wonen, zorg en welzijn In dit onderzoek gaan we in op diverse groepen zorgvragers. Zij ontvangen zorg en ondersteuning hoofdzakelijk vanuit drie zorgwetten: Zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz). Ondersteuning uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Wijkverpleging uit de Zorgverzekeringswet (Zvw). De aard van de zorgbehoefte bepaalt vanuit welke wet iemand zorg krijgt. De Wet langdurige zorg is bedoeld voor mensen die ‘levenslang en levensbreed’ 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. In principe geeft alleen de Wlz toegang tot wonen in een zorginstelling, zoals een verpleeghuis of een instelling voor gehandicaptenzorg 1. Verhuizen naar een instelling is overigens niet verplicht: als de omstandigheden goed zijn, kan Wlz-zorg ook thuis geleverd worden via een VPT, MPT of PGB. Wmo-ondersteuning en wijkverpleging zijn mogelijk als de cliënt zelfstandig woont. In de Wmoondersteuning zijn verschillende gradaties of intensiteiten mogelijk. Tevens wordt Beschermd Wonen betaald vanuit de Wmo; hier kan zowel geclusterd gewoond worden als zelfstandig met een indicatie voor intensieve begeleiding aan huis (Beschermd Thuis).
2.2 Definities voor het wonen Woonvormen voor ouderen De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor ‘vernieuwende woonconcepten’ voor ouderen. Ouderen met een lichte zorgvraag komen niet meer in aanmerking voor een plek in een verzorgingshuis, en veel ouderen willen dit ook niet meer. Een deel wil echter wel verhuizen naar een geschiktere woning, waar (op termijn) ook zorg geboden kan worden. Dit leidt tot een toenemende 1
vraag naar geschikte woningen, maar ook naar geclusterd wonen als ‘tussenvorm’ tussen een reguliere woning en het verzorgingshuis. De wens van ouderen om in een bepaalde woonvorm te wonen is onder meer afhankelijk van de behoefte aan zorg, beschutting, comfort en saamhorigheid. Wij maken een onderscheid tussen woonvormen op basis van de mate van clustering en de ‘toegangseisen’ (wie mag hier komen wonen?). Regulier wonen: Niet-geclusterde woningen en/of woonvormen die niet specifiek voor ouderen zijn bedoeld en niet geschikt zijn. Geschikt wonen: Reguliere woningen die geschikt zijn voor ouderen. Alle primaire voorzieningen liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. Deze groep woningen valt uiteen in woningen die geschikt zijn voor mensen die binnenshuis een rollator of een rolstoel gebruiken. Geclusterd wonen voor ouderen: Geclusterde woonvormen die hoofdzakelijk door ouderen worden bewoond én toegankelijk zijn zonder Wlz-indicatie: Complexen worden voor minimaal 50% bewoond door mensen van 65 jaar of ouder of heeft een ouderenlabel. Complexen bestaan uit minstens 10 woningen 24-uurszorg: Woonvormen voor 24-uurszorg die alleen toegankelijk zijn voor mensen met een Wlz-indicatie. De verzilveringsvorm (ZIN, PGB of VPT) maakt hierbij niet uit.
Hieronder vallen: - 24-uurszorg PG (psychogeriatrie) - 24-uurszorg SOM (somatiek) De keuze voor een woonvorm is vaak een initiële keuze. De woonvorm ‘geclusterd wonen’ is bijvoorbeeld een verzamelnaam voor diverse woningtypes en woonconcepten die beschutting, comfort en ontmoeting bieden, zoals aanleuningenwoningen, zorgvilla’s of hofjeswoningen. De keuze
Beschermd Wonen GGZ vormt hierop een uitzondering: dit is 24-uurszorg inclusief verblijf, maar wordt bekostigd door de (centrum)gemeente (Wmo.)
7
voor een specifiek woonconcept is vooral gebaseerd op woonwensen. Dit houdt in dat er enkele minimale vereisten voor geclusterd wonen voor ouderen te identificeren vallen, maar ook diverse aanvullende mogelijkheden die de diversiteit bieden dat past bij nieuwe generaties ouderen. In het kwalitatief kader geven we een aanzet tot vereisten, hetgeen verder uitgewerkt kan worden in de woonzorgvisie van de gemeente en haar ketenpartners.
Kwalitatief kader ‘geclusterd wonen voor ouderen’
Companen stelt de volgende minimale vereisten voor om het begrip geclusterd wonen voor ouderen verder mee af (te gaan) te bakenen: • Toegankelijke woningen (minstens rollatorgeschikt) • Ontmoetingsruimte (binnen 100 meter met gegarandeerde inzetbaarheid) • Samenleefconcept (woonvorm met uitstraling en identiteit) • Inzet van een welzijnsmedewerker of soortgelijke ondersteuning (sociaal beheerder / huismeester) vanuit betrokken organisaties • Nabijheid tot voorzieningen: supermarkten en OV binnen 500 meter • Scootmobielberging (bij voorkeur 1 berging per 5 bewoners) • Thuiszorg en Wlz-zorg mogelijk en aansluiting op alarmeringssysteem • Minimaal 50% bewoond door 65+ of complex beschikt over label 55+ De volgende aanvullende mogelijkheden geven diversiteit: • Rolstoelgeschikte woningen • Toegangsdeur met videoverbinding, inbraakbeveiliging • Gezamenlijke buitenruimte of overdekte corridor, atrium • Inzet van zorgdomotica (bijv. leefcirkels, slimme sensoren) • Huisarts, fysiotherapeut, winkels, sport en recreatie in nabijheid (500m) • Inpandige kantoorruimte voor zorgprofessionals • Taxiservice beschikbaar, bijv. richting dagbesteding • Gemengd wonen (bijv. jongeren of gezinnen) • Diversiteit binnen complex in woningaanbod en prijsklassen
Indeling woningen naar geschiktheid
Een deel van de ouderen (en jongere mensen) heeft behoefte aan een ‘toegankelijke’ of ‘geschikte’ woning, vanwege mobiliteitsbeperkingen die zij ervaren binnen en/of buiten de woning. Hierin zijn groepen te onderscheiden: 1. Mensen met rollatorgebruik binnen- en buitenshuis 2. Mensen met rolstoelgebruik binnen- en buitenshuis. Als de rolstoel alleen buitenshuis wordt gebruikt, volstaat voor deze groep mensen een rollatorgeschikte woning met een rolstoelgeschikte entree. Specifieke toegankelijkheidsvereisten ten aanzien van de woning zijn vastgelegd in Woonkeur. Gemeenten en projectontwikkelaars kunnen afspreken om nieuwbouwprojecten conform een Woonkeurmodule te realiseren. Deze vereisten zijn te raadplegen in de handboeken voor bestaande bouw en voor nieuwbouw. Kort samengevat, moeten woningen voor mensen met een mobiliteitsbeperking voldoen aan de volgende vereisten: • Rollatorgeschikte woningen (drempelloze woningen/ nultredenwoningen/ rollatortoegankelijke woningen) voldoen aan de volgende criteria: o Vlakke toegangsroute o Geen drempels in de woning o Gelijkvloerse woning of traplift o Ruime deurbreedte en draaicirkels o Voldoende ruimte in badkamer en geschikt sanitair voor rollator •
Rolstoelgeschikte woningen: Rolstoel toe- en doorgankelijk. Naast de criteria voor rollatorgeschikte woningen voldoen deze woningen ook aan de volgende criteria: o Volledig woonprogramma is gelijkvloers o Rolstoelgeschikte deurbreedte en draaicirkels o Voldoende ruimte in badkamer en geschikt sanitair voor rolstoel o Kookruimte geschikt voor rolstoel 8
Woonvormen voor kwetsbare groepen Voor de overige kwetsbare groepen hebben we het vaak over dezelfde type woonvormen: zelfstandig wonen, gespikkeld wonen, geclusterd wonen en groepswonen. Veel zorgaanbieders richten zich op specifieke cliëntgroepen, waardoor ook specifieke combinaties van wonen én zorg ontstaan. Daardoor is er in de praktijk sprake van specifieke termen als ‘Beschermd Verblijf’ of ‘kamertrainingscentra’. De achterliggende woonvorm hoeft hierin niet wezenlijk te verschillen. Figuur 3.1: Diverse woonvormen voor mensen met een ondersteuningsvraag
*
* Deze woning hoeft niet perse in een complex te liggen, maar kan ook in de wijk liggen zolang er een nabijgelegen steunpunt aanwezig is. Bron: Platform 31, Werken aan wonen met ondersteuning, 2020
Mensen met een verstandelijk beperking In de huisvesting van deze groep maken we veelal het onderscheid tussen geclusterd wonen, groepswonen en gespikkeld wonen. In geclusterd wonen en groepswonen is begeleiding vaak 24-uur per dag aanwezig of oproepbaar. In dit rapport nemen we beide woonvormen samen als ‘geclusterd wonen’. Bij gespikkeld wonen kan de zorgvraag zowel planbaar als onplanbaar zijn. Beschermd Wonen In BW worden vier producttypes aangeboden in de regio Utrecht, waarvan drie producten binnen de Wmo. De overige categorie beslaat de nieuwe zorgvorm in de Wlz, waar mensen met psychische problematiek sinds 2021 aanspraak op kunnen maken. Veel van deze cliënten kregen voorheen zorg uit de Wmo: • Beschermd Thuis (Wmo): cliënten wonen met dit product zelfstandig of gespikkeld, en ontvangen zowel geplande als acute zorg aan huis. De begeleidingsvraag is intensief of zeer intensief. • Beschermd Verblijf (Wmo): cliënten wonen geclusterd of groepsgewijs. De zorg bestaat uit 24-uursbegeleiding die aanwezig of oproepbaar is. • Beschermd Wonen Bovenregionaal (Wmo): cliënten wonen geclusterd of groepsgewijs. De zorg bestaat uit specialistische of prikkelarme 24uursbegeleiding die aanwezig is. • GGZ-Wonen (Wlz): cliënten wonen doorgaans geclusterd of groepsgewijs, maar zouden ook (langdurig) begeleiding aan huis kunnen ontvangen.
De zorg bestaat uit langdurige 24-uursbegeleiding die aanwezig of oproepbaar is, gericht op stabilisatie van de zorgvraag. Kwetsbare jongeren (18-23 jaar) Kwetsbare jongeren zitten vaak op een kantelpunt in hun leven. Veel van deze jongeren wonen nu in een jeugdhulpinstelling. Zij kunnen doorstromen naar instellingszorg, ook na een periode van omzwervingen, of werken toe naar meer zelfstandigheid. De woonzorgvorm ‘geclusterd begeleid wonen’ helpt de laatste groep jongeren. De categorie beslaat doorstroomgerichte ‘tussenvormen’, waarbij jongeren (intensieve) begeleiding ontvangen bij het zelfstandig wonen. In fases groeien zij toe naar zelfstandigheid. Voorbeelden van geclusterd begeleid wonen zijn kamertrainingscentra of fasehuizen. 9
3 Managementsamenvatting
woningen, omdat deze huishoudens door het CBS als institutionele (onzelfstandige) huishoudens worden gekenmerkt.
In dit onderzoek is gekeken hoe de (verwachte) vraag naar wonen met zorg zich verhoudt tot het huidige aanbod voor verschillende zorgdoelgroepen. In dit hoofdstuk vatten we de huisvestingsopgave kort samen op gemeentelijk niveau. Eerst geven we een totaaloverzicht van de kwantitatieve opgaven voor alle doelgroepen. Vervolgens geven we de kwalitatieve en Aanbevelingen per doelgroep. In de afzonderlijke hoofdstukken verdiepen we de uitkomsten en geven we daarbij soms inzicht op kernniveau.
Kwantitatieve opgave
3.1 De belangrijkste huisvestingsopgaven In deze paragraaf schetsen we de hoofdlijnen van de huisvestingsopgaven uit dit rapport. We staan allereerst stil bij de kwantitatieve opgave (woningaantallen), om vervolgens de kwalitatieve opgave te behandelen en af te sluiten met aanbevelingen en bespreekpunten voor het visie- en uitvoeringstraject dat volgt op dit onderzoeksrapport.
Kwantitatieve opgaven in relatie tot woningmarktonderzoek Uit het meest recente woningbehoefteonderzoek (2021) komt naar voren dat er in totaal 3.700 extra woningen nodig zijn tot 2030 voor de lokale en de regionale woningbehoefte tezamen. De woonvisie schrijft voor dat minimaal 30% van deze woningen uit sociale huur dient te bestaan. Voor de middenhuur geldt een richtlijn per kern. De huisvestingsopgave voor geclusterde woningen voor ouderen en de gespikkelde woningen voor mensen met een verstandelijke beperking valt binnen de algehele bouwopgave van 3.700 woningen. Het CBS kenmerkt deze huishoudens als ‘gewone’ particuliere huishoudens.
Een vergelijking van de vraagprognose met het aanbod aan woonvormen voor ouderen laat zien dat het woningaanbod aan geclusterd wonen en 24-uurszorg voor ouderen op dit moment onvoldoende is om in de vraag te voorzien. In onderstaande tabel is te zien wat de balans is van vraag en aanbod, uitgaande van het huidige aanbod en een bandbreedte in de vraagprognose. Negatieve getallen geven aan dat er een tekort is, positieve getallen duiden op overschotten. Voor de groepen ouderen en mensen met een verstandelijke beperking geven we twee scenario’s weer, die gelden als minimum en maximum grens voor de huisvestingsopgave t/m 2030 en tussen 2030 en 2040. We zien de volgende huisvestingopgaven in aanloop naar 2030: • 205 tot 375 geclusterde woningen voor ouderen in de sociale huur • 135 tot 155 geclusterde woningen voor ouderen in de middenhuur • 360 tot 405 geclusterde woningen voor ouderen in de koopsector o Deze opgave landt in diverse prijsklassen • 300 tot 340 plekken voor ouderen in 24-uurszorgslocaties o Deze opgave is aanvullend op de totale bouwopgave (3.700 woningen) • 110 tot 190 geclusterde woningen voor mensen met een verstandelijke beperking o Deze opgave is aanvullend op de totale bouwopgave (3.700 woningen) • 10 tot 20 gespikkelde woningen voor mensen met een verstandelijke beperking
De huisvestingsopgave voor 24-uurszorglocaties en geclusterde woningen voor mensen met een verstandelijke beperking komt bovenop de opgave van 3.700 10
Tabel 3.1: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen in de twee trendvarianten
Woonvormen per doelgroep
Opgave t/m 2030 Opgave 2030 - 2040 TrendTrendTrendTrendscenario scenario scenario scenario Ouderen Mild Max Mild Max Geschikt regulier wonen -350* Geclusterd wonen - sociale huur -205 -375 -85 -520 Geclusterd wonen - vrije huur -135 -155 -90 -120 Geclusterd wonen - koop -360 -405 -155 -210 24-uurszorg -340 -300 -320 -260 Mensen met een verstandelijke BasisTrendBasisTrendbeperking scenario scenario scenario scenario Geclusterd wonen -110 -190 -110 Gespikkeld wonen -10 -20 -20 -40 * Dit tekort kan worden voorkomen door in te zetten op meer geclusterde woonruimte (zoals weergegeven in het maximale trendscenario). Bron: aanbodinventarisatie, prognosemodel Companen.
Opgave ouderenhuisvesting op kernniveau Op kernniveau zien we een huisvestingsopgave in alle grote kernen, op zowel korte als lange termijn. De uitzondering daarop is Maarssen, waar het aanbod erg ruim is en vermoedelijk een brede functie vervult voor omliggende kernen. In Breukelen en Maarssenbroek zien we de grootste huisvestingsopgave, in relatie tot het huidige inwoneraantal en het huidige aanbod. In de meeste kleine kernen zien we (op termijn) ruimte voor een kleinschalige geclusterde woonvorm (bijv. een woonboerderij), mits hiervoor aantoonbaar behoefte en draagvlak bestaat in de kern. In de kleine kernen is 24-uurszorg geen mogelijkheid, dit zou middels een MPT of VPT wellicht wel aan huis kunnen worden geboden.
Tabel 3.2: Huisvestingsopgave per kern tot 2030 en tussen 2030 en 2040 Kern Opgave t/m 2030 Opgave 2030 tot 2040 Maarssen Overschot van 85 tot 95 plekken in Overschot van 25 tot 35 plekken in 24-uurszorg in 2030 24-uurszorg in 2040 Overschot van 370 tot 430 plekken Overschot van 180 tot 310 plekken geclusterde woningen in 2030 geclusterde woningen in 2040 Maarsen220 plekken in 24-uurszorg 120 tot 150 plekken in 24-uurszorg broek 580 tot 670 geclusterde woningen 220 tot 320 geclusterde woningen Breukelen
50 tot 60 plekken in 24-uurszorg 145 tot 185 geclusterde woningen
40 tot 50 plekken in 24-uurszorg 100 tot 140 geclusterde woningen
Loenen aan de Vecht
30 plekken in 24-uurszorg 55 tot 100 geclusterde woningen
10 tot 20 plekken in 24-uurszorg 30 tot 50 geclusterde woningen
Nieuwer Ter Aa Kockengen
20 geclusterde woningen
10 geclusterde woningen
30 plekken in 24-uurszorg 80 geclusterde woningen
10 tot 20 plekken in 24-uurszorg 100 geclusterde woningen
Vreeland
20 plekken in 24-uurszorg 40 tot 50 geclusterde woningen
10 tot 20 geclusterde woningen
Tienhoven
20 plekken in 24-uurszorg 30 tot 40 geclusterde woningen
10 tot 15 geclusterde woningen
Nigtevecht
40 geclusterde woningen
10 tot 20 geclusterde woningen
Nieuwersluis
10 geclusterde woningen
5 tot 10 geclusterde woningen
Loenersloot
20 geclusterde woningen
5 tot 10 geclusterde woningen
Oud-Zuilen
10 geclusterde woningen
5 tot 10 geclusterde woningen
Bron: Woonzorgweter, Woon2018.
Kwalitatieve opgaven ouderenhuisvesting De huidige vraag naar geschikte woningen bedraagt circa 2.240 woningen. Dit aantal beslaat zowel reguliere als geclusterde woonvormen. De vergrijzing zorgt ervoor dat deze behoefte in 2040 zal zijn opgelopen tot circa 4.580 woningen. Het huidige aanbod van geschikte woningen in Stichtse Vecht bedraagt circa 6.420 geschikte woningen, waarvan er 2.900 worden bewoond 11
Beschermd Wonen: transitie naar Beschermd Thuis
door ouderen. Hoeveel geschikte woningen uiteindelijk benodigd zijn om in de behoefte van ouderen te voorzien zal altijd een samenspel zijn van voldoende aanbod en voldoende beschikbaar aanbod. Daarin zit enige schuifruimte, maar de simpele conclusie is dat het huidige aanbod, zonder nieuwbouw, woningaanpassingen of betere matching, na 2025 niet meer zal voorzien in de behoefte. Dit tekort knelt met name voor de groep de rolstoelgeschikte woningen. Richting 2040 zal hier een tekort ontstaan van ca. 200 woningen.
Beschermd Wonen is landsbreed in transitie. De gemeente werkt in dit kader toe naar een lokaal passend aanbod aan zelfstandig wonen met Beschermd Thuis. Gelet op bovenstaande informatie, ligt er met name een huisvestingsopgave met betrekking tot het aantal zelfstandige woningen dat nodig zal zijn om mensen Beschermd Thuis of uit te laten stromen.
De kwantitatieve vergelijking van vraag en aanbod vertelt slechts een deel van het verhaal. In paragraaf 4.4 hebben wij ook gekeken naar de mate waarin het geclusterde aanbod voldoet aan het kwalitatief kader voor ‘geclusterd wonen voor ouderen’. Op het gebied van ontmoeting, toegankelijkheid en nabijheid tot voorzieningen als supermarkten en bushaltes voldoen de meeste complexen. Voor enkele complexen geldt dat een supermarkt niet nabij is, bijvoorbeeld in Kockengen. Hier zou het wenselijk zijn om te bekijken of een boodschappenservice aanwezig is / gebruikt wordt.
In de komende jaren verwachten wij op basis van demografische ontwikkelingen geen grote veranderingen ten aanzien van de huidige situatie. De mate waarin de gemeente en haar partners inzetten op preventie, ambulantisering en / of het gebruik van Beschermd Thuis heeft met name invloed op het aantal woningen dat jaarlijks benodigd is. Afhankelijk van het gekozen scenario, verwachten wij dat de jaarlijkse instroom bij Beschermd Thuis ca. 6 personen uit Stichtse Vecht bedraagt. Dit aantal kan na verloop van tijd afnemen. Een groot deel van deze instromende mensen zal ook een woonvraag hebben, en zodoende gaan we uit van een huisvestingsopgave van ca. 5 zelfstandige woningen voor instromers.
Een belangrijk aandachtspunt ligt in de scootmobielberging. Slechts een klein deel van de woningen een scootmobielberging in het complex. Met het oog op de toenemende vraag naar geclusterd wonen voor ouderen ligt hier een opgave om het bestaande aanbod aan te passen zodat het wel in alle gevallen genoeg bergingscapaciteit bezit. Uit de werksessie met ketenpartners kwam daarnaast naar voren dat er behoefte is aan meer variatie in het geclusterd aanbod, waaronder meer aanbod in het hogere segment. Het aanbod in de particuliere sector is vrij beperkt, en kan de nodige uitbreiding gebruiken. Wij adviseren om het bouwprogramma primair op de particuliere huur en koopsector te richten, al zal er secundair ook behoefte blijven aan uitbreiding van de sociale sector.
Tabel 3.3: Instroom cliënten bij BT per scenario (2021 - 2040; afgerond op vijftallen) Vraag 2021 2025 2030 2035 2040 Demografische doorrekening 5 5 5 5 5 Cliëntscenario ambulantisering 5 6 6 6 5 Cliëntscenario preventie 5 4 4 3 3 Bron: Indicaties BW, Simulatiemodel Significant, Woonzorgweter Companen.
Opgave voor faciliteren uitstroom en preventie van instroom Wij schatten de totale jaarlijkse behoefte aan zelfstandige woonruimte onder uit Jeugdhulp, MO en BW daarmee in op ca. 21 tot 26 mensen, bestaande uit ca. 10 tot 15 uitstromers vanuit MO of BW-cliënten en ca. 10 kwetsbare jongeren die behoefte hebben aan zelfstandig wonen of een begeleide tussenvorm. 12
Samenwerking en visievorming
Tabel 3.4: Verwachte uitstroom vanuit diverse instellingszorg Herkomst uitstromers Uitstroom uit Beschermd wonen (BW) & Opvangvoorzieningen (MO)
Verwachte uitstroom Ca. 5-10
Instroom bij Beschermd Thuis
Ca. 3
Uitstroom onder kwetsbare jongeren
Ca. 13
Totaal
Ca. 21 – 26
Om de huisvestingsopgaven goed op te kunnen pakken is een brede en structurele samenwerking nodig tussen gemeente, projectontwikkelaars, zorgkantoor, corporaties, zorgaanbieders en welzijnspartijen. Eén van de eerste punten om in gezamenlijkheid op te pakken, is het uitwerken van een visie en uitvoeringsprogramma op wonen met zorg.
Kerngerichte benadering in wonen, zorg en welzijn
Alle volgende hoofdstukken sluiten af met aanbevelingen over de woonzorgopgave. Hieronder staan de belangrijkste aanbevelingen samengevat:
De ketenpartners in wonen, welzijn en zorg willen graag aan de slag met gezamenlijke gebiedsontwikkeling (per kern). De volgende acties kunnen hierin wenselijk zijn: Gemeente en aanbieders kunnen samen uitstippelen in welke werkgebieden zij zitten, en hoe zij aansluiten op de zorgbehoefte per kern. De woonzorgcentra in Stichtse Vecht kunnen dienen als steunpunt voor ontmoeting, dagbesteding en zorg aan de buurt. Een kerngerichte benadering vraagt ook om aansluiting met woningbouw: mantelzorgwoningen, tussenvormen en ook woningaanpassingen. Ketenpartners staan samen aan de lat om doorstroming onder ouderen op gang te brengen. Het opstellen van een gezamenlijke communicatiecampagne is wenselijk: verzamel en trechter informatie voor de ouderen. Elke oudere heeft baat bij kennis over de mogelijkheden voor (het financieren van) particuliere woningaanpassingen, de inzet van kleine technologische oplossingen en het beschikbare welzijnsaanbod.
Nieuwbouw van geclusterd wonen als hoge prioriteit
Diversiteit in nieuwbouw realiseren
Corporaties stellen momenteel 14 woningen beschikbaar aan zorgvragers binnen MO/BW. Dit contigent is voor deze groep voldoende, en wordt (nog) niet volledig benut. Dit kan er ook mee te maken hebben dat niet alle woningen (tijdig) beschikbaar worden gesteld. Door de vele doelgroepen die woonruimte nodig hebben, staat ook het aantal vrijkomende woningen onder druk. Uitstromende kwetsbare jongeren kunnen in ieder geval niet terecht in deze woningen, hetgeen een huisvestingsopgave oplevert van 13 wooneenheden voor jongeren. Kamerhuur of het delen van een (contigent)woning lijkt voor deze groep een realistische optie.
3.2 De belangrijkste aanbevelingen
De huisvestingsopgave voor geclusterde woonvormen in Stichtse Vecht is groot, voor zowel ouderen als mensen met een verstandelijke beperking. Indien er geen nieuwe locaties bijkomen, zal een deel van de inwoners moeten verhuizen naar buiten de gemeente voor passende huisvesting.
De nieuwe generatie ouderen vraagt om meer én ander aanbod. Over het algemeen is de nieuwe generatie ouderen vitaler, vermogender en hoger opgeleid dan voorgaande generaties. Om aan te sluiten bij de toekomstige vraag, is meer diversiteit nodig in geclusterde woonvormen (bijvoorbeeld in 13
woningtype, leefstijlen, leeftijden, aanwezigheid van welzijnsvoorzieningen en mate van collectiviteit). Ditzelfde geldt ook voor de groep mensen met een verstandelijk beperking. Ook voor deze groep kan het handig zijn om persona’s (typologieën) uit te werken. Op basis van persona’s kunnen passende woonlocaties geïdentificeerd worden.
Hiertoe kunnen corporatiewoningen worden getransformeerd, maar we adviseren om ook mogelijkheden te verkennen om particuliere woningen te transformeren naar studio’s en/of kamers. Andere aangedragen oplossingen zijn antikraakconstructies in leegstaande bedrijfswoningen of bedrijfspanden.
Vaker inzetten op co-creatie
Voor sommige groepen is tijdelijke huisvesting een wenselijke stap. De stap van groepswonen in de jeugdhulp naar zelfstandig wonen is in veel gevallen te groot; het is wenselijk om daarom enig (regionaal) aanbod te hebben in kamertrainingscentra. Tijdelijke huisvesting kan daarnaast mensen helpen om een crisisperiode te overbruggen of te werken aan stabilisatie van de zorgvraag. Zodoende kan men sneller weer thuis wonen. Wij onderstrepen daarom het voornemen van de gemeente om tijdelijke woonplekken te creëren.
Om meer diversiteit in het woningaanbod te bereiken is co-creatie een goede mogelijkheid. Zo kunnen combinaties worden gezocht van complexen met middenhuur, koop en sociale huur, waarin een (natuurlijke) menging kan ontstaan van zorgvragers en zorgdragers. Vanwege de Daeb-regelgeving 2 kunnen corporaties de ontwikkeling van een dergelijk concept niet ter hand nemen. Wel kunnen zij het sociale huurdeel van een dergelijk concept ‘turnkey’ 3 afnemen van een ontwikkelaar.
Uitleenservice van technologie aanbieden Wij adviseren om een uitleenservice van technologische oplossingen aan te bieden, met een website waarop men de diverse oplossingen kan bekijken. Door te inventariseren en de drempel voor gebruik te verlagen, zullen meer mensen de oplossingen (tijdig) gaan gebruiken.
Meer aanbod goedkope (tijdelijke) woonruimte Met name kwetsbare jongeren komen lastig aan goedkope woonruimte, dat bovendien schaars is en veel concurrentie kent. Dit vraagt dus om meer goedkoop aanbod, dan wel om de inzet van instrumenten om het financiële gat te dichten. Wij zien daarbij een kans in het flexibel (her)inrichten van sommige eengezinswoningen, zodat ze kunnen worden bewoond door woningdelers.
2
Deze regelgeving schrijft voor dat corporaties niet meer dan 10% van hun bezit mogen inzetten voor huurders die buiten hun primaire doelgroep (lagere inkomens) vallen.
Aanbod in tijdelijke woonvormen
Werken aan inclusiviteit in de buurt De ketenpartners zien een maatschappelijke opgave om het wonen met een zorgvraag in de buurt verder te normaliseren. Om meer inclusiviteit in de buurt te bewerkstelligen zien we onder andere de volgende aandachtspunten: • Vermijd clusters van uitstromers en zoek ook buiten de geijkte straten of buurten naar geschikte woonruimte voor uitstromers. • Zorg en ondersteuning moet geregeld zijn voorafgaand aan de uitstroom. Bij noodsituaties moet er snel en gezamenlijk ingegrepen kunnen worden. • Om terugval te voorkomen is een ‘zachte landing’ van uitstromers in hun nieuwe buurt essentieel. Dat vraagt om goede communicatie met omwonenden. • Activering en begeleiding bij het vinden van werk/dagbesteding (om terugval te voorkomen).
3 Term voor woningen die in volledig gebouwde staat worden opgeleverd.
14
•
Intensieve ambulante ondersteuning die 24/7beschikbaar is (kan ook via beeldbellen, telefonische bereikbaarheid, samenwerking met ander zorgpartijen vanuit zorgsteunpunt).
3.3 Vervolgbijeenkomsten visietraject De huisvestingsopgaven en aanbevelingen uit dit hoofdstuk bieden inzicht in de knelpunten in wonen, zorg en welzijn binnen de gemeente. Hoe deze opgaven vervolgens worden opgepakt en uitgewerkt, is onderdeel van verder gezamenlijk gesprek. Daarbij kan het zijn dat er ook nog andere knelpunten ter tafel komen. Wij moedigen u aan om deze rapportage te zien als vertrekpunt voor verdere samenwerking en actief deel te nemen aan vervolgbijeenkomsten en het verdere uitvoeringsproces.
15
4 Ouderen & mensen met lichamelijke beperking
een
Lang niet alle ouderen (65-plussers) hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifiek soort woning vanwege die zorgvraag. Verreweg de meeste ouderen (94%) wonen zelfstandig, zo blijkt uit de Monitor Zorg voor ouderen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) 4. Veel ouderen zijn daarbij niet afhankelijk van langdurige zorg en ondersteuning. Ook van de 85-plussers woont 70% nog zelfstandig, vaak met ondersteuning vanuit de wijkverpleging. In dit hoofdstuk gaan wij in op de woonvraag van twee groepen ouderen: Ouderen die vanwege hun gezondheidssituatie een beroep doen op Wlzzorg. Dat betekent dat zij ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Het gaat om mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. De meeste van deze mensen wonen in een verpleeghuis of verzorgingshuis. Een toenemend aandeel Wlz-cliënten ontvangt deze zorg thuis vanuit een MPT, PGB of VPT. Ouderen met een lichtere zorgvraag en ouderen zonder zorgvraag: welk deel van hen zal een beroep doen op een geclusterde woonvorm, en welk deel zal wonen in een (aangepaste) reguliere woning? We gaan in dit hoofdstuk ook in op de woonbehoefte van mensen met een lichamelijke- of mobiliteitsbeperking (ongeacht de leeftijd).
In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz ingeperkt voor ouderen die Verpleging en Verzorging (VV) nodig hebben. Mensen met een zorgvraag waar vroeger indicatie VV 1, 2 of 3 voor werd afgegeven, kunnen tegenwoordig geen beroep meer doen op een woonplek in een instelling. In plaats daarvan krijgen zij ondersteuning vanuit de Wmo. Landelijk zien we dat het aantal plekken in verpleeghuiszorg de laatste jaren licht is gedaald, al horen we van diverse zorgaanbieders in het land dat zij zich wél beraden op nieuw vastgoed.
4.1 Zorgvraag in beeld De groep ouderen in de gemeente Stichtse Vecht zal in de komende jaren sterk gaan groeien: zijn er in 2021 ca. 13.740 65-plussers, in 2040 zal dit aantal zijn opgelopen tot ruim 18.880. Het aantal huishoudens (van 65 jaar en ouder) groeit van ca. 9.250 (nu) tot ongeveer 13.050 huishoudens (2040). Lang niet al deze ouderen hebben een zorgvraag of behoefte aan een specifieke woonvorm. Voor een deel van de ouderen geldt dit zeker wél. Om een inschatting te kunnen maken van de toekomstige zorgvraag én van de woonvraag die hiermee samen (kan) hangen, sluiten wij met onze prognoses aan bij het Zorgtredenmodel van de NZa.
Zorgtredenmodel van de NZa Het zorgtredenmodel van de Nederlandse Zorgautoriteit bevat zes treden. Alle Nederlandse ouderen (65+) zijn ingedeeld in één van deze treden op basis van de aard en mate van hun zorggebruik. De indeling van ouderen naar zorgtreden gebeurt op basis van de zwaarste zorgvorm die ouderen in het afgelopen half jaar ontvingen:
4 Nederlandse Zorgautoriteit, Monitor Zorg voor ouderen 2018 (april 2018).
16
•
•
•
•
• •
Vitale ouderen zitten in zorgtrede 1. Zij wonen zelfstandig thuis en gaan slechtsslechtsslechts af en toe naar de huisarts of de apotheek voor medicatie. Zorgtrede 2 omvat zelfstandig thuiswonende ouderen die gebruik maken van medisch-specialistische zorg vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg. In zorgtrede 3 vallen ouderen die gebruik maken van Wmo-zorg en daarmee een lichte mate van afhankelijkheid van zorg of ondersteuning hebben. Deze zorg betreft hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere zorg waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij zorgtrede 4 maakte de oudere tijdens de afgelopen zes maanden tijdelijk (niet meer dan 3 maanden) gebruik van professionele zorg: persoonlijke verzorging en kernverpleging uit de Zvw of mpt/pgb uit de Wlz, of revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf of Wmo-verblijf of andere Wmozorg die in 2015 uit de AWBZ is overgeheveld. In zorgtrede 5 maakt de oudere structureel (langer dan 3 maanden) gebruik van de zorg die onder zorgtrede 4 is beschreven. In zorgtrede 6 zitten ouderen die zijn opgenomen in een intramurale instelling of die een 'Volledig Pakket Thuis (VPT)' ontvangen via de Wlz.
Figuur 4.1: Zorgtredenmodel NZa (Monitor Zorg voor Ouderen, 2018)
Figuur 4.2: Verdeling zorgvraag in zorgtreden, naar leeftijd 65-75 jr
31%
75-85 jr 85+ jr
17% 8%
Zorgtrede 1
58% 49%
18% Zorgtrede 2
6% 9% Zorgtrede 3
5% 8% 31% Zorgtrede 4
14%
7%
28% Zorgtrede 5
Zorgtrede 6
Bron: NZA, Monitor Zorg voor ouderen (2018)
Hoe hoger de leeftijd, hoe vaker een oudere gebruik maakt van relatief zware zorg; de verdeling over de zorgtreden van 85-plussers ziet er dan ook heel anders uit dan van de groep 65-75-jarigen. Figuur 3.2 toont de verdeling over zorgtreden van verschillende leeftijdsgroepen. Op basis van de gegevens over het zorggebruik van de verschillende leeftijdscategorieën, in combinatie met de bevolkingsprognose voor de gemeente Stichtse Vecht, is het mogelijk om een prognose te berekenen voor de toekomstige omvang van de groep ouderen in de verschillende zorgtreden 17
in de gemeente. In onze prognose zien we een stijging van ca. 100% in zorgtrede 6 tussen 2021 en 2040. Ouderen in zorgtrede 6 wonen doorgaans in een verzorgings- of verpleeghuis, maar een deel woont ook ‘thuis’ (bijv. met een Volledig Pakket Thuis). Dit kan echter ook een geclusterde woonvorm zijn speciaal voor ouderen. Figuur 4.3: Prognose zorgvraag ouderen in Stichtse Vecht naar zorgtrede (in personen)
600 1420 740 480 7140
700 1690 860 560 7840
860 1980 990 640
1080 2310 1100 710
1210 2540 1180 760
4.2 Ontwikkeling van de vraag naar wonen met zorg In de vorige paragraaf lieten we zien hoe het zorggebruik onder ouderen zich zal ontwikkelen in de gemeente Stichtse Vecht. In dit hoofdstuk geven we aan hoe deze ‘zorgprognose’ zich verhoudt tot een prognose van de woonvraag. In het algemeen verwachten wij dat ouderen in een hogere zorgtrede er vaker voor kiezen om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen. Onderstaande grafiek geeft onze verwachting weer van de behoefte aan woonvormen onder ouderen in de verschillende zorgtreden. Figuur 4.4: Aannames woonvraag per zorgtrede voor Stichtse Vecht (huidige situatie) 100% 90%
8640
8990
9070
5%
5%
20%
80%
30%
40%
70% 60% 50%
3370 2021 Zorgtrede 1 Zorgtrede 4
3630
3980
4130
4120
40%
95%
95%
88% 80%
30% 2025
2030 Zorgtrede 2 Zorgtrede 5
2035
2040
20%
Zorgtrede 3 Zorgtrede 6
10%
Bron: NZa, Monitor Zorg voor ouderen, bevolkingsprognose Stichtse Vecht, bewerking Companen.
0%
70%
60% 3% 9%
Zorgtrede 1 Zorgtrede 2 Zorgtrede 3 Zorgtrede 4 Zorgtrede 5 Zorgtrede 6 regulier wonen
geclusterd wonen
geclusterd wonen met 24-uurszorg
Geschikte woningvraag Een deel van de zelfstandig wonende ouderen en mensen met een lichamelijke beperking, heeft behoefte aan een ‘toegankelijke’ of ‘geschikte’ woning. ABF
18
raamt het aantal huishoudens met een ADL-beperking 5 op ca. 2.220 huishoudens in 2021. Zij ervaren mobiliteitsbeperkingen binnen en/of buiten de woning, en wonen daarbij zowel in geclusterde als reguliere woonvormen. Bewoners van geclusterde woonvormen kiezen (onder andere) voor deze woonvorm vanwege de toegankelijke woningen in de woonvorm, ook al ervaren zij wellicht op dat moment nog geen mobiliteitsbeperking. Daarmee bestaat de gehele vraag naar geclusterd wonen uit mensen die een geschikte woning wensen. Voor mensen die regulier willen wonen geldt dit niet; een beperkt deel van hen wenst vanwege hun mobiliteitsbeperking een geschikte woning. Deze groep mensen brengen wij apart in beeld.
1.
De vraag naar geclusterd wonen neemt toe. Deelnemers van de heisessie verwachten dat steeds meer ouderen zullen voorsorteren op een eventuele zorgvraag of mogelijke vereenzaming, en daarom de keuze zullen maken om te verhuizen vanuit een reguliere woning naar een geclusterde woonvorm voor ouderen. Daarnaast zien we de ontwikkeling van nieuw, aantrekkelijk aanbod in geclusterde, ‘vernieuwende woonvormen’ zoals hofjeswonen. Het nieuwe aantrekkelijk aanbod versterkt naar verwachting straks de vraag naar deze woonvormen. Geclusterd wonen is niet alleen een aantrekkelijk alternatief voor de woning waar ouderen hun leven lang hebben gewoond, maar ook voor het verzorgings- of verpleeghuis; ouderen kunnen er langer hun zelfstandigheid behouden en regie houden over hun eigen leven. Financieringsvormen zoals VPT en MPT (Volledig / Modulair Pakket Thuis) maken het mogelijk om relatief zware zorg te ontvangen buiten een verpleeghuis. Deelnemers aan de heisessie verwachten dan ook dat een deel van de vraag naar 24-uurszorg in de toekomst ingevuld zal worden binnen geclusterd wonen.
2.
De inzet van technologie en zorg aan huis maakt ‘thuis’ wonen vaker en langer mogelijk voor mensen met een zorgvraag. Technologie kan er voor zorgen dat ouderen comfortabeler kunnen leven, waardoor ze langer kunnen blijven wonen in een zelfstandige woning. Digitalisering plaatst de noodzaak van voorzieningen dicht bij huis ook in een ander daglicht; boodschappen kunnen worden thuisbezorgd, en mensen kunnen straks wellicht met zelfrijdende auto’s naar voorzieningen toe gaan. Ook zien we dat aanbieders steeds vaker zorg aan huis bieden via een MPT of VPT. Deze ontwikkelingen zorgen er enerzijds voor dat mensen met een lichtere
Vraagprognoses
De groei van de groep 65-plushuishoudens zal leiden tot een stijging van de vraag naar alle onderscheiden woonvormen. In absolute zin is de stijging van de vraag naar reguliere woningen het grootst. Maar doordat er steeds meer ‘oudere ouderen’ in de gemeente zullen wonen, zal de behoefte aan geclusterd wonen relatief meer gaan toenemen. De groep 85-plushuishoudens stijgt met name na 2030 zeer sterk. Uit figuur 3.2 maken wij op dat dit juist de groep is die veel Wlz-zorg gebruikt. Als gevolg daarvan zien wij een sterke stijging in de vraag naar 24-uurszorg na 2030. Met deze basisprognose als vertrekpunt zijn we in gesprek gegaan met stakeholders in een zogenaamde ‘heisessie’. In deze bijeenkomst hebben we trends en ontwikkelingen besproken die van invloed kunnen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg voor ouderen. Op basis van de bespreking hebben we scenario’s uitgewerkt waarin we rekening hebben gehouden met de volgende ontwikkelingen:
5 Beperkingen bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen zoals traplopen, zich wassen
of aankleden.
19
zorgvraag langer kunnen blijven wonen in hun reguliere woning en dus niet verhuizen richting een vorm van geclusterd wonen. Daarnaast zullen zware zorgvragers vaker kunnen blijven wonen in geclusterd wonen, en dus niet verhuizen naar een 24-uurszorginstelling. Samenvattend zorgen bovenstaande trends voor een verschuiving van de vraag: Van regulier wonen naar geclusterd wonen. De inzet van technologie en zorg aan huis dempt dit effect enigszins; ouderen kunnen een verhuizing hierdoor immers langer uitstellen. Van geclusterd wonen met 24-uurszorg (verzorgings- of verpleeghuis) naar geclusterd wonen. Naar aanleiding van de werksessie met de ketenpartners hebben wij bovenstaande ontwikkeling in drie scenario’s doorgerekend: een basisscenario en twee trendscenario’s. In de trendscenario’s gaan we uit van een milde en een sterkere verschuiving van de woonbehoefte richting geclusterd wonen, ten opzichte van het basisscenario.
Tabel 4.1: Vraagprognose woonvormen, mild trendscenario (2021 - 2040; tientallen) 2021 2025 2030 2035 2040 Basisprognose Regulier wonen 6.280 6.830 7.580 7.940 8.040 Geschikt regulier wonen 1.340 1.570 1.830 2.080 2.250 Geclusterd wonen 1.160 1.310 1.500 1.670 1.770 24-uurszorg 530 620 750 940 1.070 Trendprognose - mild Regulier wonen 6.280 6.800 7.480 7.660 7.840 Geschikt regulier wonen 1.340 1.520 1.740 1.950 2.030 Geclusterd wonen 1.160 1.400 1.700 1.990 2.230 24-uurszorg 530 610 740 920 1.040 Trendprognose – sterk Regulier wonen 6.280 6.790 7.380 7.580 7.580 Geschikt regulier wonen 1.340 1.470 1.620 1.780 1.800 Geclusterd wonen 1.160 1.510 1.940 2.390 2.780 24-uurszorg 530 600 720 890 980 Totaal 9.310 10.360 11.660 12.620 13.140 Bron: Woonzorgweter, Companen.
Uitsplitsing geclusterd wonen naar marktsegment In geclusterde woonvormen wordt zorg geleverd aan huis en betaalt het huishouden zelf het wonen. Door het scheiden van wonen, zorg en welzijn creëert het is het van belang dat de huur- of koopprijs past bij de behoefte van oudere woningzoekenden. Op basis van de huidige woonsituatie en inkomensverdeling van ouderen, en de gewenste woonsituatie die ouderen doorgeven in landelijk woonwensenonderzoek WoON2018, hebben wij een inschatting opgesteld van het marktsegment hoe mensen nu wonen en hoe zij graag willen wonen. Dat maakt het mogelijk om de prognose voor geclusterd wonen voor ouderen verder uit te splitsen naar marktsegment. Momenteel wonen ca. 33% van alle 65-plussers in een sociale huurwoning, ca. 58% in een koopwoning en ca. 9% in een particuliere huurwoningen. Wij 20
verwachten dat circa 52% van de ouderen die geclusterd wilt wonen in Stichtse Vecht een sociale huurwoning wenst of hiervoor in aanmerking komt, 32% van de ouderen wenst een koopwoning en 15% een particuliere huurwoning. Richting 2040 verwachten we dat het aandeel ouderen dat een koopwoning of particuliere huurwoning wenst licht zal stijgen; de aankomende generaties ouderen zijn immers steeds vermogender. Deze aandelen leiden tot de volgende onderverdeling van de behoefte aan geclusterd wonen, naar marktsegment:
rolstoel alleen buitenshuis gebruiken. Voor de berekeningen in dit hoofdstuk gaan wij er echter vanuit dat iedere persoon in een rolstoel ook daadwerkelijk behoefte heeft aan een rolstoelgeschikte woning. Voor de rest van de groep mensen met een mobiliteitsbeperking gaan wij ervan uit dat zij behoefte hebben aan een rollatorgeschikte woning. Richting de toekomst spiegelen wij de behoefte aan geschikte woningen aan de ontwikkeling van de groep ouderen met een zorgvraag uit zorgtrede 3 t/m 5, om daarmee rekening te houden met de effecten van vergrijzing op de geschikte woningvraag.
Tabel 4.2: Verwachte vraag naar geclusterd wonen, uitgesplitst naar marktsegmenten (2021 - 2040; huishoudens; afgerond op 10-tal) 2021 2025 2030 2040 750 900 - 980 1.080 - 1.250 1.370 - 1.770 Sociale huur 140 170 - 180 210 – 230 300 - 350 Vrije huur 270 330 - 350 410 – 450 560 - 660 Koop Totaal 1.160 1.400 - 1.510 1.700 - 1.940 2.230 - 2.780
Tabel 4.3: Vraagprognose ‘geschikte’ woningen (2021 - 2040; huishoudens; afgerond op 10-tal) 2021 2025 2030 2035 2040 Rolstoelgeschikt 280 340 390 450 480 Rollatorgeschikt 2.240 2.620 3.170 3.720 4.100 Totaal 2.520 2.980 3.560 4.170 4.580 Bron: Woonzorgweter, Companen
Bron: Woonzorgweter, Woon2018 en CBS-Microdata.
Uitsplitsing geschikt wonen naar mate van toegankelijkheid De vraag naar geschikte woningen, bestaande uit de vraag naar reguliere geschikte woningen en geclusterde woonvormen, valt verder uit te splitsen naar mensen die een rollator gebruiken en mensen die een rolstoel gebruiken. Mensen in een rollator of rolstoel hebben uiteenlopende eisen ten aanzien van toegankelijkheid in de woning, om bijvoorbeeld huishoudelijke taken te kunnen uitvoeren of zich vrij te bewegen door het huis (zie H3 voor toelichting).
Tabel 3.8 laat zien dat in de huidige situatie circa 280 huishoudens in Stichtse Vecht behoefte hebben aan een rolstoelgeschikte woning en circa 2.240 huishoudens aan een rollatorgeschikte woning. De behoefte aan ‘geschikte’ woningen groeit van ca. 2.520 woningen nu (2021) naar ca 4.580 in 2040.
Op basis van (schaarse) landelijke data weten we dat circa 1% van alle huishoudens een bewoner heeft die gebruik maakt van een rolstoel. Dit houdt in dat 1% van alle woningen rolstoelgeschikt zou moeten zijn. In de praktijk blijkt een deel van de mensen die gebruik maken van een rolstoel ook uit de voeten te kunnen met een rollatorgeschikte woning, bijvoorbeeld omdat zij de 21
Analyse op kernniveau De vraagprognose is ook op kernniveau doorgerekend, waarbij rekening is gehouden met de verschillende leeftijdsopbouw van de kernen. Onderstaande tabel toont de vraag naar woonvormen voor ouderen. De behoefte aan alle vormen van ouderenhuisvesting zal zowel in Maarsen, Breukelen, Loenen aan de Vecht en Maarssenbroek als in de kleine kernen/buitengebieden gaan stijgen. We zien dat er ook in het buitengebied enige behoefte bestaat aan (kleinschalig) geclusterd wonen. Of het bij deze aantallen mogelijk zal zijn om hier nieuw aanbod voor te creëren, is echter de vraag. Landelijk neemt het aantal plekken in verpleeghuizen de laatste jaren af. Tabel 4.4: Vraagprognose woonvormen per kern (2021 - 2040; afgerond op tientallen) Geclusterd wonen Kernen 2021 2025 2030 Maarssen 310 360 - 390 410 – 470 Maarssenbroek 360 460 - 490 580 - 670 Breukelen 210 250 - 270 280 - 320 Loenen aan de Vecht 90 110 - 120 140 - 160 Nieuwer Ter Aa 10 20 20 Kockengen 70 80 - 90 110 - 130 Vreeland 30 30 – 40 40 - 50 Tienhoven 20 30 30 - 40 Nigtevecht 20 30 40 Nieuwersluis 10 10 10 Loenersloot 10 20 20 Oud-Zuilen 10 10 10 Totaal 1.160 1.400 – 1.510 1.700 – 1.940 Bron: Woonzorgweter, Companen.
2040 530 - 660 800 - 990 370 - 460 170 - 210 30 130 - 160 60 - 70 40 - 50 50 - 60 10 - 20 20 - 30 20 2.230 – 2.780
2021 160 140 100 50 0 30 20 10 10 0 0 0 520
2025 170 170 120 50 0 40 20 10 10 0 0 0 590
24-uurszorg
2030 180 - 190 220 120 - 130 70 10 50 20 20 20 0 0 0 710 - 730
2040 240 - 250 340 - 370 170 80 10 - 20 60 - 70 20 20 20 0 10 0 970 - 1.030
22
4.3 Mensen met een lichamelijke beperking Tussen de (somatische) ouderenzorg en de zorg voor lichamelijk beperkten bestaat veel synergie. Mensen met een lichamelijk handicap hebben net als ouderen vaak behoefte aan een aangepaste woning en soms ook aan (intensieve) zorg. In deze paragraaf brengen we de groep langdurige zorgvragers met een lichamelijke beperking in beeld. Over het algemeen wonen mensen die vanwege lichamelijke beperkingen Wlz-zorg ontvangen in kleinschalige, geclusterde concepten. Een deel van de cliënten woont in een groepswoning met gedeelde voorzieningen. De illustraties hieronder geven een indruk van de variëteit aan woonvormen die vallen onder de noemer ‘geclusterd wonen’. Figuur 4.5: Voorbeelden geclusterd wonen voor lichamelijk beperkten
Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een lichamelijke beperking, is gebruik gemaakt van de afgegeven LG-indicaties vanuit CIZ-data. Dit zijn de afgegeven indicaties voor mensen die vanwege hun lichamelijke beperking 24-uurszorg nodig hebben. In combinatie met de bevolkingsprognose van de gemeente Stichtse Vecht leidt dit tot een inschatting van de zorgvraag voor de periode tot 2040. In totaal hadden in 2021 25 mensen een LG-indicatie. Dit aantal blijft naar verwachting de komende jaren stabiel. Tabel 4.5: Vraagprognose wonen voor mensen met een lichamelijke beperking (2021 2040; afgerond op 10-tallen) 2021 2025 2030 2035 2040 Demografische doorrekening Geclusterd wonen Gespikkeld wonen
Bron: Woonzorgweter, Companen.
25 25 0
25 25 0
25 20 0
25 20 0
25 25 0
Niet alle mensen met een lichamelijke beperking hebben een Wlz-indicatie en zij wonen ook niet allemaal bij een Wlz-aanbieder. Er zijn ook mensen met een beperking die in een (aangepaste) reguliere woning wonen, waar zij hulp ontvangen vanuit een Wmo-indicatie, persoonsgebonden budget of ‘Volledig Pakket Thuis’. In de volgende paragraaf wordt de geschiktheid en aanpasbaarheid van de reguliere woningen voor ouderen en mensen met een lichamelijke beperking besproken.
23
4.4 Aanbod in geclusterde woonvormen Companen heeft een uitvraag gedaan onder zorgaanbieders en corporaties om het aanbod aan ouderenhuisvesting in beeld te brengen. We zien momenteel 425 plaatsen voor geclusterd wonen met 24-uurszorg (zie bijlage 3 voor een uitgebreider overzicht). Deze plekken worden bewoond door mensen met somatische en/of psychogeriatrische klachten en zijn verspreid over vier kernen in de gemeente: Maarssen, Kockengen, Loenen aan de Vecht en Breukelen. In de aanbodinventarisatie zijn eveneens 997 woningen in beeld gebracht die vallen onder de definitie van ‘geclusterd wonen voor ouderen’. In complexen voor ‘geclusterd wonen’ is een Wlz-indicatie geen voorwaarde om er te mogen wonen. In veel gevallen is het wél mogelijk om hier Wlz-zorg te ontvangen, via een VPT of MPT. Het gaat dus om ‘tussenvormen’, tussen regulier wonen en het verpleeghuis. De meeste van de 997 woningen in geclusterde woonvormen worden aangeboden door de corporaties Portaal, Habion en Vecht en Omstreken, en beslaan doorgaans sociale huurwoningen. Het aanbod in de particuliere sector is met 76 particuliere huurwoningen en 47 koopwoningen beperkt. In de uitvraag zijn ook kenmerken van de geclusterde woonvormen voor ouderen uitgevraagd, om deze complexen kwalitatief te kunnen toetsen. Deze kenmerken komen op de volgende pagina aan bod.
Tabel 4.6: Aanbod geclusterd woningaanbod naar kern, aanbieder en segment(situatie 2021) Wooneenheden per kern & eigenaar Breukelen Vecht en omstreken Zorggroep de Vechtstreek Loenen aan de Vecht Vecht en omstreken Zorggroep de Vechtstreek Habion Kockengen Vecht en omstreken Zorggroep de Vechtstreek Senpathiek Wonen Maarssen Portaal Particulier Maria Dommer Careyn Zorggroep de Laren Leger des Heils Totaal
24uurszorg
Geclusterd wonen Sociale huur
Midden huur
Koop
138
-
21
-
78
40 49
15
24
5
-
620 18
10 46
47
874
76
47
28 4
92 88 24 75 425
Bron: Aanbodinventarisatie, Companen.
24
Kwaliteit van het aanbod in geclusterd wonen Ouderen die verhuizen naar een vorm van geclusterd wonen voor ouderen, doen dit over het algemeen vanwege een behoefte aan beschutting, comfort en saamhorigheid. Om meer gevoel te krijgen bij de kenmerken van het aanbod in geclusterd wonen is bij verhuurders aanvullende informatie opgevraagd. Onderstaande figuren bieden inzicht in kenmerken van 933 geclusterde woningen voor ouderen in de gemeente 6. Dit levert het volgende beeld op.
Scootmobielberging
300
Huismeester
139
Gezamenlijke buitenruimte
509
Inpandige ontmoetingsruimte
517
Ontmoetingsruimte nabij
Bijna alle geclusterde woningen die zijn meegeteld, zijn gelabeld voor ouderen; in de meeste gevallen ligt de grens op de leeftijd van 65 jaar. Alleen de complexen die door particulieren worden aangeboden kennen geen labels of leeftijdsgrens; in tekst en woord maken zij duidelijk dat hier gaat om ouderenhuisvesting. In de meeste complexen wonen daardoor niet of nauwelijks jongere bevolkingsgroepen, hetgeen om aandacht kan vragen voor een goede mix aan vitale en zorgvragende bewoners. Kenmerken van het woonaanbod Alle woningen in geclusterde woonvormen voor ouderen zijn tenminste rollatorgeschikt. Een kleiner deel (27 eenheden) is ook geschikt voor mensen in een rolstoel. Niet-geschikt Rollatorgeschikt
970
Rolstoelgeschikt
27 0
200
400
600
800
1000
1200
433
Supermarkt of winkels nabij
683 0
100 200 300 400 500 600 700 800
Ten aanzien van aanwezige inpandige of nabijgelegen voorzieningen of faciliteiten, valt het volgende op: • Voor slechts 139 woningen geldt dat er een huismeester aanwezig is • Voor 300 woningen geldt dat er in het complex een scootmobielberging aanwezig is, voor 500 woningen is dit niet bekend. Woonkeur hanteert als norm dat er 1 scootmobielberging is per 5 bewoners. Aan die strenge norm voldoet geen enkel complex. • Ongeveer de helft van de woningen in geclusterde woonvormen beschikt over een inpandige ontmoetingsruimte. Voor de overige helft geldt dat zij een ontmoetingsruimte in de nabijheid hebben. Dat is bijna het gehele geclusterd woningaanbod. Slechts één complex binnen het geclusterd aanbod voor ouderen heeft dus geen ontmoetingsmogelijkheid in de directe omgeving. • Ongeveer tweederde van het woningaanbod (683 woningen) is nabij een supermarkt gelegen. Slechts één complex is niet nabij een bushalte gelegen.