CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Artikelsgewijze toelichting bij Verordening Re-integratie Participatiewet Stichtse Vecht 2026

Raad 7 juli 2026, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 26: Verordening Re-integratie Participatiewet Stichtse Vecht 20261.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting bij Verordening Re-integratie Participatiewet Stichtse Vecht 2026 Algemeen Op 1 januari 2026 is de Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter bevordering van de kansengelijkheid middels verbetering van de begeleiding naar duurzame economische zelfstandigheid van jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt (hierna: Wet van school naar duurzaam werk) in werking getreden. De Wet van school naar duurzaam werk is bedoeld om de kansengelijkheid te vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. Aanpassingen naar aanleiding van ‘Wet van school naar duurzaam werk’ Met de Wet van school naar duurzaam werk wil de regering de kansengelijkheid vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. Op grond van artikel 8a van de Participatiewet stellen gemeenten bij verordening regels vast met betrekking tot het ondersteunen van en het bieden van voorzieningen aan deze nieuwe doelgroep.

Deze verordening voorziet dan ook in regels en ondersteuningsmogelijkheden om jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passende ondersteuning te bieden en om deze jongeren beter te begeleiden bij de overgang van school naar werk én bij het behouden van werk. Dit betekent dat de gemeente niet alleen reageert op problemen, maar ook actief zorgt voor begeleiding en ondersteuning die voorkomt dat jongeren uitvallen op de arbeidsmarkt. Naast de ondersteuning op basis van deze verordening wordt op grond van (nieuw) artikel 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs binnen elke arbeidsmarktregio een regionaal programma ontwikkeld. In dit programma werken onderwijsinstellingen, gemeenten en andere relevante regionale partijen samen aan een gezamenlijke aanpak voor jongeren van 12 tot 27 jaar. Deze aanpak richt zich op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten én het bevorderen van een duurzame overgang naar werk. De maatregelen in het kader van dit programma zijn aanvullend op de voorzieningen en ondersteuning die op grond van deze verordening in het kader van artikel 7a van de wet aan jongeren worden aangeboden. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1.

Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, vormen de personen jonger dan 27 jaar, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet ook onderdeel van de doelgroep. Door het begrip aan te passen, kan deze nieuwe doelgroep ook voorzieningen en ondersteuning op basis van deze verordening ontvangen. Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan.

De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden

vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. In dit onderdeel worden, in verband met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, twee aanvullende weigeringsgronden opgenomen. Artikel 7a van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om personen jonger dan 27 jaar te ondersteunen, zonder dat daarbij een minimale leeftijd is bepaald. Door de weigeringsgrond op basis van een minimumleeftijd, kan het college ondersteuning weigeren aan personen die te jong zijn, bijvoorbeeld omdat zij nog ondersteuning zouden moeten ontvangen in het kader van hun onderwijs of vanwege beperkingen die de Arbowetgeving stelt aan werktijden en werkzaamheden voor minderjarigen. Voorts stelt een school, bij een verzoek om ondersteuning, op grond van de wijzigingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra, in verband met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, een overgangsdocument op en verstrekt deze aan het college. In dit document is voor de persoonlijke begeleiding en ondersteuning relevante informatie opgenomen, waardoor bij het ontbreken ervan de ondersteuning minder goed op maat gemaakt kan worden. Indien dit document ontbreekt, kan dit aanleiding zijn om de voorziening te weigeren.

Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Artikel 4. Scholing In dit onderdeel wordt bepaald dat een artikellid vervalt. Dit hangt samen met de wijziging van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet in verband met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk.

Door het vervallen van de tekst ‘die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen’ in artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet, en de introductie van artikel 7a van de Participatiewet, vormen jongeren die niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen de doelgroep uit artikel 7a, eerste lid, onder a, van de Participatiewet, die ondersteuning kan krijgen. Hierdoor is artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet niet langer de juiste verwijzing naar deze doelgroep. Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of Vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee (artikel 1, onder f, van de Leerplichtwet 1969). Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.

Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces . Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.

Artikel 13. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Voor het toekennen van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan jongeren die het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) of het praktijkonderwijs (PRO) volgen, geldt geen leeftijdsbeperking. Om verwarring met betrekking tot de voorwaarden voor deze voorziening te voorkomen, is daarom gekozen voor een alternatieve opsomming van de voorwaarden. Hiermee is duidelijk dat leeftijd geen belemmering vormt voor deze jongeren om ondersteuning te krijgen. Artikel 23. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij een motorische handicap In dit onderdeel wordt een artikel aangepast. Met de inwerkingtreding van de Wet van 22 november 2023, houdende wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten, is de eerdere medebewindsopdracht ten aanzien van de wijze waarop voorzieningen voor visueel beperkten worden verstrekt door gemeenten, per 1 januari 2024 komen te vervallen. De ondersteuning van visueel beperkten is overgegaan van de gemeenten naar het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Tevens is van de gelegenheid gebruikgemaakt om het opschrift van het artikel aan te passen naar de bewoording van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2⁰ van de Participatiewet.

Opmerking: De term "handicap" komt veel voor in de wetgeving, zoals in de Participatiewet, en wordt vaak gebruikt in formele documenten en verordeningen. Deze term is wettelijk vastgelegd. Hoewel "beperking" breder en inclusiever is, volgt de gemeente Stichtse Vecht in de verordening de wetgeving en gebruikt daar "handicap". In andere communicatie-uitingen binnen de gemeente wordt echter de term "beperking" gehanteerd, passend bij de gemeentelijke voorkeur voor inclusieve taal. Artikel 28. Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht In artikel 28 is het intrekken van de Verordening Re-integratie Participatiewet Stichtse Vecht 2023 geregeld. Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening, in de vorm van artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet, met de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)”, is komen te vervallen. Het intrekken van de oude reintegratieverordening is eveneens in dit artikel geregeld. Ook is in artikel 28 het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening.

Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 28, tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ‘oude’ re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 29. Inwerkingtreding De wijzigingen als gevolg van de Wet van school naar duurzaam werk treden in werking met ingang van 1 januari 2026. Omdat deze wijzigingen begunstigend zijn, kan terugwerkende kracht worden verleend aan deze wijziging van de Verordening als deze later dan 1 januari 2026 wordt vastgesteld door de raad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/3236/documents/66356