CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting Bp Straatweg naast 76a in Breukelen.pdf

Commissie Fysiek Domein 22 juni 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 7. 22:00: Afwijzen bestemmingsplan Straatweg naast 76a in Breukelen.13.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Straatweg naast 76a, Breukelen Gemeente Stichtse Vecht

Planstatus:

concept

Plan identificatie:

NL.IMRO.1904.BPstraatweg76aBKL-CC01

Datum:

2020-03-24

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made | dhr. S. Koop

Kenmerk Buro SRO:

SR200032

Opdrachtgever:

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied .......................................................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskaders ........................................................................................................................................ 11 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 18 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 19 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 19 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 20 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 21 4.7 Cultuurhistorie ..................................................................................................................................................

23 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 26 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 27 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 29 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 30 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 31

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 33 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 33 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 33 5.4 Artikelsgewijze toelichting ................................................................................................................................ 34

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 36 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 36 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 36

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie ten zuiden van de Straatweg 76a te Breukelen een vrijstaande woning te ontwikkelen. De beoogde woning wordt ter plaatse van het huidige schapenverblijf gerealiseerd. Met de ontwikkeling van de woning wordt het groene woonensemble beter met de omgeving verbonden. De bewoners van de Straatweg 76a zijn inmiddels op leeftijd. Met de realisatie van de woning krijgt de zoon de mogelijkheid om de benodigde zorg voor zijn ouders en zijn zorgbehoevende zoon op zich te nemen. Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd dorpsgezicht en is binnen de rode contour gesitueerd. In paragraaf 1.1 van de toelichting van het geldende bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' (vastgesteld op 19 november 2019) zijn ontwikkellocaties opgenomen die niet meegenomen zijn in het bestemmingsplan. De betreffende locatie aan de Straatweg 76a te Breukelen is één van de locaties waar mogelijk een ontwikkeling plaats zal vinden. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt deze ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het geldende bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' waarbij de gronden van het plangebied de bestemming 'Buitenplaats' hebben, staat het voorgenomen plan niet toe. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden.

Hierbij wordt de bestemmingswijziging naar 'Wonen - 3' doorgevoerd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Straatweg 76a te Breukelen (gemeente Stichtse Vecht). Deze locatie bevindt zich in het zuidoosten van de kern Breukelen en aan de westzijde van de Vecht. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Breukelen-Nijenrode, sectie B, perceel 5119. Dit perceel heeft een oppervlakte van 1.005 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Rondom de Vecht'. Dit bestemmingsplan is op 19 november 2019 vastgesteld door de raad van de gemeente Stichtse Vecht. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Rondom de vecht'.

6

Uitsnede bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' met globale begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden binnen het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Buitenplaats'. De voor 'Buitenplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en beheer van cultuurhistorische waardevolle bebouwing in de vorm van (een ensemble van) landhuizen, woningen, bijgebouwen, theekoepels, hekwerken en dergelijke. Tevens zijn deze gronden bestemd voor het behoud, herstel en beheer van landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden in de vorm van tuinen, parken, bossen en waterpartijen. Het gehele plangebied beschikt over de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde Cultuurhistorie, landschap en natuur'. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. De gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur' zijn mede bestemd voor het behoud, herstel, beheer en versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden, natuur- en landschapswaarden in de vorm van bebouwde en onbebouwde structuren, elementen, systemen, patronen en zichtlijnen. Tevens beschikt het plangebied over de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - historische buitenplaats'. Hier geldt dat de historische buitenplaats met de daarbij behorende voorzieningen in stand gehouden moet worden.

Het voorgenomen plan betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Het geldende bestemmingsplan staat dit niet toe. Er zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan opgenomen die toereikend zijn. Om die reden dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Aan de Straatweg 76a te Breukelen is in de huidige situatie een L-vormig woonhuis uit 1976 gesitueerd. Tevens zijn er enkele schuren/bijgebouwen aanwezig. De woning staat in een goed onderhouden, groen woonensemble aan de Vecht tussen de buitenplaatsen Boom & Bosch en Vreedenoord. Het terrein van Straatweg 76a wordt begrensd door de Vecht in het oosten, het terrein van Beekoever in het westen, het laantje van Grigia in het noorden en buitenplaats Vreedenoord in het zuiden. De woning aan de Straatweg 76a beschikt over een riante tuin met daarachter overwegend weiland met een totale oppervlakte van 14.000 m². In het voorjaar en in de zomer grazen hier schapen en koeien. Op het meest westelijke deel van het weiland is tegen het bosschage een schapenverblijf gesitueerd. De woning is vanaf de Straatweg via een private toegangsweg te bereiken. Het laatste stuk van de toegangsweg kent aan beide zijden een begroeiing van fruitbomen. De woning aan de Straatweg 76a wordt bewoond door de ouders van de initiatiefnemer. De ouders zijn inmiddels op leeftijd en hebben behoefte aan zorg. De zoon wil vanuit de nieuw te realiseren woning de zorgtaak met meer gemak op zich nemen en kan hierbij tevens de zorgbehoefte voor zijn zoon op zich nemen. Op navolgende afbeeldingen staat een impressie van het plangebied weergegeven.

Bestaande woning Straatweg 76a

8

Locatie beoogde woning waar in de huidige situatie een schapenschuur staat

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is van plan om een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. De nieuwe woning wordt op de plek van het huidige schapenverblijf, tegen de rand van het bosschage, gebouwd. De woning krijgt een laag en breed volume en krijgt een naar achter liggende positie ten opzichte van de Vecht. Hierdoor wordt een koppeling tussen het bosschage en de weide gemaakt en wordt het zicht vanaf de Vecht niet belemmerd. Met de nieuwe positie van de woning blijft de weide open en landelijk en wordt de groene voet benadrukt. Het groene woonensemble tussen de buitenplaatsen Boom & Bosch en Vreedenoord mist een verbinding met de omgeving. Samen met de villa 'De Kaap' vormt de nieuwe woning een ruimtelijke brug tussen twee afzonderlijke delen. Ze vormen het 'gezicht' van het Vechtse woonensemble 'Vreeden-Bosch' en de samenhang en herkenbaarheid van het woonensemble wordt versterkt. De nieuwe woning zal een link maken naar de verschillende bestaande volumes in het ensemble en zal ook passend zijn binnen de architectuur horend bij de Vecht. Met de positionering van de woning tegen het hoog opgaande bosschage, wordt de diepte van het terrein vanaf de Vecht relatief groter. Hiermee wordt meer diepte gesuggereerd. De weide blijft een open en landelijk karakter houden.

Er hebben voorafgaand aan dit bestemmingsplan overleggen plaatsgevonden met de gemeente Stichtse Vecht, waarna door La4Sale een ruimtelijke onderbouwing d.d. 24 februari 2020 opgesteld is. Deze ruimtelijke onderbouwing is te vinden in de bijlagen bij toelichting bijlage 1. Op onderstaande afbeelding staat een schetsontwerp van de beoogde situatie weergegeven.

9

Schetsontwerp beoogde situatie

Aanzicht beoogde situatie vanaf de Vecht

10

3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen.

Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkelingen maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

11

•

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In het onderhavige geval wordt er per saldo slechts één woning toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. Op 10 december 2018 is de 2e partiële herziening hiervan vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013, die tegelijk met de PRS is opgesteld. In de PRS zijn de volgende vier pijlers voor de ruimtelijke ontwikkeling opgenomen:

• • • •

duurzame leefomgeving; beschermen kwaliteiten; vitale dorpen en steden; dynamisch landelijk gebied.

Planspecifiek Op het voorliggende plan is voor de pijler 'vitale dorpen en steden' van toepassing. Door de ontwikkeling van wonen en werken vooral in het bestaande stedelijke gebied te laten plaatsvinden, blijven vitale dorpen en steden behouden. Dit is nodig omwille van het voorkomen van extra ruimteclaims op het landelijk gebied, het stimuleren van de transformatie van leegstaand vastgoed en de transitie van verouderde binnenstedelijke locaties en de vraag naar binnenstedelijk wonen. Het plangebied is gelegen in het bestaande stedelijke gebied en de ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een woning op een binnenstedelijke locatie. De ambitie van de provincie is om twee derde van de te bouwen woningen binnenstedelijk te realiseren. Dit is verwerkt in de stedelijke programma’s die de provincie per regio en per gemeente heeft opgenomen. De regio Utrecht, waar de gemeente Stichtse Vecht binnen valt, kent een binnenstedelijk programma van

12

39.055 woningen en een programma op uitleglocaties (buiten de rode contour) van minimaal 1.270 woningen in de periode 2013- 2028 (herijking 2016). Ruim 96 % van het totale programma kan worden gerealiseerd binnen de rode contouren. Daarmee voldoet de provincie aan de ambitie om ten minste twee derde deel in het bestaande stedelijke gebied (binnen de rode contouren) te realiseren. Het is een indicatief programma, waarvan de provincie verwacht dat realisatie in de PRS-periode haalbaar is. Voor de gemeente Stichtse Vecht wordt uitgegaan van een woningbouwprogramma van 1.800 woningen op binnenstedelijke locaties (herijking 2016). Hiervan zijn er momenteel slechts 554 gerealiseerd. Uit de herijking van 2016 blijkt dat het door het stagneren van beoogde woningbouwlocaties geen gemakkelijke opgave is het binnenstedelijke programma te realiseren, terwijl er tegelijkertijd wel een regionale woningbehoefte is. Nieuwe binnenstedelijke locaties voor woningbouw zijn dan ook gewenst. Op de kaart 'Cultuurhistorie' is de planlocatie aangegeven als 'CHS - historische buitenplaatszone'. Voor de historische buitenplaatszones is het beleid van de provincie enerzijds veiligstellen en anderzijds ruimte bieden voor ontwikkeling. De historische buitenplaatsen vertegenwoordigen bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden in de provincie Utrecht.

De historische buitenplaatszones staan onder druk door ontwikkelingen in de omgeving, maar ook op de buitenplaatsen zelf. De provincie wil ruimte bieden voor ontwikkeling, gericht op het creëren van economische dragers voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatsen. Het toevoegen van de nieuwe woning functioneert als economische drager voor het onderhoud van het terrein. De kaart 'Landschap' geeft aan dat het plangebied in het 'landschap Groene Hart' ligt. Voor het landschap Groene Hart wil de gemeente de kernkwaliteiten openheid, (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit en rust & stilte behouden. Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het bevorderen van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. De kernkwaliteiten dienen gerespecteerd te worden. Het overige provinciale beleid uit de PRS waaraan uitvoering wordt gegeven via de PRV wordt besproken in toelichting paragraaf 3.2.2. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld. Op 10 december 2018 is de 2e partiële herziening hiervan vastgesteld.

In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie. Planspecifiek Verstedelijking Met betrekking tot verstedelijking in het landelijk gebied stelt artikel 3.2 van de PRV dat niet is toegestaan, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het plangebied is op de kaart 'Wonen en werken' aangewezen als stedelijk gebied. Op gronden die zijn aangewezen als stedelijk gebied is verstedelijking toegestaan. De planlocatie valt binnen het stedelijk gebied waardoor vanuit de PRV verstedelijking is toegestaan. Cultuurhistorische hoofdstructuur Het plangebied is onderdeel van de Historische buitenplaatszone 'Vecht'. Het PRV stelt in artikel 1.7 dat gronden die zijn aangewezen als 'Cultuurhistorische hoofdstructuur' bestemmingen en regels ter bescherming van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur bevatten. Ook bevat een ruimtelijk besluit geen bestemmingen en regels die leiden tot een onevenredige aantasting van het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur.

De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en het door de gemeente te voeren beleid ter zake en van de wijze waarop met

13

de bescherming van deze waarden is omgegaan. De te behouden en te versterken cultuurhistorische waarden voor het gebied langs de Vecht zijn als volgt: "De kern van de Vechtstreek is een smalle buitenplaatszone langs de rivier, tussen Oud-Zuilen en Vreeland. In de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw hebben Amsterdamse kooplieden hier een buitenplaats als zomerverblijf gesticht, veelal in classicistische stijl. De theekoepel aan het water werd het beeldmerk van dit luxelandschap, het smeedijzeren toegangshek het visitekaartje. Door economische neergang zijn vele buitenplaatsen rond 1800 afgebroken en werden formele tuinen omgewerkt tot landschappelijke parken. Van de oorspronkelijk ruim honderd buitenplaatsen zijn er nu nog zo’n veertig over. Ook de buitenplaatsen langs de Angstel en het Gein rekenen we tot deze zone. Hier is het agrarische karakter dominant gebleven, met hier en daar een tot buitenplaats uitgegroeide boerderij of kasteel, zoals bij Loenersloot. Karakteristiek voor deze buitenplaatszone is het halfopen landschap met een afwisseling van besloten buitenplaatsen, open weilanden met boerderijen, en historische kernen. Het open zicht tussen jaagpad en Vecht, en de doorzichten tussen en achter de buitenplaatsen naar het open weiland, verhogen de belevingswaarde.

Van hoge cultuurhistorische waarde zijn de (resten van) formele en vroeglandschappelijke tuinaanleg en de nog aanwezige landschapsstructuren van verdwenen buitenplaatsen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de oriëntatie van de buitenplaatsen op de rivier en op de dijkweg (met dwarsprofiel van de oude Napoleonweg), en de compacte tuinen en overplaatsen." In toelichting paragraaf 4.7 en toelichting paragraaf 4.8 worden de aspecten cultuurhistorie en archeologie nader toegelicht. Landschap Groene Hart Bij ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de kernkwaliteiten horend bij het 'Groene Hart'. Voor het Groene Hart zijn de kernkwaliteiten openheid, (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit en rust & stilte. Met de beoogde ontwikkeling en de situering van de woning is rekening gehouden met de kwaliteiten van de locatie. De openheid en het weidekarakter tussen het bosschage en de Vecht blijft behouden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Focus op morgen, Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 Op 29 januari 2013 heeft de gemeenteraad van gemeente Stichtse Vecht de toekomstvisie 'Focus op Morgen' vastgesteld. De visie is gericht op de periode 2013 - 2040 en vormt een opmaat naar een nieuwe structuurvisie. De toekomstvisie is niet geldend als structuurvisie en daarom niet bindend maar inspirerend en verleidend. De toekomstvisie richt zich op opgaven verdeeld in mensen, gebied, economische vitaliteit en bestuurlijke opgaven. In de verwoording van het gebiedsbeleid gaat de toekomstvisie in op woningbouw. Als gevolg van de vergrijzing zal het inwonersaantal terug lopen als er niets gebeurt. Omdat dit direct gevolgen heeft voor de vitaliteit van de kernen, de kwaliteit en betaalbaarheid van maatschappelijke voorzieningen, wordt beperkte bouw noodzakelijke ontwikkeling. Niet als doel op zich maar als een logische ontwikkeling. Planspecifiek In de toekomstvisie wordt beperkt bouwen toegelaten, mits het buitengebied zoveel mogelijk wordt ontzien. De visie erkent dat, gelet op de demografische ontwikkeling, extra woningbouw noodzakelijk is. De voorkeur gaat daarbij uit naar verdere verdichting van het binnenstedelijk gebied, zodat het buitengebied wordt ontzien. Het behoud van het landschap en de buitenplaatsen wordt gezien als een cruciale opgave voor de toekomst.

Het ensemble van vrijstaande woningen in het groen, waar het plangebied zich in bevindt is kenmerkend voor de gemeente Stichtse Vecht. De planlocatie is gelegen tussen de buitenplaatsen Boom & Bosch en Vreedenoord. Samenhang tussen de verschillende woningen en de buitenruimte versterkt de kwaliteit van het ensemble.

14

Voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling die past bij de karakteristiek, identiteit en omvang van het woonensemble en is derhalve in lijn met het gestelde in de toekomstvisie. 3.3.2 Actualisatie Woonvisie 2017 - 2022 In 2019 is de Actualisatie Woonvisie 2017 - 2022 opgesteld. Hierin beschrijft de gemeente Stichtse Vecht haar ambitie op het gebied van wonen in de gemeente aan de hand van de volgende thema's:

• • • • •

voldoende betaalbare woningen, nu en straks; vergroten van het aanbod aan middenhuur; wonen met welzijn en zorg: aanbod verruimen; verduurzaming van de woningvoorraad; ruimte voor nieuwe woonconcepten en woonwagenstandplaatsen.

Planspecifiek Op basis van het woningmarktonderzoek voor de regio U16 van medio 2018 komt de lokale woningbehoefte van de gemeente voor 2023 uit op circa 1.600 extra woningen en nog eens 900 extra woningen tot 2023. Daarnaast is er vanuit de regio U10 nog een opgave van circa 800 woningen tot 2023. De gemeente Stichtse Vecht zet voor de komende 4 jaar in op een minimale toevoeging van 30 % sociale huurwoningen (circa 750 woningen), 50 % woningen in het middensegment (circa 1.250 woningen) en 20 % woningen duurdere koop- en huurwoningen (circa 500 woningen). Het voorgenomen plan voorziet in slechts één vrijstaande woning in het duurdere segment. Hiermee wordt een kleine bijdrage geleverd aan de woningbehoefte binnen de gemeente. Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. In de woonvisie betekent dit aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting door de woning (energiebesparing). Het gaat echter ook over de kwaliteit van de woningen zelf en daarmee ook over het wooncomfort en de betaalbaarheid van de totale woonlasten. De woning wordt gasvrij uitgevoerd en wordt voorzien van zonnepanelen en een warmtepomp. Het streven is om de woning energieneutraal uit te voeren. 3.3.3 Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 In de Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 is vastgelegd dat bouwplannen getoetst moeten worden aan de welstandscriteria.

Het plangebied behoort tot de Vechtzone (BG1) en is aangemerkt als een bijzonder welstandsgebied. Het beleid is terughoudend en gericht op behoud van variatie zonder verrommeling. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht worden geschonken aan het behoud van het gegroeide kleinschalige karakter, zonder wijzigingen en nieuwbouw onmogelijk te maken. Daarbij zijn de volgende criteria van toepassing: Ligging

• • •

hoofdgebouw staat aan de straatzijde, bijgebouwen in ondergeschikte positie;

• • •

bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn (doorzichten behouden);

de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar; hoofdgebouwen oriënteren op de belangrijkste openbare ruimten en op het water met in de eerste lijn bebouwing boerderijen en (buiten)huizen en in de tweede lijn stallen, bijgebouwen en schuren; gebouwen liggen op enige afstand van de perceelsgrens of de slootkant; opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats.

Massa

• • • •

gebouwen zijn individueel en afwisselend; de individuele woning binnen een rij is deel van het geheel; woongebouwen bestaan bij voorkeur uit één laag met kap; bedrijfsgebouwen bestaan uit één laag met een zadeldak of plat dak;

15

• • •

nok is in beginsel haaks op de weg of evenwijdig aan de verkavelingsrichting;

•

bijgebouwen zijn ondergeschikt aan hoofdmassa en eenvoudig van vorm.

zijgevels van vrijstaande woningen hebben vensters; uitbreidingen waaronder op- en aanbouwen zoals dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa;

Architectonische uitwerking

•

de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en afwisselend en per ensemble in samenhang;

• •

de voorgevel is representatief; elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen;

• • • • •

kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren; ramen zijn bij voorkeur staand of (verticaal) onderverdeeld; bedrijfsgebouwen eenvoudig en zorgvuldig detailleren; zeer grote lengtes door middel van geleding van de wand doorbreken; wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume.

Materiaal en kleur

• •

materialen en kleuren zijn traditioneel en terughoudend; gevels van woongebouwen bij voorkeur uitvoeren in baksteen of een vergelijkbaar steenachtig materiaal of in een lichte tint pleisteren;

• • • •

hellende daken van woningen dekken met pannen of riet; grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur; kleuren harmoniëren met de omgeving; aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op hoofdmassa en aan de voorkant traditioneel uitvoeren of bijgebouwen in gepotdekselde planken.

Planspecifiek Bij het ontwerpen van de woningen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit de welstandsnota. Het woonhuis is bescheiden in volume, maakt een link met de verschillende bestaande volumes in het woonensemble en is passend in de omgeving. De architectuurtraditie aan de Vecht is niet stijlgebonden. Woningen langs de Vecht kennen vele verschillende stijlen. Derhalve is gekozen voor een klassieke villa met een eigentijdse detaillering. Voor een nadere toelichting op de beoogde architectuur wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing d.d. 24 februari 2020 (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).

16

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat slechts één woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

17

b.

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot een enkele woning, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. De effecten hebben met name te maken met verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de emissies verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met onderhavig initiatief wordt een bestemmingswijziging naar 'Wonen - 3' doorgevoerd. Hiermee vindt een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik plaats. Om deze reden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (31 juli 2015, Grondslag, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit het onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen.

Er zijn hooguit lichte verhogingen aan zware metalen aangetoond. Deze kunnen worden toegeschreven aan verhoogde achtergrondconcentraties en vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de bouw vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van het uitgevoerde onderzoek afgevoerd worden naar een

18

grondbank of -depot. Bij het afvoeren van de grond voor hergebruik elders, is eerst een keuring nodig conform het Besluit bodemkwaliteit. Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de boogde ontwikkeling.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. De beoogde woning bevindt zich niet binnen de onderzoekszone van een spoorweg of geluidgezoneerd industrieterrein, maar wel binnen de onderzoekszone van de Straatweg en het Zandpad. Derhalve dient met een akoestisch onderzoek wegverkeer aangetoond te worden dat het voldaan kan worden aan de Wet geluidhinder. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeer (20 maart 2020, Adviesburo Van der Boom, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3) volgt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Straatweg ten hoogste 45 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De geluidbelasting door wegverkeer op het Zandpad bedraagt ten hoogste 39 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting door wegverkeer op de Brugoprit bedraagt ten hoogste 34 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee voor geen van de wegen overschreden. Er hoeft voor de geluidbelasting door deze wegen geen hogere waarde te worden vastgesteld.

Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de nieuwe woning wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 50 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevels bedraagt dan GA;k 20 dB. Dit is de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. Er zijn voor de gevels geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

19

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen.

Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De realisatie van één woning kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en binnen het plangebied. De achtergrondconcentratie NO2 over 2017 bedraagt 22,5 μg/m³.

Voor fijnstof PM10 en PM2,5 bedraagt deze respectievelijk 18,4 μg/m³ en 11,1 μg/m³. Daarmee er wordt voldaan aan de wettelijke eisen. De WHO en GGD hanteren advieswaarden van 20 µg/m³ voor fijnstof PM 10 en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5, die lager liggen dan de wettelijke grenswaarden. Als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- een leefklimaat. Op de planlocatie wordt de advieswaarden voor fijnstof PM10 gehaald. Door het schoner worden van de autotechniek zal in de toekomst ook worden voldaan aan de advieswaarde voor fijnstof PM 2,5. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

20

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Op een afstand van ca. 75 m bevinden zich enkele kantoren aan de Straatweg 70. Volgens de VNGpublicatie betreft dit activiteiten van milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m. Met een afstand van ca. 75 m tussen de nieuwe woning en de kantoren aan de Straatweg 70 wordt ruim voldaan aan de gestelde richtafstand van 10 m. Verder zijn er in de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gevestigd. Nader onderzoek is daarmee uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

21

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en

22

vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied is zwart omkaderd)

Zoals op bovenstaande afbeelding te zien is, zijn er in en rond het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen, risicovolle (Bevi-)inrichtingen of buisleidingen aanwezig. Ook zijn er geen hoogspanningslijnen waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn wat betreft externe veiligheid.

4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

23

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Om de cultuurhistorische waarden van het terrein van Straatweg 76a inzichtelijk te maken, is in 2016 door 'Wevers & Van Luipen architecten en bouwhistorici' een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd (november 2016, Wevers & van Luipen, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Met de cultuurhistorische verkenning is een gefundeerde waardering gegeven aan de aanwezige gebouwen en landschappelijke elementen binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied. De waardering is uitgedrukt in de volgende categorieën:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1527/documents/28551