1. Toelichting Bp Straatweg naast 76a in Breukelen.pdf
Tekst van het document
• • •
Categorie 1: hoge cultuurhistorische waarde, behoud noodzakelijk. Categorie 2: positieve cultuurhistorische waarde, behoud wenselijk. Categorie 3: indifferente cultuurhistorische waarde, aangepaste vervanging mogelijk.
Parcelering (categorie 1) Slechts enkele percelen binnen het onderzoeksgebied bezitten grenzen die vroeger te dateren zijn dan de 20e eeuw. Het perceel waarop Klein Boom en Bosch is gesitueerd heeft de oorspronkelijke omtrek uit de bouwtijd (1857) (categorie 2). Het smalle en lange perceel dat langs Klein Boom en Bosch is gelegen, bezit de omtrek die reeds zichtbaar was op de kadastrale kaart uit 1832. Tot op heden wordt het perceel als tuin benut (categorie 1). Infrastructuur (categorie 1, 3) Het huidige tracé van de Straatweg stamt uit 1813. Enige jaren daarvoor gaf Napoleon opdracht tot de verlegging van het deel van de Heerenwagenweg dat tussen Boom en Bosch en Vreedenoord was gelegen en waarvan thans alleen het onverharde Laantje van Grigia rest. Het laantje vormde eeuwenlang de scheiding tussen de buitenplaatsen (categorie 1). De ontsluitingsweg van Grigia, eveneens onverhard, stamt uit de bouwtijd van de villa’s (categorie 2). Het verloop is sindsdien niet gewijzigd. Karakteristiek is dat Klein Boom en Bosch van Grigia wordt gescheiden door de ontsluitingsweg. Van lage cultuurhistorische waarde zijn de rotondes die recentelijk in de Straatweg zijn opgenomen. Deze onderbreken de aanvankelijk zeer rechte Straatweg.
Van een oorspronkelijke bestrating is overigens reeds lang geen sprake meer; de weg is voorzien van een asfaltlaag die als indifferent kan worden beschouwd (categorie 3). Landschappelijke elementen (categorie 1, 2, 3) Binnen het onderzoeksgebied zijn landschappelijke elementen aan te wijzen die van grote betekenis zijn voor de historie van het terrein van Straatweg 76A. Langs het Laantje van Grigia liggen sloten die hun oorsprong vinden in de Middeleeuwen. Aangenomen mag worden dat deze bermsloten uit de aanlegtijd van de Heerenwagenweg op de Vechtdijk stammen (categorie 1). Het laatste deel van de noordelijke sloot, die langs het perceel van Klein Boom en Bosch voert, is 19e eeuws, maar heeft net als de sloten langs het laantje een hoge cultuurhistorische waarde (categorie 1). De sloot langs de huidige Straatweg stamt uit omstreeks 1813, toen de weg werd aangelegd (categorie 1). De meanderende beek die hierop aansluit is kenmerkend voor de Engelse landschapsstijl die populair was einde 18e, begin 19e eeuw. Het is één van de weinige elementen die herinnert aan de Engelse tuin en heeft daarom een hoge cultuurhistorische waarde (categorie 1). Het bos dat ten noorden van de meanderende beek is aan te treffen, vindt zijn oorsprong in de eerste helft van de 19e eeuw. In 1832 werd het bos als ‘lustbosch’ omschreven en maakte onderdeel uit van de historische Engelse tuin.
Mogelijk behoorde de solitair die bij Beekoever staat, tot het ‘pleizierbosch’ dat aan de andere zijde van de beek lag. Zoals de meanderende beek is het bos van hoge cultuurhistorische waarde (categorie 1). De lijnbeplanting langs het eerste deel van de beek vanaf de Vecht was niet aanwezig voor 1834, getuige de lithografie die P.J. Lutgers destijds vervaardigde. Aannemelijk is dat de lijnbeplanting als afscherming is aangebracht na afsplitsing van percelen in de tweede helft van de 19e eeuw.
24
Hoewel het perceel van Grigia niet meer de oorspronkelijke omtrek heeft, kan de tuin een positieve cultuurhistorische waarde worden toegekend. Dit omwille van de sinds 1857 ongewijzigde vorm alsmede de relatie met het huis, dat aan de tuinzijde een buitenruimte met baldakijn heeft. De solitair ten noorden van Grigia toont een hoge ouderdom. Mogelijk stamt deze boom uit de bouwtijd van Grigia. De lijnbeplanting van bomen langs de ontsluitingsweg van Grigia is karakteristiek voor begroeiingen langs de Vecht. Straatweg 76a Het grasland van Straatweg 76a is op voormalig grondgebied van zowel Boom en Bosch als Vreedenoord gelegen. Op de kadastrale minuut uit 1832 kende het terrein nog de oorspronkelijke structuur van de zegepraalende Vecht i.e. de contouren van de formele tuin en achterliggende boomgaard. In de aanwijzende tafel uit 1832 kan gevonden worden dat het terrein was ingericht als tuinderij in het westen en het zuidoosten en boomgaard in het noordoosten. Uit prenten van P.J. Lutgers uit de tweede helft van de 19e eeuw blijkt dat het oostelijke deel van het terrein redelijk open aan de Vechtzijde is geweest. Tot op heden is dit karakter behouden gebleven. Getuige de bonnebladen vanaf 1847 heeft de tuinderij op het oostelijke en westelijk deel bestaan tot deze in 1962 werd verkocht en in een manege werd getransformeerd.
Ofschoon op het terrein van Straatweg 76a in het verleden de bestemming ‘parkbos’ rustte en thans de bestemming 'Buitenplaats', is hier nooit sprake geweest van een landschappelijk aangelegde tuin. Het terrein werd uitsluitend aangewend als nutstuin voor Vreedenoord hetzij voor Boom en Bosch en was van meerdere opstallen voorzien. Het westelijke deel van het terrein is vanuit het oogpunt van de oorspronkelijke structuur een van de weinige percelen die van de buitenplaats Vreedenoord resteert en heeft als zachte echo van de tuinderij met opstallen langs de omtrek een positieve cultuurhistorische waarde (categorie 2). Op het huidige terrein herinnert niets aan de tuinderij; niet het grasland en diens begrazing door koeien en schapen, niet de jonge solitairen en ook niet de erfafscheidingen. Er is geen aanwijsbaar groen erfgoed in deze. In het huidige gebruik alsook in de vegetatie kennen zowel het oostelijke deel als het westelijke deel een indifferente cultuurhistorische waarde (categorie 3). In 1999 werd de sloot op het terrein van Straatweg 76a gegraven, op het tracé van de verdwenen Heerenwagenweg en aanliggende sloten. De sloot is een echo van de oorspronkelijke scheiding tussen de tuinen van Boom en Bosch en Vreedenoord. Vanwege de ligging in de historische structuur kan een positieve cultuurhistorische waarde worden toegekend (categorie 2).
De lijnbeplanting van fruitbomen aan weerszijden van de private ontsluitingsweg van Straatweg 76a kennen geen positieve historische waarde vanwege hun plaatsing, maar eerder vanwege hun oorspronkelijke aanwezigheid op het deel van het terrein langs de Vecht (categorie 2). Fruitbomen kwamen mogelijk voor ten tijde van de zegepraalende Vecht, maar zeker in de eerste helft van de 19e eeuw voor in de boomgaard die net ten zuiden van Grigia was gesitueerd. Opstallen (Straatweg 76a) Reeds in 1832 kwam er bebouwing voor binnen het bouwvlak van Straatweg 76a, betreffende enkele schuren met erf, die behoorden bij de buitenplaats Vreedenoord. Het huidige woonhuis vertoont in de organisatie van de volumes overeenkomsten met de broeikas en oranjerie in 1832. De noordelijk gelegen schuur vormde in 1967 de basis voor de paardenstal, die in 1975 opnieuw werd verbouwd, echter ditmaal tot woonhuis. De woning heeft een positieve cultuurhistorische waarde (categorie 2), het kantoor heeft een indifferente cultuurhistorische waarde (categorie 3). Op onderstaande afbeelding staat de cultuurhistorische waarde van de bebouwing en de opstallen binnen en in de omgeving van het plangebied weergegeven.
25
Cultuurhistorische waarde bebouwing
Conclusie Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en opstallen aanwezig met een hoge cultuurhistorische waarde. De bebouwing in de directe omgeving wordt grotendeels beschouwd als bebouwing met een indifferente cultuurhistorische waarde, waarbij aangepaste vervanging mogelijk is. Tevens zijn er binnen het plangebied geen landschappelijke elementen of cultuurhistorische waarden aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
26
Gemeentelijk beleid De gemeente Stichtse Vecht heeft haar archeologische beleid vastgelegd in de Archeologische (verwachtings-)waardenkaart en beleidskaart d.d. 21 augustus 2017. Planspecifiek Uit het raadplegen van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Stichtse Vecht uit 2017 blijkt dat de planlocatie over een hoge archeologische verwachting beschikt. Tevens zijn de gronden in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Hierbij geldt dat bij een bodemverstoring van meer dan 500 m² en een diepte van 0,3 m archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Met de ontwikkeling van de nieuwe woning worden de grenswaarden van 500 m² en een diepte van 0,3 m niet overschreden. Derhalve is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet. Ter bescherming van mogelijke archeologische waarden is, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Het voorgenomen initiatief om een woning te bouwen in de weide tussen de bosrand en de sloot heeft mogelijk effecten op de aanwezige ecologische waarden in het plangebied. Derhalve is door Pius Florius een oriënterend ecologisch uitgevoerd (27 februari 2020, Pius Florius, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit het onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen. Flora In of direct naast het projectgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. De geplande werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op de flora in het omliggende gebied. Zoogdieren De aanwezige zoogdieren kunnen enige hinder van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden. Omdat de bosrand ongemoeid blijft, zullen er geen blijvende gevolgen zijn voor eventueel foeragerende vleermuizen en komt de instandhouding van de soort binnen het gebied niet in gevaar. Voor de wezel geldt dat de omgeving rondom het projectgebied beter geschikt is voor de soort. Derhalve komt de instandhouding van de soort niet in gevaar door de geplande werkzaamheden. Het eventueel dunnen van de bosrand waarbij pleksgewijs bomen en heesters gesnoeid of verwijderd worden, heeft geen nadelige effecten op de instandhouding van de soorten.
27
Vogels Nabij en mogelijk in het projectgebied zullen in het seizoen broedvogels voorkomen. Omdat het verstoren van broedvogels verboden is, dient te worden gelet op de aanwezigheid van voornamelijk broedende watervogels en vogels in de bosrand. Bomen en struiken met nesten dienen dan ook te worden gespaard tot na het broedseizoen. Vissen, reptielen en amfibieën De werkzaamheden zullen geen nadelige gevolgen hebben voor vissen. Het eventueel verkorten van de sloot waarbij klei ingebracht wordt, dient te geschieden startende aan de kop van het doodlopende stuk zodat dieren niet worden ingesloten. Het is niet te verwachten dat er op de projectlocatie reptielen zullen verblijven, maar voorkom bij snoei of dunning van de bosrand de vorming van (tijdelijke) takkenhopen in het projectgebied waarvan de ringslang eventueel gebruik kan maken. Aanbevelingen
• •
Voer snoei- en kapwerkzaamheden uit buiten het broedseizoen (maart-oktober). Bij het eventueel (gedeeltelijk) dempen van de sloot dient dit te worden gedaan startende aan de kop van het doodlopende stuk zodat dieren niet worden ingesloten.
•
Verwijder vrijgekomen snoeiafval van het terrein zodat dit niet kan worden gebruikt als broedhoop of verblijfplaats voor de ringslang. Tenzij het snoeiafval op een plek kan worden gelegd waar het mag blijven liggen. In dat geval verhoogt het de ecologische waarde van het gebied. Bouw “natuurinclusief’’. Het instaleren van nestkasten voor huismus en gewone dwergvleermuis in het toekomstige gebouw verhoogd de ecologische waarde van het gebied.
•
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op een afstand van ca. 1,1 km is het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen gelegen, waardoor met een stikstofberekening aangetoond dient te worden wat de effecten ten aanzien van stikstofdepositie zijn. Overige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en de omvang van de ontwikkeling, uitgesloten. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld.
In de nieuwe AERIUS Calculator van september 2019 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, 26 februari 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
28
4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de keur horen keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
29
In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. 4.10.3 Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van de ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan.
In het kader van de watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Volgens de Beleidsregels op grond van de Keur van het hoogheemraadschap dient een toename van verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied en 1.000 m² in landelijk gebied in de vorm van open water of berging op eigen terrein te worden gecompenseerd. Het minimaal benodigd oppervlak open water bedraagt 15 % van het aan te leggen extra verhard oppervlak. De totale toename van de verharding bedraagt niet meer dan 500 m². Derhalve is het compenseren van oppervlakte water niet noodzakelijk. In overleg met de provincie is reeds een sloot gegraven direct ten oosten van het plangebied en is de westelijke oever van de Vecht ter hoogte van het plangebied als natuurvriendelijke oever aangelegd. De afvoer van afvalwater- en hemelwater wordt ontkoppeld. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool. Hemelwater infiltreert in de bodem of wordt via de bestaande sloten afgevoerd. De wijze waarop de afvoer van hemelwater uitgevoerd wordt, zal in het vervolg verder uitgewerkt worden. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een waterkering. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen
30
voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan staat één extra woning meer toe dan het geldende bestemmingsplan. Uit de CROW-publicatie 381 blijkt dat de gemiddelde verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning in een 'matig stedelijk' gebied in de 'rest bebouwde kom' 8,2 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Deze kleine toename van de verkeersgeneratie kan opgenomen worden met de huidige ontsluiting. Om de nieuwe woning te bereiken wordt de private toegangsweg verlengd tot de woning. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijke beleid De gemeente Stichtse Vecht heeft in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013 (GVVP) vastgelegd welke parkeernormen gelden.
Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013 (GVVP) geraadpleegd. Zoals deel B van het GVVP voorschrijft geldt voor 'koop, vrijstaand' in Breukelen ('rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk') een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In totaal zullen er 3 parkeerplaatsen gerealiseerd worden bij de nieuwe woning. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Duurzaamheid De gemeente Stichtse Vecht heeft haar beleid rond duurzaam bouwen onder andere verwoord in de Woonvisie 2017 - 2022 (zie toelichting paragraaf 3.2.2). Hierin wordt in de inzet binnen de 5 thema's van de GPR Gebouw-tool vastgesteld op:
• • • •
thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10; thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10+; thema toekomstwaarde: 8; overige thema's (milieu, gezondheid en gebruikskwaliteit): gemiddeld 8.
Bij nieuwbouw streeft de gemeente deze ambitie na en maakt hierover afspraken met woningcorporaties en ontwikkelende partijen en legt dit vast in anterieure overeenkomsten. Ambitie In de Voorjaarsnota 2016 is de ambitie vastgelegd om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De definitie is als volgt ingevuld: op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2030 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt. Nederland in 2050 vrij van aardgas Maar liefst 95 % van de 7,7 miljoen huishoudens in Nederland gebruikt aardgas voor verwarming, warm water en om op te koken. Stoppen met het gebruik van aardgas zorgt dus voor een flinke afname van onze CO2-uitstoot. En hoe minder CO2 in de lucht, hoe beter dat is voor het klimaat en de biodiversiteit.
31
Per 1 juli 2018 is de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit komt door een verandering van de gasaansluitplicht. De wetswijziging heeft invloed op nieuwe gebouwen waarvan de bouwvergunning is aangevraagd na 30 juni 2018. Deze verandering geldt voor alle kleinverbruikers zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen. Energiebesparing en duurzame energiebronnen De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwek van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. Dit houdt een EPC < 0 in. Het Bouwbesluit van de Rijksoverheid stelt minder hoge (energie)eisen aan nieuwbouwwoningen dan de gemeente Stichtse Vecht ambieert. De wettelijke ondergrens vanuit de rijksoverheid is vastgelegd in het Bouwbesluit (EPC 0,4). Per juli 2020 wordt de EPC-eis vervangen door de BENG-normering. Om aan deze eisen te voldoen kan, onder andere, gebruik gemaakt worden van een warmtepomp, zonnecollectoren, goede isolatie, PV-panelen, zuinige ventilatie en uitstekende naad-/kierdichting. Planspecifiek Het streven is om het nieuwbouwplan te laten voldoen aan de ambities voor nieuwbouw van de gemeente Stichtse Vecht en aan de aanbevolen scores voor GPR Gebouw. De voorgenomen woning wordt niet aangesloten op het gasnet en daarmee aardgasvrij gebouwd.
Voor het verwarmen van de woning wordt een warmtepomp gebruikt. Verder worden zonnepanelen en/of -collectoren geplaatst. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen. De woningen zullen gebouwd worden volgens de meest recente eisen van het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke ambities overeenkomstig GPR Gebouw. Het streven is om de woning energieneutraal uit te voeren. Door natuurinclusief te bouwen draagt de woning bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden in de omgeving.
32
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 3 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
33
5.4 Artikelsgewijze toelichting Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen - 3 De voor ‘Wonen - 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen op een buitenplaats en/of landgoed. Verder zijn een aan-huis-verbonden beroep, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of praktijkruimte, een bed & breakfast, gebruik ten behoeve van het hoofdgebouw en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak is één woning toegestaan. Bijbehorende bouwwerken mogen gebouwd worden binnen de bestemming ‘Buitenplaats’ van het bestemmingsplan ‘Rondom de Vecht’.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 3 De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezig archeologische waarden. Bij bodemverstoring van meer dan 500 m² en 0,3 m diep dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur Cultuurhistorie en landschap zijn belangrijke waarden binnen het bestemmingsplan. Om deze waarden op verschillende manieren te beschermen is de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur’ voor het plangebied van toepassing. Binnen de bestemming worden diverse specifiek voor dit plangebied belangrijke cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden beschermd. De hiermee gepaard gaande belangen dienen te worden meegewogen in de belangenafweging bij het verlenen van een toestemming voor een omgevingsvergunning. Het advies van deskundigen is een vereiste bij ruimtelijke ingrepen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 6 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op bestaande en afwijkende maatvoeringen, ondergeschikte bouwdelen en ondergrondse bouwwerken. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van parkeren. Hierin wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid.
34
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de ligging van bestemmingsgrenzen – onder voorwaarden – te wijzigen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
35
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkelingen van de locaties zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De direct aangrenzende buren zijn geïnformeerd over de voorgenomen plannen.
36
6.2.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen. 6.2.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
37