1. Toelichting BP Herenweg 9 en 11, Maarssen - incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
5.7
Natuurtoets Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; 30
-
Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden.
Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. Voor wat betreft beschermde soorten het volgende. Voor de projectlocatie is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Memo onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna Herenweg, Maarssen, 26 september 2018, bijlage III). In deze natuurtoets wordt het volgende geconcludeerd: §
Er zijn in het plangebied potenties aanwezig voor beschermde fauna. Door de werkzaamheden kunnen hierop negatieve effecten optreden. Het gaat daarbij om de huismus en de vleermuissoorten laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Aanvullend onderzoek voor de sloop is naar deze soorten vereist. De sloopwerkzaamheden binnen het plangebied kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van huismus. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.1 lid 2, 4 en 5 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden.
§
Aanvullend veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Ook moet worden onderzocht of het plangebied tot (essentieel) functioneel leefgebied behoort. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april - 15 mei door middel van 2 veldonderzoeken of in de periode 10 maart - 20 juni door middel van 4 veldonderzoeken. De tussenliggende tijd tussen beide veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart.
§
Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is in het plangebied niet uit te sluiten. Sloopwerkzaamheden kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb 31
worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot en met 15 juli en 15 augustus tot 1 oktober middels 5 bezoeken, om te bepalen of zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Bij aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen wordt er van uitgegaan dat de bebouwing ook geschikt is als winterverblijfplaats tijdens milde winters. §
Tevens dient er rekening gehouden te worden met het vogelbroedseizoen (globaal 15 maart - 15 augustus) van algemene vogels. Nesten van al deze vogels zijn strikt beschermd zodra ze bezet/in gebruik zijn. Ze mogen nooit worden verstoord. Start daarom met werkzaamheden buiten het broedseizoen of voorkom dat deze vogels zich niet kunnen vestigen door bijv. het verwijderen van de vegetatie in het plangebied.
§
Er is vervolgonderzoek vereist naar de eerde aangegeven diersoorten. En daarnaast geldt de algemene zorgplicht t.b.v. Nationaal beschermde soorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing Wet natuurbescherming (vnl. gewone pad, bruine kikker, bosspitsmuis spec., huisspitsmuis en egel). E.e.a. houdt in dat alles in het werk moet worden gesteld om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Geef ze de ruimte om te vluchten/verplaatsen.
Omdat het plangebied potentieel geschikt voor jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van huismus, alsmede potentieel geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Vervolgonderzoek flora en fauna Inmiddels heeft Regelink Ecologie en Landschap het vervolgonderzoek uitgevoerd (Onderzoek huismus en vleermuizen Herenweg 9 – 11 in Maarssen, d.d. 2 september 2021, zie bijlage IV). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: § §
§ §
Het plangebied heeft geen essentiële functie voor huismus. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en overvliegende rosse vleermuis. Het betreft een nietessentieel foerageergebied. In het plangebied zijn geen vliegroutes waargenomen. In het kraamseizoen zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen aangetroffen.
Uit het voorgaande blijkt dat met het uitvoeren van de werkzaamheden de Wet natuurbescherming niet worden overtreden. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In het onderzoek wordt voorts nog opgemerkt dat de werkzaamheden, en dan met name het rooien en kappen van bomen en groen, buiten het vogelbroedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Gezien de te verwachten vogelsoorten in de tuin loopt het broedseizoen van 15 maart 32
tot 15 juli. Daarnaast worden er in de tuin algemene zoogdiersoorten als egel en muizensoorten verwacht. Daarbij is het belangrijk dat deze dieren niet moedwillig worden gedood of verwond (in het kader van de zorgplicht). Onderzoek stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Herenweg 9 en 11 Maarssen, d.d. 23 november 2021, bijlage V). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: §
§
§ §
Vanwege de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is de aanlegfase buiten het onderzoek gelaten. Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2020 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan in de gebruiksfase de depositietoename maximaal 0,01 mol/ha/jr op 1 hexagoon met stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Echter, de kritische depositiewaarden worden niet overschreden en AERIUS Calculator geeft aan dat op deze hexagonen geen sprake is van (bijna) overbelaste habitats. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen passende beoordeling nodig op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing.
5.8
Water
5.8.1 Algemeen Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets. Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De 33
watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
5.8.2 Toetsing plan Toename verhard oppervlak De aanleg van verhard oppervlak leidt in beginsel tot een grotere belasting van het oppervlakte-watersysteem en/of het rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie in de bodem. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, de verdichting van bestaand stedelijk gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen is sprake van het verharden van gebieden waar voor die tijd water in de bodem kon worden geborgen. Daarom bepaalt artikel 3.13 van de Keur dat het verboden is om (zonder vergunning) meer dan 5.000 m2 verhard oppervlak aan te leggen buiten stedelijk gebied, of meer dan 1.000 m2 verhard oppervlak aan te leggen in bestaand of nieuw in te richten stedelijk of glastuinbouwgebied. Ingeval van het plan voor de Herenweg 9 en 11 is sprake van een lichte toename van verhard oppervlak, echter aanmerkelijk minder dan 1.000 m2. Een vergunning hoeft derhalve niet te worden aangevraagd. Ook is watercompensatie niet nodig. Waterkeringen en waterveiligheid De locatie ligt niet in de invloedssfeer van een waterkering (zie onderstaande figuur). De realisatie van onderhavig plan is dus niet van invloed op het functioneren van een waterkering.
34
Fig. 5.1 Uitsnede legger (projectlocatie: zie rode pijl)
Riolering en afkoppeling Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een grotendeels gemengd rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande, gemengde riool aan voorzijde van het perceel. De hemelwaterafvoer van de nieuwe woningen wordt afgekoppeld om te infiltreren in de bodem. Er wordt daarnaast geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Proces Het plan wordt nog aan het waterschap voorgelegd. Vanwege de geringe invloed van dit plan op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse, wordt niet verwacht dat het waterschap bezwaren zal hebben tegen dit plan. Bij de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten zoals beschreven in deze paragraaf.
5.8.3 Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld.
5.9
Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Daarbij gelden er beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
35
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Conclusie In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of –kabels die een beperking vormen voor dit bouwplan.
5.10
Duurzaamheid De gemeente Stichtse Vecht stimuleert samen met inwoners, bedrijven en organisaties duurzame ontwikkeling. De gemeente wil in 2030 een klimaatneutrale gemeente zijn. Dit doel is opgenomen in de duurzaamheidsvisie Stichtse Vecht Energiek 2014-2020 Samen Sterk in Duurzaamheid. Deze is eind 2013 vastgesteld. Om deze doelstelling te behalen, worden diverse maatregelen genomen met betrekking tot adaptatie en mitigatie. Een belangrijke mitigatiemaatregel waarmee nieuwbouw van doen heeft, is het beperken van de CO2-uitstoot om zodoende klimaatverandering tegen te gaan. Dit kan door de energiehuishouding in nieuwe woningen te verduurzamen en zo veel mogelijk duurzame energie te produceren. Voor het plan aan de Herenweg bestaat het voornemen om deze gasloos te bouwen en te voorzien van zonnepanelen en een luchtwarmtepomp.
5.11
Milieu-effectrapportage
5.11.1 Inleiding Sinds 7 juli 2017 zijn door een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage ook procedurevereisten gesteld aan de vormvrije mer-beoordeling. Het plan moet hier worden gekwalificeerd als een activiteit die is genoemd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) D11.2 “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject…” . Bij deze activiteit is in kolom 4 onder ‘Besluiten’ genoemd: ’De vaststelling van een plan bedoeld in artikel 3.6 …van de Wro’. Dat betekent dat het gaat om de ‘overige gevallen’ zoals die zijn aangewezen in artikel 2 lid 5 onder b van het Besluit milieueffectrapportage en dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 7.16, 7.17 lid 1 t/m 4, 7.18 en 7.19 lid 1 en 2 en 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 7.16 Wm bepaalt dat de initiatiefnemer moet melden aan het bevoegd gezag dat hij voor een dergelijk activiteit een vergunning wil aanvragen (de mer-aanmeldnotitie). Hij moet daarbij de info verschaffen die in artikel 7.16 van de Wm is vermeld. Op grond van artikel 7.17 Wm moet het bevoegd gezag op grond van de aangeleverde informatie beslissen of de gevolgen voor het milieu zodanig zijn dat het noodzakelijk is om een 36
milieueffectrapportage op te stellen. Dat moet in een zo vroeg mogelijk stadium, in ieder geval vóórdat het ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd.
5.11.2 Mer-aanmeldnotitie Voor dit plan is een Mer-aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie Vormvrije Merbeoordeling, Ten behoeve van het bestemmingsplan: ‘Herenweg 9 en 11, Maarssen’ d.d. 9 maart 2020, zie bijlage VI). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in de Mer-aanmeldnotitie blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving.
5.11.3 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
37
6
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
6.1
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
6.2
Cultuurhistorie Ingevolge het van toepassing zijnde bestemmingsplan geldt voor de locatie Herenweg 9 en 11 de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie – Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Artikel 23.1 bepaalt dat de als 'Waarde - Cultuurhistorie – Nieuwe Hollandse Waterlinie' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 23.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter, zo bepaalt artikel 23.2 van de planregels. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de betrokken waarden, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Onderhavig plan ziet op de sloop van een blok met twee-onder-een-kap-woningen en de realisatie van twee vrijstaande woningen op ongeveer hetzelfde perceel, aan de Herenweg 9 en 11 te Maarssen. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat dit plan geen afbreuk doet aan het behoud van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
6.3
Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. 38
6.3.1 Beleidskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing van archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het archeologiebeleid van de gemeente Stichtse Vecht is verwoord in de Erfgoedverordening van de gemeente Stichtse Vecht, die direct gekoppeld is aan de bij het beleid horende verwachtingskaart. Op de beleidskaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleidsen verwachtingskaart van de gemeente langs een ontginningsas en heeft zodoende gedeeltelijk een hoge archeologische verwachting toegekend gekregen (zie figuur 6.1) en gedeeltelijk een lage verwachting. Het gedeelte met de hoge archeologische verwachting heeft in het bestemmingsplan Herenweg-Gageldijk e.o. (2013) een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 gekregen.
Voor gebieden met dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 50 m2 en 30 cm –Mv. Aangezien de planvorming de planregels voor deze zone overschrijden, zal deze waarde middels archeologisch onderzoek worden getoetst. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied heeft op de verwachtings- en beleidskaart van de gemeente een lage verwachting, met een bijbehorende Waarde Archeologie 5. In gebieden met een Waarde Archeologie 5 is een archeologisch onderzoek pas verplicht bij bodemingrepen groter dan 10 hectare en dieper dan 30 cm.
Fig. 6.1 Archeologische verwachtingskaart gemeente Stichtse Vecht (plangebied: rood omkaderd) 39
6.3.2 Archeologisch onderzoek Door Transect is inmiddels een bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Herenweg 9 en 11 (Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Maarssen, Herenweg 9-11 Gemeente Stichtse Vecht (UT), Transect-rapport 1880, d.d. 21 augustus 2019, bijlage VII). In dit rapport komt Transect tot de volgende conclusies: §
Uit het bureauonderzoek blijkt dat de Herenweg, waar het plangebied aan gelegen is, oorspronkelijk een oude ontginningsas in het veen van het oostelijk Vechtgebied is. Het ontstaan van deze as is terug te voeren in de 12e eeuw (toen deze als kade is aangelegd) om vervolgens in de 13e -15e eeuw als bewoningslint te worden gebruikt. Archeologisch gezien betekent dit dat er vlak onder het maaiveld of onder een (sub)recente ophooglaag archeologische waarden kunnen voorkomen die op zijn vroegst dateren in de Late Middeleeuwen. Hierop geldt zodoende een hoge archeologische verwachting. Dit geldt ook voor de Nieuwe tijd, aangezien op historisch kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw bebouwing in het plangebied is ingetekend. Dit sluit de aanwezigheid van oudere bebouwingsfasen in het plangebied niet uit. Tevens bevindt zich in de ondergrond van het plangebied een verdronken pleistoceen dekzandlandschap, dat gedurende het LaatPaleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum geschikt geweest is voor bewoning, specifiek de plaatsen waar dekzandruggen of -koppen begraven liggen. Aanwijzingen hiervoor zijn reeds in de omgeving van het plangebied bekend (nabij Westbroek; Blijdenstijn, 2015). De kans dat zich in de ondergrond van het plangebied dergelijke resten voorkomen, is daarmee eveneens aanwezig.
§
De resultaten van het veldonderzoek lijken de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te bevestigen. De veraarde top van het veen aan de basis van het ophoogpakket en de op plekken geroerde top van het veen op het natuurlijk veen, lijkt deel uit te maken van de in de Late Middeleeuwen opgeworpen ontginningskade. Vanwege de hoge mate van intactheid in combinatie met een veraarde top van het veen langs een in aanleg middeleeuws ontginningslint, kunnen bewoningssporen te verwachten zijn vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw, het moment van de tweede fase van ontginning van het veengebied ten oosten van de Vecht, Blijdestijn, 2015). Tevens zijn op deze plek funderingen van stenen bouwwerken uit de Nieuwe tijd te verwachten. Op basis van het historisch onderzoek in Hoofdstuk 8 heeft in ieder geval in het begin van de 19e eeuw in het plangebied bebouwing gestaan. In combinatie met het voorkomen van historische bebouwing op kaartmateriaal uit de 19e eeuw in het plangebied sluit eveneens oudere voorgangers niet uit. Ook kunnen sporen aanwezig zijn die aan het voormalig landgebruik te relateren zijn rondom een woonplaats langs een bewoningslint (o.a. afvallagen, drenkkuilen en greppels c.q. sloten). Tenslotte valt aan de hand van de veldresultaten vast te stellen, dat de verstoring van het bodemprofiel beperkt is gebleven.
Er zijn in de boringen geen diepe verstoringen van de bodem aangetroffen. Dit betekent dat eventueel aanwezige archeologische resten uit de periode Late MiddeleeuwenNieuwe tijd nog relatief intact in de ondergrond aanwezig zullen zijn (vanaf circa 40 cm Mv). Voor de overige perioden geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting. In het veen zijn verder geen veraarde trajecten waargenomen die een indicator voor droge, bewoonbare omstandigheden vormen. Tevens is de top van het dekzand, het niveau waarop resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum aanwezig kunnen zijn, verspoeld en verdwenen. Tevens ontbreken sporen van oude 40
bodemvorming. Hiermee zijn eventuele resten uit die tijd ook niet meer (in situ) te verwachten. Uit het voorgaande blijkt dat een vervolgonderzoek noodzakelijk is indien sprake is van een verstoringsdiepte van 40 cm of meer.
6.3.3 Conclusie en vervolg Omdat het terrein archeologisch nog niet definitief en volledig gewaardeerd is kan het effect van het bouwplan op het archeologisch bodemarchief op dit moment nog niet worden vastgesteld. Dit vormt een risico voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Indien sprake is van een verstoringsdiepte van 40 cm of meer, dient een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) genomen te worden, namelijk het uitvoeren van een waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek. Op basis van het onderzoek van Transect geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. In het plangebied kunnen op een diepte vanaf 40 cm beneden het huidige maaiveld resten van historische bebouwing uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het huidige maaiveld moet daarom een vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Gezien de aard van de werkzaamheden kan dit vervolgonderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden dieper dan 40 cm, in combinatie met een proefsleuf ter plaatse van de nieuwbouw ten zuiden van de huidige bebouwing. Een archeologische begeleiding en proefsleuvenonderzoek behoren plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen, dat voorafgaand aan het onderzoek ter goedkeuring aan de gemeente moet worden voorgelegd.
De resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek dienen in een archeologisch rapport te worden vastgelegd. De rapportage van het archeologische onderzoek moet worden ingediend bij de gemeente. Uit het rapport moet duidelijk de archeologische waarde van het betreffende terrein blijken en de consequenties van de geplande bodemingrepen voor de daar aanwezige archeologische waarden zijn aangegeven. Op basis van deze rapportage neemt de gemeente een besluit; 1.
2.
Uit het rapport blijkt niet of onvoldoende de archeologische waarde van het betreffende terrein. Het rapport bevat onvoldoende informatie of het onderzoek is onjuist uitgevoerd. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de rapportage aan te vullen, dan wel aanvullend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Uit het rapport blijkt dat er geen archeologische waarde aanwezig zijn op het betreffende terrein. Bij afwezigheid van archeologische waarden of indien aanwezige archeologische waarden niet worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden: Er mag gestart worden met bodemverstorende activiteiten zoals vergund voor de omgevingsvergunning 2de fase 41
3.
Uit het rapport blijkt dat er archeologische waarde aanwezig zijn op het betreffende terrein. a. Wanneer uit het rapport blijkt dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, kan het bevoegd gezag besluiten dat de archeologische resten zo waardevol zijn dat deze in de bodem bewaard moeten blijven (behoud in situ). Dit kan betekenen dat de omgevingsvergunning 2de niet kan worden wordt gerealiseerd b. Wanneer uit het rapport blijkt dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, maar deze niet in aanmerking komt voor behoud in situ en planaanpassing is niet mogelijk, kan het bevoegd gezag besluiten dat de archeologische resten moeten worden veiliggesteld door middel van een opgraving (behoud ex situ). In uitzonderingsgevallen kan een archeologische begeleiding worden toegestaan.
De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen De initiatiefnemer heeft aan gegeven zich bewust te zijn van de mogelijke scenario's bij eventuele archeologische vondsten in het plangebied en realiseert zich dat bij het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen dat de gemeente Stichtse Vecht kan besluiten deze vindplaats veilig te stellen middels opgraving. De initiatiefnemer geeft aan zich bewust te zijn van dit risico en accepteert de eventuele gevolgen.
42
7
UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Het plan is inmiddels voorgelegd aan de provincie Utrecht, Waternet als uitvoeringsorganisatie van Waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek en de Gasunie. De overlegpartners hebben positief op de plannen gereageerd. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben, na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op 28 januari 2022, ter inzage gelegen. Er zijn tijdens de ter inzage periode geen zienswijzen ingediend.
Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.
7.2
Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen.
43
De herontwikkeling aan Herenweg 9 en 11 is een initiatief van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst gesloten. Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.
7.3
Privaatrechtelijke belemmeringen Bij het realiseren van de woningen wordt rekening gehouden met het burenrecht zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Voorts kan worden opgemerkt dat er geen privaatrechtelijke belemmeringen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het afwijken van het bestemmingsplan en voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bijlagen I. Verkennend en nader bodemonderzoek, Herenweg 9 en 11 te Maarssen, Lawijn Advies en Management, d.d. 17 december 2018 II. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Herenweg 9-11, Maarsseveen, De Milieuadviseur, d.d. 25 september 2018 III. Memo onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna Herenweg, Maarssen, Ecoresult, 26 september 2018 IV. Onderzoek huismus en vleermuizen Herenweg 9 – 11 in Maarssen, Regelink Ecologie en Landschap, d.d. 2 september 2021 V. Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Herenweg 9 en 11 Maarssen, Langelaar Milieuadvies, d.d. 23 november 2021 VI. Aanmeldnotitie Vormvrije Mer-beoordeling, Ten behoeve van het bestemmingsplan: ‘Herenweg 9 en 11, Maarssen’, Legalexion, d.d. 30 november 2021 VII. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Maarssen, Herenweg 9-11 Gemeente Stichtse Vecht (UT), Transect-rapport 1880, d.d. 28 september 2018
44
Legalexion Bezoekadres
Postadres
Telefoonnummer
Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel Postbus 103 5300 AC Zaltbommel 0418 - 577 580
info@legalexion.nl
VERKENNEND EN NADER BODEMONDERZOEK HERENWEG 9-11 TE MAARSSEN
LAWIJN advies & management Rapportnr.: 18.3618-A1 december 2018
Opdrachtgever Legalexion Postbus 103 5300 AC Zaltbommel Opdrachtnemer LAWIJN Advies & Management Dijnselburgerlaan 1-4a 3705 LP Zeist Telefoonnr. : 030 - 699 19 39 Telefaxnr. : 084 - 723 78 19 e-mail : info@lawijnadvies.nl Rapport Kenmerk Datum
: 18.3618-A1 : 17 december 2018
Opsteller / projectleider dhr. ing. H. (Herman) van Wijngaarden
Kwaliteitscontrole: mw. drs. ing. F. (Erica) Broeder
KWALITEITSVERKLARING LAWIJN Advies & Management verricht bodemonderzoek conform BRL SIKB 2000. Het bedrijf is hiervoor gecertificeerd volgens ISO 9001 en BRL SIKB 2000 (Protocollen 2001, 2002 en 2018). De werkzaamheden zijn op basis van dit certificatieschema uitgevoerd door (een) erkende monsternemer(s). Er hebben geen afwijkingen op het certificatieschema plaatsgevonden. LAWIJN Advies & Management is op geen enkele manier gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzochte locatie.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
INHOUD
blz.
1 INLEIDING............................................................................................................................................. 1 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................. 2 2.1 Locatiegegevens ........................................................................................................................ 2 2.2 Historische gegevens ................................................................................................................. 3 2.3 Gegevens bodemonderzoek ...................................................................................................... 4 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................... 4 2.5 Hypothese en onderzoeksstrategie ............................................................................................ 5 3 UITVOERING VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN....................................................... 6 3.1 Algemeen.................................................................................................................................... 6 3.2 Veldwerk .....................................................................................................................................
6 3.3 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................ 6 3.4 Monster- en analyseselectie....................................................................................................... 7 4 RESULTATEN EN INTERPRETATIE VAN HET ONDERZOEK .......................................................... 9 4.1 Algemene begrippen en toetsingskader..................................................................................... 9 4.2 Grond........................................................................................................................................ 10 4.2.1 Verkennend onderzoek (fase 1) ................................................................................... 10 4.2.2 Nader onderzoek ondergrond (lood) ............................................................................ 11 4.3 Grondwater ............................................................................................................................... 12 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................................ 13
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
TABELLEN
blz.
1. Overzicht (voormalige) bedrijfsactiviteiten, omgeving perceel Herenweg 9-11................................... 3 2. Geohydrologisch overzicht................................................................................................................... 4 3. Onderzoekstrategie.............................................................................................................................. 5 4. Gegevens grondwater.......................................................................................................................... 7 5. Overzicht van grondmengmonsters en analyses................................................................................. 7 6. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grond (mg/kg d.s.)................................................ 10 7. Overzicht toetsing analyseresultaten, nader onderzoek lood (mg/kg d.s.)........................................ 11 8. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grondwater (µg/l).................................................. 12
BIJLAGEN
1 Topografische en kadastrale kaart met ligging onderzoekslocatie 2 Situatietekening onderzoekslocatie 3 Beschrijving boorprofielen en overzicht zintuiglijke waarnemingen 4 Analyserapporten 5 Toetsing analyseresultaten aan normen Wet bodembescherming 6 Topografische kaarten 1881, 1948, 1970 7 Historische bodeminformatie Omgevingsdienst regio Utrecht 8 Foto’s onderzoekslocatie
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
1
INLEIDING
Op de locatie Herenweg 9-11 te Maarssen is in opdracht van Legalexion te Zaltbommel een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de NEN 5740 / NEN 5707 en de NTA5755. De aanleiding voor het bodemonderzoek vormt de voorgenomen herinrichting van de locatie (nieuwbouw twee woningen). Het doel van het bodemonderzoek is aantonen of op de onderzoekslocatie sprake is van een bodemverontreiniging. Leeswijzer In het voorliggende rapport komt eerst het vooronderzoek met de onderzoekshypothese aan de orde. Vervolgens wordt de uitvoering van het bodemonderzoek beschreven. Ten slotte komen, na de presentatie van de resultaten van het onderzoek en een interpretatie van deze resultaten, de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek aan bod.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
1 / 13
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek is verricht volgens de NEN 5725 richtlijn, aan de hand van een locatiebezoek, een interview met de huidige eigenaar, en archiefgegevens van de Omgevingsdienst regio Utrecht en de provincie Utrecht. In onderstaande paragrafen zijn de verkregen gegevens samengevat beschreven.
2.1
Locatiegegevens
Adres (postcode) Gemeente Kadastrale gegevens Eigenaar Gebruik Coördinaten Onderzocht oppervlakte
: Herenweg 9-11, Maarssen (3602 AM) : Stichtse Vecht : gemeente Maarsseveen, sectie C, nummers 455, 456 : W.J.A.M. Sprang : woonkavel; dubbele woning, schuur, erf, tuin : X - 132.980 Y - 461.960 2 : circa 2.100 m
In bijlage 1 zijn een topografische en kadastrale kaart met de ligging van de locatie opgenomen. Ligging en gebruik De locatie is gelegen in een buitengebied aan de noordoostzijde van de Maarssen. De locatie is aan de zuidwestzijde ontsloten op de Herenweg. Aan de noordoostzijde wordt de locatie begrensd door een sloot. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van het gebruik van de percelen in de omgeving. Noordoostzijde
weiland
Zuidoostzijde
woonkavel (Herenweg 15)
Zuidwestzijde
openbare weg (Herenweg)
Noordwestzijde
woonkavel (Herenweg 7a)
Indeling locatie Het bestaande woonhuis (dubbele woning) is gesitueerd op het zuidwestelijk gedeelte van de locatie. Het noordelijk en het oostelijk gedeelte van de locatie zijn in gebruik als tuin / gazon. In de tuin ten noordoosten van het woonhuis bevindt zich een schuur. De opritten en het erfgedeelte bij de woningen zijn grotendeels verhard met klinkers en tegels. De oprit bij woning nr. 11, aan de oostzijde van het woonhuis, is gedeeltelijk verhard met grind. In de tuin aan de noordzijde van het perceel bevindt zich een overdekt terras (verhard met tegels). Het overige gedeelte van de locatie is onverhard. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen. Toekomstige inrichting De eigenaar is voornemens om ter plaatse van de onderzoekslocatie twee nieuwe woonkavels in te richten, met twee afzonderlijke woningen. Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie is op het terreindeel bij de schuur op het noordoostelijk gedeelte van de locatie een ingegraven afscheiding van golfplaten aangetroffen. Verder zijn op de locatie geen verdachte plekken in de vorm van verzakkingen, plaatselijke ophogingen of brandplaatsen waargenomen. In bijlage 8 zijn foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
2 / 13
2.2
Historische gegevens
Historisch gebruik e e Op oude topografische kaarten uit de 19 en de 20 eeuw blijkt dat op de percelen in de omgeving van de onderzoekslocatie van oudsher bebouwing aanwezig is (lintbebouwing langs verbindingweg tussen voormalig fort Maarsseveen en voormalig fort De Gagel). De noordoostelijk gesitueerde percelen betreffen van oudsher waterrijke / moerassige percelen. In de e jaren '60 van de 20 eeuw zijn de bestaande weilandpercelen ten noordoosten van de onderzoekslocatie ingepolderd, tegelijkertijd met de aanleg van de noordoostelijk gesitueerde Maarsseveense Plassen. Volgens Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) dateert het bestaande woonhuis op de locatie uit 1910. De locatie is van oudsher in gebruik als woonkavel. In bijlage 6 is een kopie van de topografische kaarten uit 1881, 1948 en 1970 opgenomen. Asbest De wanden en de dakbedekking van het woonhuis bestaan, respectievelijk, uit baksteen en dakpannen. De wanden en de dakbedekking van de schuur op het noordoostelijk gedeelte van de locatie bestaan uit baksteen en bitumen. De achterwand van de schuur bestaat uit golfplaten. Ten noordoosten van de schuur, in het verlengde van achterwand, bevindt zich een ingegraven afscheiding van golfplaten, welke in het verleden is geplaatst langs de zijkant van een konijnenhok om ondergrondse tunnels te voorkomen.
De toegepaste golfplaten in de afscheiding en de achterwand van de schuur worden als asbestverdacht aangemerkt. Op het overige gedeelte van de locatie zijn geen buitentoepassingen van asbest aanwezig. Vanwege het historische gebruik en de mogelijke toepassing van puinhoudend materiaal als terreinverharding, bestaat voor het westelijk gedeelte van de locatie tevens kans op (diffuse) verontreiniging met asbest. Bedrijfsactiviteiten en olietanks Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen (voormalige) bedrijfsactiviteiten bekend. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de (voormalige) bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Tabel 1
Overzicht (voormalige) bedrijfsactiviteiten, omgeving perceel Herenweg 9-11
Adres / ID
Ligging
Huidig gebruik
(voormalige) activiteiten; bedrijf
Periode
Opmerkingen
Herenweg 7a
west
woonkavel
groentekwekerij; Van Kouterik
-
nieuwbouw woning (bouwjaar 2000)
Herenweg 15
oost
woonkavel
burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf; 1993 - onb. Colijn B.V. technische school, audiotechniek; Audiopart Medevoort
-
Voor het adres Herenweg 11 is in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst regio Utrecht een registratie van een voormalige ondergrondse brandstoftank opgenomen. Tijdens het locatiebezoek zijn op het perceel geen aanwijzingen gevonden voor de (voormalige) aanwezigheid van een tankinstallatie, in de vorm van een vulpunt, peilpunt, ontluchtingspijp, of oude bevestigingspunten aan de gevels. Volgens aanvullende informatie van de Omgevingsdienst was het bij de voormalige eigenaar, aan de hand van een enquêteformulier, niet bekend of op de locatie sprake was van de aanwezigheid van een ondergrondse brandstoftank. Slootdempingen / ophooglagen Volgens het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst regio Utrecht wordt de omgeving van de onderzoekslocatie, betreffende het gebied ten noordoosten van het voormalige fort Maarsseveen, aangemerkt als een ophooglocatie. e e Op basis van oude topografische kaarten uit de 19 en de 20 eeuw blijkt dat de percelen langs de Herenweg reeds van oudsher in gebruik zijn als woonkavel. Op oude topografische kaarten zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen voormalige sloten zichtbaar.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
3 / 13
2.3
Gegevens bodemonderzoek
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Stichtse Vecht (regio Noordwest Utrecht) ligt de onderzoekslocatie in zone C ('Oude bebouwing, inclusief lintbebouwing veengebied'). Voor deze zone is bekend dat in de bovengrond diffuse licht verhoogde gehaltes koper, kwik, lood, zink en PAK kunnen voorkomen, en in de ondergrond licht verhoogde gehaltes kwik, lood en PAK. Voorgaand bodemonderzoek Bij de eigenaar en de gemeente Stichtse Vecht / Omgevingsdienst regio Utrecht is geen informatie bekend met betrekking tot eerdere bodemonderzoeken ter plaatse van de onderzoekslocatie. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn twee bodemonderzoeklocaties Wbb bekend. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven. Tabel 7
Overzicht bodemonderzoeklocaties, omgeving perceel Herenweg 9-11.
Locatienaam / adres
Ligging
Locatiecode
Verrichte onderzoeken, periode
1 Herenweg 5-7
noord
UT033300145
Indicatief onderzoek, 1996
2 Gageldijk/Herenweg
zuid
UT190400111
Verkennend en nader onderzoek, saneringsplan periode 2014 - 2018
Status beoordeling [verdachte activiteit] voldoende onderzocht [burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf, brandstoftank] ernstig, niet urgent [openbare weg]
De historische bodeminformatie van de Omgevingsdienst regio Utrecht is in bijlage 7 opgenomen. 2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
De geohydrologische opbouw van het gebied waarbinnen de locatie is gesitueerd, is in onderstaande tabel weergegeven. De gegevens zijn afkomstig van de Grondwaterkaart van Nederland, inventarisatierapport Utrecht, kaartblad 31 Oost (Dienst Grondwaterverkenning TNO, 1978). Tabel 2
Geohydrologisch overzicht
Typering Deklaag
Ligging in meters t.o.v. NAP
Lithologie
Formatie
- 0,5
tot
-4
veen, klei
1e watervoerend pakket
-4
tot
- 39
(slib-/grindhoudende) uiterst fijne tot grove zanden Twente, Drenthe, Urk, Sterksel
1e scheidende laag
- 39
tot
- 66
leem
Kedichem
(grindhoudende) fijne tot grove zanden
Harderwijk
e
2 watervoerend pakket
beneden - 66 m
Westland
De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket heeft een noordelijke richting. Volgens de Provinciale Milieuverordening van de provincie Utrecht (mei 2013) is de locatie gelegen aan de zuidzijde van het grondwaterbeschermingsgebied Bethunepolder.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
4 / 13
2.5
Hypothese en onderzoeksstrategie
Hypothese De terreinstrook bij de achterwand van de schuur en de noordoostelijk gesitueerde scheidingwand in de grond wordt als verdacht aangemerkt voor verontreiniging met asbest. Vanwege het historische gebruik en de aanwezige terreinverharding is in de bovengrond op het westelijk gedeelte van de locatie mogelijk sprake van een diffuse verontreiniging met asbest. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is geen sprake van andere specifieke verdachte terreindelen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Vanwege de ligging in zone C kunnen in de grond diffuse verhoogde gehaltes voor zware metalen en/of PAK worden gemeten. Onderzoeksstrategie Het onderzoek is opgezet naar de richtlijnen van de NEN 5740 / NEN 5707. Het onderzoek ter plaatse van de verdachte deellocaties is gericht op de verdachte bodemlagen en de potentieel verontreinigende stoffen. Het opgeboorde materiaal wordt per te onderscheiden laag bemonsterd, in trajecten van maximaal 0.5 meter. De boringen worden doorgezet tot 0.5 meter onder een zintuiglijk waarneembare verontreiniging. Voorafgaand aan de inspectie- en monsterneming van de bodem zal een visuele inspectie van het maaiveld plaatsvinden. Aan de hand van de resultaten van de visuele inspectie kan aanleiding bestaan om de onderzoekstrategie aan te passen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de uit te voeren werkzaamheden en analyses.
Tabel 3
Onderzoekstrategie.
Terreindeel
Chemisch onderzoek
Veldwerk / Aantal boringen
Beton / tot 0.5 én tot 0.5 én met Grond peilbuis asfalt m -mv m -gws
Planlocatie
-
11 (*A)
2
1
3x STgr 3x LOS
1x STgw
Westelijk terreindeel (ca. 1.000 m2)
-
6 (*B)
-
-
1x ASB
-
Scheidingwand / achterwand schuur (ca. 15 m1)
-
3 (*B)
-
-
1x ASB
-
(ca. 2.100 m2)
mv / gws (*A) (*B) STgr STgw ASB LOS
Opmerkingen
Grondwater peilbuis op erfgedeelte bij woning nr. 11
-
maaiveld / grondwaterspiegel. boringen worden doorgezet tot 0.5 meter beneden terreinverharding. inspectiegat (30 x 30 cm), gecombineerd met boring. standaardpakket grond (NEN / SIKB): droge stof, 9 zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK-10 VROM), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie. standaardpakket grondwater (NEN / SIKB): 9 zware metalen, minerale olie (GC), vluchtige aromaten (styreen, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), gechloreerde koolwaterstoffen, incl. vinylchloride. asbest in fijne fractie (< 20 mm), optioneel analyse grove fractie. lutum / organische stof.
De bij het vooronderzoek verzamelde informatie wordt gebruikt voor het verkrijgen van een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek, en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
5 / 13
3 3.1
UITVOERING VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN Algemeen
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de geldende NEN- en NPR-normen bij bodemonderzoek (BRL2000). Bij het veldwerk is het opgeboorde materiaal beoordeeld op samenstelling, en is gelet op eventueel zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Het grondwater is eveneens zintuiglijk beoordeeld. 3.2
Veldwerk
Het veldwerk is uitgevoerd in de periode van 27 september tot 12 november 2018 door de voor BRL SIKB 2000 erkende boormeester J.R. den Boer. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in totaal 24 boringen uitgevoerd op de locatie: - 14 boringen verspreid over de onderzoekslocatie, tijdens de eerste fase van het onderzoek (nummers 1 t/m 14); - 3 boringen / inspectiegaten op het terreindeel bij de scheidingwand / achterwand op het noordoostelijk gedeelte van de locatie (nummers 21 t/m 23); - 7 boringen tijdens de tweede fase van het onderzoek (nader onderzoek; nummers 31 t/m 37). Vanwege het aantreffen van sterk verhoogde gehaltes lood in de ondergrond bij de boringen 5 en 11, aan beide zijkanten van het woonhuis, is besloten om op de betreffende terreindelen zeven aanvullende boringen te verrichten (nummers 31 t/m 37), en de boringen 5 en 11 dieper uit voeren (nieuwe boring: toevoeging a). Het opgeboorde materiaal is bemonsterd in trajecten van circa 0.5 meter. De boringen in de bovengrond zijn verricht met een ongelakte Edelmanboor en een ongelakte grindboor. Voor de bemonstering van de ondergrond is gebruik gemaakt van een ongelakte Edelmanboor en een ongelakte guts. De plaatsen van de boringen worden weergegeven op de situatietekening in bijlage 2.
Bij de boringen 1, 2, 3, 5, 7 en 8, op het westelijk gedeelte van de locatie, zijn gaten gegraven in de bovenlaag (30 x 30 cm), voor inspectie van de puinhoudende bovengrond op asbestverdachte bestanddelen. Hiernaast zijn drie inspectiegaten uitgevoerd op de terreinstrook bij de scheidingwand / achterwand bij de schuur op het noordoostelijk gedeelte van de locatie (nummers 21 t/m 23). De plaatsen van de boringen / inspectiegaten worden weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Voor de bemonstering van het freatisch grondwater is boring 9 verder uitgediept en afgewerkt met een peilbuis. Het filterdeel is omhuld met een nylon filterkous en gegloeid filtergrind. Het freatisch grondwater is bemonsterd op 12 oktober 2018. Voor de bepaling van de concentratie zware metalen is het grondwater in het veld gefiltreerd over een 0,45 µm filter en aangezuurd tot pH 2. 3.3
Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
Grond De bovengrond ter plaatse van het westelijk gedeelte van de locatie bestaat uit matig tot sterk humeuze, matig tot sterk zandige klei. De bovengrond ter plaatse van het oostelijk gedeelte van de locatie bestaat uit matig tot sterk humeuze, zwak zandige tot sterk siltige klei. In de ondergrond, vanaf circa 0.5 à 1.0 meter beneden maaiveld, wordt (kleiig) veen aangetroffen. Voor een nadere beschrijving van de aangetroffen bodemlagen en de trajecten van monstername, wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3-1. In bijlage 3-2 is een overzicht opgenomen van de zintuiglijke waarnemingen bij de boringen op de verschillende terreindelen. In het opgeboorde en geïnspecteerde materiaal uit de boven- en de ondergrond zijn visueel geen asbestverdachte bestanddelen waargenomen, behoudens bijmenging van puinresten.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
6 / 13
Grondwater In onderstaande tabel zijn de grondwatergegevens opgenomen. Tabel 4
Gegevens grondwater Peilbuis
Nummer PB 9
Grondwaterstand
Zuurgraad
Geleidbaarheid (EC)
Troebelheid
(m-mv)
(pH)
(mS/cm)
(NTU)
1.01
7.2
0.9
14.4
Filtertraject (m-mv) 1.5 - 2.5
Tijdens de monstername vertoonde het freatisch grondwater geen afwijkende geur of kleur. De gemeten zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) zijn voor grondwater in deze regio als normaal te beschouwen.
3.4
Monster- en analyseselectie
De fysische en chemische analyses zijn uitgevoerd door de milieulaboratoria Eurofins Analytico en Acmaa Asbest. Beide laboratoria zijn gecertificeerd door de ‘Raad voor Accreditatie’ (RvA). De voorbehandeling van de analysemonsters is uitgevoerd volgens AS3000. Grond In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de grondmengmonsters welke ter analyse bij het laboratorium zijn aangeboden, inclusief asbest. Tabel 5
Overzicht van grondmengmonsters en analyses
Monstercode
Deelmonsters
Analyses STgr
MM 1
MM 2
MM 3
MM A1
MM A2
01 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,30) 05 (0,25 - 0,70) 07 (0,00 - 0,50) 09 (0,20 - 0,50) 03 (0,00 - 0,40) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,40) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,30) 02 (0,70 - 1,20) 05 (0,80 - 1,10) 06 (0,60 - 1,00) 09 (0,50 - 1,00) 11 (0,40 - 0,70) 01 (0,00 - 0,50) 05 (0,25 - 0,70) 07 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,30) 22 (0,00 - 0,40) 23 (0,00 - 0,20)
ASB
Motivering / Opmerkingen LOS
#
#
monsters van bovengrond op westelijk gedeelte van locatie; sterk humeuze, matig tot sterk zandige klei, zwakke bijmenging puinresten, sporen grind, sporen asfalt
#
#
monsters van bovengrond op oostelijk gedeelte van locatie; sterk humeuze, zwak zandige tot uiterst siltige klei, geringe bijmenging sporen puin en grind
#
#
monsters van kleiige laag in ondergrond; sterk humeuze, matig zandige tot uiterst siltige klei, geringe bijmenging sporen puin en grind
#
#
#: STgr
Geanalyseerde pakketten/parameters Standaardpakket grond (NEN / SIKB)
ASB LOS
Asbest (fijne fractie < 20 mm) Lutum / Organische stof
monsters van geroerde laag in bovengrond op westelijk gedeelte van locatie; zwakke bijmenging puinresten, sporen grind, sporen asfalt, visueel geen asbestverdachte bestanddelen monsters van bovenlaag naast scheidingwand / achterwand schuur, noordoostelijk terreindeel; geringe bijmenging sporen puin en grind, visueel geen asbestverdachte bestanddelen
Het standaardpakket-grond (NEN / SIKB) omvat de volgende analyses: droge stof, 9 zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK-10 VROM), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC).
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
7 / 13
Naar aanleiding van het matig verhoogde loodgehalte in het mengmonster van de ondergrond (MM3; overschrijding toetsingswaarde voor nader onderzoek), is besloten de vijf monsters uit het mengmonster separaat te analyseren op droge stof en lood. Voor de bepaling van de verspreiding van de verontreiniging met lood in de ondergrond zijn tijdens de tweede fase van het onderzoek, aanvullend negen monsters van de ondergrond geanalyseerd. Voor een volledig overzicht van de geanalyseerde monsters bij het nader onderzoek wordt verwezen naar het overzicht van de analyseresultaten in § 4.2.2. Grondwater Het grondwatermonster uit peilbuis PB9 is geanalyseerd op het standaardpakket-grondwater (NEN / SIKB). Dit pakket omvat de volgende analyses: 9 zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), minerale olie (GC), vluchtige aromaten & gechloreerde koolwaterstoffen, inclusief vinylchloride.
Rapportnr.: 18.3618-A1, december 2018 Verkennend en nader bodemonderzoek Herenweg 9-11 te Maarssen
8 / 13
4 4.1
RESULTATEN EN INTERPRETATIE VAN HET ONDERZOEK Algemene begrippen en toetsingskader
Om de mate van verontreiniging van de grond en het grondwater te kunnen beoordelen, dienen de chemische analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters te worden getoetst aan normen zoals deze zijn vastgesteld door het ministerie van VROM. Per 1 juli 2013 is de Circulaire bodemsanering 2013 in werking getreden. De interventiewaarden voor grond en de streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn opgenomen als bijlage 1 in de Circulaire. Streefwaarden (grondwater en grond) / Achtergrondwaarden (grond; AW2000) Indien het concentratieniveau kleiner of gelijk is aan de streefwaarden / achtergrondwaarden is sprake van een duurzame bodemkwaliteit waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier niet zijn verminderd. Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van de streefwaarde / achtergrondwaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als licht verontreinigd. Toetsingscriterium ten behoeve van nader onderzoek / Tussenwaarde Het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek is als volgt gedefinieerd: - in grond: de helft van de som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde; - in grondwater: de helft van de som van de streefwaarde en de interventiewaarde. Bij overschrijding van dit toetsingscriterium bestaat in principe een noodzaak tot nader onderzoek.
Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van deze toetsingswaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als matig verontreinigd. Interventiewaarden Interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige verminderingen of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij concentraties boven de interventiewaarde kan er sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. In principe bestaat bij een geval van ernstige bodemverontreiniging een saneringsnoodzaak, zoals bedoelt in de Wet bodembescherming. De interventiewaarden voor grond zijn humaan- en ecotoxicologisch onderbouwd. De interventiewaarden voor grondwater zijn afgeleid van de interventiewaarden voor grond. Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van de interventiewaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als sterk verontreinigd. Voor de parameter barium is per 1 april 2009 alleen een interventiewaarde van kracht, specifiek voor situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene verontreiniging. Asbest De interventiewaarde voor asbest is gelijk aan de maximale samenstellingswaarde uit de Regeling bodemkwaliteit, welke de hergebruiksmogelijkheden van de grond/puin bepaalt en is vastgesteld op 100 mg/kg d.s.