CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Commissie Fysiek Domein 16 september 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 5: Adviesrecht raad Project Staatsliedenbuurt13.212 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.10 M.e.r.-beoordeling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.

o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

34

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek Met onderhavig initiatief worden meer dan 12 woningen mogelijk gemaakt, waarmee sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 5. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

35

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek Met onderhavig initiatief worden meer dan 12 nieuwe woningen toegevoegd. Hierdoor is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Hierom dient ingegaan te worden op de locatie en de behoefte.

Behoefte In paragraaf 3.2.3 (Programma Wonen en Werken) en paragraaf 3.3.2 (Woonvisie) is het initiatief getoetst aan het relevante woonbeleid op provinciaal en gemeentelijk niveau. Uit de in deze paragrafen gestelde woonbehoeften kan geconcludeerd worden dat het initiatief in zowel kwalitatieve als kwantitatieve zin een passende bijdrage levert aan de woningvoorraad. Op basis van de in hoofdstuk 3 opgenomen motivering wordt gesteld dat er voldoende behoefte is naar de beoogde woningen.

36

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Locatie Met onderhavig initiatief vindt een ontwikkeling plaats op de plek van verouderde appartementengebouwen, binnen de bebouwde kom van Maarssen. In de huidige situatie is er reeds sprake van een vergelijkbaar ruimtebeslag. Gelet op de beperkte invloed op de ruimte en ligging in de bebouwde kom kan gesteld worden dat de ontwikkeling plaatsvindt op een passende locatie.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

37

(tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap In en rond het projectgebied zijn geen objecten van cultuurhistorische waarde (rijks- of gemeentelijke monumenten) gelegen. Van aantasting is daarmee op voorhand geen sprake. Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom, waardoor een significante invloed op het landschap eveneens uitgesloten kan worden.

Archeologie Op grond van de vigerende planologische situatie kent een klein gedeelte van het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek nodig bij het bouwen van bouwwerken groter dan 1000 m 2, waarbij dieper dan 0,3 m wordt gegraven. Met onderhavig initiatief wordt de onderzoeksgrens van 1000 m 2 niet overschreden, waarmee het verrichten van archeologisch onderzoek niet nodig is. In het ontwerpplan ‘Parapluplan Archeologie’ kent het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Voor het mogelijk maken van bebouwing kleiner dan 100.000 m 2 is volgens de bij deze dubbelbestemming horende regels geen archeologisch onderzoek nodig. Ook deze onderzoeksgrens wordt niet overschreden. Onderzoek is daarmee ook op basis van deze situatie niet aan de orde.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijfven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime

38

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: •

er soorten aanwezig zijn; en

•

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

39

Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 6. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat effecten ten aanzien van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen effecten niet op voorhand kunnen uitgesloten worden. Significant negatieve effecten ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen met het werken buiten het broedseizoen. Voor de genoemde soorten is vervolgonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit dit onderzoek komt naar voren dat mogelijke effecten ten aanzien van de onderzochte soorten niet uitgesloten kunnen worden en dat vervolgstappen getroffen dienen te worden voordat werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld. Op basis van de verrichte onderzoeken is er geen reden om aan te nemen dat de benodigde vergunning, onder voorwaarden, niet verleend kan worden. Er zijn voldoende mogelijke maatregelen voorhanden om te voldoen aan de eisen met betrekking tot soortenbescherming.

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Dit gebied bevindt zich op circa 900 m van het projectgebied. Gelet op de afstand tot dit gebied en de aard van de ontwikkeling kunnen effecten zoals trilling, geluid of visuele verstoring op voorhand uitgesloten worden. Omdat effecten met betrekking tot stikstof niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is een voortoets stikstofdepositie (zie bijlage 8) uitgevoerd. Uit de voortoets komt naar voren dat – als gevolg van de ontwikkeling – zowel in de gebruiks- als aanlegfase sprake is van een zeer beperkte en tijdelijke toename van stikstofdepositie (0,01 mol/ha/j). Op basis hiervan zijn merkbare effecten op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uitgesloten. Daarnaast worden de minimale effecten reeds gemitigeerd door specifiek beheer met bewezen effectieve maatregelen, zoals verwijderen van opslag, verhogen van kwelflux en gefaseerd maaien. Door het genoemde heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en wordt de kwaliteit en omvang van de habitatstypes en leefgebieden niet aangetast. Verslechtering is uitgesloten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van

40

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek Verkeer Als gevolg van de ontwikkeling neemt de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied toe. Per deelgebied komen 18 woningen extra. De deelgebieden worden via verschillende wegen ontsloten en tevens vindt de parkeervraag niet plaats ter plekke van het projectgebied zelf. Hiermee worden de verkeersbewegingen vanzelf verspreid over de buurt en levert het plan geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen op. Uit uitgevoerd verkeerskundig onderzoek (zie bijlage 9) voor een groter gedeelte van de Staatsliedenbuurt blijkt niet dat het toevoegen van de woningen tot onoverkomelijkheden leidt in de verkeersafwikkeling.

Parkeren De realisatie van de nieuwe woningen leidt tot een extra parkeervraag voor het projectgebied. In het verkeersonderzoek is ook onderzoek gedaan naar wat een passende parkeernorm is voor het gebied. Hierin is ook specifiek voor het projectgebied een berekening gemaakt van de parkeerbehoefte. Hieruit volgt dat de parkeerbehoefte afgerond 123 parkeerplaatsen betreft. Hiermee wordt een lagere parkeernorm gehanteerd dan de parkeernormen die de gemeente Stichtse Vecht heeft vastgesteld (1,4 parkeerplaats per woning). De raad stemt voor onderhavig initiatief, voorafgaand of gelijktijdig met het verlenen van de vergunning, in met een afwijkende parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. In het Stedenbouwkundig programma van Eisen is aangetoond dat er in het openbaar gebied voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden om aan de parkeernorm te voldoen, zie navolgende afbeelding.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

41

Te realiseren parkeerplaatsen (Bron: Maarssen Staatsliedenbuurt, Stedenbouwkundig Programma van Eisen, gemeente Stichtse Vecht)

Aanvullend parkeeronderzoek Naar aanleiding van bovenstaand parkeeronderzoek is nog een onderzoek gestart. De reden daarbij is dat het aantal parkeerplaatsen dat in voornoemd onderzoek is opgenomen groot is, groter dan verwacht. Dit aanvullende onderzoek is als Bijlage 10. In dit aanvullende onderzoek wordt -onder meer- ingegaan op de verschillen tussen het eerste en tweede / aanvullende onderzoek (het eerste is meer praktisch met oog voor de dagdagelijkse situatie waarbij het tweede meer oog heeft voor de richtlijnen van toegankelijkheid). Uit het aanvullende onderzoek komt ook naar voren dat de parkeernorm van 1,0 parkeerplaats past. Tevens wordt als advies gegeven om, met rekenschap van de toegankelijkheidseisen, te kijken of er nog extra parkeerplaatsen gevonden kunnen worden en daarbij te kijken naar de bruikbaarheid van de weg voor de bewoners als ook hulpdiensten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

42

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast Als een gevolg van klimaatverandering kan een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht worden. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, maar neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte van de huidige situatie. Met onderhavig initiatief neemt de hoeveelheid verharding eerder af dan toe, waarmee de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse verbetert.

Hittestress Klimaatverandering kan met betrekking tot hittestress leiden tot meer tropische dagen en langere hitte. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het projectgebied rondom de woningen met groen worden ingericht, ter voorkoming van hittestress.

Droogte Met betrekking tot het thema droogte kan een hoger neerslagtekort verwacht worden. Door een afname van de hoeveelheid verharding kan hemelwater beter infiltreren en blijft het hemelwater ook in het gebied zelf.

Overstroming

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

43

Het projectgebied ligt in de nabijheid van de Vecht en andere wateren. Met onderhavig initiatief wordt hogere bebouwing mogelijk gemaakt dan in de huidige situatie het geval is. Significant grotere risico’s dan in de huidige situatie zijn niet aan de orde. In het geval van een overstroming is het projectgebied goed ontsloten, waarmee de locaties te bereiken zijn voor hulpdiensten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

44

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Hoofdstuk 6

Conclusie

De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Het Bkl bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Bkl instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om het bouwplan te kunnen vergunnen, moet worden aangetoond dat er met het bouwplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing zijn. Immers, één omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

45

Hoofdstuk 7

Toestemming en voorwaarden

Deze onderbouwing etfal is de basis voor het planologische basisbesluit voor hierna nog aan te vragen omgevingsvergunningen. Zie ook paragraaf 1.3 voor het bredere wettelijke kader en een toelichting op het planologische basisbesluit. Het kader waarbinnen omgevingsvergunningen verleend kunnen worden en de voorwaarden die daarbij gelden wordt in de volgende paragrafen vormgegeven.

7.1

Toedeling functies

Voor de locatie wordt conform de navolgende kaart (zie ook Bijlage 11) de functie ‘Wonen’ toebedeeld. Onder deze functie vallen de volgende gebruiksmogelijkheden:

Wonen a. wonen b. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten van het in het Omgevingsplan opgenomen bestemmingsplan ‘Maarssen-Dorp woongebied’, of daarmee gelijk te stellen bedrijfsactiviteiten;

met de daarbij behorende: c.

tuinen en erven;

d. toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; e. parkeervoorzieningen; f.

groenvoorzieningen en water;

g. overige functioneel met wonen verbonden voorzieningen;

46

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Toedeling bouw- en gebruiksrecht

7.2

Toedeling bouwmogelijkheden

De volgende bouwmogelijkheden worden toegedeeld: 7.2.1

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ enkel gestapelde woningen gebouwd mogen worden; b. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c.

Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

47

7.2.2

Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorkant van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorkant van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m waarbij in geval van hoekwoningen de verkeerssituatie niet mag worden belemmerd; c.

7.3

De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

Procedure

In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de reguliere procedure bestaat de mogelijkheid voor bezwaar. Bij de uitgebreide procedure bestaat geen mogelijkheid voor bezwaar. Daar bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.

48

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

In hoofdstuk 1 is te lezen dat onderdeel van de besluitvorming meer is dan alleen de vraag of voldaan wordt aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In elk geval op twee aspecten dient altijd ook ingegaan te worden en die komen daarom hier aan bod. Hier, ín dit hoofdstuk, kunnen nog meer aspecten aan bod komen maar het kan ook zijn dat het besluit zelf daar verder op in gaat. Immers, voorliggend stuk is niet het besluit, het is een onderdeel ervan.

8.1

Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek De advies- en participatielijst stelt dat bij realisering van 25 of meer nieuwe woningen overleg gevoerd moet worden met omwonenden via een klankbordgroep. Dit is met onderhavig initiatief het geval. In het kader van het stedenbouwkundig programma van eisen voor de Staatsliedenbuurt zijn meerdere participatiemomenten geweest. Een overzicht van de verrichte participatie is opgenomen in Bijlage 12.

8.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen ook een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

49

Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3

Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de belanghebbende instanties.

50

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Bijlagen

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

51

Stedenbouwkundig ontwerp

52

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

53

Bodemonderzoek

54

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Onderzoek wegverkeerslawaai

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

55

M.e.r.-beoordeling

56

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Quickscan Flora en Fauna

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

57

Vervolgonderzoek soorten

58

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Voortoets stikstofdepositie

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

59

Verkeerskundig onderzoek

60

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Aanvullend verkeerskundig onderzoek

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

61

Kaart etfal

62

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Participatieverslag

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

63

64

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

Staatsliedenbuurt fase 1, Maarssen

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2877/documents/61406