1 Bijlage TL 3.1 Bijlagenboek Rijksstraatweg 171, LadV.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1
NOTA VAN UITGANGSPUNTEN voor uitbreiding van de golfbaan in Loenen aan de Vecht
Door de gemeenteraad vastgesteld op 3 maart 2020.
Pagina 1 van 7
Nota van Uitgangspunten
Gemeente Stichtse Vecht
Nota van Uitgangspunten voor uitbreiding van de golfbaan in Loenen aan de Vecht Inhoudsopgave 1
Aanleiding ....................................................................................................................................... 3
2
Begrenzing van mogelijk bestemmingsplan ................................................................................... 3
3
Overzicht Ruimtelijk beleidskader .................................................................................................. 3
4
Uitgangspunten .............................................................................................................................. 4 Het doel .................................................................................................................................. 4
4.2
Voorwaarden aan de uitbreiding van de golfbaan ................................................................. 4
Actualisatie van de planregels en verbeelding ............................................................................... 5 5.1
Begrippen en wijze van meten ............................................................................................... 5
5.2
Specifieke bestemmingen: ..................................................................................................... 5
5.3
Algemene bestemmingsregels en slotregel ........................................................................... 6
5.4
Verbeelding ............................................................................................................................ 6
5.5
Plantoelichting ........................................................................................................................ 6
6
Verleende omgevingsvergunningen 2015 – 2020 ......................................................................... 6
7
Participatie ...................................................................................................................................... 6
8
Vervolgprocedure ........................................................................................................................... 7
Pagina 2 van 7
Nota van Uitgangspunten
5
4.1
1 Aanleiding Er is interesse om de golfbaan in Loenen aan de Vecht uit te breiden. Het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied Noord” is vastgesteld in 2015, maar voorziet niet in een uitbreiding van de golfbaan. Daarvoor is een nieuw bestemmingsplan nodig om de bestemming van “Agrarisch met waarden” te wijzigen naar de bestemming “Sport”. Met deze Nota van Uitgangspunten geeft de gemeente Stichtse Vecht aan in principe bereid te zijn mee te werken aan de wijziging van deze bestemming, wanneer daarom door een initiatiefnemer wordt verzocht met een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen. Het is van belang transparant te zijn naar de inwoners van de gemeente Stichtse Vecht en naar mogelijke initiatiefnemer(s) over de uitgangspunten die de gemeente Stichtse Vecht hierbij hanteert. Deze nota voorziet daarin. Hiermee wordt het beleidskader vastgesteld en staat aangegeven onder welke voorwaarden de gemeente Stichtse Vecht medewerking verleent aan het verzoek van mogelijke initiatiefnemer(s) voor het uitbreiden van de golfbaan. De nota dient tevens als onderbouwing van het op aanvraag te ontwikkelen bestemmingsplan en vormt de grondslag voor de toelichting, behorende bij het bestemmingsplan. De onderhavige Nota van Uitgangspunten, door het college van burgemeester en wethouders voorbereid, wordt door de gemeenteraad vastgesteld.
2 Begrenzing van mogelijk bestemmingsplan De golfbaan en de uitbreiding daarvan zijn gelegen in het bestemmingsplan “Landelijk gebied Noord” (vastgesteld op 2 december 2015). Zoals hierboven aangegeven, is voor de uitbreiding van de golfbaan een nieuw bestemmingsplan nodig. Voor deze gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan zijn tevens nieuwe plangrenzen nodig. Het nieuwe bestemmingsplan omvat de huidige golfbaan, kadastrale percelen gezamenlijk aangrenzend aan de huidige golfbaan, eventuele aanpalende wateren en de Oost-Kanaaldijk voor het gedeelte dat langs de golfbaan en de voorgestelde uitbreiding loopt.
3 Overzicht Ruimtelijk beleidskader Sinds de vaststelling van het vorige bestemmingsplan is door diverse overheden nieuw ruimtelijk beleid opgesteld. Dat geeft nieuwe kaders die mogelijk van invloed zijn op het nieuwe bestemmingsplan. Voor het nieuwe bestemmingsplan dienen de onderstaande plannen te worden onderzocht. Voor zover het onderwerpen betreft die voor het plangebied van belang zijn, dienen deze te worden beschreven in het nieuwe bestemmingsplan.
Provinciaal en Regionaal beleid - Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (2013 en herijkt vastgesteld 2016) - Provinciale Ruimtelijke Verordening (2013 en herijkt 2016) en 2e partiële herziening (2018) - Provinciale structuurvisie Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 (2015) - Ontwikkelplan Recreatieschap Stichtse Groenlanden (2015)
Pagina 3 van 7
Nota van Uitgangspunten
Rijksbeleid - Linieperspectief Panorama Krayenhoff (2003) - Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2011) - Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) - Nationale omgevingsvisie (ontwerp, 2019)
Gemeentelijk beleid - Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 Focus op morgen (2013) - Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan: Beleidsvisie Verkeer, deel A van het GVVP (2013) - Beleidsnota Recreatie en Toerisme “Water verbindt” (2015) - Landschapsontwikkelingsplan Breukelen-Loenen (2008) - Kaderstellend koersdocument Omgevingsvisie (2019) - De online kaarten van Stichtse Vecht via: https://kaarten.stichtsevecht.nl
4 Uitgangspunten 4.1
Het doel
Het doel van het nieuwe bestemmingsplan is te beschikken over een adequaat juridisch-planologisch kader voor de uitbreiding van de golfbaan, waarin nieuwe beleidsontwikkelingen zijn verwerkt en welke voldoet aan alle wettelijke en functionele vereisten. Het bestemmingsplan richt zich op het mogelijk maken van de uitbreiding van de golfbaan, tezamen met het behoud van de huidige landschappelijke karakteristiek en het beschermen van bestaande waarden. De open landschappen worden daarom consoliderend bestemd, net als in het geldende bestemmingsplan. Om de uitbreiding van de golfbaan mogelijk te maken, wordt de gebruiksfunctie van de agrarische gronden in het plangebied gewijzigd naar sport.
4.2
Voorwaarden aan de uitbreiding van de golfbaan
Een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan moet een goede ruimtelijke ordening faciliteren. Daarom heeft het college van burgemeester en wethouders in haar principebesluit van 19 februari 2019 aangegeven dat de uitbreiding van de golfbaan slechts onder voorwaarden kan plaatsvinden. Deze voorwaarden betreffen landschappelijke inpassing, ruimtelijke veiligheid, recreatief medegebruik en openbare toegankelijkheid. - Landschappelijke inpassing Vanwege het beoogde ruimtebeslag van de golfbaan (38 ha) is een goed ontwerp met goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van belang. Bij de aanleg van de huidige golfbaan zijn de landschappelijke belangen gewaarborgd door het ontwerpproces te laten leiden door een landschapsarchitect in plaats van een golfbaanarchitect. Het uitgangspunt is dat ook het ontwerpproces voor de uitbreiding wordt geleid door een landschapsarchitect, zodat de huidige landschappelijke karakteristiek en bestaande waarden tevens worden gewaarborgd bij de uitbreiding van de golfbaan. Daarnaast moet er een landschapsplan opgesteld moet worden, waarin ingegaan wordt op de inpassing van de golfbaan, het ontwerp en het onderhoud van de baan. Dit is nodig om de ruimtelijke kwaliteit van de golfbaan te kunnen beoordelen.
- Recreatief medegebruik en openbare toegankelijkheid In een intentieovereenkomst uit 2005 tussen de gemeente (Loenen) en de golfbaan is gesteld dat een toekomstige uitbreiding "meerdere voorzieningen gericht op recreatief medegebruik” moet hebben. Met recreatief medegebruik wordt het gebied toegankelijk voor bijvoorbeeld wandelaars of fietsers. Dit voorkomt dat de golfbaan door omwonenden als een ontoegankelijk, vreemd gebied ervaren wordt. Recreatief medegebruik op een golfbaan is mogelijk, omdat er relatief veel ruimte (40-
Pagina 4 van 7
Nota van Uitgangspunten
- Ruimtelijke veiligheid Bij het ontwerp van de uitbreiding en de landschappelijke inpassing moet de initiatiefnemer rekening houden met de veiligheid van de golfers, recreanten, andere (mede)gebruikers, omwonenden en gebruikers van aangrenzende functies. Het uitgangspunt is dat de ruimtelijke veiligheid gewaarborgd wordt.
60%) van de golfbaan niet direct voor de golfsport gebruikt wordt. In dit “buitengebied” zal recreatief medegebruik plaatsvinden. Het recreatief medegebruik kan door middel van een openbaar pad geregeld worden. Daarom is het uitgangspunt dat er een nieuwe verbinding tussen de dorpskern Loenen aan de Vecht en de Oostkanaaldijk gecreëerd wordt, waarbij het recreatief medegebruik niet eenzijdig onmogelijk kan worden gemaakt door de initiatiefnemer(s).
5 Actualisatie van de planregels en verbeelding Eén van de doelen van deze nota is het inzichtelijk maken in hoeverre de planregels en de verbeelding wijzigen ten opzichte van de bestaande bestemming. Onderstaand is daarom eerst per bestemming aangegeven of en in hoeverre de regels wijzigen. Vervolgens zijn de wijzigingen in de verbeelding en de toelichting benoemd.
5.1
Begrippen en wijze van meten
De begrippen van het bestemmingsplan zijn grotendeels gelijk aan de bestaande begrippen. Begrippen worden af en toe geactualiseerd naar aanleiding van jurisprudentie zodat het begrip goed aansluit bij de ontstane regelgeving. Ook zijn een aantal begrippen sinds de vaststelling van het bestaande bestemmingsplan opnieuw gestandaardiseerd. Vanwege de aard van de ontwikkeling zal er speciale aandacht uitgaan naar de definiëring van oppervlakten en peilhoogten. Dit heeft als doel om discussie te voorkomen over begrippen gehanteerd in het bestemmingsplan.
5.2
Specifieke bestemmingen
- Agrarisch met waarden De bestemming “Agrarisch met waarden” zal in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Het bestaande agrarische gebruik op de plek van de beoogde uitbreiding zal onder het overgangsrecht komen te vallen. Nadat het agrarisch gebruik is gestopt, zal de mogelijkheid om de gronden agrarisch te gebruiken automatisch komen te vervallen. - Sport De bestemming “Sport” zal de bestaande bestemming “Agrarisch met waarden” in het beoogde plangebied vervangen. Hiermee wordt de bestemming “Sport” ten behoeve van de uitbreiding van de golfbaan vergroot. In de regels zal opgenomen worden dat de aanduiding “Golfbaan” ten behoeve van een golfbaan is. De overige regels met betrekking tot de aanduiding “Golfbaan” blijven gehandhaafd. - Verkeer De bestemming “Verkeer” zal van toepassing zijn op de nieuwe wandel- of fietsverbinding tussen Loenen aan de Vecht en de Oostkanaaldijk.
Pagina 5 van 7
Nota van Uitgangspunten
- Water De bestemming “Water” blijft gehandhaafd zoals in het bestaande bestemmingsplan, met uitzondering van de regels ten behoeve van bruggen. Vanwege de instandhouding van de landschappelijke waarden en het kavel- en slotenpatroon, worden de aanleg van een of meer bruggetjes noodzakelijk. De aanleg van een of meer bruggetjes zal vergunningplichtig worden.
- Dubbelbestemming: Vrijwaringszone – straalpad De dubbelbestemming “Vrijwaringszone – straalpad” blijft gehandhaafd zoals in het bestaande bestemmingsplan. - Dubbelbestemming: Waarde Cultuurhistorie 1 De dubbelbestemming “Waarde Cultuurhistorie 1” blijft gehandhaafd zoals in het bestaande bestemmingsplan. - Dubbelbestemming: Waarde Archeologie 4 De dubbelbestemming “Waarde Archeologie 4” blijft gehandhaafd zoals in het bestaande bestemmingsplan.
5.3
Algemene bestemmingsregels en slotregel
Voor de algemene bestemmingsregels en de slotregels worden de standaardregels van de gemeente overgenomen.
5.4
Verbeelding
De verbeelding wordt aangepast aan de beoogde ontwikkeling, waarbij de huidige agrarische bestemming komt te vervallen en wordt vervangen door een sportbestemming (en deels een verkeersbestemming). Ook wordt er een bouwaanduiding voor de greenkeepersloods op de verbeelding opgenomen.
5.5
Plantoelichting
De toelichting van het bestemmingsplan “Golfbaan te Loenen” wordt vergelijkbaar met andere bestemmingsplannen in Stichtse Vecht.
6 Verleende omgevingsvergunningen 2015 – 2020 Onderstaande verleende omgevingsvergunning wordt gedeeltelijk in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen. Dit deel betreft de bouwaanduiding op de verbeelding. Overige aspecten van de vergunning zijn al geregeld in de bestaande regels van het bestemmingsplan. Adres Rijksstraatweg 171
Jaar 2017
Wat Oprichten van een greenkeepersloods
Type Omgevingsvergunning
7 Participatie In de reactie op een vooroverleg heeft het college van burgemeester en wethouders aan de golfbaan laten weten dat het aan de initiatiefnemer(s) is om het gesprek met de omgeving over de uitbreiding van de golfbaan op te starten. Uitgangspunt hierbij is de participatie zoals neergelegd in het spoorboekje.
Pagina 6 van 7
Nota van Uitgangspunten
De Initiatiefnemer zal een artikel in de VAR moeten plaatsen en daarnaast dit artikel huis-aan-huis moeten verspreiden bij direct aanwonenden. Ook zal de initiatiefnemer een informatieavond voor belangstellenden moeten organiseren. Belangstellenden die aanwezig zijn geweest op de informatieavond krijgen voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan inzicht in het plan en toelichting.
De gemeente faciliteert de wettelijke vormen van participatie rond de bestemmingsplanwijziging, zoals in het volgende hoofdstuk wordt aangegeven.
8 Vervolgprocedure De procedure zal gevoerd worden zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Afwijkingenbeleid 2014 van de gemeente Stichtse Vecht. De gemeente zal de inwoners van Loenen aan de Vecht in het algemeen via de gebruikelijke publicaties informeren over de voortgang van het bestemmingsplan. Belangstellenden die aanwezig zijn geweest op de informatieavond worden door de initiatiefnemer(s) op de hoogte gehouden van de voortgang van het bestemmingsplan. Dat betekent dat ze actief benaderd worden op het moment dat een concept-ontwerpbestemmingsplan gereed is. Zij krijgen voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan inzicht in het plan en toelichting. Mogelijke reacties kunnen dan alsnog verwerkt worden voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Daarna start de wettelijke procedure met mogelijkheden voor inspraak en zienswijzen. Met overlegpartners (provincie, waterschap, belanghebbende organisaties) wordt vooroverleg gestart.
Pagina 7 van 7
Nota van Uitgangspunten
De reacties van de overlegpartners worden verwerkt in een ontwerpbestemmingsplan, welke zes weken ter inzage wordt gelegd. Op het ontwerpbestemmingsplan kan eenieder zienswijzen indienen. In een Nota van zienswijzen wordt beschreven in hoeverre zienswijzen leiden tot aanpassingen van het ontwerp bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt vervolgens ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Na de vaststelling dient het bestemmingsplan binnen 2 weken te worden gepubliceerd. In de volgende 6 weken zijn belanghebbenden in de gelegenheid om beroep aan te tekenen op het plan bij de Raad van State.
Bijlage 2
-
Quickscan Wet natuurbescherming Rijksstraatweg ong. te Loenen aan de Vecht Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0925
Datum:
15 september 2022
Samensteller:
ir. L. Davids
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Plannen-makers
Contactpersoon:
C. Vaartjes
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
2.5
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Gebiedsbescherming
15
3.3
Houtopstanden
16
4 Samenvatting
17
4.1
Soortenbescherming
17
4.2
Gebiedsbescherming
17
4.3
Houtopstanden
17
5 Conclusie
18
5.1
Conclusie
18
5.2
Uitvoerbaarheid
18
5.3
Vervolgstappen
18
5.4
Te treffen maatregelen
18
1 Inleiding Aan de Rijksstraat ong. te Loenen aan de Vecht is Golfclub Old Course gesitueerd. Te zuiden hiervan zijn agrarische graspercelen gelegen. De initiatiefnemer is voornemens deze percelen te betrekken bij het bestaande golfterrein en nieuwe holes te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ´Agrarisch met waarden´ naar ´Sport´. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De initiatiefnemer is voornemens om nieuwe holes te realiseren ter uitbreiding van het huidige golfterrein.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen ten westen van de N402 te Loenen aan de Vecht (figuur 1.2). De planlocatie betreft agrarische graspercelen met kavelsloten. De meeste oevers van de kavelsloten zijn rijk begroeid. Aan de noordelijke grens is een bomenlaan aanwezig. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen ten westen van de N402 te Loenen aan de Vecht. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door Golfclub Old Course, de N402, het Amsterdams Rijnkanaal en agrarische graspercelen. Circa 2,4 km ten oosten van de planlocatie zijn de Loosdrechtse Plassen gelegen. Een spoorlijn is circa 150 m ten westen van de planlocatie gelegen.
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het uitbreiden van het huidige golfterrein middels het realiseren van nieuwe holes binnen het plangebied. Er wordt geen bebouwing of ontsluitingswegen gerealiseerd binnen de beoogde ontwikkeling. De functie van het perceel dient gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
mogelijk kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; aanbrengen van reliëf; grondverzet en graafwerkwerkzaamheden; creëren van gedraineerde ondergrond; aanleveren van zand en graafwerkzaamheden.
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2022 en is uitgevoerd door ir. L. Davids. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
8
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland.
Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. 9
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft agrarische graspercelen welke voornamelijk worden gekenmerkt door Engels raaigras. Er is geen verharding of bebouwing aanwezig. Aangetroffen soorten als grote brandnetel, heermoes en ridderzuring toont aan dat er sprake is van een sterk geëutrofieerde bodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, basterdwederik, els, gele plomp, grote brandnetel, grote egelskop, haagwinde, harig wilgenroosje, heermoes, oeverbies, ridderzuring en riet. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de boommarter en waterspitsmuis geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De boommarter komt voor in allerlei soorten bossen maar ook stadparken en tuinen in de buurt van bosgebieden. De soort gebruikt boomholtes of vogelnesten als rust- of voortplantingsplaats. In de bomen binnen de planlocatie zijn geen holtes of nesten waargenomen, waardoor aanwezigheid van rust- of voorplantingsplaatsen uitgesloten kunnen worden. Tevens is de planlocatie gelegen in open agrarisch gebied. Derhalve is er eveneens geen sprake van functioneel leefgebied of een eventuele migratieroute van de boommarter.
Negatieve effecten op de boommarter zijn derhalve uitgesloten. De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. Binnen een straal van 2 km is één waarneming bekend welke gebaseerd is op braakbalonderzoek (NDFF 20122022). Binnen de planlocatie sprake van sterk geëutrofieerd water en is een sterk ontwikkelde watervegetatie afwezig. Derhalve zijn de watergangen binnen het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de soort. Voorkomen van de waterspitsmuis binnen het plangebied is derhalve uitgesloten.
10
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis/brandts vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Gezien de bomen binnen het plangebied relatief jong zijn, is de aanwezigheid van holtes zeer onwaarschijnlijk. Er zijn dan ook geen holtes of loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats aangetroffen. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten aangetroffen. Er worden mogelijk bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Wegens de afwezigheid van bebouwing binnen het plangebied resulteert de beoogde ontwikkeling niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Wegens het gebrek aan veel opgaande vegetatiestructuren en de aanwezigheid van voldoende groen en water in de directe omgeving van de planlocatie is er geen sprake van essentieel foerageergebied.
Laatvliegers jagen boven open tot halfopen landschap en vliegen tevens over graslanden en weilanden. In de afgelopen 10 jaar zijn er 6 waarnemingen van laatvlieger binnen een straal van 2 km van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Gezien het aantal waarnemingen en de grote hoeveelheid alternatief foerageergebied is er eveneens geen sprake van essentieel foerageergebied voor de laatvlieger, daarnaast blijft het landschap grotendeels hetzelfde. Indien er sprake is van een vliegroute zullen vleermuizen zeer waarschijnlijk de bomenlaan parallel aan het Amsterdams Rijnkanaal gebruiken. De bomenlaan aan de noordzijde van de planlocatie eindigt aan de oostkant waardoor deze niet uitmaakt van een essentiële vliegroute. Van aantasting van essentieel foerageergebied en/of vliegroute ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is derhalve geen sprake. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren.
Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen het plangebied zijn meerdere watergangen aanwezig, waarvan sommige mogelijk gedempt zullen worden.
11
De rugstreeppad is een typische pionierssoort die vaak als eerste verschijnt in een gebied dat door mensen op de schop is genomen, zoals afgravingen en braakliggend bouwterrein. De soort heeft een voorkeur voor in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan vormen ideaal voortplantingswater. Het terrestrische habitat bevindt zich op hoogwatervrije terreinen, welke in de winter vorstvrij dienen te zijn (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers, 2019). Er is geen sprake van tijdelijk en snel opwarmend water binnen het plangebied. De watergangen binnen het plangebied zijn of te breed of beschikken over een te sterk begroeide oever (c.q. brede rietkraag) waardoor deze watergangen ongeschikt zijn als voorplantingswater. Er is sprake van een hoge grondwaterstand en er is sprake van een verstoorde bodem door de bewerking van het land. Vorstvrije structuren ontbreken. Derhalve is er momenteel geen sprake van functioneel leefgebied van de rugstreeppad binnen het plangebied. In de afgelopen drie jaar is de rugstreeppad alleen waargenomen ten westen van het Amsterdams Rijnkanaal (NDFF 2012-2022).
Deze barrière is te groot om te overbruggen voor de soort. Conform het Kennisdocument Rugstreeppad (2017) zijn derhalve aanvullende maatregelen om kolonisatie te voorkomen niet benodigd. Negatieve effecten ten aanzien van de rugstreeppad zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang jaagt langs het water en zont op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Er zijn geen structuren aanwezig binnen het plangebied welke gebruikt kunnen worden als broedbiotoop.
Daarnaast worden de percelen regelmatig bewerkt waardoor er sprake is van verstoring. Door het voorgenoemde en de ligging van de planlocatie in agrarisch gebied is er geen sprake van functioneel leefgebied van de ringslang binnen het plangebied en kan het voorkomen van de soort uitgesloten worden. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Bij de beoogde dempwerkzaamheden dient de Algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Derhalve dienen enkele maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
12
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2012-2022). De platte schijfhoren leeft vooral in voedselrijke, schone, ondiepe, onbeschaduwde wateren met een uitbundige onderwatervegetatie. Op kleibodems komt de soort veel minder voor. De vegetatie wordt gekenmerkt door ondermeer kikkerbeet, diverse fonteinkruiden en brede waterpest (Boesveld et al, 2011). Binnen de watergangen is op één locatie gele plomp waargenomen, de overige kavelsloten bevatten geen tot weinig watervegetatie. Daarnaast zijn soorten als kikkerbeet, diverse fonteinkruiden en brede waterpest niet waargenomen. Tevens is er sprake van een kleibodem en sterk geëutrofieerd water. Door het voorgenoemde kan de aanwezigheid van platte schijfhoren op de planlocatie uitgesloten worden. Binnen de planlocatie is basterdwederik en harig wilgenroosje waargenomen, welke waardplanten betreffen voor de teunisbloempijlstaart. Echter komt de soort voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Gezien de ligging van de planlocatie in agrarisch gebied is er geen sprake van functioneel leefgebied van de soort. Daarnaast is teunisbloempijlstaart niet waargenomen binnen een straal van 8,5 km van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Derhalve kan de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart binnen het plangebied uitgesloten worden.
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Er is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, blauwe reiger, boerenzwaluw, houtduif en huiszwaluw. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20122022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gezien de afwezigheid van bebouwing binnen het plangebied kan de aanwezigheid van in gebouw broedende vogels (c.q. huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil) op voorhand worden uitgesloten.
Wegens de afwezigheid van bebouwing welke geschikt is als nestlocatie voor de huismus, resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep eveneens niet in een afname van functioneel leefgebied van de huismus. Er zijn geen sporen (braakballen of prooiresten) van uilen of roofvogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Tevens zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Het plangebied is mogelijk onderdeel van algemeen foerageergebied van uilen- en roofvogelsoorten, echter is er sprake van voldoende foerageermogelijkheden in de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast blijft het plangebied grotendeels vergelijkbaar in de nieuwe situatie. Derhalve is er geen sprake van essentieel leefgebied van uilen- en roofvogelsoorten binnen het plangebied. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
13
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gezien langs sommige oevers sprake is van een rijke begroeiing zijn nestlocaties van algemene broedvogels niet uit te sluiten. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de (kap)werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Tabel 3.1
Vogelsoorten onder categorie 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
14
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van nieuwe holes ten behoeve van de uitbreiding van het huidige golfterrein. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien de afstand (1,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van zeer beperkte omvang waarbij een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven.
15
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 320 m ligt het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van circa 500 m ligt de Groene Contour (figuur 3.2). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 320 m tot het Natuurnetwerk Nederland en circa 500 m tot de Groene Contour (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
16
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groene Contour
1,5 km 320 m 500 m
Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
17
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde realisatie van nieuwe holes ten behoeve van de uitbreiding van het huidige golfterrein aan de Rijksstraatweg ong. te Loenen aan de Vecht is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijk mogelijkheden te bieden. Indien een watergang volledig wordt gedempt en er geen sprake is van uitwijkmogelijkheden dient, om het doden van individuen te voorkomen, de te dempen watergang afgevist te worden door een ecologisch deskundige. • De (kap)werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 18
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
19
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Rijksstraatweg ong. te Loenen aan de Vecht en bestaat uit agrarische graspercelen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het realiseren van holes t.b.v. de uitbreiding van het huidige golfterrein.
Figuur 2
Het huidige golfterrein.
20
Figuur 3
Impressie van de westelijke helft van het plangebied met rechts de bomenlaan.
Figuur 4
De watergangen met sterk begroeide oevers.
21
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 22
Bijlage 3
Bijlage 4
Verkennend (asbest)bodemonderzoe k Randweg N402 Loenen aan de Vecht 21-2423-R01AvH
COLOFON
Opdrachtgever
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht
Locatie
Randweg N402 te Loenen aan de Vecht
Type onderzoek
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 / NEN 5897
Rapportnummer
21-2423-R01AvH
Datum rapport
26 augustus 2022
Auteur
Dhr. A.J. van Houwelingen Projectleider Bodem
Kwaliteitscontrole
Mevr. M. Penders Projectleider Bodem
Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl Verkennend (asbest)bodemonderzoek Randweg N402 te Loenen aan de Vecht 21-2423-R01AvH
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING .......................................................................................................................... 1
2.
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2 2.1 2.2 2.3
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740 ...................................................................... 4 3.1 3.2 3.3
4.
Onderzoeksopzet ............................................................................................................ 4 Uitvoering en resultaten veldwerk ..................................................................................... 4 Uitvoering en resultaten chemisch-analytisch onderzoek ...................................................... 5
AANVULLEND ONDERZOEK DAMMETJES EN VERHARDINGEN BIJ BRUGGETJES ................. 10 4.1 4.2
5.
Algemeen ....................................................................................................................... 2 Verzamelde informatie vooronderzoek ............................................................................... 2 Hypothese ...................................................................................................................... 3
Onderzoeksstrategie ...................................................................................................... 10 Uitvoering en resultaten aanvullend onderzoek ................................................................. 10
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 14
BIJLAGEN 1.
2. 3. 4. 5. 6.
Weergave onderzoekslocatie 1.1 Omgevingskaart en kadastrale gegevens 1.2 Situatietekening(en) 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek
Verkennend (asbest)bodemonderzoek Randweg N402 te Loenen aan de Vecht 21-2423-R01AvH
1. INLEIDING
In opdracht van Plannen-makers heeft Inventerra in de periode mei-juli 2022 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 / NEN 5897 verricht op de locatie aan de Randweg N402 te Loenen aan de Vecht. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging in verband met de geplande ontwikkeling van een golf-course. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de geplande herontwikkeling. Kwaliteit Inventerra is door Normec Certification gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer ECSIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001. De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever.