1 Bijlage TL 2. Spengen 2, Kockengen.pdf
Tekst van het document
110g Wgh) is afkomstig van het verkeer op de N401 en bedraagt 50 dB op de gevel(s) van de hoofdwoning op de 1e verdieping. Op de begane grond bedraagt deze 48 dB. (Zomer)woning De hoogst berekende waarde (excl. aftrek Art. 110g Wgh) op de zomerwoning ten gevolge van de Wet geluidhinder wegen wordt veroorzaakt door het verkeer op de N401 en bedraagt 51 dB op de gevel(s) van de zomerwoning op de begane grond. Zoals vermeld heeft de gehele woning de bestemming wonen met de mogelijkheid van een B&B op de bovenverdieping. De hoogst berekende waarde (incl. aftrek Art. 110g Wgh) is afkomstig van het verkeer op de N401 en bedraagt 49 dB op de gevel(s) van de zomerwoning op de bovenverdieping.
25
Hogere grenswaarden Er wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai als opgenomen in de Wet geluidhinder. Voor de hoofdwoning is de noodzaak voor het vaststellen van een hogere grenswaarde aan de orde voor de toekomstige woning op de bovenverdieping. De benodigde hogere grenswaarde De benodigde hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeer is in onderstaande tabel weergegeven (Zie ook de Akoestische rappoprtage).
Goede ruimtelijke ordening Als plafondwaarde voor de goede ruimtelijke ordening is gehanteerd de maximale geluidsbelasting wegverkeer Wet geluidhinder voor een buitenstedelijke situatie zijnde 53 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 50 dB. Gelet op genoemde plafondwaarde wordt hier aan voldaan. De conclusie luidt dan ook dat de ontwikkeling voldoet aan het aspect goede ruimtelijke ordening. Tevens kan in dit kader worden geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidsbelasting lager is dan de landelijke gehanteerde 65 dB. De hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt maximaal 53 dB (zie ook Gecumuleerde geluidsbelasting). 5.1.2
Conclusie
De bovenvermelde conclusie uit de akoestische rapportage betekent dat de planologische wijziging geen problemen oplevert voor de omgeving. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Wel is het noodzakelijk om een hogere grenswaarde vast te stellen. Deze procedure kan gelijk oplopen met de vaststelling van het bestemmingsplan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om in het bestaande karakteristieke hoofdgebouw een extra woning te realiseren. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan permanente bewoning van het bestaande zomerwoning mogelijk gemaakt. De feitelijke bestemming wonen blijft ongewijzigd. Voor de tuin / erf wordt de bestemming Tuin en de dubbelbestemming Waarde-Landschap opgenomen, waarmee nieuwe bijgebouwen worden uitgesloten. De bestaande karakteristieke hoofdwoning en zomerwoning hadden al de bestemming Wonen en bevinden zich binnen het bestaande bouwvlak.
26
5.2.2 Conclusie In dit bestemmingsplan wordt het planologisch mogelijk gemaakt om binnen de bestaande woonbebouwing twee woningen toe te voegen. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. Het terrein is reeds in gebruik en vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik. Er is daarom geen nader bodemonderzoek vereist. 5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Tussen de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening is een koppeling gelegd. Zo dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de in de Wet milieubeheer opgenomen richtwaarden en grenswaarden voor een aantal luchtvervuilende stoffen. Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • • • •
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (lucht- kwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het planologisch faciliteren van een interne splitsing van een woning en het gebruik van een bestaande zomerwoning voor permanente bewoning waarbij de bebouwde oppervlakte niet wijzigt heeft betrekking op een ontwikkeling die als "niet in betekende mate" kan worden aangemerkt. Daarnaast speelt bij de realisatie de luchtverontreiniging geen negatieve rol. Zowel de onderhavige ontwikkeling alsook de omliggende bedrijven betreffen geen zware milieucategorie bedrijven. Er is derhalve geen sprake van het toestaan van een nieuwe functie welke vanuit een goede ruimtelijke ordening niet mogelijk is. Om die reden kan worden gesteld dat met de gewenste planvorming geen verslechtering van de luchtkwaliteit wordt veroorzaakt en dat er tevens sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
5.3.2
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
27
5.4
Archeologie
5.4.1
Algemeen
Voor de archeologie is het uitgangspunt dat archeologisch erfgoed op de oorspronkelijke vindplaats wordt beschermd. Op Europees niveau is dit geregeld in het verdrag van Malta. Nederland heeft dit verdrag ondertekend en geratificeerd. Als wettelijk kader voor archeologie geldt de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische verwachtings – en beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van een voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Aangezien de voorgenomen bestemmingswijziging geen verruiming betekent van mogelijke ingrepen in de bodem (splitsing van een bestaande woning / functiewijziging van een bestaand zomerwoning) en er geen ingrepen in de bodem worden voorzien wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Wel worden in de voorschriften regels gesteld omtrent het bouwen in het kader van de Waarde Archeologie-2 en Archeologie-4. 5.4.2
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan omschreven ontwikkeling.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Algemeen
Het perceel heeft in het vigerend bestemmingsplan geen aanduiding “Cultuurhistorie”. Wel hebben de hoofdwoning en de zomerwoning de aanduiding 'karakteristiek'. Op 28 februari 2022 heeft er een bouwhistorische verkenning plaatsgevonden met een bijbehorende waarde stelling. De verkenning is uitgevoerd door het bureau ‘Monument in’ gevestigd in Loosdrecht. Betreffende de schil van zowel de hoofdwoning als de zomerwoning zijn diverse elementen gewaardeerd met een positieve monumentwaarde. Dit bestemmingsplan geeft de mogelijkheid om de hoofdwoning te splitsen en de zomerwoning te gebruiken voor permanente bewoning. Hierbij zal de schil van de betreffende gebouwen niet worden gewijzigd waardoor de benoemde waarden in stand worden gehouden. Ook de entree van de hoofdwoning zal niet worden veranderd. Voor wat betreft het interieur wordt er geen specifieke waarde toegekend. 5.5.2
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan omschreven ontwikkeling.
28
5.6
Natuur en Ecologie
5.6.1
Algemeen
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Taken en verantwoordelijkheden voor uitvoering van natuurbescherming en -ontwikkeling zijn zoveel mogelijk bij provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Provincies hebben de regels voor de bescherming van natuurwaarden uitgewerkt in provinciale verordeningen. De grootste veranderingen treden op in het onderdeel soortbescherming. Ten aanzien van gebiedsbescherming treden nauwelijks veranderingen op. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Naast algemene wetten en regels is er de planologische bescherming van Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS/ Ecologische Hoofdstructuur). De basis van het natuurbeleid is het NNN. Het NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Binnen het NNN zijn gebieden aangewezen die vallen onder Natura 2000: een netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Natura 2000 gebieden worden in de Wet natuurbescherming beschermd.
Voor elk vastgesteld Natura 2000-gebied is een aanwijzingsbesluit opgesteld waarin is opgenomen voor welke soorten en/of habitattypen het betreffende gebied van belang is. In deze aanwijzingsbesluiten zijn instandhoudingdoelstellingen (IHD) gedefinieerd. Voor de wijziging van het bestemmingsplan is normaal gesproken een nader onderzoek Flora en Fauna vereist. Echter voorziet deze wijziging van het bestemmingsplan alleen in een functiewijziging van de zomerwoning en een splitsing van de bestaande hoofdwoning. Het slopen of verwijderen van bebouwing is niet aan de orde. Een flora- en/of fauna onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 5.6.2
Conclusie
De planwijziging heeft geen significante negatieve gevolgen voor wat betreft Flora en Fauna.
5.7
Water
5.7.1
Algemeen
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
29
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Wateradaptie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen.
Planspecifiek De waterkwaliteit mag als gevolg van deze herziening niet negatief worden beïnvloed.
30
Deze herziening van het bestemmingsplan behelst het planologisch mogelijk maken van twee extra woningen binnen de bestaande bebouwing, binnen de bestemming Wonen. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. Voor wat betreft de waterhuishouding verandert er niets. 5.7.2
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.
5.8
Verkeer en parkeren
5.8.1
Algemeen
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. De gemeente Stichtse Vecht heeft hiertoe een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Voor het plangebied betekent dit: Het GVVP van de gemeente Stichtse Vecht (deel B) geeft de richtlijnen betreffende parkeren. Er is sprake van niet stedelijk gebied. De te splitsen woning kan worden beschouwd als een twee onder een kap met een parkeernorm van 2,3. (2 woningen = 4,6) Voor de vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,5. Voor de B&B worden in de nota Parkeernormen geen criteria benoemd. Vergelijkbaar zijn de criteria voor campings in het buitengebied. Hier geldt een parkeernorm van 1,2 per standplaats. (B&B = 3 x 1,2 = 3,6). In totaal zijn er 7,1 + 3,6 = 10,7 = 11 parkeerplaatsen nodig. Er is ruim voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Er worden 11 parkeerplaatsen half verhard aangelegd. 5.8.2
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan omschreven ontwikkeling.
5.9
Duurzaamheid
5.9.1
Algemeen
Met betrekking tot de duurzaamheid is gekeken naar het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid. Provinciaal beleid De provincie stelt in de interim Omgevingsverordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn:
31
• het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; • energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Gemeentelijk beleid In de Voorjaarsnota 2016 en het beleidsplan Op weg naar nieuwe energie (2021) is de ambitie vastgelegd om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2030 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt. In de woonvisie zijn deze ambities voor wat betreft woningen nader uitgewerkt. Planspecifiek Het uitgangspunt van de gemeente is dat duurzaamheid gestimuleerd moet worden. Doordat het bestemmingsplan ruimte geeft voor extra bewoning is het financieel gezien haalbaar om de woningen te verduurzamen. De renovatie van de woningen wordt in drie fasen uitgevoerd. In de eerste fase wordt de (voormalige) zomerwoning bouwkundig hersteld of vernieuwd en worden voorzien van vloer-, muur- en dakisolatie en worden er zonnepanelen aangelegd. In de 2e fase wordt de ene helft van de boerderij verbeterd en verder geïsoleerd zodat lage temperatuurverwarming mogelijk is. In de laatste 3e fase is wordt de andere helft van de boerderij op dezelfde wijze hersteld. 5.9.2
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect duurzaamheid geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan omschreven ontwikkeling. Bij de renovatie van de bebouwing zal een combinatie van verbeterde isolatie en zonnepanelen zorgen voor vermindering van het energieverbruik.
5.10
Externe veiligheid
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van: - De spoorlijn Breukelen – Gouda - De provinciale weg N401 De spoorlijn Breukelen – Gouda Op de spoorlijn kan een ongeval plaatsvinden waarbij toxische stoffen vrijkomen. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een afstand van meer dan 200 meter van het spoor kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Zie ook artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De Provinciale weg N401 Op de N401 kan een ongeval plaatsvinden waarbij brandbare gassen een explosie kunnen veroorzaken. De effecten van een explosie kunnen tot op een afstand van 355 meter dodelijk zijn. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de weg ligt, dient het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. In hoeverre er sprake is van een beperkte of volledige verantwoording hangt af van de hoogte van het groepsrisico en de invloed van het plan op het groepsrisico. Gezien de beperkte ontwikkeling, de omgeving van het plangebied en het aantal transporten gevaarlijke stoffen over de N401 is de verwachting dat het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. Hiermee volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
32
Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van de te realiseren woning is hierbij van essentieel belang. Aangezien het gaat om beperkte ontwikkelingen is de bestaande bereikbaarheid voldoende. Bluswatervoorzieningen De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De locatie dient te voldoen aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit tussen de 30m3 /h. Het plan voldoet hieraan. Zelfredzaamheid Toxische wolk ( spoorlijn Breukelen – Gouda) Aangezien de ontwikkeling ingaat op het mogelijk maken van de realisatie van 2 extra woningen binnen de bestaande bebouwing kan worden verondersteld dat de zelfredzaamheid van de toekomstige aanwezigen voldoende is om zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van een ramp in veiligheid te kunnen brengen. Een aandachtspunt is de vluchtmogelijkheden en de risicocommunicatie. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven. Initiatiefnemer is hiervan op de hoogte. De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een explosie op de N401 is beperkt. Dit komt omdat het een scenario is met weinig tot geen ontwikkeltijd.
Bij een explosie is het beste advies om te vluchten van de bron af. 5.11
Milieuzonering
De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich (onder voorwaarden) kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moeten in het kader van een goede ruimtelijke ordening alle aspecten en belangen betrokken worden en zorgvuldig te worden afgewogen. Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging van milieubelastende en milieugevoelige functies.
Uitgangspunt hierbij is dat enerzijds ter plaatse van de nieuwe gevoelige functies sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds dienen de bestaande bedrijven hun huidige activiteiten binnen de bestaande milieuregelgeving en planologie voort te kunnen zetten en niet te worden beperkt. De VNG heeft een handreiking (2009) 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld waar- bij richtafstanden zijn opgenomen voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen).
33
Daarnaast gelden voor de omliggende veehouderijen vaste afstanden op grond van de wet Geurhinder en Veehouderij. Toetsing Het perceel Spengen 2 is gelegen in een lintbebouwing met zowel woon- als agrarische bestemmingen. In de directe nabijheid van Spengen 2 zijn geen bedrijven gelegen zoals omschreven in de voornoemde brochure. Het dichtstbijzijnd agrarisch bedrijf is Spengen 7a te Kockengen. Dit perceel heeft een agrarische bestemming. De kortste afstand van de beoogde woning tot de rand van het bouwvlak van de veehouderij bedraagt circa 240 meter. De minimale afstand conform artikel 3.117, lid 1a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bedraagt 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Conclusie bedrijven en milieuzonering Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering bestaan geen belemmeringen voor het realiseren van het bestemmingsplan. 5.12
Besluit milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder C of D van het Besluit m.e.r.- . Met dit bestemmingsplan wordt een juridisch-planologisch kader geboden voor het splitsen van een bestaande woning en permanente bewoning van een bestaande zomerwoning. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet benoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r. Het opstellen van een m.e.r.beoordeling of plan M.E.R. is dan ook niet nodig. Conclusie Het bestemmingsplan is in het kader van het Besluit milieueffectrapportage uitvoerbaar.
5.13
Beeldkwaliteit
5.13.1 Beeldkwaliteit Beeldkwaliteit is een ruim begrip dat betrekking heeft op alle aspecten die van invloed kunnen zijn op de beleving van de ruimtelijke omgeving. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden spelen hierbinnen een belangrijke rol. Deze beeldkwaliteitsparagraaf geeft inzicht in de nieuwe beeldkwaliteit. 5.13.2 Algemene beeldkarakteristiek Tezamen met de voormalige gemeente Loenen heeft Breukelen in 2008 het Beeldkwaliteitplan “Breukelen en Loenen” laten opstellen. Dit plan vormt samen met het opgestelde landschapsontwikkelingsplan een tandem. 5.13.3 Landschap Het plangebied is gelegen in het veenweidelandschap. Het is gesitueerd aan een voor dit landschapstype kenmerkend langgerekt bebouwingslint, op de kop van de hier aanwezige strokenverkaveling. Het
34
landschap rondom de planlocatie kenmerkt zich door grootschaligheid en openheid. Het perceel is grotendeels omgeven door sloten. Op het perceel zelf is erfbeplanting aanwezig. Het beeldkwaliteitsplan geeft ondermeer de volgende algemene richtlijnen ten aanzien van de beeldkwaliteit van de linten: • Behouden karakteristieke verschillen en opbouw van de linten • Behouden landelijke beeldkwaliteit bij nieuwe objecten • Nieuwe ontwikkelingen dienen niet de openheid van de polder aan te tasten, maar kunnen ruimtelijk gezien het beste binnen de aangegeven karakteristieke opbouw van het lint worden opgelost. Hierbij dienen uitzichten behouden te blijven en dienen nieuwe functies goed te worden ingepast • Behouden kenmerkende slotenpatroon van de cope ontginning • Bestaande beplantingen dienen gehandhaafd te blijven. Voor wat betreft Spengen spreekt het Beeldkwaliteitsplan over tweezijdige bebouwingslinten met de volgende omschrijving. Binnen de tweezijdige bebouwingslinten van Spengen, Portengen en Kortrijk komen diverse bebouwing met hun erven voor een weerszijden van de weg. De bebouwing wordt afgewisseld door grote geriefhoutbossages. Het lint van Portengen vormt het meest ontwikkeld lint met veel bebouwing. Hiervan kent het Noordelijk deel (Noordeinde) een meer open beeld dan de andere delen.
5.13.4 De gewenste ontwikkelingen De gewenste ontwikkelingen behelzen een ander gebruik van de bestaande gebouwen waarbij het hoofdgebouw wordt gesplitst in twee woningen en de zomerwoning gebruikt wordt voor permanente bewoning en bed en breakfast. Dit laatste is al passend in het vigerend bestemmingsplan. Het traditionele boerenerf wordt hierbij in stand gehouden. Bij de realisatie van het plan zullen ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen worden aangebracht zoals het aanleggen van een moestuin, het herstel van de oude boomgaard door toevoeging van oude fruitbomen alsook het herstel van de natuurlijke afscheidingen middels knotwilgen en elzen met een doorkijk in noordelijke richting. Ook zullen het aan de oostzijde gelegen speelhuisje op poten en de trampoline na vaststelling van het bestemmingsplan worden verwijderd. Het perceel wordt ingericht conform onderstaande schetsen die zijn gehaald uit het inrichtingsplan van La4sale d.d. 21 maart 2022 (Bijlage 1). Uitgangspunten hierbij zijn: • • • • •
35
Inpassing in de omgeving De parkeerplekken worden op het erf uit het zicht van de straat gerealiseerd Zowel oeverbeplanting als sierbeplanting worden in losse vorm toegepast De erfbeplanting bestaat uit streekeigen soorten Instandhouding van het huidige geriefhoutbosje
Inpassing in de omgeving
Gewenste landschappelijke inpassing
36
5.13.5 Toetsing initiatief aan de gewenste beeldkwaliteit In het bij de regels behorende inrichtingsplan is ondermeer opgenomen het herstel van de bestaande oeverbeplanting en met de bijbehorende bomenrij. Hierdoor worden de bestaande gebouwen weer in de oorspronkelijke historische context gebracht. Er is hierdoor sprake van een verbetering van de beeldkwaliteit.
37
6.
Juridische aspecten en planverantwoording
6.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels.
6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
38
6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijkingen van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik in elk geval strijdig is met de bestemming. Afwijkingen van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Wijzigingsbevoegdheid: onder welke voorwaarde mogen bestemmingen wordt gewijzigd.
• • • • •
6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit ondermeer: •
Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels In dit artikel wordt aangegeven wanneer overschrijding van bouwgrenzen is toegestaan. Daarnaast zijn er regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen.
•
Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik in strijd is met de bestemming.
•
Algemene aanduidingsregels In dit artikel wordt duiding gegeven aan het begrip ‘Karakteristiek’.
•
Algemene Afwijkingsregels(Artikel 13) Dit artikel geeft aan in welke gevallen het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van dit plan.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 14) In dit artikel wordt de wijzigingsbevoegdheid op het gebied van archeologie beschreven.
•
Algemene procedureregels (Artikel 15) In dit artikel wordt de procedure nadere eisen beschreven.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
39
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. artikel 6 Bos De bestemming Bos ter plaatse van het geriefbosje aan de noordzijde van het perceel, wordt overgenomen uit bestemmingsplan Landelijk Gebied West. artikel 12 Tuin -3 Voor de tuin wordt de bestemming Tuin - 3 opgenomen. De bestaande bijgebouwen krijgen de aanduiding 'bijgebouwen'. Voor de bestaande hooimijt/-berg wordt een maatvoeringsaanduiding opgenomen die de bestaande maximale bouw- en goothoogte vastlegt. artikel 15 Wonen - 1 Alleen de twee (hoofd)gebouwen krijgen een eigen bouwvlak (incl.
aanduidingen, zie bijlage Verbeelding). Beide bouwvlakken (gebouwen) houden de aanduiding karakteristiek. Voor de gesplitste hoofdwoning wordt een maatvoeringsaanduiding opgenomen die maximaal twee woningen toestaat. artikel 18 Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is opgenomen voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. artikel 22 Waarde - Archeologie 5 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is opgenomen voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Artikel 27 Waarde – Landschap 1 De voor ‘Waarde – Landschap 1’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en versterken van de waardevolle landschappen.
7.
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst en een planschade overeenkomst gesloten
40
tussen initiatiefnemer en de gemeente Stichtse Vecht. Hierin zijn alle gemeentelijke kosten opgenomen en is vastgelegd dat het risico van planschade bij de initiatiefnemer ligt, waarmee het kostenverhaal voor de gemeente volledig is.
8.
Vooroverleg en inspraak
8.1
Vooroverleg
nader in te vullen 8.2
Inspraak
Nader in te vullen
41