1. Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis (met bijlagen).pdf
Tekst van het document
Pagina 25 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Het LOP geeft een visie op de functies, de bestaande landschapskarakteristiek en de gewenste landschapsontwikkeling van de verschillende deelgebieden. Het beeldkwaliteitsplan gaat in op de samenhangende beeldkwaliteit van bepaalde structuren en op het lagere schaalniveau van daarbinnen gelegen erven, bebouwing en kleinschalige landschapselementen, zoals beplantingen en water. Het beeldkwaliteitsplan heeft (verkort) als uitgangspunten behoud van: • typische landschappelijk kenmerken die het gebied deels een besloten karakter geven, zoals de landgoederen en buitenplaatsen, de fruitgaard(en) op de stroomruggen en beplanting van de voormalige militaire structuren; • afwisseling van tussen open en besloten landschappen; • vrije zicht vanaf de wegen op het open en weidse polderlandschap en de Vecht en vanaf de Vecht op het omringende landschap. De doorzichten vanaf de Mijndensedijk dienen te worden verbeterd. Dit versterkt de beleving van de polder en van de Vecht. Een verdere verdichting van de bebouwing en/of woonschepenlinten dient te worden voorkomen. Dit geldt ook voor het toevoegen van landschappelijke elementen die de ruimtelijke waarden aantasten; • agrarische bedrijven waarmee belangrijke landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden worden behouden; • bestaande (militaire) gracht- en watersystemen.
Met name de beleefbaarheid en beeldkwaliteit verdienen aandacht voor verbetering; • de houten woningen, die zijn gerealiseerd op basis van de “verboden kringenwet”. Eventuele bouwkundige maatregelen dienen niet alleen gericht te zijn op behoud maar ook op het herstel van de oorspronkelijke waarden. Voort is in het plan aangegeven dat een autonome dorpsontwikkeling moet aansluiten bij het landschap en passen binnen de cultuurhistorische waarden. De rijke historie van Nieuwersluis dient het belangrijkste uitgangspunt te zijn in het geval van ruimtelijke ingrepen of een stimulans om vervallen bestaande waarden op te waarderen. Planspecifiek Na 2009 zijn diverse provinciale en gemeentelijke stukken vastgesteld, met actuele informatie over de cultuurhistorische waarde van het plangebied en omgeving (zie eerder in dit hoofdstuk). Om die reden is het beeldkwaliteitsplan hierboven als beleidslijn alleen aangehaald op de algemene thema’s die aansluiten op recent beleid.
Pagina 26 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
3 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit-m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor m.e.r.-plichtige activiteiten, zijn getalsmatige grenzen uit het Besluit-m.e.r. niet meer 'hard', maar hebben deze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een plan-m.e.r. moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project)m.e.r. noodzakelijk is; de activiteiten in het bestemmingsplan mogelijk leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk).
Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een (projectof besluit)-m.e.r. betreft een besluit op grond waarvan geen nader Besluit-m.e.r. of (beoordelings)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer-(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit-m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (plan-m.e.r.). In geval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële m.e.r.beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan betreft geen activiteit zoals benoemt in het Besluit-m.e.r. (Bijlage C en D). Dit betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-plicht en dat geen vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is.
Voor onderliggend plan kan voor de milieugevolgen op basis van de in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Pagina 27 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er dient dus beoordeeld te worden: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Voor deze afstanden in de brochure geldt dat naast de factoren aard en omvang van het bedrijf deze mede afhankelijk zijn van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.
Geur Geur is één van de aspecten die de afstanden die op basis van de zonering bij Bedrijven & milieuzonering aangehouden moet worden. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het toetsingskader voor geur vanwege dierenverblijven van veehouderijen bij vergunningverlening. Per 1 januari 2013 vallen veel veehouderijen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit en is er met betrekking tot geur aangesloten bij de systematiek uit de Wgv. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat nieuwe geurgevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van veehouderijen gesitueerd worden en dat nieuwe veehouderijen een passende locatie ten opzichte van gevoelige bestemmingen krijgen. Planspecifiek Het voornemen bestaat om het gebouw Mijndensedijk 45 in Nieuwersluis te herbestemmen. De vigerende bestemming is ‘agrarisch met waarden’ met functieaanduiding ‘opslag’. In de directe omgeving zijn twee bestaande veehouderijen gelegen. Voor een zorgvuldige besluitvorming moet het plan op de volgende aspecten worden beoordeeld: • •
Worden veehouderijen niet onevenredig in hun belangen geschaad; Is ter plaatse de locatie Mijndensedijk 45 sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Worden veehouderijen niet onevenredig in hun belangen geschaad? In de directe omgeving van het toekomstige geurgevoelige object zijn de volgende veehouderijen gelegen: • Mijndensedijk 51, melkrundvee en 20 schapen; • Mijndensedijk 57, melkrundvee, 13 schapen en een kleine vleesvarkenstak (180). De Wgv/Activiteitenbesluit maakt onderscheid in dieren met een minimale vaste afstand en dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Voor stallen waar dieren gehouden worden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zogenaamde ‘vaste afstandsdieren’ gelden minimum afstandseisen:
Pagina 28 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
• •
voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 m; voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 m.
Als uitgangspunt wordt de grens van het bouwvlak van de veehouderij genomen, ervan uitgaande dat binnen het gehele bouwvlak de veehouder stallen kan realiseren. De veehouderij kan in zijn belangen worden geschaad als binnen 50/100 meter van de grens van zijn bouwvlak een geurgevoelig object wordt opgericht. Het gebouw Mijndensedijk 45 is gelegen buiten de bebouwde kom en op een afstand van 28 meter van het agrarische bouwblok Mijndensedijk 51. Omdat het gebouw Mijndensedijk 45 wordt beschouwd als een bestaand geurgevoelig object wordt de veehouderij Mijndensedijk 51 niet (extra) beperkt in de bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een geurverordening vastgesteld die bepaald dat tussen een bestaande veehouderij met vaste afstandsdieren en een bestaand geurgevoelig object buiten de bebouwde kom een minimale afstand geldt van 25 meter. Ook voor eventuele uitbreiding van de veehouderij Mijndensedijk 51 met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld moest al rekening worden gehouden met het gebouw Mijndensedijk 45. Ook voor deze categorie is er dus geen extra beperking in de bedrijfsvoering. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Voor het beoordelen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is de voorgrond- en de achtergrondbelasting van belang.
De voorgrondbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object is de geurbelasting die wordt veroorzaakt door de voor dat geurgevoelig object dominante veehouderij. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. Uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de geurbelasting van één veehouderij (voorgrondbelasting) anders is dan als gevolg van de totale geurbelasting van meerdere veehouderijen (de achtergrondbelasting). Bijvoorbeeld: als één veehouderij een geurbelasting van 18 ouE/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan indien drie veehouderijen gezamenlijk 18 ouE/m3 veroorzaken. Een overzicht van de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting in geurhinderpercentages1 en de milieukwaliteit is in onderstaande tabellen vermeld.
relatie
tot
de
1 De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie
beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking Wgv.
Pagina 29 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Voorgrondbelasting Met voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. De voorgrondbelasting is berekend met V-Stacks vergunning en bedraagt 1,5 ouE/m3, zie onderstaand de resultaten. Dit betekent een goed woon- en leefklimaat.
Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is niet berekend voor het opstellen van dit advies. Het aantal veehouderijen in de directe omgeving en het vergunde aantal dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld is zodanig gering dan een dergelijke berekening niet noodzakelijk is. Op basis van bovenstaande conclusies vormt het aspect bedrijven & milieuzonering geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 30 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudentie gelden aanvullende onderzoekverplichtingen. Planspecifiek
Figuur 12. Ligging plangebied in de aandachtsgebiedenkaart voor wegverkeerslawaai 2030. Rood is hoger dan 63 dB, donkergroen is 38-43 dB. De andere kleuren liggen binnen die range. (Bron: geoloket ODRU.nl)
Het westelijk deel van het plangebied (waar de woning komt) valt in bijgaand kaartje binnen het groen gearceerde gebied, waarbinnen de geluidsbelasting 38-43 dB is. De geluidbelasting op de voorgevel van de nieuw te realiseren woning bedraagt ten gevolge van het wegverkeer op deze weg dus maximaal Lden=43 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai van 48 dB, wordt voor deze woning niet overschreden. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
Ecologie Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsPagina 31 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
bepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 3.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Om te bepalen of de voorliggende ontwikkeling geen nadelige effecten voor beschermde soorten en of gebieden oplevert, is een ecologische quickcan door Watersnip uitgevoerd (zie bijlage 3). De conclusies van het onderzoek luiden: • Het plangebied heeft een directe relatie met het beschermde NNN-gebied, maar niet met Natura2000-gebieden (Natura2000, NNN-gebieden of ecologische verbindingszones). Er wordt geen schade toegebracht aan wezenlijke waarden of kenmerken van het NNN-gebied. Het plangebied is niet geschikt als foerageergebied voor de doelsoorten van de nabij gelegen Natura2000-gebieden. Schade aan Natura2000-doelsoorten is derhalve niet aan de orde.
Gezien het feit dat de agrarische bestemming met licht agrarische opslag wordt opgeheven is voldoende aangetoond dat er geen toename van stikstof zal plaatsvinden bij de ontwikkelingen in het plangebied (zie paragraaf 2.2.1 Interne saldering, pagina 9) • Voor een deel van de beschermde soorten (Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bosmuis, Bunzing, Egel, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Konijn, Ree, Veldmuis, Vos, Wezel, Aardmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis en Rosse woelmuis) geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming door de provincie Utrecht. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. • Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied.
De bebouwing is niet geschikt als broedlocatie voor de Gierzwaluw en nesten van de Huismus zijn niet aangetroffen. Andere jaarrond beschermd nesten, zoals nesten voor roofvogels en uilen zijn in het plangebied niet aangetroffen. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. • Bij de nauwkeurige dakinspectie van de bebouwing zijn geen oude of nieuwe nesten van de Huismus aangetroffen. Er zijn wel enkele huismussen aangetroffen in de haag met Haagbeuk. Voor de Huismus is het van belang dat de haag met Haagbeuk wordt herplant. Deze haag wordt gebruikt als schuilgebied voor predatoren. • De Kwabaal komt voor in de omgeving van het plangebied (1-5km). Het plangebied voldoet niet aan de leefomgeving van de Kwabaal. Er zijn tijdens de visinventarisatie geen beschermde vissoorten aangetroffen in de te dempen sloot. Er worden ook geen beschermde soorten verwacht door de matige waterkwaliteit met veel blad. • Uit de bureaustudie blijkt dat de Rugstreeppad (wnb-hrl / Rode lijst status ‘gevoelig’) voorkomt in de omgeving van het plangebied (0-1km). De Heikikker (wnb-hrl / Rode lijst status ‘thans niet bedreigd’) en Poelkikker (wnb-hrl / Rode lijst status ‘thans niet bedreigd’) komen voor in de
Pagina 32 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
•
•
•
•
•
wijdere omgeving van het plangebied (1-5km). Het plangebied voldoet niet aan de eisen voor deze soorten. De aanwezigheid van deze soorten worden niet verwacht binnen het plangebied. De beschermde Rugstreeppad is niet aangetroffen of te verwachten in het plangebied. Op het moment dat er werkzaamheden gaan plaatsvinden kan het plangebied mogelijk wel geschikt worden als voortplantings- en overwinteringsgebied voor de Rugstreeppad. Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Na het aanleggen van broeihopen heeft de heer Tober de Ringslang gesignaleerd in het plangebied. De plek waar hij broeihopen heeft aangelegd voor de Ringslang is dermate ver van het plangebied verwijderd dat er geen verstoring van de Ringslang zal plaatsvinden. Uit de bureaustudie blijkt dat de Boommarter (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) en Waterspitsmuis (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) voor kunnen komen in de omgeving van het plangebied (0-1km).
De Das (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘thans niet bedreigd’) en Noordse woelmuis (wnb-hrl / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) komen voor in de wijdere omgeving van het plangebied (1-5km). Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis (01km), Baardvleermuis en Kleine dwergvleermuis (1-5km). De gebouwen in het plangebied verkeren in een staat dat deze geen goed onderkomen bieden voor gebouwbewonende vleermuizen. De muren hebben geen spouw. De eventuele verblijfplaatsen onder de dakpannen staan onder invloed van wind en regen. De bomen die verwijderd zullen worden hebben geen holtes voor een verblijf voor boombewonende vleermuizen. Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Na het verwijderen van een minimaal aantal bomen blijft er genoeg foerageergebied aanwezig. Geadviseerd wordt om zo min mogelijk bomen te verwijderen en in plaats daarvan een aantal bomen op te kronen. Hiermee wordt mogelijk hetzelfde effect, dat nodig is voor het rieten dak en de zonnepanelen, bereikt..
Op basis van bovenstaande conclusies en aanbevelingen vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor de vaststelling het bestemmingsplan. 3.4.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van Pagina 33 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020). Planspecifiek In de QuickScan werd beoordeeld dat een stikstofberekening niet nodig is. In overleg met de gemeente is toch besloten om een Aeriusberekening uit te voeren. Om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling geen belasting voor nabijgelegen natuurgebieden oplevert door extra stikstofbelasting is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 4.
De samenvatting en conclusie van het onderzoek luidt: De Aeriusberekening is uitgevoerd om te bepalen of sloop van een opslagschuur/woning en nieuwbouw van een woning aan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis geen nadelige effecten oplevert voor Natura 2000gebieden in de omgeving. In de nabije omgeving ligt het natuurgebied Oostelijke Vechtplassen op ca. 1 km afstand. Op 8 km is het gebied Botshol gelegen. Er is door middel van de Aeriuscalculator bepaald of de stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden of verder gelegen gebieden hoger is dan de maximaal toegestane waarde van 0,00 mol/ha/j. Voor het invoeren van de gegevens is uitgegaan van de sloop van een tot woning verbouwde opslagschuur en de nieuwbouw van één woning. Er is gerekend met het extra verkeer naar de bouwplaats voor personeel en materiaal. Ook is het gebruik van een hijskraan en laadschop/graafmachine op de bouwplaats meegerekend. Daarnaast is het verkeer in de gebruiksfase meegerekend omdat een nieuwe woonbestemming betreft. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. De conclusie is dat voor alle onderdelen de activiteit niet leidt tot een toename van stikstof op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Er is voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Het aspect stikstofdepositie op natuurgebieden vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Pagina 34 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een woning ter plaatse van een opslagschuur. Om te bepalen of de milieu-hygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is een bodemonderzoek uitgevoerd door Inventerra, zie bijlage 5. De conclusie luidt als volgt: Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk onverdacht voor bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • In de zandige bovengrond (MM1) zijn lichte verontreinigingen aangetoond met zink, kwik, lood en PAK. • In de kleiige bovengrond (MM2 en MM3) zijn lichte verontreinigingen aangetoond met lood, zink en kwik. • De zandige ondergrond bij boring 01 direct achter de woning (MM4) is sterk verontreinigd met koper, lood en PAK, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met minerale olie en enkele overige zware metalen. • De kleiige ondergrond (MM5) is licht verontreinigd met enkele zware metalen. • Bij het uitgevoerde aanvullend (inkaderend) onderzoek ter plaatse van en rondom boring 01 zijn zowel verticaal als horizontaal ten hoogste lichte verontreinigingen met zware metalen en/of PAK vastgesteld.
• In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 01) zijn licht verhoogde concentraties barium en naftaleen aangetoond. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ verworpen te worden, vanwege de aangetoonde verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater. De licht verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. Ten aanzien van de matig tot sterke verontreiniging met PAK en zware metalen in de ondergrond ter plaatse van boring 01 kan geconcludeerd worden dat sprake is van een “spot” met een beperkte omvang, aangezien bij het inkaderend onderzoek zowel verticaal als horizontaal geen sterke verontreiniging meer is vastgesteld. De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend. De aangetoonde verhoogde gehalten in de overige mengmonsters zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. De gemeten gehalten komen overeen met de verwachting op basis van de bodemkwaliteitskaart, te weten “Industrie”. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
De omgevingsdienst geeft aan dat aangezien de grond aanzienlijk sterker verontreinigd is dan de directe omgeving, deze grond op basis van het zorgplichtbeginsel uit de Wet bodembescherming (artikel 13), bij vrijkomen niet op de locatie mag worden hergebruikt. Indien deze grond vrijkomt dient de grond derhalve te worden afgevoerd naar een daartoe geschikte bestemming (grondreiniger of stortplaats of bestemming voor hergebruik elders). Hoewel er conform de Wet bodembescherming geen sprake is van een saneringsplicht, kunnen de verontreinigingen kunnen in de toekomst belemmerend werken bij grondverzet. Daarnaast kan het een negatief effect hebben op de waarde van de grond. Daarom is het wellicht zinvol om de voorkomende matige en sterke verontreinigingen toch te verwijderen (saneren). Bovenstaande opmerkingen in acht nemende, vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de woonbestemming.
Pagina 35 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
Toetsing van
Grenswaarde
Stof Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 50 µg / m³ keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³ In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming voor het oprichting van één burgerwoning op een bestaand agrarisch bouwvlak De ontwikkeling blijft ruim onder de NIBM-norm en nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Aanvullend is bepaald wat de huidige luchtkwaliteit is in en nabij het plangebied. Hiervoor is de website luchtmeetnet.nl geraadpleegd. Navolgende afbeeldingen tonen de meetresultaten ten aanzien van fijnstof en stikstofdioxide in 2018.
Pagina 36 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Figuur 13. Van boven naar beneden: concentratie stikstof (NO2), concentratie fijnstof PM2.5 en concentratie fijnstof PM10. Plangebied nabij zwarte pijl. (Bron: NSL Monitoringstool)
De stikstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van stikstof onder de 35 µg/m³ aanwezig is. De fijnstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van fijnstof PM 2,5 onder de 20 µg/m³ aanwezig is en een concentratie van fijnstof PM 10 onder de 35 µg/m³ . Deze waarden blijven ruim onder de grenswaarden. Geconcludeerd kan worden dat de bestaande en toekomstige luchtkwaliteit voldoende is. Het plan blijft onder het NIBM-criterium. Tevens zal het beëindigen van de agrarische activiteiten en het omzetten naar de functie ‘wonen’ leiden tot minder vervoersbewegingen en daardoor tot een verbetering voor wat betreft de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
Pagina 37 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
•
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.
Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke Pagina 38 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er Externe Veiligheidsrisico’s zijn is de risicokaart van de provincie geraadpleegd.
Figuur 14. Uitsnede risicokaart. Plangebied nabij pijl. (Bron: IPO)
Transport gevaarlijke stoffen en buisleidingen Er zijn geen transportroutes of buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied.. Bevi-inrichtingen en overige veiligheidsrisico’s Er zijn eveneens geen bevi inrichtingen of overige bedrijven met relevante veiligheidsrisico’s in de omgeving. Elektromagnetische straling Uit de gegevens op de website van het antenneregister (www.antenneregister.nl) blijkt dat in het plangebied een zendmast aanwezig is. Een straalverbinding, ook wel vaste verbinding of point-to-pointstraalverbinding genoemd, is een communicatieverbinding die gebruikmaakt van radiogolven. Een vaste verbinding wordt altijd opgezet tussen twee vaste punten: een zend- en ontvangstantenne. Deze zijn bevestigd aan een mast of op een gebouw. Omroepen en providers maken vooral gebruik van deze verbindingen. In het bestemmingsplan is de vaste verbinding gelijk als in de bestaande situatie mogelijk gemaakt in de planregels. Er gelden geen overige randvoorwaarden of risico’s die van toepassing zijn op het plan.
Pagina 39 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Figuur 15. Overzicht bronnen elektromagnetische straling. (Bron: antenneregister.nl)
Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Archeologie Per 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet, één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Deze Wet vervangt de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (over behoud en beheer van het archeologische erfgoed) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De bescherming van archeologische waarden wordt door de Erfgoedwet grotendeels bij de gemeenten neergelegd. Gemeenten zijn sinds 2007 verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. De bescherming van archeologische waarden krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Daarnaast zijn op basis van de Erfgoedwet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Voor de zone tussen de Mijndensedijk en het bouwvlak geldt de dubbelbestemming ‘Waarde archeologie 4’.
Deze bestemming wordt consoliderend overgenomen in deze partiele herziening van het bestemmingsplan. Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 4’ vinden geen bouwactiviteiten plaats in het kader van de partiele herziening.
Pagina 40 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Figuur 16. Uitsnede kaartbijlage 4b bij Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Stichtse Vecht
Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Pagina 41 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden, en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen.
Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Keur AGV In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee willen we de volgende doelen bereiken: • • •
schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren sterke dijken tegen overstromingen gezonde waterplanten en vissen
De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken. En welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. Pagina 42 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Planspecifiek Voor het plangebied is de Keur AGV 2019 van toepassing. Watercompensatie Bij de voorgestane ontwikkeling neemt de verharding op het perceel neemt niet toe. Het grondoppervlak van de woning neemt met ca. 87 m2 af, zie onderstaande figuur. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.
Figuur 17. Plattegrond bestaande en toekomstige bebouwing (Bron: architect Remco Gonggrijp)
Materialen Het gebruik van uitloogbare materialen zal in het plan zo veel mogelijk beperkt worden. Er zullen geen uitlogende materialen gebruikt worden waardoor oppervlaktewater via hemelwaterafvoer verontreinigd kan worden. Waterkering en of watergangen Een bestaande sloot wordt verlegd. De nieuwe sloot zal gegraven worden alvorens de bestaande sloot gedempt wordt. Het areaal oppervlaktewater zal door het aanleggen van de meanderende sloot toenemen. In de bestaande situatie heeft de sloot een oppervlakte van 60 m2, de nieuwe sloot wordt 90 m2. Het talud van de nieuwe sloot zal voor zover mogelijk flauw (1:3 of flauwer) aangelegd worden ten behoeve van natuurvriendelijke oevers. Het westelijk deel van het plangebied ligt in of een waterkering. Het plan houdt geen wijziging van de waterkering of onderhoudbaarheid van de waterkering in. Waterafvoer Het afvalwater van de woning zal op de bestaande riolering aangesloten worden. Het hemelwater zal afgekoppeld worden en naar de sloot geleid worden. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 43 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er als gevolg van de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Planspecifiek Voor een vrijstaande woning in buitengebied is de parkeernorm maximaal 2,8 pp. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om in de parkeerbehoefte te voorzien. Het aspect Verkeer en Parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Duurzaamheid Provinciaal beleid De provincie stelt in de provinciale interim omgevingsverordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: • het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; • energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Ambitie gemeente In het addendum op het collegewerkprogramma is de ambitie vastgelegd om in 2040 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2040 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt.
Woonvisie 2017-2022 • In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. • De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. • Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Opties voor verduurzaming: • Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen.
Pagina 44 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
•
•
•
•
Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. Een collectieve bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden. Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonne-energie zal functioneren. Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting.
Planspecifiek Voorliggend plan zal vanzelfsprekend voldoen aan de BENG normen uit het bouwbesluit. Daarnaast zal de woning gasloos en CO2 neutraal functioneren door middel van zonnepanelen en een warmtepomp. Bij de realisatie van de woning zal, op basis van het programma GPR-gebouw voor de thema’s Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde minimaal een score van gemiddeld acht behaald worden.
Pagina 45 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
4 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan ‘partiële herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied Noord, Mijndensedjk 45 Nieuwersluis’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het wijzigen van de bestemming Agrarisch met waarden naar de bestemming Wonen. Het bestaande bouwvlak voor Agrarisch wordt gewijzigd om de nieuwe te bouwen woning op de locatie mogelijk te maken. Het bouwvolume neemt daarbij niet toe. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Landelijk Gebied Noord’. Ook zijn de vereisten die de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening aan een bestemmingsplan stellen als uitgangspunt gehanteerd. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel is bebouwing uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene afwijkingsregels; Pagina 46 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
• •
algemene wijzigingsregels; overige regels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch met waarden De bestemming Agrarisch met waarden is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied Noord. De bestemming is veréénvoudigd omdat er in dit wijzigingsplan geen bouwvlak aanwezig is in de bestemming Agrarisch met waarden. Daarom komen veel regels te vervallen. Artikel 4 Tuin De bestemming Tuin is overgenomen uit het nabij gelegen ontwerpbestemmingsplan Nieuwesluis. De bestemming is veréénvoudigd omdat een aantal functieaanduidingen en de daarbij behorende bouwregels niet van toepassing zijn op deze locatie. Deze bestemming is opgenomen om het bouwvolume aan bijgebouwen te beperken en op een specifieke locatie in het plangebied toe te staan. Artikel 4 Recreatie De bestemming Recreatie is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied Noord. De bestemming is veréénvoudigd omdat een aantal functieaanduidingen en de daarbij behorende bouwregels niet van toepassing zijn op deze locatie. Daarom komen veel regels te vervallen. Artikel 5 Wonen De bestemming Wonen is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied Noord. De bestemming is aangepast zodat de beoogde ontwikkeling uitvoerbaar is binnen het plan. De bestemming Wonen maakt één woning mogelijk.
Voorts is bedrijf aan huis mogelijk en een Bed en Breakfast. Dit volgt eveneens uit het vigerende bestemmingsplan. In het plan is ook opgenomen dat ondergrondse bebouwing niet meegeteld wordt in het bebouwingsoppervlak. Artikel 6 Waarde – archeologie 4 Deze dubbelbestemming geeft aanvullende voorwaarden voor werkzaamheden in de bodem op de enkelbestemmingen om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. De indeling naar waarde komt overeen met de verwachtingswaarde zoals die voor het gemeentelijk grondgebied onderzocht is. Per archeologische waarde worden verschillende beschermingsniveaus voorgeschreven. In voorliggend plangebied komen enkel de Waarde Archeologie 4 voor. Artikel 7 Waarde - cultuurhistorie 1 en 4 – Waarde - Landschap Deze dubbelbestemmingen geven aanvullende voorwaarden voor werkzaamheden op de enkelbestemmingen die aantasting van de cultuurhistorische waarde kan inhouden. In de dubbelbestemming Waarde – Landschap is bijvoorbeeld de plek en het totale oppervlakte aan bijgebouwen geregeld om aantasting van het waardevolle landschap te beperken. In hoofdstuk 2 en 3 is toegelicht hoe rekening is gehouden met deze waarden en dat er dus geen strijdigheid ontstaat met deze dubbelbestemmingen.
Pagina 47 Bestemmingsplan Mijndensedijk 45 te Nieuwersluis
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. Er wordt een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s gedeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor zover relevant voorgelegd aan de betrokken diensten van het rijk, waterschap en gemeente. Zowel het waterschap als de provincie hebben inhoudelijk gereageerd op het plan. Beide opmerkingen betroffen verduidelijking of actualisering van het beschreven beleid en de beschreven maatregelen. De toelichting is hierop aangevuld. De planregels en verbeelding van het bestemmingsplan zijn niet gewijzigd. Tijdens de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb wordt het plan ter inzage gelegd. Een ieder wordt gedurende deze periode in de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen.